Boer

Op mijn school gaan leerlingen op stage. Ze doen “iets met dieren”; dat betekent dus dat ze uitwaaieren naar dierenparken, asiels, kennels, boerderijen en trimsalons, om maar wat te noemen. Als docent moet je daar dan ook een kijkje nemen, informeren hoe  zo’n leerling het doet, gewichtig kijkend aantekeningen maken op een lijst en begrijpend knikken als de boer iets voor jou volkomen onbegrijpelijks  vertelt over uierontsteking of zo.  Zo’n stagebezoek kan een enerverende ervaring zijn, ik schreef daar al eens over.  Er zijn bedrijven waar je beleefd doch dringend de beduimelde, van vastgeplakte hondeharen voorziene mok koffie afwijst, ook al zou het je laatste mogelijkheid zijn om ooit nog een bakje te doen. Soms krijg je de neiging om na een stagebezoek al je kleren te verbranden en zelf poedelnaakt in een bak loog te stappen. Ook de auto waarin je na afloop plaats neemt, zou vernietigd moeten worden. Nu ben ik geen docent meer, maar soms mag ik dan nog zo’n stagebezoekje doen.

De telefoon ging. Het was een collega die mij vertelde dat twee van mijn leerlingen weg waren bij de boer waar ik een bezoekje zou brengen.  Er is iets gebeurd. Je denkt dan meteen aan hitsige types die met geile oogjes zich aan een onschuldig deerntje pogen te vergrijpen, maar deze man was bijna bejaard, had in zijn hele leven ongeveer nog  nooit een vrouw gezien en woonde nog nèt niet in een hut uit de steentijd op een plaats die door de Tomtom  nog tot onontgonnen terrein wordt verklaard.   Toch leek het er een beetje op. De man had wat bepaald onhandige dingen gemompeld, van het een kwam het ander en uiteindelijk escaleerde de situatie zo, dat verontruste ouders diep in de nacht naar een uithoek des lands scheurden om hun dochters uit de klauwen van de mogelijke sexmaniak te bevrijden. Heel begrijpelijk,  vanuit de ouders gezien; ik zou beslist niet anders, en mogelijk nog erger gedaan hebben. Het kroost was inmiddels door de politie bij de dader weggehaald, het hele dorp in rep en roer,  de boer volslagen ontredderd en handenwringend volhoudend dat het allemaal niet zo bedoeld was.  Wat uiteindelijk ook bleek. Het was één groot misverstand,  begonnen met iets onbeduidends als het onschuldig vragen naar welke slaapkamer de dames lagen ( om daar boven op zolder wat rattengif en muizenvallen te deponeren, omdat deze diertjes voor enge voetstapgeluiden zorgden  ) en eindigend in paniekerige telefoontjes waarin  met messen werd gezwaaid en de boer op het punt leek  te staan hen beiden te vermoorden.

De volgende dag nam de boer de telefoon niet op. Deed-ie altijd wel, volgens verontruste collega. Visioenen van oude boer, ergens bungelend op de hooizolder, of eigenhandig gespietst aan een riek. Wordt pas over jaren gevonden.  Gelukkig bleek de man  gezond en wel, en volgende week mag Wauwel afreizen naar barre oorden aan de Waddendijk, om de vermeende lustmoordenaar maar weer een handje te schudden en te vertellen dat het allemaal een ongelukkig misverstand was.  Ach, het is weer eens iets anders  op een doordeweekse onderwijsdag. Mijn belevenissen daar komen dus rond die tijd online!

  • Share/Bookmark

 


Diploma

Er zijn gelegenheden die je in een staat van lichtelijke geestelijke vervoering kunnen brengen. Nu worden die in het algemeen met het klimmen der jaren wat schaarser, of het moest het moment zijn waarop je je eerste rollator in de zorgwinkel mocht uitzoeken, maar sommige mensen hebben nu eenmaal meer extatische momenten dan andere, en daar ben ik er eentje van.
Gisteren mocht ik genieten van de feestelijke diploma-uitreiking van een van mijn dochters, die vier jaar Hogere Hotelschool had afgesloten.  Zo’n opleiding is het natuurlijk aan zijn stand verplicht de bezoekers te vragen om stijlvol gekleed te verschijnen. Een mooie gelegenheid voor een pak dus,
Er was een presentatie, er waren bloemen, er was applaus en er waren een hoop glunderende vaders, moeders, vrienden en vriendinnen daar in Saxion, Deventer.
Waarom die geestelijke vervoering? Ja, zo’n uitreiking heeft in een klein hoekje ook een melancholiek tintje. Je ziet de schoolfoto’s passeren, je ziet ze met elkaar op werkweek, op stage, en dan ineens is dat weer voorbij.  Vier jaar lang samen van alles ondernomen, en vooral heel veel plezier gehad. Op school kun je fouten maken, vaak een opeenstapeling, zonder al te grote gevolgen. Straks in de maatschappij kan dat niet of in elk geval veel minder. . fouten hebben daar gevolgen.
Ze straalden allemaal gister. Allemaal mooie jonge meiden en knapen, schitterende sterren in hun show. Wat wil je op dat moment nog meer: de hele toekomst ligt voor je open, banen in verre landen, niet ongebruikelijk in deze opleiding, lonken.

Wanneer je werkt in het onderwijs, zoals ik, dan heb je een bevoorrechte baan. Je bent voortdurend in contact met jongeren die kansen willen grijpen en kansen zien. De uitgeblusten die je tegenkomt , zijn niet de leerlingen, maar een enkele collega. Dat kan ook. De wereld lijkt de studenten toe te lachen, maar soms hoor je verhalen, die niet in de koude kleren gaan zitten. Gisteren nog twee huilende meisjes aan mijn bureau, kleine zielige ineengedoken vogeltjes. Handenwrijvend, hun make-up vreselijk uitvlekkend. Vader slaat moeder. Het paard dreigt dood te gaan. Ik moet van mijn kamers af.

