ICT-allergie en de overeenkomst met de Taliban

Een groepje behoudende docenten

Een groepje behoudende docenten

Het dagelijkse leven in het onderwijs is tegenwoordig meer en meer doordrenkt met de zegeningen van de digitale revolutie. Bij binnenkomst halen docent en leerling hun pasjes door de lezer, zetten hun desktop, laptop, netbook, iPad of mobieltje aan en wiegen genoeglijk mee in de onuitputtelijke stroom van informatie die hen kabbelend of bulderend meevoert op de digitale snelweg waar spookrijden verboden is en gevaarlijk is.  Onderwijsinstituten twitteren juichend dat de website is vernieuwd, dat er een nieuw volgsysteem is, ict-bedrijven lopen, gehuld in snelle pakken, de hight-tech klaslokalen in en uit met achterlating van mooie glimmende spullen en methodes en een fikse rekening. Zie je ergens in de gang een clubje zakelijk geklede en fris geknipte jonge lieden met koffertjes die door een lid van het management of een systeembeheerder gedienstig worden rond geleid, dan weet je dat er weer iets nieuws en nog beters aan zit te komen.

Het onderwijs lijkt wel een beetje op de slagvelden van Afghanistan en Irak, waar gehaaide wapenfabrikanten en hoge pieten uit het leger hun nieuwe speeltjes uitproberen. De gewone bevolking is vaak uiteindelijk de dupe, want er blijkt na een tijdje toch meer collateral damage dan gedacht, er zijn wat meer afzwaaiers geweest dan gehoopt  en de onvrede groeit, wat dus weer teniet moet worden gedaan met nog meer wapentuig.

Op school loopt ook een soort Taliban rond. Levend in een andere tijd, digitaal analfabeet, vasthoudend aan oude gebruiken en alles tegenwerkend wat niet in de rechte en onwrikbare leer der behoudendheid past.  Ze verpesten het voor de rest, zijn niet voor rede vatbaar en willen het liefst dat de vijand zo snel mogelijk ophoepelt.  Ze zijn allergisch voor de digitale revolutie, en vinden steun onder de overige bevolking naarmate die meer en meer onder druk komt te staan. Net als in Afghanistan gaan de veranderingen uiterst moeizaam, omdat ze van boven en van buitenaf worden opgelegd en worden gepresenteerd  in een taal die wat lastig is wanneer je niet digitaal kunt lezen en schrijven, en wanneer de uitleg steevast begint met “Nou, gewoon..”

Op twitter ontspon zich deze week even een hevige discussie over #digitaleallergie, waarbij voor- en tegenstanders van dit begrip elkaar stevig in de haren vlogen.De digitaal onderlegden – ict-bedrijven, computernerds, enthousiastelingen en voorlopers binnen de school – verweten de tegenstanders niet met hun tijd mee te gaan, dwars te liggen bij vernieuwingen en andere tegenwerking.  Enkele citaten met wat reacties van mij daarbij:

“Lees de blogs van Dan Meyer, Kate Nowak, Shawn Cornally om veel mooie ict-toepassingen voorbij te zien komen!” Natuurlijk, er zijn oneindig veel inspirerende personen die de (onderwijs) wereld  boeiende en inspirerende toepassingen van het gebruik van ict tonen. Ik schaar ze in de door deskundigen verzorgde presentaties die je eens in de zoveel tijd op een regenachtige studiemiddag in lokaal 32 meekrijgt. Er is zonder uitzondering weinig op aan  te merken, er worden mooie dingen in de les getoond, en het lijkt allemaal heel eenvoudig  te bedienen. En nu snel naar de borrel en de nootjes en dan naar huis, want nog veel correctiewerk voor de volgende dag.

“Helaas gaat het geld nu op aan fusies en andere paradepaardjes” .  Alles in het onderwijs heeft prioriteiten. Na lang wikken en wegen en behoorlijke druk van de leveranciers – waarvoor je als beleidsmaker behoorlijk wat ict-visie moet hebben om te weten wat die vertegenwoordiger eigenlijk bedoelt en wat je met dat product eigenlijk kunt doen- wordt tot de aanschaf van een serie digitale schoolborden of een mooie ELO besloten. Maar daarmee is het verhaal niet rond. Dan begint het pas. Bij alles zit een gebruiksaanwijzing, hoe eenvoudig het produkt ook lijkt. En het onder de knie krijgen van zo’n gebruiksaanwijzing kost tijd, en het effectief toepassen van zo’n product vervolgens nog veel meer. Helaas wordt daar dan weer niet in geïnvesteerd. En de docent krijgt niet één gebruiksaanwijzing voor de kiezen, het zijn er jaarlijks vele voor alle mogelijke activiteiten die allemaal tijd kosten. Tijd is geld. Eigenlijk zou daar misschien meer in tijd moeten worden geïnvesteerd dan in de prijs van een product zelf. Meer kijken aar de eindgebruiker dus. In dit verband is ook de volgende opmerking die gisteren geplaatst werd van groot belang:
” Hou het praktisch en resultaat opleverend voor de cursist” . Docenten en leerlingen zijn soms behoorlijk lui en star, en heel berekenend: levert iets niet direct, zonder al te veel inspanningen, aantoonbaar resultaat op, dan zijn ze nergens voor te porren. In tegenstelling tot Amerikanen zijn veel Europeanen geen liefhebbers van uitgebreide handleidingen. Die beginnen gelijk op knopjes te klikken, en als er dan niets gebeurt, dan haakt men af.

” Al die docenten eisen van hun leerlingen wat ze zelf niet doen: professionalisering. Afmarcheren in rotten van tien en twee weken wachtgeld meegeven, die lui.” ……..Wanneer u als docent weer bijgekomen bent nog even wat meer zout op de wonde:
” Leraren moeten zich niet zo aanstellen en een beetje met hun tijd meegaan!”  …. Het mag duidelijk zijn dat bij sommige docenten nu de stekels wel aardig overeind zijn gaan staan; wanneer een bedrijf of een ict-bobo, die beide dagelijks met de ict-vaart der ict-volkeren worden voortgestuurd met dit soort argumenten en reacties aankomen, dan bereik je dus gegarandeerd een averechts effect: de ict-allergie. Er kan docenten veel verweten worden, maar niet dat ze niet meegaand zijn. ALS ze er maar het nut van inzien.

