Komt allen tot ons!

Afgelopen zaterdag was ik – na enig eenzijdig overleg – ingeroosterd voor de open dag van het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik mijn centjes pleeg te verdienen. Om foto’s te maken en te filmen, want een beeld zegt vaak meer dan 100 open dag-woorden.  De dreigende woorden van onze minister van onderwijs en die van de geachte heer Elias indachtig, offerde ik mijn vrije zaterdag met blij gemoed op. Niet dat ik gestaakt had of zo – daarvoor hebben we het hier veel te druk – , maar gewoon omdat het leuk is om te doen en ik tijdens de volgende open dag op kosten van de school een weekje op Malta mag doorbrengen, en daarvoor wil ik op mijn vrije zaterdagen wel heen en weer reizen. Dat brengt het totaal van ingeleverde zaterdagen al wel weer op drie trouwens.

Jaloerse lezertjes, of meneer Elias, zullen zich afvragen of ik die week niks beters te doen heb, maar ook die dagen worden aan onderwijs besteed, en ik zeul nog een extra grote hutkoffer mee gevuld met achterstallig nakijkwerk. Dat kan ik daar dan mooi ‘s nachts en tijdens het vliegen doen. Een Europees potje zorgt ervoor dat ik mijn Engelse taal op een nog wat hoger niveau kan brengen, want om hoog op de Pisa-ranglijst ( voor de niet-onderwijsleken: een soort top 2000 aller tijden maar dan voor onderwijs ) moet je natuurlijk ook investeren in tweetalig onderwijs.

Mijn liefde voor het vak en mijn angst voor de heer Elias kostten mij afgelopen voorjaar al bijna het leven toen ik in Finland ( ook weer Europees geld ) een ICT-nascholing volgde, die mij een soort longembolie opleverde. Trouwe lezertjes weten waar ik op doel en de anderen moeten maar even zoeken.
Nu vind ik reizen gelukkig heel erg leuk, en niets is zo verrijkend voor een docent om je vleugels af en toe in een andere cultuur te mogen uitstrekken. Je legt leuke contacten, doet een schat aan ervaringen op en je gaat na terugkomst vol energie weer aan de slag. Daar teer je meer dan een jaar op. Bovendien schept zoiets een extra band met je school. Ons geachte kabinet zou de waardering voor de docent een behoorlijke oppepper kunnen geven door hem of haar eens een keertje naar een cursus in het buitenland te sturen. Daar offert men volgens mij graag een weekje vakantie voor op, en zo ziet ook het gewone voetvolk binnen de school eens wat anders dan het klaslokaal, en ervaart het wat veel colleges van bestuur of andere managementslagen als al niet meer dan normaal beschouwen.

De docent lijkt momenteel onderwerp van een heksenjacht van in hun ego aangetaste politici en bewindslieden die onbezonnen plannen zonder overleg willen doordrukken. Resultaat is dat inmiddels iedereen kijvend in de gordijnen hangt en elk negatief bericht over onderwijs wordt uitvergroot tot het formaat van een olifant waar iedereen op staat te schieten.

Wie nog in het onderwijs gaat is een sukkel, en wie er al in zit is een nog grotere. Dat lijkt een beetje de teneur. Toch leuk dat al die sukkels  op hun vrije zaterdagen nog wat leerlingen en ouders binnen de school proberen te trekken, en toch leuk dat zoiets nog uitstekend lukt ook. Wij hadden er afgelopen zaterdag op één locatie bijna 2000. Blijkbaar krijgen leerlingen graag les van sukkels, of het nou in 1000, in 500 of in 1040 uur  gebeurt. Les is niet meer wat wij vroeger hadden: een uur in een lokaal, keer een aantal dagen keer een aantal weken, resulterend in een onwrikbaar getal. School is een totaalbeleving, die zich ook uitstrekt ná een lesdag van negen tot vier. Je ziet dat leerlingen op de meest krankzinnige tijden aan het werk zijn in een electronische leeromgeving, je krijgt mailtjes binnen die in de vakantie, in het weekend of diep in de nacht verstuurd zijn. Of je maar even snel wilt reageren, meneer! De ene wil het zus, de andere wil het zo en de meesten krijgen het nog voor elkaar ook.

Docent zijn is een zwaar beroep. Heel zwaar. Gelukkig hebben we als tegenprestatie ook een leuk beroep, en dat merk je bijvoorbeeld wanneer je twee bonken van puberknapen, van het soort die je niet in een donker steegje zou willen tegen komen, een geanimeerd gesprek hoort voeren over dat ze het vroeger toch zo leuk vonden om naar Barbapappa en Flubber te kijken.
Ik zelf was vroeger gekluisterd aan de eerste avonturen van Ivanhoe of van Pipo die in een bordkartonnen grot spannende onderwater-avonturen, gelardeerd met zeepbelletjes beleefde. Nu slachten ze in hun eentje achter het computerscherm hordes buitenaardse wezens af, de moderne Pip, zeg maar. En dat tot drie, vier uur in de nacht, maar eigenlijk is er aan onze schoolbevolking zelf niets veranderd in al die jaren: het zijn nog steeds kinderen, die ook nog eens best wat willen leren, hoewel dat niet altijd even makkelijk lijkt te gaan. Een beetje meer steun en begrip kunnen we daar dus wel bij gebruiken.

 

Share

 


School: de tijd van je leven

Antieke lieden zoals ik plegen nogal eens te roepen: de schooltijd is de mooiste tijd van je leven. Zoiets lokt in de klas niet zelden enige hoon uit, een enkeling is het er echter wel mee eens. Kom je later op een reünie, dat zijn de meesten het echter wèl met je eens. De school is een zorgeloze tijd, hoewel het geween en tandengekners bij het opgeven van toetsen of anderszins lastige taken het tegenovergestelde doet vermoeden. Nergens kun je zoveel lachen als op school, nergens heb je zo veel vrije tijd als op school, en nergens wordt het je zo gemakkelijk gemaakt om tot je recht te komen als op school.