Nu kan ik slecht tegen tranen. Van de week nog een krabbeltje op Hyves ( zóóó 2009 trouwens ) , van een oud-leerling. Of ik die en die nog ken. “Nou, die heeft de ziekte hoor, u zou haar niet weer kennen”. Je probeert je dan zo iemand voor te stellen, daar ergens in een steriel ziekenhuisbed, langzaam van binnen wegterend. Misschien verlangend naar de schooltijd, toen het hele leven nog voor hen lag. Ergens op mijn bureau ligt een foto, heel oud, nog van voor de oorlog. Daarop staat een meester met zijn klas ernstig kijkende kinderen. Allemaal bijeen, om hun leraar, hun bron van alle kennis en alle informatie over de verre wereld. Hun internet.  Ergens in Nederlands-Indië, achter in de dertiger jaren. Vier jaar later is die meester door de Japanners met één slag van een zwaard onthoofd.

Kinderen op schoolfoto’s keken vroeger allemaal ernstig. Wanneer is dat eigenlijk veranderd?  Nu is alles vrolijk en opgewekt, de toekomst is blijkbaar anders. ‘t Kan natuurlijk ook zijn dat de Ritalin een behoorlijk opbeurende werking heeft, want een kind wat tegenwoordig een beetje mee wil tellen, heeft ADHD.  Weet ook niet of kinderen van nu meer kattekwaad uithalen in een les dan vroeger.  Onze docenten in het HBO hebben aan mij in elk geval een hele kluif gehad vroeger. Sommigen worden blijkbaar nooit volwassen.  Toch kon je dat allemaal doen. De schooltijd: in het algemeen de leukste tijd van je leven. Alles pleit dus voor een leven lang leren. Niks leukers. En voor een docent is zoiets vreselijk aanstekelijk.

  • Share/Bookmark

 


Assessoren-training; the full story

Het management van het eerbiedwaardige onderwijs-instituut waar ik werk, heeft in zijn onuitsprekelijke wijsheid besloten, dat het voor de medewerkers goed is op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen omtrent de examinering in het Competentie Gerichte Onderwijs (CGO). Ook ik behoor tot de uitverkorenen, dus mag ik vandaag de elementen trotseren om mij te vervoegen in de bossen ergens bij het dorp E. op de Veluwe. Het CGO heeft daar een etablissement afgehuurd, waar wij drie keer een hele dag (!)  zullen moeten leren dat examens van vroeger allemaal knudde waren en dat het licht ons nu gebracht zal worden door de Proeve van Bekwaamheid (PvB), waarbij een leerling gedurende enkele uren allerlei zaken doet die door een examinator ( dat heet dus nu ‘assessor’, net als een huisvrouw  nu  ’domestic manager’ heet ), vermoedelijk gekleed in een lange wittte doktersjas, aantekeningen makend op zo’n blocknote en streng turend door een bril-met-zonder-glazen, worden beoordeeld. Drie dagen lang, op een vrijdag. Ik heb daar natuurlijk enorme zin in, dat begrijpt u wel. De auto heeft geen vier lekke banden, ik heb vannacht niet onverwachts een kind gekregen, en het dorp is niet van de buitenwereld afgesneden door hevige sneeuwstormen… misschien dat iemand nog een suggestie heeft. Via Twitter zal ik u vandaag kond proberen te doen van de wederwaardigheden, tenzij men daar het gebruik van alle mobiele apparatuur blokkeert… En binnenkort natuurlijk meer.

Deel 2:

De eerste dag van de training zit er op.  Na een half uurtje rijden en wat zoeken in het bos belandde ik bij een wat verlopen conferentie-oord, met opengebroken kamertjes en verlaten biljarttafels, en hier en daat wat nettere zaaltjes.  Bij de receptie stond een duidelijk trainerstype, in blijde afwachting van de kandidaten. Aan mijn gezicht moet hij hebben gezien dat ik er eentje was; ik werd tenminste vriendelijk doorverwezen naar een bovenzaaltje, waar nog drie van de zeventien te verwachten collega’s koffie stonden te drinken, in dezelfde berustende houding als ik.  We zouden om haldf  tien beginnen. Uiteindelijk bleken acht collega’s voorgoed verdwaald in de omliggende bossen, maar de  beide trainers hielden de moed er in.

Ga er maar aan staan, een training  geven over een redelijk abstract onderwerp aan een groepje lieden die door hun baas naar de plaats delict zijn gestuurd, op de laatste dag van een drukke wekweek, in het vooruitzicht tot vier uur ’s middags getraind te worden. Ik moet eerlijk toegeven: ze deden hun best, bleven opgewekt en vriendelijk, en leefden ernstig met ons mee, net als de vele twitteraars in het hele land die mij gedurende de dag allerlei opbeurende tweets stuurden als reactie op mijn bevindingen.
We begonnen dus ook met het bekende voorstellingsrondje en het schrijven van het naamkaartje.  Daarna de oefeningen. Ooit was ik op een bijeenkomst waar de trainer ons in groepjes verdeelde, ons allemaal een rieten mandje met ingrediënten gaf ( theedoek, kammetje , enz. ), waarmee wij vervolgens een denkbeeldig land moesten ontwerpen en dat alles met stickers op een flapover moesten toelichten. De dag ontaardde in chaos, waarbij de duur betaalde coach steeds wanhopiger en met steeds hogere piepstem  riep : “Mag ik even orde, orde, ja?”, daarbij met twee handen aanhalingstekens in de lucht makend.  Geen lastiger leerlingen dan docenten.

Ook hier ontbrak tot mijn grote schrik de flapover niet, en we begonnen  met een “oefening”…  Op de vloer werden allemaal speelkaartjes uitgespreid waar we er eentje met een voor ons passende omschrijving uit moesten kiezen. Nu maak ik al dertig jaar onderwijsveranderingen en dienovereenkomstige trainingen mee, dus ik koos voor “kan relativeren”.
De ochtend kabbelde voort: veel peinzend naar elkaar kijkende en zachtjes fluisterende trainers, en cursisten die papiertjes vol schreven met diverse zelfbeschouwingen. Mijn grootste angst was, dat we ergens op de dag in een Sjamaanse zweethut in het omliggende bos zouden belanden, waar we geheel naakt, en al schreeuwend naar elkaar, onze eigen persoonlijke dolfijn zouden moeten leren ontdekken om daarna, geheel wedergeboren, de rest van ons leven met een verzaligd gezicht competentiegerichte toetsen af te kunnen nemen.