ICT-allergie bestaat wel degelijk en is een groot gevaar voor wie zich met vernieuwing in het onderwijs door middel van ict bezig houdt. Het is een beetje pijnlijk onderwerp, zoiets als op een feestje roepen dat je nogal last van aambeien hebt. Zo ga je als onderwijsmanager op een netwerkbijeenkomst niet verkondigen dat jouw schoolpersoneel een pesthekel aan ict heeft, en dat je er zelf ook een beetje last van hebt. Doe mij nog maar een grootverpakking Sperti. Alleen het gebruik van het woord ‘vernieuwing’ levert al allergische reacties op, in een tijd waarin de arme docent EN de arme leerling de ene na de andere vernieuwing, die steevast als ‘verbetering’ gepresenteerd wordt, over zich heen krijgen. Je ziet het op beurzen en congressen: wie lopen daar rond? De bedrijven, de systeembeheerders, de ict-managers met ict-techniek in hun portefeuille, maar leraren en leerlingen zie je er niet. Ver van mijn bed, geen tijd, ik heb toch geen invloed.

Nu zijn we weer terug bij de Taliban. ICT en vernieuwingen die bombardeer je er niet in. Hoe erbarmelijker de omstandigheden van de bevolking – lees ‘ hoe groter de werkdruk en de onrust op school’ , hoe meer je die zelfde bevolking in de handen van de Taliban, van de mensen met ICT-allergie drijft. Je kunt sommige eindgebruikers niet verwijten dat ze nog niet kunnen lezen en schrijven en dat ze nog allemaal op een ezeltje rondrijden in plaats van in een Hummer. Ze hebben het namelijk veel te druk met hun hoofd boven water houden in de onderwijs-wildernis, en waar haal je zo snel benzine en onderdelen voor die Hummer vandaan? De fabrikant van ezeltjes gaat nooit failliet, die van de Hummer wel.
ICT is niet zaligmakend, is niet de oplossing van alle problemen. Begin nu eerst eens helemaal onderaan met het aanleren van de letter A en neem daar de tijd voor. Aanleren door een docent, die zelf de taal beheerst en die de taal van de analfabeten spreekt. Wie dat eenmaal kan, zal ontdekken dat het vreselijk leuk is om ook B te zeggen.

Reacties zijn meer dan welkom. Overigens: ik barst zelf ook van de ideeen op ict-gebied die ik er liever nog vandaag of morgen in zou rammen. Maar alles heeft z’n tijd nodig, en daar wil ik  graag eens over komen praten.

  • Share/Bookmark

 


WO II, wat is dat ook al weer?

Op Twitter word ik sinds kort gevolgd door @platformwo2, een twitteraar die weer verantwoordelijk is voor de website “Platform WO II en Sjoa-educatie“; het doel van deze site is – ik citeeer even -  “de kennis over WOII en de sjoa en best practices in de eigen lespraktijk van leden- en collegaleraren verbreden en verdiepen, door de in Yad Vashem opgedane kennis en vaardigheden uit te bouwen, uit te wisselen en door te geven.”
Een bijzonder interessante site, hoewel men per abuis aanneemt dat ik geschiedenisleraar ben. Ooit ben ik inderdaad met die studie begonnen, maar gestrand op de Griekse Oorlogen, terwijl ik toch zo snel mogelijk vooral alles over de Tweede Wereldoorlog wilde leren, en lezertjes die nog ouderwets les hebben gehad, weten dat die zich nogal wat later heeft afgespeeld.

Die “Griekse Oorlogen” en dat “ouderwets les hebben gehad” in de zelfde zin, illustreren wel een beetje het probleem waar veel geschiedenisleraren misschien mee worstelen. Veel scholieren krijgen nauwelijks meer les over beide oorlogen trouwens, en de Tweede Wereldoorlog wordt voor hen steeds meer niet anders dan Griekse Oorlog nummer zoveel: een ver-van-mijn-bed-show die je eigenlijk alleen nog in computergames beleeft en waar voor de Sjoa geen plek meer is, want dat onderwerp ligt nogal gevoelig want dat wordt weer te veel geassocieerd met het hedendaagse Israël en dat is een pijnlijk onderwerp  in deze tijd waarin dat land steeds meer de gebeten hond is bij alle mogelijke wereldconflicten.  Ga jij even als geschiedenis-docent op een Amsterdamse VMBO-school uitleggen dat in WO II de Joden slachtoffer waren van de grootste volkerenmoord uit de geschiedenis en dat we ze daarom eigenlijk weleens wat meer een warm hart zouden kunnen toedragen.  Moeilijk, moeilijk.

Überhaupt heeft het vak geschiedenis het zwaar. Saai, suf, dor, niet interessant en “wat hep je aan ut verleden, die mensen benne allemaal doot”. Ook de overlevenden van de Sjoa en zij die die oorlog aan den lijve hebben meegemaakt, sterven uit. Ik ben thuis opgegroeid met Duitsers die steevast “moffen”genoemd werden, ik kom nog geregeld buurten bij een oud-verzetsstrijder voor wie die oorlog eigenlijk nog steeds door gaat en die daar het grootste deel van zijn laatste levensdagen in die eenzame stoel voor het raam mee bezig is. Wat hij vertelt, is voor mij herkenbaar, mijn ouders hebben het meegemaakt en praatten daar over. Je bent daardoor meer betrokken. En ondanks mijn opvoeding blijkt Duitsland een bijzonder prettig land om op vakantie te zijn en er wonen bijzonder aardige mensen.

Een nieuwe generatie geschiedenisleraren, geboren uit ouders die die oorlog niet meer hebben meegemaakt, moet die oorlog gaan uitleggen in minder geschiedenisles-uren, aan leerlingen die nog vééél minder interesse hebben voor diezelfde oorlog en voor het vak geschiedenis zelf. Het soort leerlingen als het pubermeisje waar ik, in één van de expositie-ruimtes van Auschwitz, naast stond, kijkend naar een foto van Hitler tijdens één van diens brallende redevoeringen: “Zo , is dat nou die Hitler” zei ze na een tijdje. Haar ouders reageerden verder niet….
Ik mag ernstig hopen dat dit meisje – mag ik haar eigenlijk iets kwalijk nemen?  - niet het idee opvat om binnenkort geschiedenisleraar te worden.  In het onderwijs lijkt tegenwoordig alles mogelijk, en met de tweede wereldoorlog kun je tegenwoordig ook blijkbaar “leuke” dingen doen: je maakt er een computergame van, of een musical, bijvoorbeeld over Soldaat van Oranje, compleet met tijdens het vervoer gekraakte Dakota’s. De Sjoa dreigt een show te worden, een ver-van-mijn-bed-show.