Tenzij je natuurlijk de pech hebt om een beetje anders dan de anderen te zijn: je denkt bijvoorbeeld wat minder snel, je hoort of ziet wat minder goed, je spelt of je rekent niet zoals het zou moeten. Je zit in een verkeerd lijf.  Je hebt een rugzakje ( voor de niet ingewijden: een probleem of eigenaardigheid die extra zorg of aandacht vereist, of extra begeleiding, en vaak ook extra geld ). Tegenwoordig is dat inderdaad nogal pech, om niet te zeggen: een ramp voor sommigen. De regering maakt keuzes, en wanneer je moet kiezen tussen het steunen van een multinational, een JSF, een plan om nog harder te gaan rijden tegenover een kind wat voor een dubbeltje is geboren en nooit een kwartje zal worden, dan is de keus snel gemaakt. We willen rendement, opbrengst, en vooral meetbare cijfertjes, cijfers waarmee je voor de dag kunt komen, liefst zo hoog en zo veel mogelijk. En ja, dan tikken de dubbeltjes niet echt mee. Soms lukt het om zo’n kind in plaats van een dubbeltje, met veel geduld en moeite, een bedragje van twaalf cent te laten worden. Een prestatie van formaat voor zo’n kind. En soms lukt zelfs dat niet, maar leren we het kind wèl zichzelf gelukkig te voelen en zichzelf een plekje te geven met niet meer dan dat ene dubbeltje. Helaas, we doen niet meer aan centen, in onze kenniseconomie. We scoren er niet mee op de Pisa-ranglijst, en weet je wat, we brengen ze gewoon onder in een klas met kwartjes,en wanneer de verplichte onderwijstijd voorbij is, zijn we er van af.

Schooltijd, de mooiste tijd van je leven, kan voor sommigen ook de vreselijkste tijd van je leven worden, of erger nog, het begin ervan. Wanneer je een rugzakje hebt, en die rugzak al te letterlijk een loden last gaat worden in een steile tocht hard hollend naar de top.  Iedereen holt door, en jij blijft achter in een onbegaanbare harde wereld van grijze rots. Wanneer je gepest wordt, bijvoorbeeld, ook dat is een rugzak die je niet even kunt afgespen.

We kennen het allemaal wel , we zijn allemaal wel eens gepest, vooral in onze kindertijd. Het kan je humeur een paar uurtjes verknallen, en dan pak je de draad weer op. Kinderen zijn lief en leuk, maar soms zijn kinderen oneindig wreed, en die wreedheid wordt subtieler naarmate ze ouder worden. Nu werk ik op een school waar eigenlijk nooit gepest wordt, en voor een MBO is dat redelijk uniek te noemen. We hebben zelden knokpartijen, ruzies, vernielingen of diefstal, er zijn geen bewakingspoortjes en we horen het elke keer weer: we zijn qua sfeer een verademing vergeleken bij de vorige opleiding. Nu zal ik bij hoge uitzondering de naam ook maar even noemen: Het AOC Groenhorst College in Barneveld.

Hoe komt dat? Onze schoolbevolking bestaat voor driekwart uit meiden. Wie mij kent, weet dat ik thuis drie dochters en een vrouw heb, en men zal zich dus afvragen wat mij bezielt om dan ook nog eens te gaan werken op een school met zoveel meiden. Ik lijd al zo vreselijk, tenslotte.  Uit het grafiekje blijkt namelijk, dat meiden veel erger zijn dan jongens, hoe gruwelijk moet het op die leeftijd voor mij dan wel niet zijn.
Kreeg een kind vroeger een mep of smeten ze de tas door het lokaal, of stonden ze het kort na schooltijd in een dreigend groepje op te wachten, dan kon het zich daar nog wel enigszins tegen beschermen. Nu ga je op Twitter of op Facebook aan de schandpaal. De hele wereld kan meegenieten. Men kijkt ongeveer live op YouTube mee hoe je graaiend achter je spullen aanholt. Een digitale schuilnaam is snel gemaakt, om je vervolgens alles wat gruwelijk, ziek en lelijk is toe te wensen. Heb je al geen vrienden in het echte leven, wanneer je er maar twee of drie hebt op Facebook of daar zelfs helemaal niet meer durft te komen, is je probleem nog groter.

Bij ons op school valt dat dus reuze mee. Het heeft iets te maken met ons lesaanbod, denk ik. Wij geven opleidingen in dierverzorging. Gebeurt daar dan nooit narigheid? Jazeker wel. In de meeste gevallen is die narigheid echter al gebeurd in de tijd die vooraf ging aan onze opleiding. En daarom kiezen ze dan vaak voor ons. Een dier kun je vertrouwen, een mens niet. Geen best uitgangspunt, vind ik, maar wel een gegeven waar je als docent serieus werk van moet maken en aandacht aan moet schenken. Een toch wel behoorlijk aantal leerlingen heeft dingen meegemaakt die nog steeds hun leven volledig beïnvloeden. Een mooie meid die nooit meer durft uit te gaan. Een ander die later uitsluitend in haar eentje met honden of katten wil werken, als ze al op zoek durft te gaan naar een baantje.  We proberen zo goed als het kwaad hen allemaal een veilig onderkomen te geven, maar je houdt je hart vast wanneer je sommigen dan na enkele jaren met het papiertje op zak ziet vertrekken, naar de wereld die op hen wacht. Je had meer tijd willen hebben. Geen lestijd, maar praattijd, en luistertijd en vooral tijd om zakdoekjes aan te reiken bij de vele tranen die ik in mijn kantoortje heb zien vloeien.

Die wereld kan uitnodigend zijn, maar ook dreigend en wreed. Je zou ze daar veel beter op voor willen bereiden, vooral diegenen, die geen kwartje zijn , maar zweven tussen de tien en twaalf cent. Helaas, het is steeds meer roeien met de riemen die we hebben, tegen de stroom in van een wereld waarin het alleen nog om getallen en prestaties gaat. Ik vind twaalf cent ook een hele prestatie. Ook daarom wordt er in het onderwijs gestaakt; met meer uren krijg je niet betere cijfers, en met meer administratieve rompslomp ook niet.  Met meer aandacht krijg je wel betere leerlingen, met cijfers die niet in een rapport zijn uit te drukken, maar die wel heel belangrijk zijn. Een tien voor geluk, wat dacht je daarvan.  Zo wordt die schooltijd toch ook nog de  leukste tijd, ook voor een leerling die met een sticker “Afgeprijsd” door het leven moet.

Share

 