Dat bleek mee te vallen. Er was slechts één  gruwelijk moment, toen we na de middagpauze duo’s moesten vormen en tegenover elkaar gaan staan: “We gaan nu tot drie tellen. De eerste zegt: ‘één’, de tweede: ‘twee’ en de eeste dan weer: ‘drie’, en dan de tweede: één’, enzovoort.” 
Gevoelens van machteloosheid en ontreddering begonnen de kop op te steken. Maar het ergste moest nog komen: “Nu zeg je geen ‘één’ meer, maar maak je een geluidje ‘Briep!’ En, nog erger: “Nu zeg  je geen ‘twee’ meer, maar in plaats daarvan maak je een spongetje!”……

De lezer zal begrijpen dat Wauwel op dat moment dienstweigeraar werd. De rest van de uren verliep als in een soort droom, je schrikt wakker uit iets naars en ontdekt dan dat het echt is. Maar, eerlijk is eerlijk, de trainers konden er ook niets aan doe. Het bleven rustige en vriendelijke jongens. De laatste twintig minuten werden besteed aan het naast elkaar leggen van de agenda’s voor de volgende cursusdag. Thuisgekomen, overwoog ik even om mij zelf een alcoholisch delirium te bezorgen, maar ach, een simpel Belgisch biertje deed mijn verhitte gemoed ook weer wat kalmeren. Weekend. En de volgende cursus: wie dan leeft, wie dan zorgt.

  • Share/Bookmark

 


Piemel

Zo’n titel trekt geheid bezoekers. Lange tijd kreeg ik veel blog-visite van lezers die – om ondoorgrondelijke redenen  – op zoek waren naar het ook nog eens zeer archaïsche woord “piemel”. Ik heb blijkbaar de naam in Google opgebouwd  dat je voor piemels bij Wauwel moet wezen. Het zij zo. Als man van mijn leeftijd leer je met dat ding berusten. ‘t Is bovendien een wat meer verzachtende term dan de gangbare benaming die je nu overal, ook in de hoogste kringen, hoort bezigen. Het heeft iets potsierlijks, iets aandoenlijks, lachwekkends.  Je staat toch knap voor lul als je het nog over ‘penis’ hebt.

Taal is aan verandering onderhevig. ‘Hun’ moet nou ook kennen, is er door gerenommeerde taalwetenschappers besloten, want als hullie vinden dat ze dat wel kennen, wie ben ik dan om nog dwars te gaan leggen, iemand die het nog over piemels heb ergens in zijn weblog.

De taal verarmt, vind ik. Ook in het onderwijs worden steeds meer docenten niet meer gehinderd door enige kennis van zaken, en kom je in allerlei uitingen, van management tot lesmateriaal, de meest gruwelijke taalfouten tegen. Als de bedoeling maar overkomt, is het credo  onder de bedenkers van het moderne onderwijs.
Binnen afzienbare tijd spreken we allemaal een soort sms-taal, en het zwaardere werk, zoals redevoeringen, wetenschappelijke discussies, kamerdebatten  en preken zal zich verplaatsen naar Twitter.  De Algemene Beschouwingen in 140 tekens.  Denk eens in, welk een enorme tijdwinst daarmee geboekt gaat worden.  Alle preken, en dat zijn er nog  al wat,  hier in dorpje B. op de Veluwe, in 140 tekens! Sta je in een kwartier weer buiten. Er is hier een kerkelijke gemeente die nog een stapje verder gaat. Elke zondagmorgen zit een sporthal vol met blije, enthousiaste lieden, die zelfs zó ver gaan dat zij een taal spreken die helemaal niet meer voor buitenstaanders verstaanbaar is. Even voor de vuile heidenen onder de lezers: ‘Spreken in tongen’, wordt dit genoemd. Men is zó gegrepen door de Geest Gods, dat men zich over geeft aan reeksen onsamenhangende klanken. De voorganger van die kerk zit ook op Twitter: het wachten is op het moment dat hij ook in tongen gaat twitteren, en zijn volgelingen mèt hem.

Wauwel twittert ook natuurlijk, want op mijn leeftijd hol je hijgerig met allerlei trends mee, totdat het moment komt, dat je ook dàt tempo niet meer bij kunt houden en je enige vertier nog zal bestaan uit het in een kringetje spannend doorgeven van de Medizin-bal tijdens het dagelijkse sport-uurtje van het bejaardentehuis. Voorlopig wil ik dus nog even een rots in de taalbranding blijven, waarvan het fundament aan alle kanten wordt aangeknaagd door taalverruwing, – versimpeling en -verarming. Zoek je dus piemels en andere uitdrukkingen uit de steentijd, kom dan naar Wauwel.

Een aardig filmpje over een aandoenlijke piemel tot slot:

 YouTube Preview Image

  • Share/Bookmark

 


Etentje

Een etentje met een klas is een activiteit die je als docent met angst en beven tegemoet zou kunnen kunnen zien. ‘Zou kunnen’, maar in dit geval betrof het mijn eigen mentor-klas, die geheel gevuld was met eenentwintig zoete en brave meiden  en drie eh… jongens, allemaal in de bloei van hun leven, dus rond de achttien jaar. Die jongens, zo weinig in getal omdat het een opleiding dierverzorging betreft, en dat schijnt hoge aantrekkingskracht op meisjes uit te oefenen, hebben niet veel in te brengen en worden door de dames bij voortduring scherp in de gaten gehouden en van commentaar voorzien. Van enig branie-gedrag kan dus geen sprake zijn, en ook als mannelijke docent moet je dus geregeld op je hoede zijn.

Ze gingen allemaal mee. Wie in het onderwijs werkt en met een klas uit eten gaat, weet dat zoiets vrij uniek is, want de keuze van het etablissement leidt niet zelden tot een enorm gekrakeel, huilbuien en woede-aanvallen, en vervolgens gaat uiteindelijk maar de helft mee, omdat de een geen pizza lust en de ander geen chinees.  Het zegt dus wel iets over de saamhorigheid in de club. Nu zouden we hier in dorpje B. gemakkelijk naar het plaatselijke kiprestaurant kunnen gaan, waar alles naar kip smaakt, of je nou chinees, pizza of kip bestelt, maar men koos voor een gelegenheid in G.,  hier  twintig minuten rijden vandaan. Ik kreeg er vier in de auto , die zonder gène op luide toon allerlei details uitwisselden over collega’s die hen wat minder aanstonden.