Daarom is het goed dat sites als Platform WO II geschiedenisleraren ondersteunen bij dit heikele onderwerp: het levend houden van een herinnering aan gebeurtenissen die eigenlijk zó weer zouden kunnen gebeuren, wanneer we allerlei subtiel haatzaaiende lieden ongestoord hun gang laten gaan en een platform bieden; of ze nu tegen Joden of Islamieten zijn.

  • Share/Bookmark

 


Nooit meer naar school?

Bill Gates heeft gesproken. De school zoals wij hem nu kennen, bestaat over vijf jaar niet meer, of heeft in elk geval geen bestaansrecht meer. Over vijf jaar halen leerlingen en studenten meer kennis van het internet dan van hun school. Nou zijn de voorspellingen van Gates niet altijd even betrouwbaar. Twitteraar @wphaver herinnerde mij aan een uitspraak van onze Microsoft-directeur, gedaan in 1981: “640k  geheugen zou genoeg voor iedereen moeten zijn”.

Toch denk ik dat Gates dit keer een heel eind in de richting komt, en dat scholen die dit niet in zien, ernstig de boot zullen missen in de slag om de consument. Ik zeg bewust “consument”, want de leerling is een soort klant geworden die bij diverse educatieve winkels kennis consumeert. En net zoals er steeds meer op internet gewinkeld wordt, zo winkelt de kennisconsument ook steeds meer op internet, daarbij zoekend naar de mooiste en goedkoopste aanbiedingen, waarbij afstanden er dus niet meer toe doen, maar kwaliteit en prijs wel.

De school moet dus een kenniswinkel worden, waar je voortdurend vernieuwd en actueel aanbod kunt vinden tegen zo min mogelijk moeite.  Net als gewone winkels kun je je afvragen of je je moet specialiseren in één bepaald aanbod, of dat je een soort grootgrutter van algemene kennis wordt.  Je zorgt er als onderwijsinstelling in elk geval voor dat je zo min mogelijk gesloten bent, te allen tijde bereikbaar en dat je ook nog eens de beste service biedt.  Een groot gebouw, waar van heinde en verre je publiek naar toe dient te komen, is natuurlijk hopelijk uit de tijd in deze tijd van internet-consumeren. Gooi al die prestigieuze en dure bouwplannen dus in de prullenbak  en kom zelf naar je publiek toe, op de plek waar je voor de leerling altijd te vinden bent: het mobieltje, de iPad (of een equivalent daarvan ) . Bezuinigen doe je ook door de helft van je dure personeel te ontslaan ( het moet maar eens gezegd worden ) of door hen op te leiden voor een functie waarbinnen ze wèl tot hun recht komen. En dat opleiden of omscholen kan weer voor een groot deel digitaal. Bezuinigen doe je ook door een groot gedeelte van je dure computerapparatuur weg te schenken aan een goed doel of op Marktplaats te verpatsen. Waarom elke keer pronken met mooie laptop-projecten, chique ingerichte computerlokalen, grote beamers en digiborden wanner de klant qua uitrusting en digitale vaardigheden  je tóch altijd een stap voor is?  Bovendien is men er nog zuiniger op ook. Het enige waar je op hardware-gebied nog fatsoenlijk in zou moeten investeren als school, is in een snel draadloos netwerk, wat zonder al te veel moeite toegankelijk moet zijn.

Een aantal enthousiast begonnen lezers van dit blog zal nu inmiddels verstijfd van schrik amechtig achterover zijn gekanteld. Wat een gruwelijkheden worden hier verkondigd. Ik chargeer natuurlijk wat. De docent in zijn ruitjescolbert voor een klas met ongeïnteresseerde pubers gaat niet verdwijnen. Misschien heeft die man wel vreselijk interessante en boeiende dingen te vertellen.  Dan ben je echter toch gek wanneer je als schoolbestuur zo’n man of vrouw enkel zichtbaar maakt binnen de stoffige en vergeelde muren van een klaslokaal op één specifieke fysieke plek op aarde. Zo’n figuur moet met zijn kennis het internet op! Dáár zitten je consumenten! Op een beeldscherm komt zo iemand pas echt tot leven, kan eindeloos herhaald worden, kan harder en zachter worden gezet, lichter of donkerder, kan worden opgeslagen, geroteerd, uitvergroot, verkleind, kan middels touchscreens worden aangeraakt in interactieve toepassingen, kortom, alles wat een leerling dagelijks buiten de schooltijd om doet en waar hij of zij zo geïntrigeerd door is, dat kan nu ook binnen de school. Wat maakt het internet zo fascinerend? De gebruiker heeft controle, heeft onbeperkt toegang tot een schat aan informatie, en kan met behulp van scholen die informatie op een zinnige, boeiende en vooral leuke manier tot zich nemen en gebruiken!

Scholen die dus niet investeren in hun onderwijskundige visie op de mogelijkheden van internet en alles wat daar mee samenhangt, gaan de boot dus missen. Dan heeft Gates gelijk. Eigenlijk heeft hij dat al. Een school die krampachtig vasthoudt aan enkele locaties in een bepaalde regio is zóóó vreselijk 2009.  Hoog tijd dus om eens serieus na te denken over de toekomst.  Dat hoeft niet altijd direct zinnig te zijn of resultaat op te leveren. Dat mag best af en toe een beetje luchtfietserij zijn. Als het maar prikkelt, maar aanzet tot.  En dat heeft Gates met zijn recente uitspraak natuurlijk wel gedaan. Wie zich laat steken door een mug zonder er een klap op te geven, is wel een beetje masochist.