Onderwijsvernieling ja of nee

Op Twitter barstte op Nieuwjaarsdag een discussie los over een artikel op de site van Kennisnet; dat lijkt al in juni geplaatst, maar in het onderwijs gaan de ontwikkelingen gelukkig soms toch nog wat minder snel dan iedereen denkt, dus nu pas vliegen diverse lieden elkaar in de haren. Voor wie geen zin heeft om op de link te klikken: het komt er op neer dat de auteur een pleidooi houdt voor een minder krampachtige houding tegen het gebruik van mobieltjes in de klas. Niet iedereen is het daar mee eens. Men krijgt al genoeg onderwijsvernieuwing over zich heen, en de frustratie richt zich onder andere op het feit dat die vernieuwing vaak door mensen langs de zijlijn van het onderwijs wordt bedacht.
Nu werk ik al weer zo’n 35 jaar in het onderwijs, voornamelijk als docent, en ik kan dus wel zeggen dat ik toch minstens 35 onderwijsvernieuwingen heb moeten slikken. De meeste pakten niet goed of desastreus uit, en wanneer je ziet dat het kennisniveau de afgelopen 35 jaar met sprongen achteruit is gegaan, dan kan ik me voorstellen dat je niet op nóg een verdere aantasting van de nu langzamerhand rudimentaire vaardigheden zit te wachten. Mobieltjes, social media, de ICT; ze worden door veel mensen in het onderwijs als een bedreiging gezien. Er zijn op scholen in de afgelopen decennia werkelijk miljoenen over de balk gesmeten aan allerlei ict-projecten en in een tijd van voortdurende bezuinigingen en daardoor verdere afbraak van het onderwijs is zoiets frustrerend. De wrevel is begrijpelijk. Wie zoals ik tot de groep van “ICT-nerds” of – iets positiever -” ICT-voorlopers” binnen de school behoort, moet oppassen niet in de valkuil van “ICT in de klas is toch vanzelfsprekend en leuk!” te trappen. Ik kan mijn vrouw niet kwader krijgen dan als antwoord op een computerprobleem te beginnen met “Nou, gewoon”.

Het feit dat onze leerlingen de hele dag door ongeveer vergroeid lijken met hun mobieltjes, wil nog niet zeggen dat zoiets in de klas dan ook maar “gewoon” en “leuk” moet zijn. Docenten, én leerlingen,  zijn geen lemmingen, hoewel het daar vaak steeds meer op begint te lijken. ICT-voorlopers zijn snel geneigd om dingen als vanzelfsprekend te beschouwen die door veel collega’s nog als iets buitenaards worden gezien.  Het past dan niet om die collega’s af te schilderen als halsstarrige mastodonten die elke verandering tegenhouden.

Een instantie als Kennisnet propageert al jaren het gebruik van ICT in de klas maar of dit nu geleid heeft tot zoveel betere onderwijsprestaties is nog maar de vraag. Natuurlijk, er zijn zat onderzoeken waarin een verbetering wordt aangetoond, maar zo kun je evenveel onderzoeken opvoeren waaruit het tegendeel blijkt. Het gaat altijd om deelgebieden, bij specifieke groepen gebruikers, met specifieke wensen en vaardigheden. Je voelt je langzamerhand als school of als docent een beetje schuldig wanneer je nog niet met een digiboard werkt en wanneer je nog ouderwetsch de lesdag in groep 8 besluit met voorlezen uit een spannend boek in plaats van met het klassikaal bekijken van een filmpje op YouTube.
Het scheelt ook nogal of  je voor een klas met HBO-leerlingen of een klas met VMBO-leerlingen staat. Probeer die laatsten maar eens van het voortdurend controleren van de updates op Hyves en Facebook af te houden. Het is verschillend publiek, en dat heeft verschillende benaderingen nodig.  Ga een VMBO-docent dus vanuit een redelijk luxe positie als HBO-docent of onderwijs-adviseur niet met een blij gezicht vertellen dat hij z’n klas in een achterstandswijk de hele les door moet laten pielen met het mobieltje, omdat dat zoveel meerwaarde heeft en omdat die man of vrouw met de tijd mee moet gaan.

We moeten niet klakkeloos achter en alle gadgets aanhollen en daarbij de onderwijsrealiteit uit het oog verliezen. Kennisoverdracht via het mobieltje en social media  kan vreselijk leuk zijn, kan daadwerkelijk iets toevoegen, maar dring het niet op en presenteer het vooral niet als de ultieme onderwijsvernieuwing.  Dat hebben we inmiddels vaak genoeg gehoord. Ik word vaak genoeg door mijn leerlingen teruggefloten wanneer ik weer begin over twitter in de les en wanneer ik al te enthousiast van de ELO gebruik maak. Leerlingen en docenten, die vormen eigenlijk een behoorlijk behoudend volkje. Laten we daar maar een beetje rekening mee houden. ICT-bescheidenheid siert de mens.

Share

 


Top 2000

Het leven zou je kunnen vergelijken met een grote verzameling wisselend gevormde stenen en steentjes van wisselende samenstelling. Er zitten bakstenen tussen, kiezels, grint, en – een beetje afhankelijk van wat je zo hebt meegemaakt en uitgespookt – edelstenen of lelijke brokken puin. Dat alles bij elkaar vormt een fundament waar je op verder bouwt, waarbij je hopelijk niet te veel te lijden hebt van verzakkingen, aardbevingen of andere zaken die verstorend werken. het zijn niet alleen stenen; er zijn ook geuren, beelden en geluiden die het huis maken zoals het er nu uit ziet. Het ene kan niet zonder het andere, bij mij althans. De bouwstenen associeer ik met geuren, met beelden, met muziek. Vooral dat laatste is aan het einde van het jaar een waar genoegen, wanneer de Top 2000 tot Nieuwjaarsdag aan het oor voorbij trekt. Nu zijn er mensen die niet tegen geluid kunnen, en al helemaal niet tegen popmuziek.
Nu is Wauwel op een leeftijd gekomen dat zo’n beetje alle nummers uit die Top 2000 wel meer of minder bekend klinken, en het is verbazingwekkend hoe je tekst van sommige liedjes nog woordelijk kunt meezingen. Onderwijs zou eigenlijk zingend gegeven moeten worden: we zouden met sprongen op de Pisa-ranglijst stijgen. Die Top 2000 is eigenlijk niets anders dan het openen van een doos gevuld met herinneringen, die je meevoeren naar de diamanten in je leven. Bordewijk kon het in Karakter niet mooier zeggen: “Want wat de edelstenen van het zieleleven betreft, is de mens een vrek: hij bekijkt ze eenzaam in de bankkluis van zijn hart, bij het licht van zijn herinnering”

Een zomer op het Bloemendaalse strand, begin jaren ’70, Radio Veronica maakt reclame met vliegtuigjes in de lucht, je luistert op een transistorradio naar “Riders on the Storm” van  The Doors, naar “Cecilia” van Simon and Garfunkel, de toekomst lijkt eindeloos ver weg maar o zo lonkend. Op de schoolavond staar je wanhopig  verliefd en machteloos naar die afschuwelijke gozer die op de klanken van “Samba Pati” van Santana het object van jouw hopeloze puberdromen in z’n smerige klauwen sluit.
‘s Nachts scheur je door de duinen op je aftandse en zwaar opgevoerde, paarse Mobylette met hoog chopperstuur ( een Puch kon ik niet betalen ) , met in je hoofd “Spirit in the sky”, van Norman Greenbaum, na je allereerste tongzoen, die onvergetelijk in mijn geheugen gegrift staat.  Tijdens je eerste jaren voor de klas klinkt tegen de Kerst in het lokaal waar de kerstviering plaats vindt: “Last Christmas” van Wham; een afschuwelijk nummer eigenlijk, maar het brengt je elke keer weer terug naar die intense beginjaren van je onderwijscarrière die toen nog een carrière kon zijn en dus een vèt nummer.  En bij het oplopen van het Malieveld echoode uit de luidsprekers “Human Nature”, een stralende zaterdag in Den Haag waar je met honderdduizenden demonstreerde tegen de kruisraketten.