Het restaurant bleek een enorme wok-achtige vreetschuur te zijn, met een parkeerplaats die in een complete ijsbaan was veranderd. Het was niet druk, en men had ons wijselijk een hoekje helemaal achteraan toebedeeld, vèr bij andere gasten vandaan. Achter de kookplaten stond een oud-leerling, die -als Japanner vermomd- nu toch nog iets met dieren deed na zijn opleiding, namelijk ze in mootjes hakken en smakelijk grillen. Het was onbeperkt eten en drinken voor één prijs, en vooral dat drinken baarde mij enige zorgen.
Ooit,  toen ik in IJmuiden op een huishoudschool werkte, werd er ook geregeld met de klas uit eten gegaan, ook meestal  Chinees. Ik stel me zo voor dat de uitbaters daar wit weg trokken wanneer men weer een afvaardiging van onze school zag binnenstappen, en inderdaad, geregeld vlogen de brokken rijst en loempia over de tafel, en zou je als docent van plaatsvervangende schaamte een tafeltje apart willen hebben, zo van ik-hoor-hier-niet-bij.

Eén van de schoonmaaksters op die school, Bep genaamd, speelde in haar vrije tijd bij een niet onverdienstelijk amateur operette-gezelschap. In haar argeloosheid had zij met de directeur geregeld dat een flink aantal klassen bij de feestelijke première van een nieuwe uitvoering in de lokale schouwburg aanwezig mocht zijn. Voor de lokale IJmuidenaren was zoiets ook een feestelijkheid van formaat, want wat moet je anders wanneer je de hele dag naar de walmende schoorstenen van de Hoogovens moet  kijken? Juist, dan ga je van pure wanhoop naar de operette.  Ik had het al nooit zo op operette. De leerlingen al helemaal niet, die dachten aan iets van een ijsgerecht of zo. Die directeur was blijkbaar wel een operette-liefhebber, dus zo kwam het dat op de avond van het eerste optreden de balkons – ook dat nog – geheel gevuld waren met schreeuwende, bekvechtende en joelende kinderen, allemaal voorzien van enorme hoeveelheden snoep, chips en ( hopelijk ) frisdrank. Over de rand hangend riepen en gooiden zij de aanwezigen beneden van alles toe, en nog vóór de voorstelling begonnen was, verlieten de eerste gasten – recht onder de balkons gezeten – woedend de zaal, terwijl boven de collega’s schuimend van woede een vergeefse kapo-achtige excercitie  op de leerlingen uitvoerden. Zodra schoonmaakster Bep op het podium verscheen, brulde de hele school boven de muziek uit : “Bèèèp, Bèèèèèp!!!”.  De directeur zelf was trouwens wijselijk  niet aanwezig, die las het de volgende dag allemaal uit de krant. Nog lang dreunde de voorstelling na, en nooit meer mochten wij de lokale schouwburg met een bezoek vereren.

Ik zou ook nog hele verhandelingen kunnen schrijven over bijvoorbeeld het uitje met de klas naar het De Miranda-bad in Amstelveen, waarbij een deel van de bustocht door het drukke verkeer in de binnenstad van Amsterdam voerde. De ergsten zitten in de bus altijd achterin, dus automobilisten die achter de bus reden werden dan ook geconfronteerd met tegen het raam geplakte ontblote boezems van de dames, om van de gebeurtenissen in het zwembad, waar je als bezoeker door een grote ruit onder water kon kijken, nog maar te zwijgen. Ja… de Huishoudschool. De tijden van weleer.

Gezien al het bovenstaande was ik dus wat huiverig voor het etentje. Het viel mee. Er werd inderdaad onbeperkt gedronken, en een enkeling begon wat met dubbelslaande tong te spreken. Er vlogen wat rijstkorreltjes door de lucht, en op een gegeven moment ontwaarde ik vanuit een ooghoek een opstelling waarbij er een meisje  boven op een stoel stond en een foto nam van alle dames die zich daar om heen geschaard hadden en die allemaal gierend hun decolleté’s toonden, terwijl de drie jongens aan mijn tafeltje nietsvermoedend hun computerspelletjes bespraken.  Ach ja. Het was best wel gezellig.
Bij vertrek wilde één van de knapen, die nooit zo fris rook, graag met mij meerijden, want ik ging de goede kant uit. Vooruit maar, straks doekje over de leuning en het is weer goed. “Meneer, ik ben een beetje misselijk, ik moet waarschijnlijk spugen, mag ook het raampje open”.  Buiten vroor het acht graden. In razende vaart ben ik naar het station gereden. Er is niet gespuugd. Het was een leuk avondje. Voor herhaling vatbaar, toch wel.

  • Share/Bookmark

 


Stilte

Echte stilte bestaat eigenlijk niet meer. Waar je tegenwoordig ook bent: je hoort altijd wel ergens lawaai. Mijn kantoortje wordt bijvoorbeeld begrensd door twee lokalen. Wanneer daar twee klassen zitten, kun je de leerlingen zo ongeveer horen ademen. Bleef het daar maar bij. Een moderne scholier kan zich ongeveer een kwartier lang op iets concentreren, zonder al te veel herrie te produceren, zo is uit onderzoek gebleken. Daarna verwordt de adolescent tot ongeveer een geestelijk en lichamelijk kwijlend wrak. Wie als docent dus de onuitsprekelijke eer bezit om aan vijfentwintig van dergelijke lieden iets onoverkomelijk ingewikkelds uit te  moeten leggen – eenvoudige spelling of de grondbeginselen van het rekenen, ik noem maar wat – voelt zich dus na afloop van zo’n les lichtelijk verhit.

Een leerling wil ook altijd discussiëren, onderhandelen, en vooral: uitspelen. “Meneer Jansen heeft voor de dag na de vakantie geen huiswerk opgegeven, en u als enige wel!” Straks krijgt meneer Jansen precies hetzelfde verhaal te horen.  Wie als docent brult dat ze dit of dat voor morgen uit het boek moeten leren, die wordt niet gehoord. Fluister je echter dat ze morgen het eerste uur vrij hebben, dan blijkt iedereen over een uiterst scherp gehoor te bezitten. Ik ben sowieso ernstig voor fluisterend lesgeven. Heel zachtjes beginnen, op samenzweerderige toon begin je een nietszeggend verhaal tegen de stuudjes op de voorste banken, de schreeuwers acheraan worden dan vanzelf nieuwsgierig naar waar het over gaat en houden dus ook hun mond dicht, ook al duurt het wat langer.