Er moet dus iets aan gedaan worden. En doe dat nou eens vanuit het onderwijs zelf, vanuit de docenten, en niet uitsluitend onder begeleiding van allerlei dure onderwijsadviesbureau’s  die graag een duur graantje vanuit de begrotingsruif meepikken. Zoiets vergroot de acceptatie enorm, wanneer iets niet van bovenaf wordt opgelegd. Laat je docenten eens kennismaken met al die mogelijkheden, op een beurs ( waar je tot nu toe alleen maar de techneuten en het management ziet ) of op de school. Geef al die docenten eens een iPad in plaats van zo’n hopeloos ouderwetsche laptop, en laat ze zich verbazen over toepassingen als “The Elements”. Duur? Welnee, een schijntje vergeleken bij het rendement. Wat kun je als management nu meer wensen: een docent die in zijn vrije tijd, hangend in zijn luie stoel of op vakantie in de verregende tent voor zijn lol dingen voor de school gaat uitzoeken op de Ipad die hij van die school gekregen heeft?  Die ’s avonds laat nog even z’n mail doorleest omdat het allemaal zo makkelijk en intuïtief is. Die ’s ochtends vanuit de trein al z’n leerlingen laat weten dat hij wat vertraging heeft maar dat dat geen probleem is omdat al het interactieve lesmateriaal ergens online te vinden is. Ik noem maar wat.

YouTube Preview Image

Gezien? En zo is er oneindig veel meer om van te genieten. Die school over vijf jaar, dat gaat nog eens een vreselijk leuke school worden! Reacties natuurlijk welkom!

  • Share/Bookmark

 


Modern

Toch al aan de patat dus ( die ook al weer duurder wordt )Uitgeverij Noordhoff gaat bij sommetjes en rekenoefeningen in de schoolboeken homostellen introduceren. Nu gaat er niets boven een heldere kijk op de moderne wereld waarin onze aan Ritalin verslaafde basisschoolbevolking door de dag heen stuitert, dus dit kan er ook nog wel bij.
De tijden waarin Ot en Sien genoten van een glas schuimende melk bij de boerderij en ondertussen de bok aaiden, liggen reeds lang achter ons, en bovendien zouden hedendaagse schoolkinderen ( waarbij we nu liever over “stakeholders” spreken ) het niveau van hun sommetjes in de verste verte niet meer halen. 

Hoog tijd voor een nieuwe moderniseringsronde dus. Na gescheiden ouders, aan drugs verslaafde ouders, pedo-seksuele ouders, invalide allochtone ouders en helemaal geen of nog maar één ouder is het nu de beurt aan lesbische, biseksuele en homofiele ouderparen  om hun kroost de elementaire reken- en leesvaardigheden bij te brengen .

‘Ot en Fatima moesten van hun ouders Sjaak en Ozman een portie Afghaanse hash halen in de coffeeshop om de hoek.  Sjuaak en Oman lagen nog in bed na een avond swingen in Club Kitty. Daar hadden ze mekaar ook ontmoet nadat hun wederzijdse relaties na een jaartje samenwonen op de klippen waren gelopen.  Het klikte die avond direct en de er op volgende  anale sex was vèt!   Logisch  dat ze weinig zin hadden om zich die ochtend met de kinderen bezig te houden. Die waren  zoet aan het spelen met de PS3. Ze zaten op een Vrije School, en mochten dus zelf hun dagindeling en hun leervraag bepalen. Dat kwam dus mooi uit.

“Check die ouwe travestiet in die rolstoel daar!” riep Ot tegen Fatima toen ze over de gracht naar de coffeeshop wandelden. In de winkel aangekomen genoten ze van een mok schuimende latte macchiato, die de drugsboer hen aanbood. 
“Als ik jullie vijf joints geef, en voor jullie zelf nog een kinder-xtc-pilletje voor vanavond, en ik reken daar twee joetjes voor, waarbij ik twintig procent korting geef, hoeveel kost het dan bij elkaar?” orakelde de coffeeshop-eigenaar guitig.  De beide kinderen berekenden op hun iPhones gnuivend het antwoord. Proestend liepen zij naar buiten en terug naar huis, waarbij zij Sjaak en Ozman nog in bed aantroffen, elkaar vol op de bek zoenend. Het beloofde weer een leuke dag te worden!’

Ik heb niks tegen homostellen, coffeeshops en Fatima’s, laat dat duidelijk zijn. Ieder moet vooral doen waar hij of zij of wat voor geslacht het tegenwoordig ook is, zin in heeft.  Waar ik wel wat tegen heb dat zijn de schoolboeken waar geen enkele gewone situatie meer in voor mag komen. Een kind wat leeft in een omgeving waar geen drugs in het spel zijn, geen gescheiden ouders, geen rugzakleerling, een omgeving die nu eens ergens anders is gesitueerd dan altijd en eeuwig maar in de stad. Een omgeving waarin een kind weer eens ongegeneerd kind mag zijn, kan wegdromen van de inderdaad veranderde wereld uit de schoolboekjes, een omgeving waarin een kind veilig mag zijn en voelen en waarin het niet gelijk de hele wereld met alle narigheid en ellende met zich mee moet torsen. 

Een Ot en Sien-wereld dus. Zou dat nou nog één keertje, zo heel af en toe eens mogen? Zoveel slechter zullen ze daar toch niet van worden….

  • Share/Bookmark

 


Dagje Teambuilding….

Wij hadden vandaag een dagje teambuilding. Elk zichzelf respecterend onderwijsmanagement zorgt er voor dat tenminste één keer per jaar de diverse docententeams in het kader van teambuilding een potje kunnen ontspannen. Zo is hen dat door dure adviesbureaus op het hart gedrukt, en de wil van onderwijs-adviesbureaus is wet, dus zo geschiedde. Dat builden kan op allerlei manieren.  Je kunt ergens in het pand een leegstaand lokaaltje betrekken en met je personeel de zaligheden van het competentie-onderwijs bespreken, afhaal-chinees toe, of  je reist af naar een – heel trendy -  kookstudio in den lande, in dit geval ergens op een industrie-terreintje in Nunspeet. Doel van deze dag: tapas maken, en vervolgens gezellig consumeren.