Dat soort herinneringen, daar lenen zich geen Bach of Mozart voor, niet bij mij tenminste. Die leveren ook associaties, maar op de een of andere manier hebben die niet die intensiteit die popmuziek bij je oproept, terwijl het toch bijzonder aangenaam en vooral rustgevend kan zijn om daarnaar te luisteren. Alles op zijn tijd.

Nu zijn er ook lieden, die tot het hoogste cultureel erfgoed de muzikale oprispingen van bijvoorbeeld  Zanger Rinus rekenen, en die dan genieten van gruwelijkheden als “Met Romana op de scooter“. De herinneringen, voor zover je daar met dat soort klanken last van kunt hebben – beperken zich dan vermoedelijk tot – ik citeer even - “de bloedmooie Romana die met haar sensuele dans de show steelt. Onvergetelijk!” Vergeet vooral niet te kijken. Gezien het grote aantal PVV-stemmers moet een flink deel van de Nederlandse bevolking zich hier intens gelukkig bij voelen, hetgeen weer een hevig verlangen bij mij oproept om de rest van mijn leven bij de aboriginals en hun indringende muziek door te brengen.

Bach en Mozart beleef je vanuit je luie stoel, ( Bij zanger Rinus-liefhebbers is die denkelijk bekleed met hysterisch bloemmotief met schroeiplekken van ontelbare sigarettepeuken en van een automatisch opsta-mechanisme voorzien ) of beschaafd luisterend in een concertgebouw. Ze brengen je niet in een tijdmachine terug, waarbij je met gesloten ogen alles weer opnieuw beleeft waar je vroeger eigenlijk de tijd niet voor nam. Bij Bach en Mozart heb ik niet de neiging om stiekem, wanneer niemand dat ziet en er geen gezinsleden met zet-gelijk-op-You-Tube-mobieltjes in de buurt zijn, als een bezetene door de kamer te springen, playbackend met de afstandsbediening. Toch stiekum een popster, alle hopeloze verliefdheden uit de puberteit sublimerend. Muziek, de Top 2000, maakt je weer een beetje kind, of kinds, zo kritische lezertjes willen. Misschien heb ik die puberteit wel nooit afgeleerd eigenlijk. Deze week dus heerlijk zwelgen, en in het nieuwe jaar weer precies weten hoe je leerlingen zich voelen, wanneer ze met hun oordopjes wezenloos vergroeid lijken te zijn. Dat is toch wel een van de grote voordelen van het onderwijs: je blijft altijd een beetje in die sfeer, en je wordt er beslist niet ouder bij.

Straks om 12 uur dus Queen, niet mijn groep en niet mijn nummer. Ook geen herinneringen bij en dan blijft zo’n nummer een grof stuk steen, hoewel een ander daar weer een diamant in ziet. Dat is het aardige en het fascinerende van muziek. Nee, doe mij dan maar een flonkerend kristal als dit:

YouTube Preview Image

Share

 


Puppycursus ( Hond, deel 2 )

Wauwel is sinds enige weken eigenaar van een hond, kruising rottweiler, herder, bordercollie en Friese Stabij of zoiets. Een soort staatssecretaris Bleker, maar dan in hondenvorm, dus. Het beestje is inmiddels 10 weken oud, en nadat de eerste honderden euro’s er doorheen zijn gejaagd en omgezet in hond zelf, in voer, bench, varibench, beloningssnoepjes en vooral heel veel poepzakjes, mocht ik gisteravond nog even 85 euro aftellen tijdens les 1 van 10 van de puppycursus.

Deze werd gegeven op het veldje achter gebouw zus en zo, aanvang half acht ‘s avonds. Meenemen: snoepjes, zakjes voor eventuele “ongelukjes”, een doekje om op te zitten ( de hond ), het vaccinatiepaspoort en “een liefste speeltje van uw huisdier”.  Nu heeft onze spruit gedurende de twee weken dat hij nu in ons midden is de onhebbelijke eigenschap ontwikkeld eigenlijk niet echt mee naar buiten te willen, tenzij gedragen, en het in de auto krijgen was dan ook een hele toer. Nu had ik de hele achterbak wel kunnen vrij maken voor een bench in het formaat van een flinke scootmobiel, maar dat is ook zo wat. Op de achterbank dus maar, en dan maar hopen dat niet hetzelfde gebeurde als de rest van de tijd tot nu toe: overal plas en poep achterlaten op ongunstige tijdstippen en plaatsen.

Op mijn leeftijd word je een beetje nachtblind, dus het was even zoeken in het nachtelijk duister, maar in de verte klonk hevig geblaf en zoiets dient dan een leidraad in het leven te zijn. Onder het schelle licht van enkele bouwlampen bewoog zich een groepje lieden met aan riemen rukkende honden, van mij gescheiden door een zompige modderpoel. Die moest overgestoken worden, en zo ploeterde ik soppend en zuigend het veld op, het weerbarstige hondje glibberend tussen mijn benen door. Ik belandde echter in de verkeerde groep – het leek me een training met vechthonden – en men verwees mij naar een verlicht lokaaltje aan de andere zijde van het moeras. Nu had ik geluk dat delen van mijn schoeisel niet in diepten der aarde verzwolgen werden, en zo belandde ik dus in een zaaltje waar een twaalftal personen vergeefse pogingen deed om een zeven meegebrachte puppy’s tot bedaren te brengen.  Een hevig modderspoor achterlatend vond ik een strategisch plekje buiten bereik van andere honden met modderpoten.

De cursus begon en de hondentrainer deed een poging zich boven het gillen, janken en blaffen vertaanbaar te maken. Toen de rust enigszins was neergedaald ging naast mij een telefoon in opgewekte riedel af, en begon de eigenaresse ongegeneerd luidkeels aanwijzingen te geven aan de partner, die -duidelijk traag van begrip- ergens in de inktzwarte nacht zijn weg zocht naar zijn huisdier. Het gesprek duurde zeker enekele minuten. Was ik cursusleider geweest, dan had ik inmiddels een hondsdolle pittbull op de persoon in kwestie af gejaagd, maar je kunt niet alles hebben in het leven.