Maar echt stil, nee, dat is een zeldzaamheid. Mensen kunnen er ook niet meer zo goed tegen, lijkt wel. Een test: vijf minuten lang iedereen in doodse stilte laten noteren wat voor geluiden er nog geproduceerd worden. Zoiets gaat na een paar minuten al mis. Geheid gaan er een stel giechelen. anderen MOETEN met die pen klikken. Er MOET iets vastgehouden worden waarmee je kunt friemelen, kreukelen, tikken of klikken.
 Lawaai lijkt ook nog eens op de meest ongelegen momenten voor te komen. Altijd wanneer ik eens het nieuws wil horen op de radio, begint de klok in de kamer te slaan. Zin om dat ding dwars door de muur heen te rammen. Daarbij komen dan ook nog soms gezinsleden die zich minder lijken te interesseren voor wat zich in de wereld afspeelt en die dus bewust of onbewust ( ik denk bewust )  met stoelen gaan schuiven, met borden gaan rammelen, mobieltjes laten afgaan en hele gesprekken met elkaar voeren.
Een stilte-coupé in de trein is ook een plek bij uitstek om eens flink herrie te produceren. De enige manier nog om je daar van lawaai af te sluiten is koptelefoontjes in je oor te proppen en het geluid op maximum te zetten.

Over een tijdje is de helft van de Nederlandse jeugd grotendeels doof, zo heeft onderzoek aan getoond. Althans, tegen de tijd dat ze veertig zijn. Gevolg van de mp3-spelers. Als je ze daar nu voor waarschuwt, dan horen ze je niet. De beste leerlingen die ik ooit heb gehad, waren stokdoof. Hoe komt zoiets. Doordat ze totaal niet afgeleid werden door enige vorm van omgevingsgeluid, konden ze zich volledig concentreren op de kern van het lesgeven: een docent die iets uitlegt. Door de aanwezige doventolk misten ze geen woord van wat gezegd werd, en ik meen dat doventaal ook nog eens de essentie van zinnen in gebaren omzet. De perfecte lessituatie dus. Door stilte te ervaren kom je dus soms weer tot de kern van allerlei zaken, zou je kunnen zeggen.

Toch, stilte valt niet mee. Ik ben allergisch voor geluiden die ik niet zelf produceer of waar ik niet zelf bij betrokken ben. Mijn vrouw vindt trouwens dat ik zelf altijd enorme herrie produceer, in haar mening ijverig gesteund door onze drie dochters: ik mag niet snuiven, niet kuchen, niet schrapen en ook op mijn manier van ademen krijg ik geregeld commentaar. “Als je achter de computer zit maak je ook geen geluiden!” . Wij mannen hebben het zwaar, wij mogen nooit wat.

Jarenlang hadden wij enorm luidruchtige buren. Diep in de nacht radio aan, herrie. Of een buurjongetje wat er genoegen in leek te scheppen om de halve dag met hamertje tik in de weer te zijn, totdat ik het idee kreeg dat hij uit pure verveling enkel nog met zijn kop tegen de muur aan het bonken was. Was het dan eens een enkele keer stil, dan kwam je niet tot rust, maar dan zat je gespannen als een veer de hele avond te wachten op het eerste geluidje, om vervolgens woedend te kunnen verkondigen: “Zie je wel, het is hier ook nooit eens stil!!!”

Het buurjongetje aan de andere kant, ik schat een jaar of zes nu, beschikt over de stem van een misthoorn. Zijn zusje van enkele jaren ouder zit sinds kort op saxofoonles. En van de zomer krijgt het jongetje van zijn ouders, die blijkbaar ook niet goed tegen stilte kunnen, een drumstel met bijbehorende drumles.  Ik ga dus denk ik maar eens emigreren. Naar Antarctica of zo. Hoewel, dat druppen van die smeltende poolkappen kan nog wel eens tot een irritant geluid verworden.

  • Share/Bookmark

 


Schoolfeest

“Meneer, staan de foto’s van het schoolfeest al op de website?”… “Eh.. nee, noch niet meisje, ik ga dat van de week doen”. Met enige regelmaat krijg ik op de Day After van enthousiaste lieden foto’s aangereikt. Die zijn dan genomen op het schoolfeest van de vorige avond. Gedurende een bepaalde tijd deed ik dat zelf, totdat ik na weer een nacht met gillende en fluitende oren besloot dat het nog niet mijn tijd was om bij Beter Horen aan te kloppen, al doet Willeke Alberti nòg zo haar best.

Hoe gaat zo’n schoolfeest  voor zeventien-, achttienjarigen? Wie denkt dat er gezellig stukjes worden opgevoerd en bakjes chips worden leeggegeten, heeft het ernstig mis. Reeds dagen voor zo’n orgie van herrie en lichtflitsen lopen de verwachtingen hoog op en wordt driftig gepiekerd over de aan te trekken garderobe.  De meesten hier op school wonen op kamers of in omgebouwde kippenhokken in de regio. Dat is fijn, want zo hebben bezorgde ouders geen idee wat je uitspookt en hoe je er bij loopt, en gelukkig ook niet hoe je je op het feest zelve na enige tijd gedraagt.  Meestal heeft de organisatie een ‘thema’  bedacht, waarbij men dan  – wegens blijkbaar groot succes – geregeld terugvalt op het”Fout” dit of  “Fout” dat. Foute Après Ski bijvoorbeeld. In de praktijk komt het er op neer dat het ook Foute Strandfeestkleding had kunnen zijn, de hoeveelheid aangebracht textiel  is in het algemeen niet al te uitbundig. Ergens is dat ook weer raadzaam, want naarmate de avond vordert stijgt de temperatuur tot tropische waarden.

Uren van te voren brengen grote groepen meiden reeds gezellig samengeklonterd de tijd door op het toilet ( waarom gaan vrouwen altijd met twee of meer naar de wc? ), om te schikken en te verven en bij elkaar nog wat ooglijntjes te trekken. De aard van onze opleiding heeft er voor gezorgd dat wij een overschot aan meiden hebben, maar dat lijkt geen bezwaar te zijn: men danst vrolijk de hele avond met elkaar. Dat jongens meisjes vragen is natuurlijk niet meer van deze tijd. Men hangt wat slungelig en onzeker langs de kant ( voornamelijk jongens )  en laat zich zonder plichtplegingen leidzaam meevoeren, de dansvloer op, om op te gaan in de hossende menigte. Of men wijst er quasi achteloos eentje aan, zo van: nu mag jij meekomen, of men mengt zich gewoon in een reeds dansend groepje.Van een goed gesprek kan geen sprake zijn. De conversatie kan enkel bestaan uit het in elkaars oren toeteren van belangrijke  mededelingen als bijvoorbeeld “Wat een sukkel zit daar langs de kant!” of – heel poëtisch – “Ik ga effe pissen!”