Nu had ik gruwelijke herinneringen aan een soortgelijke activiteit die wij ooit eens tijdens de jaarlijkse personeelsdag mochten plegen. Na een aantal zware uren op een veel te kleine waterfiets door de Zwolse grachten ploeteren, mochten wij ons vervoegen bij een soort kookcafé. Eind van de middag, dus de stemming was reeds tot ongekend jolige hoogte gestegen – zeker bij onderwijsgevenden gaat het er dan bijzonder lollig aan toe -  en het aanwezige restaurantpersoneel deed daar nog een schepje bovenop. Zo strompelde ik dodelijk vermoeid met mijn geschaafde waterfiets-knieën een duister trapje af, nog onwetend van de verrassing die het organiserend comité ons bereid had, om te belanden in een soort keuken waar enkele blije koks ons in vol ornaat opwachtten. We mochten met z’n allen gaan koken, een mededeling die in het toenemend rumoer -men had reeds diverse terrassen gefrequenteerd – bijna verloren ging.
De koks waren van het type gangmaker-op-feesten-en-partijen. Wij mochten ons dus hullen in een schort en kregen ook een enorme koksmuts op het hoofd geperst. Daarna mocht uw blogger zich samen met de andere collega’s in een grote kring om de fornuizen opstellen, een pollepel in de hand nemen, een diepe buiging voor het kookgerei maken, de armen heffen en hard “Hoezeee!” roepen. En dat dan drie keer achter elkaar……
Was er maar een polonaise gevolgd ( die kwam pas later ), en had Wauwel maar achteraan in de rij gestaan, om zodoende stilletjes in staat van totale ontreddering het pand te kunnen verlaten om haastig naar huis af te kunnen reizen. Maar nee, ontsnappen was onmogelijk, en de feestavond, waar geen einde aan leek te komen, ontaardde in een luidruchtige kook- en schranspartij waarbij La Grande Bouffe tot een droog crackertje verbleekte.  Het restaurant in kwestie schijnt enkele maanden later door de bliksem getroffen te zijn en is tot de grond toe afgebrand. God bestaat dus, zij het soms wat laat.

Ik schrijf die gebeurtenissen nu maar toe aan een ontlading van spanning, die – en dat weet iedereen die in het onderwijs werkt – volgt op de momenten dat je de dagelijkse onderwijspraktijk even achter je kunt laten.  Het voornemen om ons bij een tapas-studio te droppen vervulde mij dus met angst en beven, en zorgvuldig hield ik dan ook de gastheren in de gaten, wachtend op het moment dat de koksmutsen en de pollepels weer tevoorschijn zouden worden getrokken.
Het viel mee. Je wilt je meerderen ook niet al te zeer teleurstellen, dus toog Wauwel aan de bereiding van paëlla – waarin onbestemde brokjes kip en garnaal-achtige dingen verwerkt moesten worden – wèl in schort, maar gelukkig zonder koksmuts. Zo zaten wij dus rond het middaguur de laatste roddels en nieuwtjes rond het management door te nemen ( een uitermate belangrijke vorm van teambuilding ) , onder het genot van wat voorzichtige hapjes tapas. Voorzichtig, want op de opleiding dierverzorging waar ik werk, kan het voorkomen dat een collega bij wijze van demonstratie in de les de anaal-klieren van een speciaal voor dat doel meegebrachte hond uitknijpt, en daarvan wil je de restanten toch niet in je sausje terugvinden.
De sfeer bleef beschaafd en hartelijk, men barstte niet in brallend gezang uit, er werd slechts beperkt over voetbal gesproken en men was over het algemeen aardig nuchter. Om half vier waren de festiviteiten weer ten einde, en kon men kiezen tussen afreizen naar ergens een terrasje of  gewoon naar huis. Wauwel koos wijselijk voor het laatste.
Nu snel naar de Appie, want ik heb zin in patat met vissticks.

  • Share/Bookmark

 


Klaarkomen met de MBO Raad

Oeps! Wat zeg ik nu weer allemaal! Dàt gaat lezers kosten. Waarom moet ik dan toch aan zoiets denken? De MBO-raad is een zeer belangrijke organisatie in MBO-land, met als hoofdstad Competent City. De voorzitters van colleges van bestuur en centrale directies van alle bij de MBO Raad aangesloten onderwijsinstellingen vormen de algemene ledenvergadering.  De MBO-raad wil Nederland met “kennisvergrotende leerwerkomgevingen” weer in de mondiale top 5 doen belanden. Dat gaat helemaal lukken, want er komen “concrete arrangementen van leren en werken en synergie door kennisdeling en gezamenlijke innovatie”.

Nu ben ik zo’n docent die van die leerarrangementen aanbiedt en die de synergie vindt in het delen van zijn kennis aan een klas waarvan er slechts zes op waren komen dagen omdat  de anderen vijf  tussenuren op een dag wat te veel van het goede vonden, dus als ik dit soort mooie berichten van de MBO-raad lees, raak ik toch wat onvast op de benen en moet ik steun zoeken bij het wat aftandse schoolmeubilair.
De MBO-raad lijkt wel een beetje op de spuitende oliebron in de Golf van Mexico, en ook wel een beetje op de Eyafjallajökull-vulkaan op IJsland.  Beide blijven ongecontroleerd enorme vervuiling het milieu in spuiten, waardoor elk zicht op verbetering ontnomen wordt en bijvoorbeeld het verkeer volledig wordt ontregeld. Door de as- en oliewolk zien we de door de bomen het bos en de bodem niet meer, en de schade blijft nog jaren nadien zichtbaar.  Blijkbaar verkeert de MBO-raad in een voortdurende staat van onderwijskundig orgasme;  er schijnt een lichamelijke afwijking te bestaan die iets dergelijks veroorzaakt, en zo blijf je maar doorgaan met zelfbevrediging, in dit geval in de vorm van  allerlei ronkende plannen en websites waar je leerlingen blij ziet badderen in traag stromende vernieuwingsrivieren die door een oneindig leerlandschap gaan.

“Van r*@%*n word je doof!”  luidt een bekend grapje. Dat zou ik tegen de MBO-raad willen zeggen. Die dan vervolgens antwoordt: “Wat zeg je?”.  Ik zal het dan iets duidelijker herhalen: “VAN RUKKEN WORD JE DOOF!”. De MBO-raad is helaas doof voor de klachtenregen, die een nog grotere proportie heeft aangenomen dan de as- en olieregen, en blijft vrolijk doorgaan met zelfbevlekking.