Er werd ons verzekerd dat de cursus altijd doorging, “ook als het stortregent”. Volgende keer dus in een waterbestendig bijtpak of zoiets afreizen. Mijn hond bracht het er de eerste avond trouwens niet onaardig af en hield zich onledig met het aandachtig besnuffelen van de genitaliën van de buurvrouw ( ook weer de hond dus ), wat ontaardde in hevig spelen en bonkend over de stenen vloer rollen.  ’t Zijn nèt mensen. Nadat alle riemen ontward waren, was de eerste cursusavond weer voorbij ( “het zindelijk worden kan tot zeven maanden duren!”) en mocht ik weer op de tast mijn weg naar de auto zoeken, hopend dat de hond zijn behoefte nog buiten het mobiel zou doen.

De rest van de avond bracht de puppy redelijk uitgeteld door in de mand, en ikzelf niet minder op de bank, totdat er nog eenmaal buiten in de stortregen buiten geplast en gepoept moest worden ( ook weer de hond dus ). Een rustige nacht was het gevolg, die tijdens het ontbijt vanochtend weer geheel teniet werd gedaan door het onverwachts hevig poepen midden in de kamer, terwijl ik op dat moment net worstelend met een keukenrol en hygiënische doekjes de ‘s nachts op de vloer gedeponeerde kots van de kat buiten bereik van de likkebaardende hond probeerde te houden.

Na een kwartier redderen en dweilen kon ik dan toch nog aan mijn lauw geworden kopje thee beginnen, voordat de hond opnieuw in een volgende hoosbui uitgelaten moest worden. Kom maar Fiedel, kom dan! Fijn, naar buiten, plasje doen!

Share

 


Ouders ( en leerlingen ), we lusten je rauw!

Docent anno 2012

Docent anno 2012

Nu moet ik eerst iets vreselijks bekennen. Ik heb een leerling geslagen, erger nog, een meisje! Ik werd niet eens aangevallen, nou ja, niet fysiek dan, maar wel verbaal. Ik werd uitgemaakt voor rotte vis; een leerling uit IJmuiden, daar speelt zoiets geregeld. IJmuiden is een oord waar de bevolking gebukt gaat onder de grauwe smog van walmende hoogovens, waar uitgezakte moeders in peignoir in de grijze ochtend in het plantsoen naar hun krabbende en poepende honden staan te kijken. Het boze meisje ging meer en meer te keer, en u begrijpt wel, wanneer je als docent dan op zo’n manier voor de rest van de enthousiast genietende klas dreigt af te gaan, dan dien je je gezag te laten gelden, in mijn geval door een ouderwetsch degelijke oorvijg. Niet hard natuurlijk, ik schrok er zelf van, maar het effect was overdonderend. De klas doodstil en verbijsterd, de mond van de delinquent klapte dicht, de orde hersteld.

Het wachten is nu op de politie, want die komt tegenwoordig eerder dan de ouders. Vanavond ben ik denk ik wel in het nieuws, vol in beeld terwijl een arrestatieteam in vol ornaat het schoolplein oprijdt, onderweg enkele hekken plettend, onder het oog van de voltallige schoolbevolking die ademloos twitterend en bellend tegen de ramen staat geplakt, waarbij de lessen tot wanorde vervallen. Zware onderwijscrimineel opgepakt na aanvallen leerling.

Nu wacht ik echter al 33  jaar op dat arrestatieteam, want die tik deelde ik in 1978 uit op een school voor Lager Economisch en Administratief Onderwijs, een paar weken nadat ik daar als beginnend docentje mijn voorganger, die was weggepest, had opgevolgd voor de vakken tekenen, handvaardigheid, Nederlands, godsdienst en maatschappijleer. Godsdienst, dat was een bijbelverhaal vertellen, op het spannendste moment ophouden ( bewaren tot de volgende keer ) en dan het hele verhaal dicteren en uit het hoofd laten leren. Door 30 ademloos luisterende pubermeiden. Je diende toen, net als nu weer, van alle markten thuis te zijn, al loop je tegenwoordig als argeloze passant al het risico de school binnengetrokken en voor de klas gezet te worden, want bevoegdheden, dat is lastig, dan moet je met vaste aanstellingen gaan werken en je wilt als onderwijsmanager zo’n hinderlijk aanwezige leerkracht ook weer snel kunnen lozen wanneer het met de aanwas van stakeholders even wat minder gaat.
Slaan mag natuurlijk niet, toen ook niet, maar er kwamen op de toen nog ijverig bezochte ouderavonden toch geregeld ouders die zeiden van: “Goed zo meester, geeft ‘m maar een mep en dan kennie d’r van ons thuis ook nog eentje krijgen.” De schaarse onderwijsvacatures die nu nog een enkele maal in de krant staan, zullen meer en meer de kant op gaan van: “Gezocht: enthousiaste leerkracht, met hart voor onderwijs. Bevoegdheid niet nodig maar wel graag een zwarte band in ultimate cage-fighting”.  Dat zal die ouders leren. Het vervelende is, dat elke leerling tegenwoordig direct alle middelen heeft om moord en brand te schreeuwen en daar behalve de ouders, ook de hele wereld van kan laten meegenieten, en wel op het moment dat het delict nog aan de gang is.  Een docent die consequent en corrigerend optreedt, die bijvoorbeeld mobieltjes in de les verbiedt, ja, dat is eigenlijk maar een beetje een vervelende vent die de school een slechte naam en de directie een hoop zorg omtrent de concurrentiepositie in de slag om de leerling – lees: “om de centen” – oplevert. Je moet je als docent tegenwoordig opgewekt en blij voor alles laten uitmaken wat mooi en lelijk is, en daar vooral niets van zeggen, want dat kan zich tijdens je POP-, PAP- en PIP-gesprekken met je meerdere tegen je keren en dan kun je je promotie naar senior of excellente docent voor de rest van je schoolloopbaan wel vergeten.  Elke docent is tegenwoordig een aspirant filmster-tegen-wil-en-dank, want vóór je het weet, staat je optreden op YouTube, en dan meestal in de rol van slechterik. Regels zijn uit de mode, orde en gezag zijn vieze woorden, cijfers voor vlijt en gedrag zien we liever niet in iets wat vroeger rapport en nu portfolio heet. Het portfolio, een veredeld poëziealbum, waarvan de leerling bepaalt wat er in komt en niet meer de docent. ‘De leerling centraal’; het is een mooie kreet die het goed doet in wervingsfolders en open dagen. We doen alles om ze binnen te lokken. Meld je aan bij ons, en je krijgt een prepay mobieltje!

Het verbieden van het onnodig gebruik van het mobieltje tijdens de les geeft de leerling tijdens zijn aanval van woede of dwarsigheid de mogelijkheid eerst even tot tien te tellen ( dat moet nog nét kunnen ) voordat hij of zij tot ondoordachte acties als het bellen van agressieve ouders over gaat. In ziekenhuizen kun je op sommige afdelingen helemaal niet bellen door techinsche handigheidjes. Er is gewoon geen bereik voor wie daar geen toestemming voor heeft. Zou op school ook kunnen.