Aan zoiets heb ik traumatische ervaringen. Ik was als jongere een schuchter typje, en natuurlijk behept met een ongunstig puber-uiterlijk: flaporen, stomme bril, beugelrestanten en vreselijke kleren die ik van mijn moeder alleen maar bij de HEMA mocht kopen, want de rest was “voor nozems”. Geen indruk op de meisjes dus, ook al droomde je daar in hopeloos eenzame momenten hevig van. 

Toch kwam er een moment dat ik mijns inziens redelijk hip was uitgedost. Ik zal de lezer een beschrijving besparen, maar het was een ensemble met opzichtige blauwe kleuren en schreeuwende bloemmotieven, waar ik als een worst in was geperst. Was afgeprijsd, dit keer – dat kon nog net – bij C&A,  ook tegenwoordig niet bepaald een toonbeeld van vooruitstrevendheid. Er was dus enige kans op indruk maken op één der meisjes, die mijn steelse aandacht had getrokken.  Bij de garderobe ging het al mis. Daar was zij, Esther, met een vriendin, en ik, als toekomstig Casanova, en trots op mijn nieuwe outfit, drentelde wat schuchter bij de jassen heen en weer, zodat ik haar heel duidelijk tegen haar vriendin kon horen zeggen: “O, daar heb je dat ei ook weer!”

Tussen mij en schoolavonden heeft het daarna lange tijd niet geboterd. Beelden op mijn netvlies gebrand van Yvonne, op wie ik in stilte al maanden hopeloos verliefd was, innig ineengestrengeld tijdens het slijpen met een of andere wildvreemde gozer uit de hogere klassen. In mjn radeloze dromen sloeg ik hem z’n kop in, onder de smachtende blikken van mijn zojuist herroverde geliefde. Het leven van de gemiddelde puber kan een hel zijn.

De kwelling nu is van andere aard: de decibellen doen mij nu de das om. Snel wat foto’s schieten, waarbij alle gefotografeerden ogenblikkelijk de neiging hebben om mekaar met de bier- of frisglazen in de hand lallend om de nek te vallen, in elkaars oor te likken, de armen geheven en schaamteloze enorme plekken okselzweet tonend. De dag daarna ben je ook nog een half uurtje bezig met het wegwerken van alle rode flitsogen en rode pukkeltjes, die genadeloos in het onbarmhartige flitslicht dat mooie meisje en die mooie jongen ontsieren. Ook de zo zorgvuldig aangebrachte make-up is hevig gaan vlekken onder al dat zoen- en lebber-geweld.  Hoe kun je als puber ooit verliefd op zoiets worden. Toch gebeurt het. Er is geen potje zo raar of er past wel een dekseltje op. Al die schoolavonden weer. Een liefdesverklaring – of verbreking- gaat via een sms-je. ‘Tisuit tusse ons. Greetz’ . Heel makkelijk allemaal. Leve het schoolfeest, leve de liefde! En ook voor eieren is er hoop. Voor zolang als die ook duren mag.

  • Share/Bookmark

 


De leefwereld van de leerling

Dit ben ik, in een tijd waarin de wereld nog klein was, en waarin die wereld enkel nog tot je kwam via de radio, een kostbaar apparaat wat na lang sparen en veel wikken en wegen werd aangeschaft ( natuurlijk door je vader, want moeder deed de huishouding ): twee knoppen, eentje voor het aan en uit zetten en het geluid, en de andere voor dat wonderlijke zoeken naar de zenders, die fluitend en tikkend langs je oor streelden. Zenders met wonderlijke namen: Beromünster, Lahti, Bayreuth, Budapest, en natuurlijk Hilversum. Dat was de wereld buiten de straat waar je woonde, buiten de Jan Bontelaan in Overveen. Een tochtje naar oma in Zwolle was een enorme reis, een vakantie naar Texel een regelrechte expeditie. De toestand in de wereld werd je uitgelegd door meester G.B.J.Hilterman en de onlangs overleden commentator Henk Neuman. Een commentator; wie luistert er nog naar een commentator? Wij becommentariëren de wereld tegenwoordig zelf. Direct, á la minute, bijvoorbeeld via Twitter.

Die wereld zonder twitter, die wereld van Hilterman en Neuman, was een kleine wereld, als een warme deken om je heen, ondanks dreiging van Koude Oorlog. Die wereld was jouw kleuterschool, jouw basisschool en jouw HBS of MULO of Middelbare Meisjesschool, ik noem maar wat.  Eerst via de radio, later via de televisie, een enorme lompe kast waar op woensdagmiddag alle kinderen uit de buurt op dat ene uitverkoren adres om heen geschaard zaten, ademloos luisterend en kijkend naar de Verrekijker, die ons een blik gunde op de wereld die al wat verder dan ons eigen stad of dorp lag. Wij kregen die wereld van de volwassenen, en namen hem gretig tot ons. Lessen op het schoolbord, het schoolreisje naar Artis, met de Spido door de haven van Rotterdam en uitkijkend vanaf de Euromast. Tienertoer.  In je vrije tijd las je een spannend boek,  je bestudeerde het album met ansichtkaarten van je moeder uit verre landen ( Duitsland, België , Luxemburg ) voor de zoveelste keer, en als je tot de kapitaalkrachtige gezinnen behoorde keek je op zaterdagavond naar die ene zender op TV.