Twee van de vijf  “studenten” in niveau 1 en 2  hebben ernstige problemen die het volgen van goed onderwijs in de weg staan. Daar heeft men een prachtige oplossing voor. Men heeft per niveau duidelijk omschreven waar de deelnemer aan moet voldoen. als voorbeeld de eisen die worden gesteld aan een niveau 1-leerling bij het vak Nederlands:

  • brengt een heldere en logische structuur aan in de informatie, door vorm en opbouw; to-the-point, wijdt niet onnodig uit
  • gebruikt taal die aansluit bij de boodschap en doelgroep, gebruikt geen onnodig vakjargon
  • mondeling: spreekt rustig en duidelijk verstaanbaar Nederlands (snelheid, volume, articulatie); maakt hierbij effectief gebruik van woord, gebaar en hulpmiddelen.
  • schriftelijk: Schrijft helder, beknopt en foutloos (woordkeuze, spelling, grammatica);
  • toont belangstelling en betrokkenheid en luistert actief naar anderen; vraagt de ander naar zijn mening, advies en welbevinden
  • is in uitleg rustig en zeker, net zolang totdat de boodschap volledig bij de ander is overgekomen

Wat voor lieden functioneren op niveau 1 Nederlands? Wel, de gemiddelde voetbal-hooligan bijvoorbeeld. Met behulp van dit handige lijstje kan de docent in zijn rol van assessor snel analyseren of de leerling deze competenties  beheerst.  Is het “Hi-ha hondelul” of  “Hi-ha hondenlul”? In het moderne onderwijs maakt dat niet zo heel veel uit. Als de boodschap maar overkomt,  en desnoods geef je er nog een paar trappen bij in het geval van de voetbal-supporters.
Daarnaast kan de leerling natuurlijk een portfolio overleggen, waaruit blijkt welke competenties al eerder zijn behaald. Tot nu toe is zo’n portfolio in veel gevallen een soort veredeld poëzie-album, en de inhoud ontstijgt niet het niveau van “tip-tap-top, deze leerling lust graag drop”.

Onlangs zag ik in een onderwijs-special van een actualiteiten-rubriek een actie van de SP, die op bezoek was bij in het heilige der heilige van de MBO-raad: het hoofdkantoor. Men kwam daar voorstellen om de hele MBO-raad maar af te schaffen, want te veel geld en zo, wat te veel naar besturen en managers ging. In het filmpje wordt een MBO-leerling opgevoerd, die op de vraag wat competentie-gericht onderwijs is, geheel in stijl weet te antwoorden: “Je moet te veel op je eigen werken”.  Ook zien we een verontruste collega, die haar ongerief uit tegenover de welwillend toe horende voorzitter van de MBO-raad, een aardige man overigens, die de aanwezigen een lekker kopje koffie aan biedt.

Afschaffen is natuurlijk geen optie. Maar het zou wel zinvol zijn om net als bij de spuitende oliebron te proberen een soort stolp over de MBO-raad en alles wat daar voor staat aan te brengen, om zo die onderwijsvernieuwingen die wèl een verbetering voor de kwaliteit van het onderwijs betekenen, gecontroleerd te kunnen aftappen. Die zijn er ongetwijfeld: een goed portfolio, meer zelfwerkzaamheid voor leerlingen die dat aankunnen, en zo is er nog wel het een en ander te bedenken. Maar dan wel graag van onder af ingevoerd.
Eerst hebben we nog een gigantische klus om de aangerichte vervuiling op te ruimen. Het opruimen van de enorme achterstand bij taal en rekenen bij de PABO-studenten – en dan kijk ik nog niet eens naar de gebreken op andere vakgebieden zoals bijvoorbeeld geschiedenis en aardrijkskunde – ; het opruimen van de enorme papierwinkel in het competentie-onderwijs – er zijn soms zestig pagina’s nodig om de competenties voor één bepaald vakonderdeel op niveau 1 te omschrijven-  en zo is er nog een reusachtige berg achterstallig onderhoud.
Een meerderheid van de MBO-docenten verwacht dat de kwaliteit van het onderwijs over tien jaar nòg verder achteruit zal zijn gegaan. Dat klopt. Er zal minstens een generatie over heen gaan voordat de schade enigszins is hersteld.
De vriendelijke voorzitter van de MBO-raad doet me een beetje denken aan Mohammed Saeed Al Shahhaf, die aimabele Iraakse minister van propaganda, die tijdens de  oorlog in Irak zulke enige persconferenties gaf. Terwijl links en rechts de bommen insloegen, bleef hij ijverig en opgewekt volhouden tegenover de verzamelde pers dat er niets aan de hand was en dat alles goed zou komen. De overwinning is nabij, ook voor de MBO-raad.

YouTube Preview Image

  • Share/Bookmark

 


Begrafenis

Stralend weer, een zon-overgoten landschap, en ik was op een begrafenis. Geen begrafenisweer: nevelig, regen, guur, ergens in november. Een collega was gestorven, na tweeëneenhalf jaar vechten tegen de kanker die onoverwinnelijk bleek. Terugkomend van vakantie, was daar een mailtje. Afgelopen vrijdag was hij gestorven. Op dat moment wandelde ik ergens over een stil strand langs de Golf van Aqaba, genoot van de vakantie, van de onmogelijk blauwe zee, de warme woestijnwind die over het water vanuit Saoudie Arabië kwam aanwaaien. Weg van alles, of je in een andere wereld was. En thuis overleed op die dag een collega, met wie je jarenlang had samengewerkt, en waar je tijdens je vakantie helemaal niet aan dacht.
Die eerste maandag op school merkte je het bij het binnenkomen: er was iets gebeurd, en je wist eigenlijk al direct: hij is dan toch overleden. Aan de meeste leerlingen gaat zoiets voorbij. Slechts een enkeling kende hem nog, had nog les van hem gehad. Ze speelden met hun mobieltje, hadden lol en maakten grappen. Toetsen hielden hen bezig, het einde van het schooljaar is een hectische tijd voor leerlingen die niet weten hoe te plannen en die alles uitstellen tot het laatste moment. Voorjaar, hormonen in de lucht. Wie is er dood? O, die ken ik niet. Hebben wij dan vrij, meneer, als de begrafenis is? Dood en pubertijd, dat is een slechte combinatie.  Jongeren en dood ook. Ooit had ik een leerling, zestien jaar was hij, die had leukemie. Daar lag hij in het ziekenhuis in Amsterdam, op een afdeling waar je achter de ramen allerlei jongeren zag liggen, in kamers die zij nooit meer zouden verlaten. Het hoofd kaal, de eens zo stoere knapen en meiden omgeven door kinderknuffels en tientallen kaarten aan de wand, groeten uit een andere wereld die nooit meer de hunne zou worden.