Misschien moeten we toch eens nadenken over een wervingsfolder met als juichende kreet: “De leraar centraal!”. En daar dan gelijk in schreeuwerige letters bij: “Bij ons zijn mobieltjes in de klas VERBODEN!!”. Je geeft er een duidelijk signaal mee af. Naar leerlingen, en vooral naar ouders. Laat beiden een contract ondertekenen waarbij voor die twee kreten nadrukkelijk getekend wordt. Wanneer dat op alle scholen gebeurt, hoeven directies ook niet bang te zijn dat de klant naar een andere concurrerende school overloopt.

De tik uit 1978 was mijn eerste en mijn laatste. Een beginnersfout, toen. Heeft goed geholpen trouwens, vertelde de leerling mij later tijdens een reünie. Nooit meer last van haar of haar klas gehad. Had zij toen een mobieltje gehad, dan had ik nu misschien een strafblad. Ik was soms wel een vreselijke man, toen. Orde: tijdens de tekenlessen hoorde je soms enkel het krassen van de pennetjes met Oostindische inkt. Achter mij was een grote zinken wasbak, en in mijn bureaula lag een ketting, die ik op gezette tijden heel zachtjes te voorschijn haalde en dan achteloos over mijn  schouder in die wasbak wierp. Dertig hartstilstanden in die klas. Probeer dat nu eens. Ze praten er nóg over, waneer ik ze nog wel eens spreek. Nog nooit zo’n lol gehad, meester!

“De leraar centraal!”: ik voorspel een grote aanwas van leerlingen.

Share

 


Doe mij maar een trapharmonium

In dorpje B. op de Veluwe zijn de gemoederen de laatste dagen ernstig verhit. We leven in een tijd die gekenmerkt is door ik-gerichtheid. Dat wordt natuurlijk ook wel een beetje gestimuleerd door het over ons gesteld gezag, waaraan we ons natuurlijk dienen te onderwerpen, en wat we ook enigszins zelf over ons hebben afgeroepen. Ook de Veluwe ontkomt daar niet aan: we moeten steeds meer zelf ons hoofd boven water houden wanneer we niet in de gelukkige positie van VVD , CDA of PVV-stemmer ( “Ingrid, doe mij nog drie blikkies bier!” ) zijn. Er wacht ons dan de dreiging van uitzetting ( wanneer we bijvoorbeeld voor het milieu opkomen of anders denken dan rechts ) of van het totaal inhouden van subsidie of geldelijke steun ( wanneer we iets voor de medemens in onderontwikkelde landen willen doen  ). Heb je zoals ik ook nog de pech om in het onderwijs te werken, dan mag je ook nog de opvoedkundige taak van ouders overnemen en de verzorgende taak van instanties die zich tot voor kort met “rugzakleerlingen” bezig hielden.
Van dit kabinet mogen vrijwilligers allerlei taken overnemen. En zijn die er niet, dan is dat jammer, maar er is helaas geen geld meer om dat soort economisch niet interessante zaken te ondersteunen. Bedrijven en banken hebben dat geld tenslotte méér nodig, want anders komt volgens de logica van onze regeerders onze economische positie in gevaar. Dat gezeur van die chronisch zieken, dementerende bejaarden, psychische gestoorden en andere niet-winstgevende types ook. Die zijn hinderlijk aanwezig. Typisch gevalletje van mandje met aandelen verkeerd beleggen en te eerlijk zijn om zwart geld bij elkaar te sprokkelen.

Toch zijn er nog lieden die zich het lot van de ander aantrekken en zonder eigenbelang anderen helpen. Ook in dorpje B. op de Veluwe. Zulke mensen zouden dus wel eens een aardigheidje verdienen, dacht men daar. Geen geld naturlijk, maar wanneer je ze nou eens allemaal tracteerde op een leuke circusvoorstelling in het plaatselijke theater; zoiets schept toch een band en houdt de sjeu er een beetje in. Men zocht en vond, en kwam uit bij het Wintercircus van ene meneer Martin Hanson: goochelaars, gedresseerde honden, wat mensen die op elkaars schouders leuke dingen doen, en tamme eenden die een aardige act opvoeren vóórdat ze met de kerst in een driedubbele salto achterwaarts gehoekt geheel zelfstandig in de braadpan springen. Muziekje erbij, beetje feestverlichting, een avondje gezelligheid voor jong en oud. Geen sex, geen gevloek, het hoogtepunt van erotiek mogelijk een juffrouw in een strak glitterpakje die met kegels jongleert. De avond raakte al snel vol geboekt, want gratis en cultuur, en ook nog eens iets met elkaar en voor elkaar doen, dat zijn begrippen die tegenwoordig nog maar moeilijk samen gaan.

Hoe sneu nou toch dat in dorpje B. er lieden zijn, die in een gezellig ongedwongen avondje genieten de hand van de duivel himself zien. De lokale SGP maakt bezwaar tegen dergelijk werelds vermaak, want de muziek en het licht roepen een uitbundige sfeer op, en dat mag natuurlijk niet wanneer je in God gelooft. Stel je voor zeg, een beetje lachen om iets leuks, klappen om iets moois en dat ook nog eens onder een verlichting die als “feestelijk” te omschrijven is, dat kan onze lieve Heer nooit bedoeld hebben.  Of je al met één been in de hel beland bent. Tot overmaat van ramp treden er ook acrobaten op, die daarmee “hun leven in de waagschaal stellen”. ”Acrobaat dodelijk getroffen door neervallende gekleurde sjaal”, zou wel eens de sensationele krantenkop de day after kunnen zijn. Zo moet het dus niet. Wanneer er in dorpje B. al überhaupt iets te vieren valt, dan doen we dat met stemmige samenzang bijvoorbeeld, onder begeleiding van een amechtig trapharmonium op hele noten. Dat vinden alle vrijwilligers vast leuk. Het is vét uit je dak gaan tegenwoordig, daar in dorpje B. op de Veluwe. Komt allen!

Noot: Volg de discussie in de lokale krant hier.