Binnenkort mag ik een presentatie ( over Twitter ) verzorgen op een conferentie over onderwijsvernieuwing en ICT. Het thema van die bijeenkomst is: “De leefwereld van de leerling”.  Die wereld is drastisch veranderd sinds de tijd dat ik zelf leerling was. Een jongere nu krijgt in één dag van z’n leven meer informatie te verwerken dan een middeleeuwer in zijn hele leven. In de tijd waarin de bovenstaande foto werd genomen, kreeg je denk ik per dag net zoveel informatie binnen als een middeleeuwer in een week te verwerken kreeg. Vooral via de enkele zender op de radio. Via de ene krant die ’s avonds op de deurmat lag. En na een tijdje via het NTS-journaal. Vijftien minuten per dag. Altijd via een trechter, altijd een selectie. Een wereld die voor ons door volwassenen geschapen was. Daarna weer rust, tijd voor lezen en spelen.

De leerling nu moet een expert zijn in filteren van nieuws wat steeds meer ongefilterd binnenkomt. De leerling leeft in een voortdurend informatiebombardement, waar hij zich zappend, vierentwintig uur per dag, schijnbaar met luchtig gemak door heen baant. Steeds meer informatie, steeds sneller, steeds heftiger en steeds indringender, binnenkort ook nog in 3-D.
Die leerling nu leeft in een wereld die de hele aardbol omvat, hij vliegt er in razende vaart rondjes om heen via Google en sociale netwerken, en naast onze wereld leeft die leerling ook nog eens in diverse andere werelden, de Cyberwerelden van World of Wacraft en andere buitenaardse omgevingen. Hij maakt nu zèlf zijn wereld en richt die in met wat voor het grijpen ligt en met wat aangeboden wordt. De nieuwe wereld kent geen grenzen meer, en bestaat uit een steeds verder samensmeltende reële en virtuele wereld. De school, vroeger toch naast de huiselijke omgeving het belangrijkste deel van je leven, is nu haast verworden tot een hinderlijke onderbreking van de echte wereld. De leefwereld van de leerling is steeds meer een BELEEFwereld geworden

De leerling van nu zal nooit meer lijken op de leerling van toen, en zal veel meer weten dan de leerling van toen, maar weten en ook nog eens tòt je nemen zijn wèl twee verschillende dingen. Daar heb je namelijk tijd voor nodig. Dáár moeten we ons op school maar eens op gaan focussen.
Eigenlijk ben ik vijftig jaar te vroeg geboren. Dan had ik zéker anders op de foto gestaan:

  • Share/Bookmark

 


The Return of Dr. Hannibal Lecter

Ik heb een fantastische baan op de meest fantastische school van Nederland. Wat wil je dan nog meer? Nou, een Open Dag bijvoorbeeld, om nóg meer fantastische leerlingen naar die fantastische school te krijgen. Ik lieg niet. Wij zijn gewoon heel erg goed. De leerlingen zeggen het, de oud-leerlingen zeggen het, het bedrijfsleven zegt het. Al jaren zijn wij een begrip. Bij ons geen vernielingen, vechtpartijen, geen bewakingspoortjes, geen diefstallen. Er is geen afgunst, geen groepsvorming, geen pesterij. Bij ons overheerst de gezelligheid. Je kunt gewoon de kamer van je kantoortje open laten staan.  Op welke MBO-instelling in Nederland vind je nog zoiets?  Wel bij ons dus.
En toch willen we meer leerlingen, want er zijn namelijk andere scholen op ons vakgebied, die vanzelfsprekend ook in onze vijver vissen. En wij willen voor onze leerlingen het beste, dus we willen dat ze allemaal bij ons komen.

Wat leren ze dan bij ons? Wel: “Iets met dieren”  Dat is wat de meesten zeggen als ze bij ons op intake-gesprek komen. Iets met dieren, met paarden, met koeien, met varkens, met tractoren, vogelspinnen, dolfijnen of wurgslangen.  Dat trekt een apart publiek, wat vredelievender denk ik.  Op schoolfeesten zijn er natuurlijk best een stel die zich een slag in de rondte zuipen, en er zullen er best wel enkelen zo af en toe een blowtje en een pilletje nemen, en ze hebben allemaal last van gierende hormonen en ze zijn best niet altijd even braaf, zoals ze daar soms in de bank hangen met dikke jassen aan, terwijl de verwarming op 21 staat, met petjes op het hoofd, spelend met de mobieltjes, gapend, geeuwend, slungelend of lawaaiierig.  Het hoort er allemaal bij.

Op zo’n open dag trek je dus als school alles uit de kast om ze binnen te krijgen en binnen te houden. Tot voor kort deden we dat altijd zelf, en zochten we ze op op beurzen, in scholen, en sinds vorig jaar ook op internet op Hyves en Google. Want dáár vind je jongeren: online, niet meer suffig in een advertentieblaadje of het lokale krantje.
Dit jaar moet dat allemaal anders, want nieuw en buiten de deur is altijd beter, en als het veel geld kost helemaal. We hebben dus als school een duur wervingsbureau ingeschakeld wat een frisse kijk op jongeren heeft, een kijk die wij met jarenlange onderwijs- en jongerenervaring blijkbaar niet hebben. Dat heeft geresulteerd in een prachtig glossy rapport met mooie kreten over de Generation Y ( noooooit van gehoord ), en met termen als SWOT ( Strengths, Weaknesses, Opportunities, en Threats ). Veel Engels doet het altijd goed bij de over ons gestelde overheden en machten.
Daar is dus nu ook een website voor ontwikkeld en een postercampagne met een thema. Op die posters zie je hokken en kooien van divers formaat.  Hier is er eentje ( althans het grootste stuk ervan ):

  

Ja, en de titel van dit blogje verpest de onbevangen blik natuurlijk al weer een beetje.  Wat zien we hier? In een hard en onbarmhartig ligt staat hier een kooi in een morsige omgeving die associaties oproept met de kelder van Fritzl persoonlijk: is dat gestold bloed daar links op de vloer? Gaat hier een doodvonnis voltrokken worden? Is het nertsenbevrijdingsfront langs geweet? Is dat een mensenbot in die kooi? Is zojuist Dr. Hannibal Lecter ontsnapt en staat die nu stilletjes achter onze rug te hijgen? Ik mis nog wat zwepen en andere SM-werktuigen aan de muur. Om ons heen horen wij angstkreten en gerochel, rammelende kettingen, heimelijk geritsel. een gure tocht trekt over de vloeren van deze bedompte  en klamme ruimte.  Wat voor soort lieden kom hier op af? Weg gezelligheid, weg sfeer.  Wie nog andere associaties heeft ( ik wil tenslotte niet alle gras voor uw voeten wegmaaien ) mag hieronder van harte  reageren !