Ik kan daar heel slecht tegen: kinderen in een ziekenhuis. Zoiets hoort niet, zoiets is onnatuurlijk. Je betrekt het altijd op je eigen kinderen. Jongeren maken vaak morbide en groffe grappen over de dood. Het is  iets wat niet bij hun doen en laten past, dan kun je er om spotten. Tot het hen zelf raakt.  Op die momenten leer je wie je echte vrienden zijn. Dat zijn uiteindelijk niet je Hyves-vrienden, die honderden vluchtige contacten. Hyves is ineens niet zo belangrijk meer; toch vind je op dergelijke netwerken soms intrigerende uitingen die alles te maken hebben met de dood, met het overlijden van een vriend op Hyves of Facebook. Sommigen leven door op Hyves, zelfs een jaar na hun dood zijn hun profielen nog te bekijken, kun je nog krabbels achterlaten, heb je ‘contact’. Leven na de dood op Hyves of Facebook, hoe bizar.  Hyves als het hiernamaals.

Die leerling van toen, die is al jaren dood. Je zult niets van hem op internet vinden, er was toen zelfs nog geen internet. Ik moest daar aan denken tijdens de begrafenisdienst, in dat zonnige kerkje in Bennekom, waar een koor opwekkingsliederen zong en waar een zee van bloemen op de kist lag. Voor die collega geen hiernamaals op Hyves, maar een echte hemel na dit aardse bestaan.

  • Share/Bookmark

 


Intake-gesprek

Tegen het eind van het schooljaar houden wij in onze opleiding zogenaamde intake-gesprekken. Wie te kennen heeft gegeven op ons boeiende instituut een opleiding te willen volgen, wordt op een goede dag uitgenodigd een twintig minuten durend gesprekje met twee docenten  te voeren en daarin de motivatie uit te leggen, waarbij we tevens wat strikvragen stellen:
“Stel, je loopt langs een vijver, en daarin zijn een mens en een paard aan het verdrinken. wie haal je er het eerste uit? “, waarna de kandidaat, haast struikelend over zijn of haar tong, direct antwoordt:
“O, het paard natuurlijk, want dat kun je vertrouwen, en mensen niet!”

Zoiets verbaast mij, een redelijke paarden-onsymphatisant, die het consequent over knollen  heeft en over poten in plaats van  over benen, al lang niet meer.
Deze keer had ik mij voor twee avonden opgegeven om een serie gesprekken af te nemen. De ene collega vraagt, de andere maakt een soort van aantekeningen en vervolgens brengen we het management advies uit, waarbij een negatief advies met zó veel redenen omkleed moet worden dat je bij voorbaat al iedereen juichend toe laat.

Daar komt de eerste kandidaat, door ouders vanuit het verre Tilburg naar onze locatie in centraal Nederland begeleid. Een meisje van een jaar of zeventien schat ik. Ze geeft mij een handje; of er een dood visje in je hand wordt gelegd, en neemt zenuwachtig met de vingers friemelend plaats.
“Zo, en waarom wil jij graag onze opleiding volgen?”
“Ja, ik heb mijn hele leven al iets met dieren willen doen” ( Wij bieden als school een opleiding “Iets met dieren” aan )
“En heb je zelf ook dieren?
“Ja, een hamster, twee ratten, een goudvis”
“En wat wil je later worden?”
“Ja, iets met dieren”

Die wordt aangenomen, want ze blijkt te kunnen spreken.

De volgende aspirant-deelnemer is een jongeman, die twintig minuten voorover gebogen zittend naar zijn voeten staart. Hij heeft wat papieren van de huidige opleiding meegenomen.
“Ik zie dat hier geen cijfers op deze lijst staan. Komt er nog een cijferlijst aan?”
“Eh.. nee, wij doen daar niet aan. Bij ons telt alleen dat je een vak gevolgd hebt, je hoeft geen cijfer. Als je alle vakken hebt gevolgd krijg je je diploma”
“Ah! Ik begrijp het. Dus je hebt vijf vakken gevolgd? En geen Engels? Want dat zie ik hier niet staan.”
“Nee, dat is onderdeel van dat vak wat daar staat. Gesprekstechnieken.”
“O ja… nou, dan is het wel duidelijk ja.”

Zo gaat het een paar uurtjes door. Er moeten een stuk of negentig deelnemers aangenomen worden. Ik bekijk de diverse aantekeningen op de meegebrachte papieren – een enkeling heeft alles vergeten – : heeft dyslexie; heeft dyscalculie; heeft ambulante begeleider bij zich; heeft PDD-NOS; is allergisch voor stof….

“Kijk je wel eens naar het nieuws?”
“Nou… eh.. ik lees soms wel de Spits, en ik kijk wel naar soaps”.
“Tjonge, het is al weer tijd! Dat ging snel! Nou, eind mei hoor je van ons! ”
“Doei”.

Ach ja… we doen ons best toch maar weer. Het lesbloed kruipt waar het niet gaan kan.

  • Share/Bookmark

 


Eeuwige roem met Twitter

Vandaag mocht ik een presentatie geven met als titel:  ”Twitter voor digibeten”. Een enthousiast publiek van digibeten had zich dus al vroeg in het zaaltje van het congrescentrum verzameld, onwetend van het feit dat zich eerder op de ochtend tijdens de voorbereidingen al een gruwelijke ramp had voltrokken in de vorm van het volkomen onverwachts uitvallen van het beeld op de beamer. Je test alles honderdduizend keer uit, en toch weet de wet van Murphy telkens weer onbarmhartig toe te slaan. Maar goed, met blij gemoed togen we aan de slag, en het aardige van digibeten is, dat zij de informatie echt met volle teugen tot zich nemen,  je hoort nog nèt geen slurpen. Over twitter kun je uren lang doorkletsen, en het is leuk om te constateren dat er voor veel aanwezigen een wereld openging, terwijl we in het onderwijs toch vaak geneigd zijn om te denken dat alles wat wij vertellen, toch zo welsprekend is. Hulde aan mijn publiek dus, en zelfs toen zich alsnòg een techniekrampje voltrok – de filmpjes in mijn presentatie werden enkel op mijn laptop vertoond, en niet op het beamerscherm – was men bijzonder vergevingsgezind en hield ik de laptop dus maar voor mijn volgelingen omhoog, zodat ze toch nog een glimp van onder andere dit hilarische filmpje konden opvangen:

YouTube Preview Image

De avond ervoor had ik een Humor Workshop gevolgd, en het effect van onderwijs staat of valt met het gebruik van humor. Zo’n boodschap blijft ongekend lang hangen.  De presentatie verliep verder naar wens, en wie schets dan ook mijn verbazing dat ik enkele uren later in eens mijn naam op twee enorme schermen in de grote zaal zag verschijnen, met daaronder de mededeling dat ik tot beste presentator van het congres was verkozen en een studiereis naar Californië had gewonnen. En dat met 140 tekens! Eeuwige roem werd direct mijn deel, maar die werd al weer enigszins getemperd door het commentaar van mijn geliefde vrouw en dochters die hun oude vader ’s avonds op de website van het congres op video zagen vastgelegd. “Je lijkt wel tachtig!”, “Wat voor drugs heb je daar gebruikt?”, “Het lijkt wel of je een kunstgebit uit hebt!”, “Je bent enorm gespannen daar zeg!”

U kent het wel. Het soort vleiende kreten die het gezin bij wijze van lofuiting de heer des huizes doet toekomen. Je leert er mee leven. Lotgenoten onder de huisvaders, vooral die met drie dochters, zullen er van mee weten te praten.  Het filmpje was ook inderdaad een lichte schok voor mijn vandaag toch wel wat gestreelde ego. Je zal als klas toch een hele dag tegen zo’n vent moeten aankijken en dan ook nog die piepstem aanhoren.  Ik zal dus ook niet zo gek zijn hier de link naar dat filmpje te plaatsen, zó ijdel ben ik dan ook nog wel. Maar, de reis gaat naar Los Angeles, en daar zitten de nodige gehaaide medici die in dure klinieken hun clientèle van beroemdheden in zes dagen tijd een total make-over kunnen geven. Zo’n verzuurde  en door de tand des tijds getekende Twitteraar zal voor hen dus even een simpel klusje tussendoor zijn. Voor het geval de studiereis dus mogelijk een beetje saai zou blijken ( ik verwacht dat trouwens niet ), dan heb ik in elk geval een alternatief, en zal na afloop een Arnold Schwarzenegger-achtig type, maar dan met beeldschoon uiterlijk als van een vijfentwintigjarige, zijn rentree in huize Wauwel maken.

  • Share/Bookmark

 


Conferentie

Eén van de grootste zorgen die je als presentator op een conferentie elke keer weer kan kwellen is de vraag: “Werkt het allemaal?”
Er zijn momenten dat alles tegen lijkt te zitten. Uw blogger vertrok vanochtend welgemoed van huis, bij het krieken van de dag, want files en zo, en opnieuw had de organisatie van dit congres in haar ondoorgrondelijke wijsheid besloten om als plaats delict Veldhoven uit te kiezen, u weet wel, die plaats waar van de week een enorme bende criminelen is opgerold. Blijkbaar hebben deze lieden ook banden gehad met de wegenbouw-maffia, want zoals gewoonlijk bleek dit oord schier onbereikbaar.
Ondanks de goed bedoelde aanwijzingen van mijn TomTom-juffrouw, belandde ik met verhit gemoed ongeveer op de landingsbaan van Eindhoven Airport, moest ik gelijk een terreinwagen enige wegbermen nemen om weer op het goede spoor te geraken, om vervolgens van haar te vernemen dat ik nu de linkerbaan op de snelweg moest aanhouden waar geen snelweg was.
Uiteindelijk belandde ik na twee uur rijden in Best, ooit uitgeroepen tot crimineelste stad van Nederland, totdat Veldhoven blijkbaar die positie overnam.
Ik heb toen in opperste wanhoop maar aan juffrouw TomTom opgedragen snelwegen te vermijden, en zo belandde ik toch nog in het congrescentrum, waar natuurlijk het draadloze internet uit de lucht was, ondanks een nacht doorsleutelen door een bedrijf waarvan ik nu uit piëteitsoverwegingen de naam niet zal noemen.
Twitteren via mijn geliefde iPhone bleek ook een moeizaam gebeuren, maar op het moment van schrijven is dat inmiddels iets verbeterd. Ik heb gemerkt dat op het tweede herentoilet in de afdeling rood op de eerste etage de ontvangst vrij redelijk is. Ik kan dus iedereen aanraden daar heen te gaan.
Mijn eerste workshop – ik ben zelf pas donderdag aan de beurt – werd gegeven door een persoon die met behulp van enige techneuten met de moed der wanhoop aan het opstarten van de presentatie bezig was. Dit werkte niet, dat werkte niet, en toch nog zó geprobeerd en getest, u kent dat wel. De techneut zat zwetend over de bekabeling gehurkt, daarbij de aanwezigen een ruime blik op diens bouwvakkersdecolleté gunnend.
Het kan wat dat betreft altijd erger: ik heb ooit eens een presentatie mee mogen maken die gegeven werd door een dame van in de vijftig, nogal mollig postuur, die het gepresteerd had een soort naveltruitje aan te trekken. Vijfitig minuten lang bleven de aanwezigen gebiologeerd naar die tussen diverse rollen vermoede navel staren, van aandacht was zij dus absoluut verzekerd, zij het enigszins misplaatst. Het had in dat geval ook totaal niet uitgemaakt of het internet nu wel of niet gewerkt had, iedereen was toch op zoek naar die navel.
Goed, morgenochtend is het dus mijn beurt, en mag ik live gaan twitteren voor de hopelijk in grote getale aanwezige digibeten. Alles lijkt goed te gaan. Het internet werkt nu, met dank aan de alom aanewezige en behulpzame technici en ik heb ook geen naveltruitje aan. Het kan gewoon niet meer mis gaan. U hoort nog!
  • Share/Bookmark

 


Mijn foto's op Flickr

    Interrail2010 (243) P1030448 burka Beekbergen 2010 (23) P1040153 Beekbergen 2010 (19) Interrail2010 (175) P1040305 P1040146