Share

 


Hond, deel 1

We krijgen dus een hond. Een puppy nog wel. Wauwel is nogal een impuls-aankoper, maar hond staat al langer op het menu en nu één van onze stokoude katten het tijdige voor het eeuwige heeft verwisseld en geen uiting meer kan geven aan zijn enorme aversie jegens honden ( diverse argeloos passerende viervoeters zijn door hem aangevlogen en geestelijk ernstig beschadigd ), is de tijd rijp voor een nieuw kind in het gezin. Jarenlang heb ik meewarig geschud bij de aanblik van een kleumende baas, die stond toe te kijken tot het moment waarop de hond het plantsoen had volgekakt was afgelopen en nu wacht mij zelf een dergelijk troosteloos lot: met mijn duur aangeschafte poepschepje de dampende brij zo voordelig mogelijk opscheppen in een plastic zakje wat je vervolgens in de dichtstbijzijnde vuilnisbak kunt deponeren. In een slecht geval dien je nog een half uur met zo’n lauwe massa in je jaszak rond te scharrelen.
De hond komt vrijdag, dus het huis moet worden ingericht en aangepast. Loshangende kabels wegwerken, gitaar van de vloer, de overgebleven kat geestelijk voorbereiden op een rampzalige oude dag en heel veel spullen in huis halen. Een bench bijvoorbeeld, een draagbare en vooral lelijke gevangenis waar het arme dier volgens de adviezen van allerlei deskundigen het beste voorlopig ‘s nachts in kan worden opgesloten. Wanneer de hond gaat huilen direct opstaan en buiten laten plassen of poepen. Wanneer de hond niet plast of poept dit negeren, maar dan ben je dus wel voor niets om drie uur ‘s nachts in je kleren geschoten en heb je dus klaarwakker door de druilregen of motsneeuw gewandeld, met groot risico op het tegen het lijf lopen van allerlei ongure types die op dat moment gewoonlijk bij de straat plegen te hangen. En het wordt ook al geen pitbull die subversieve elementen wel eens eventjes van een of meerdere ledematen kan beroven.

Naast de bench moesten ook duur voer, borstels, “beloningssnoepjes” en diverse speeltjes worden aangeschaft. Een ernstig kijkend winkelmeisje met verstand van zaken probeerde ons nog veel meer dure spullen te verkopen, maar eerst maar eens zien. Mijn katten hebbben hun hele leven nooit anders dan Rodi-hondenworst gegeten, met zó veel enthousiasme dat ze zich geregeld door doos en plastic verpakking heen vraten. We zullen dus even afwachten hoe kieskeurig onze aanstaande huisgenoot zich ontwikkelt.
We zijn ook al verblijd met een welkomst-pakket voor de kleine. Oude tijden herleven, hoewel de inhoud anders is en je de opvoeding nu uit een Eukanuba puppy-boekje moet leren, wat ons bezweert toch maar uitsluitend spul van Eukanuba te kopen, want van alle andere rotzooi gaat de hond ongeveer dood.
We hebben al eens een hond gehad, eentje van zeven jaar oud, bij wijze van proef. Dat was geen succes: de hond was nurks en de hondenhaterkat nog veel nurkser, en die had tenslotte de oudste rechten. Een korte kennismaking die een huis en een auto met een enorme hoeveelheid hondenharen opleverde en een opgelucht gevoel na afloop bij zowel de haatkat als wij zelf.  Maar, zoiets blijft toch knagen, en dus volgt nu een herkansing. De overgebleven kat interesseert zich totaal niet voor dieren, voor niemand eigenlijk, behalve voor op gezette tijden de vloer vol kotsen waar je dan ‘s ochtends in het schemerduister met je sokken vól in stapt.
De nieuwe hond, die ik eigenlijk Wim wil noemen naar een goede vriend van mij ( “Ga liggen Wim, af! In je hok! Niet op het gras kakken!”) maar wat van de rest van het gezin niet mag, gaat ook naar een puppy-cursus, die in diepe duisternis ergens op een zompig veldje hier de komende 10 weken ‘s avonds gegeven zal worden. Weer €80,- van de rekening. Dat zal hem leren een brave lobbes, allemans- en kattenvriend te worden, eentje die niet verhaart en genoegen neemt met Aldi-voer of Rodi-hondenworst. Zo komt Wauwel weer eens in beweging: minstens drie drollen per dag tussen de graspollen vandaan schrapen is toch een behoorlijk inspannende bezigheid, en ondertussen voer je nog een leuk sociaal gesprek met een wildvreemde collega-hondenbezitter die op dat moment hetzelfde doet.

Binnenkort meer belevenissen én natuurlijk een foto van Wauwel met hond ( of diens uitwerpselen )

Share

 


Bescheidenheid siert de mens

Het is vandaag de Dag van de Leraar, een dag na Dierendag en net zoals er ook een Dag van de Leerplicht is, een Dag van de Huismeester, een Dag van de Wol en – niet te vergeten – hier in dorpje B. op de Veluwe de Wereldeidagen, maar bij die laatste wil je niet wezen, gezien de enerverende activiteiten die daar ontwikkeld worden. Zo heeft elk mens, beest of produkt wel zijn eigen dag, en hebben we elke dag van het jaar iets lolligs te doen of iets naars te gedenken. De Dag van de Leraar wordt elk jaar toch wel grootser gevierd, en zelfs de TV heeft ons afgelopen maandagavond in het zonnetje gezet door ons tijdens de  Avond van het Onderwijs en plekje te gunnen. Op de andere zender was concurrentie van Fort Boyard, waarin bekende Nederlanders stompzinnige opdrachten moeten uitvoeren en zoiets trekt natuurlijk het grootste deel van bij onderwijs betrokken kijkers weg. Onze grootste doelgroep, de leerlingen, verpoosde vermoedelijk massaal bij Holland’s Nex Top Model of bij een film met de aansprekende titel “Runaway Vacation”. De achtergebleven diehards onder de ouders, docenten en deskundigen kregen een kommervolle voorstelling voorgeschoteld, waarbij de optredens van enkele leerlingen zelf nog een lichtpunt vormden.

Toch was er wel iets opmerkelijks te constateren, en dat betrof het gebruik en het nut van ICT. Daarover waren wat onderzoekjes gepleegd en werden ook enkele leerlingen bevraagd. Hieruit kwam een beeld naar voren wat een groot deel van de onderwijscomputernerds – en daar reken ik mijzelf ook toe – eigenlijk liever helemaal niet wil zien, en wat op Twitter -waar je ze toch allemaal vindt – tot opvallend weinig reacties leidde: het gros van de gebruikers is helemaal niet zo gecharmeerd van ICT als wij denken! Slechts een schamele 23 procent ziet in ICT de sleutel naar beter onderwijs  en een MBO-klas verkoos in koor het boek boven het internet. Dat is dus wel even schrikken voor ons voorlopers op ICT-gebied. Barre tijden van het krijtje en beduimelde boekjes liggen in het verschiet.

Zijn we dan zó verblind? Een beetje wel, denk ik. We bezoeken prachtige onderwijsbeurzen, waar de nieuwste ontwikkelingen op informaticagebied ons vanaf snelle touchscreens toelachen, we gebruiken de nieuwste stemkastjes, tablets, smartphones, we maken Wiki’s, Prezi’s en Slideshares. We hangen als docenten de halve dag verglaasd achter ons beeldscherm en kijken uit naar het volgende congres waar we – en dat is een beetje de kern denk ik – weer dezelfde dingen in iets nieuwere vorm, en dezelfde collega’s in iets oudere vorm aantreffen, en we praten over steeds dezelfde dingen als mobieltjes en educatieve software in de klas. We zijn  een behoorlijk groepje selecte nerds aan het worden, een behoorlijk incrowd met een hoog ons-kent-ons-gehalte in ons veilige kringetje, dat we op Twitter ook weer terugvinden: dezelfde volgers en gevolgden twitteren over dezelfde onderwerpen.