En die Open Dag, komt dat wel goed?  Jawel, wij hebben een naam en reputatie hoog te houden. Het gaat ongetwijfeld weer heel erg druk worden. Laten we het er maar op houden dat de poster een idee geeft van hoe het er op andere scholen aan toe gaat. Niet zo goed als op de onze. :-)

  • Share/Bookmark

 


Kerstsfeer

Ach ja...De laatste dagen vòòr de kerstvakantie zijn in het onderwijs in het algemeen niet de meest rustige. Het personeel sleept zich in staat van totale ontreddering op de wenkbrauwen door de gangen en heeft zodoende ook geen tijd om te genieten van de kerstversieringen die daar  met al dan niet kundige hand zijn aangebracht. Pilaren omwikkeld met aluminium-folie, wat kerstklokken aan het plafond en een kunstkerstboom die stamt uit de tijden dat ze nog van prikkeldraad gemaakt leken te zijn.
Dat alles beschenen door een hard en onbarmhartig licht van de tl-buizen.
In de aula hangen – ineengedoken en natuurlijk in dikke jas gestoken  – wat leerlingen die lusteloos voor zich uit staren.  Een enkeling heeft een kerstmuts op, om wat in de sfeer te geraken.

In de personeelskamer dienen zich ook al weer de eerste kerstkaarten van relaties en andere bevriende bedrijven aan, zonder uitzondering meedingend naar de prijs voor meest afzichtelijke kerstkaart van het jaar 2009. In de postvakjes werd vorige week al een uitnodiging van het management bezorgd, met daarin de ernstige vermaning om toch maar vooral aanwezig te zijn bij de afsluitende personeelsbijeenkomst in de aula. Na afloop, en  dan ook echt NA AFLOOP, kunnen dan de kerstpakketten in ontvangst genomen worden.  Bij zo’n bijeenkomst staat men met warme en mooie woorden stil bij de gebeurtenissen van het afgelopen jaar, de verworvenheden van het moderne onderwijs en hoeveel goeds ons dat wel niet heeft gebracht; mogelijk zijn er nog wat afzwaaiers onder de collega’s  en er wordt een melodietje gedraaid.  Daarna stort men zich op de nootjes en de schalen met hapjes uit de kantine. Met een scheef oog monster je dan alvast de stapel kerstpakketten. “Wat zou er dit keer in zitten?” is elk jaar weer een boeiend discussie-onderwerp in de docentenkamer in de laatste lesweek van het kalenderjaar.

De gulle gevers staan elk jaar weer voor een moeilijke keuze, want wij Nederlanders zijn niet snel tevreden. Zo heb ik al eens een soort bureau-klokje mogen ontvangen, wat vervolgens ernstig vervormde toen ik probeerde met thinner het opgedrukte school-logo te verwijderen.  Ooit kreeg ik een eet-pakket, met daarin een kip, die al zó blauw was, dat de stoffelijke resten  uit zichzelf van het bord dreigden te lopen.
Er is ook een tijd geweest dat we cadeautjes kregen uit de wereldwinkel, toen de verantwoorde chocolade nog naar mica smaakte en de thee naar karton. Door de jaren ook veel boekjes met spreuken en andere wijsheden, van auteurs die kennelijk alleen voor dat doel werkjes publiceren. Natuurlijk de stapels ragout-schaaltjes en blikjes kerstpaté. Laatst, bij het installeren van een nieuwe keuken, vond ik achter een kastje nog een dergelijk blikje, vervomd tot een vage substantie op de vloer, herinnerend aan een kerstfeest van minstens  negen jaar geleden.

Vorig jaar kregen we een horloge ( naar keuze dames- of herenmodel ) met voorop natuurlijk het logo van ons onderwijsinstituut en op de achterzijde voor zover ik mij nog kan herinneren de tekst “Water-poof”, ongetwijfeld na enig ploeteren met de vertaalmachine op internet ergens door een arbeider in het verre Shanghai in het materiaal gestanst.  In een vlaag van kerst-goed-doenerigheid, en om te weten wat voor intens vredig innerlijk gevoel zoiets nu oproept, heb ik het kleinood weggeschonken aan de man die altijd bij Albert Heijn de daklozenkrant verkoopt.  Met zo’n goede daad meen ik toch de gulle gever van het kerstpakket niet al te zeer tegen de schenen te hebben geschopt.
Ik hoop dit jaar op een boekenbonnetje of zo ( ja, we zitten hier niet in het bedrijfsleven of het bankwezen hoor! ). Die vind je ook niet snel achter de aanrechtkastjes terug

Ook klassen gaan zich nog te buiten aan een soort van vieringen. Ooit gaf ik als beginnend docentje les op een ouderwetsch degelijke huishoudschool in IJmuiden, met allemaal meiden waarvan de hormonen en de kerstzenuwen door het lokaal gierden en waarbij elke blik of opmerking kon ontaarden in meppartijen. Omzichtig kerstfeest vieren dus in zo’n situatie.  Veel gebroken gezinnen, een hoop narigheid. Afgunst en jaloezie om vriendjes. Gruwelijke dagen voor sommigen, kerstfeest thuis bij een dronken vader die er in hemdsmouwen op los mept, of erger…was het maar vast voorjaar.
De stemming zat er goed in. Loeiende disco-kerstmuziek, de eerste plastic bekertjes chocomel en plakken kerstbrood keilden reeds over de tafel, nog nèt geen brand veroorzakend door alle kaarsjes en theelichtjes.
Ik zou nog een verhaal voorlezen. Pas toen ik op vol vermogen ” EN NU KERSTSFEER, JA!!” over de tierende menigte heen brulde, kwam men tot bezinning.

En toen geschiedde er toch nog een kerstwonder: al die grote en mooie meiden werden stil, en ze luisterden met oren op steeltjes naar het verhaal, en na afloop gingen ze naar huis met een klein theelichtje en een versierseltje en een kaartje er aan, zo groot als ze waren.  “Fijne feestdagen, meester!” … Hoe zou het nu met ze zijn.

Ik zou het zó weer over doen.

  • Share/Bookmark

 


Mijn foto's op Flickr

    P1020921 Schaffelaarsebos3 DSC01853 DSC01833 Caïro Bazar 1 P1030106v2 Egypte 2008 A nice meeting in space Egypte 2008

Wauwel twittert