We kunnen het maar nauwelijks bevatten dat er collega’s, ouders en leerlingen bestaan die heel anders tegen al onze mooie speeltjes en ideeën aankijken dan wij. Dat zij niet denken zoals wij dat doen. Dat zij niet door beeldschermen verblind zijn zoals wij dat zijn. Dat zij bijna in een andere realiteit leven dan wij. Offline. Hoe vreselijk, hoe onbegrijpelijk.   Natuurlijk, waar wij op kicken en waar wij van genieten biedt ongekende kansen en mogelijkheden voor het onderwijs. Maar ja, door ons enthousiasme vergeten we wel eens dat er ook nog eens een behoorlijk kostenplaatje aan hangt, dat er soms totaal nieuwe dingen aangeleerd moeten worden, dat er op onbegrijpelijke knopjes geklikt moet worden en dat er  meer is dan de wereld van Social Media, waar wij ook in onze vrije tijd  heel wat uurtjes doorbrengen om vaak nog meer onze honger naar ICT te bevredigen.

Een school volstoppen met materiaal en daar enthousiast naar wijzen en zeggen hoe eenvoudig het allemaal is gaat dus niet werken. Misschien moeten we eens even tot bezinning komen, en eens kijken hoe we wat bescheidener de wondere wereld van ICT aan de man kunnen brengen. Niet elke digibeet is een inboorling die verblind door hightech spiegeltjes en kraaltjes de digitale zendeling en diens geloof omarmt.

Share

 


Lost in space…school zonder internet.


Het is een zonnige dag, leerlingen braaf aan het werk in de electronische leeromgeving, want een beetje school kan niet meer zonder en de docent kan op die momenten even amechtig onderuit hangend de beurskoersen of vakantieveilingen.nl doornemen, waarbij hij of zij er wèl op moet letten dat de beamer niet aan staat. Het is niet de eerste keer dat een collega in den lande werd geschorst vanwege niet-lesgerelateerde activiteiten op internet, en dan ook nog ten aanschouwe van een groep ineens ernstig geïnteresseerde pubers.

Gescheld en getier in de klas. De ELO ligt er uit. Daar gaat je zorgvuldig voorbereide les. Zoeken op twitter levert een ware kanonnade op van radeloze scholieren, een enkele ontheemde en ontredderde docent en pas later ook wat mededelingen van de fabrikant zelf. Ik citeer even ene @Mirpiee, die roept: “Aaaaah ITSLEARNING DOET HET NIET!!! Ik space ‘m zo hard hier he”.
Een ander, reeds het kookpunt genaderd ( ik zal de vloeken en de schuttingtaal even door sterretjes vervangen ): “G*D, K*T ITSLEARNING! Ik moet een verslag maken , moet duits leren en nog NA leren! En nu doe je het niet? ! F**K YOU!!!”.
Of: “Shiiiit, itslearning doet k*t en ik moet die ckvpoep nog inleveren!!!”  en : “tering itslearning als ik hem te laat inleveren heb ik een 1″.
Gelukkig zien sommigen ook de zonnige kant van een leven zonder internet: “Itlearning doet het niet….chill! :-)

Tja, wat moet je als vooruitstrevende Onderwijs 2.0-school nog zonder internet? Docenten zitten verweesd achter hun gestorven laptopjes, leerlingen hangen lui en “chill” achterover of grijpen radeloos en vloekend naar de Ritalin. De geoliede machine is krakend tot stilstand gekomen, men stroomt het pand uit, genietend van het prachtige nazomerweer wat zo verpest werd door het feit dat je achter zo’n stom beeldscherm een beetje opdrachten voor een stom ckv-poepvak moest maken, bedacht door zo’n moderne computernerd-docent die zelf niet eens een eigen Hyves of Facebook-profiel heeft.
Onderwijs 2.0 is voor de doorsnee-leerling vaak niet meer dan rondneuzen op Facebook, chatten op MSN, je verslag vullen met Google en je opdrachten inleveren via de ELO. Werkt één van die dingen niet, dan volgt totale ontreddering. We zijn offline.

Daar schuilt hem gelijk het gevaar van het o zo prachtige en verleidelijke intertnet: dat je je als school er te veel van afhankelijk maakt, dat je soms vergeet dat je ook nog met een krijtje op een ouderwetsch degelijk donkergroen schoolbord kunt schrijven, en dat je voor de afwisseling eens met een stapel nakijkschriftjes in je tas naar huis fietst. Je wordt ‘s avonds niet gestoord door mailtjes, bliepjes, je hoeft niet elk lesuur een vaak krakkemikkig werkend absentieregistratie-systeem bij te houden, je loopt niet met schele hoofdpijn van het in verkeerde houding turen naar je laptop door het pand en je hoeft je niet te storen aan Powerpoint-presentatie nummer zoveel waar je duizelig wordt van de op het scherm rondstuiterende teksten, plaatjes en geluidjes die de maker in zijn enthousiasme voor al dat moois wat dit programma biedt, heeft toegepast. “Killed by powerpoint” is een gevleugelde kreet bij de Amerikaanse troepen in Afghanistan.

Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd van griffels en leien, naar wolken krijtstof en grauwe docenten die met een afgebeten potloodje stapels volgekladderd proefwerkpapier doorworstelen. Onderwijs 2.0 is een zegen en biedt ongekende mogelijkheden. Ik kan niet wachten tot alle lokalen vol staan met touchscreens, webcams, tablets, en wat er meer voor prachtigs op de markt is. Zolang het ‘blieb”zegt en licht geeft, blijkt het voor leerlingen op de een of andere manier soms een stuk boeiender dan alle ouderwetse lesmethodes en docenten bij elkaar. Wel hard en onverbiddelijk trouwens, dat digitale lesgeven: “wanneer ik ‘m niet inlever heb ik een 1″.

Onderwijs 2.0  is prachtig, fantastisch! Zo lang we maar niet verleren om terug te vallen op beproefde middelen wanneer we eens een keertje digitaal offline zijn.In dat soort situaties bewijst zich de professionele schoolorganisatie.

Share

 


Mijn foto's op Flickr

    Interrail2010 (290) Interrail2010 (173) Interrail2010 (246) Clown Bear Egypte 2008, Sfinx P1000536 Jerash 21 Interrail2010 (275) Interrail2010 (176)