(Elfsteden)koorts

Op mijn leeftijd komt je op een leeftijd waarin je de winter met de nodige angst en beven tegemoet moet zien. In het najaar werd ik al vriendelijk doch dringend uitgenodigd om met – naar het leek –  de voltallige bevolking van dorpje B. op de Veluwe een griepprik te komen halen, maar in het weekend werd pijnlijk duidelijk dat deze weer niet geholpen had. Wauwel is dus even geveld. Niet lang, want in het onderwijs moet je volgens bepaalde politici werken tot je er bij neervalt, dus morgen maar weer een nieuwe poging om niet al te ver achter te raken en mijn kindjes ter wille te zijn met het aanhoren van een aantal presentaties.
Ze hebben daar hard voor gewerkt, en daar het hier een opleiding in de dierverzorging betreft, komt een keur aan onderwerpen voorbij die iets met het vak te maken hebben. Zo heb ik ‘s ochtends in alle vroegte, nèt na mijn eerste kopje thee van de dag, al eens een demonstratie mogen aanschouwen van het uitknijpen  van de anaalklieren van een voor dat doel speciaal meegenomen hond, die, opdat iedereen het goed kan zien, op mijn bureau had plaats genomen. De klas was vanzelfsprekend een en al aandacht, iets wat niet elke morgen voorkomt.  Je zou er dus haast ernstig naar verlangen voortaan elke les met flink wat anaalklieren te laten beginnen, succes en op tijd aanwezig zijn verzekerd!

Vandaag dus niet, en zwakjes voelend aan mijn eigen klieren ( die bij mij in mijn hals zitten, maar dan andere ) maar voorzichtig opgestart. Want als mannen ziek zijn, dan zijn ze ook echt ziek en dient iedereen dat te weten en  zich in overvloedig medelijden over de kwijnende patiënt te ontfermen.  Thee op bed dus, beschuitje, en een batterij aan Vicks-stiften, neussprays, keelpastilles en zakdoekjes binnen handbereik, en natuurlijk ook laptop en iPad, zonder welke speeltjes dit stukje nooit tot u zou zijn gekomen. De school gebeld en met verstikte stem het slechte nieuws meegedeeld. Koorts en zo. Grieperig. Morgen weer aanwezig.
Ooit ( dat is lang geleden ) was ik eens twee weken uit de running  en tegen het einde van die periode besloot ik weer een ommetje te maken, want voorzichtig boodschappen en zo. Op de hoek van de straat liep ik toen een leerling tegen het lijf, die onderweg was om de lijder met een fruitmandje wat op te beuren. Dat was even pijnlijk, want in zulke gevallen gaat op school al snel de mare dat je op wonderbare wijze genezen bent geconstateerd en je huppelend als een hinde door de straten dartelt, maar alles liep keurig netjes af en de leerling trok geen verkeerde conclusies.
Nu heb ik wel eens een collega gehad die met een hernia thuis zat, en die men vrolijk in zijn woonplaats met een kratje bier achterop de fiets zag rondfietsen. Dan ken je toch niet helemaal je verantwoordelijkheden.  Eén dagje ziek is nu toch wel zo’n beetje het maximum, want het werk wordt niet overgenomen, dus veel langer kun je ook niet missen.

Zo vernam ik dus dat vandaag een andere koorts, die van de Elfsteden, steeds meer slachtoffers maakt, en dat rayonhoofden in spoedzitting bijeen zijn om te bespreken of en waar er ijstransplantaties moeten worden uitgevoerd.  Dat moeten toch allemaal gepensioneerden of herstellende zieken zijn, want hoe kun je anders tijdens je werk rayonhoofd wezen en en passant nog wat wakken transplanteren? Er wordt bij de diverse hogescholen in Nederland nog geen opleiding Rayonhoofd of IJstransplanteur aangeboden, of het zou een bijvak van Vrijetijds-management moeten wezen. Overspannen Friese docenten die op therapeutische  basis gaatjes in het ijs boren en daar over vergaderen is misschien  ook nog een mogelijkheid. Straks giet het ôan, en dan gaat vermoedelijk half onderwijzend en onderwijs volgend Nederland spijbelen of ziek zijn.

Ik ben niet zo’n schaatser, helemaal niet zo van sport trouwens. Mijn schaatservaringen zou men voornamelijk als traumatisch kunnen omschrijven niet in het minst door zo’n vreselijk wollen mutsje wat ik altijd moest dragen en de beslagen glazen van mijn stoere jongensbrilletje. Het ergst waren echter die houten Friese doorlopers, die met veters om mijn rubberen laarzen waren gemangeld. zodat niet alleen de laarzen, maar ook mijn kindervoetjes in de meest gruwelijke plooien waren gewrongen, waarbij de schaatsen zelf al na tien slagen aan de zijkanten van mijn afgevroren voeten bungelden. ook nooit meer recht te krijgen trouwens, want die veters waren stijfbevroren en mijn wantjes aan een touwtje bungelden ook al in de weg bij het vastpulken. Een schaatstocht duurde bij mij dus in het algemeen niet langer dan een kwartiertje, en de rest van de tijd zat je sippig en door en door koud op een stuk karton langs de kant van de eendenvijver naar de cracks te kijken. Ik zou nu alleen al koorts krijgen bij het idee dat ik die dingen weer onder zou moeten binden, en mijn iets comfortabeler Noren hangen ook al weer jaren aan de wilgen.

Volgende week organiseert mijn school een skidag. Ook zo wat. Voor mij zie ik dan een rol weggelegd, warm onder een deken, de hele dag voortgereden in een arreslee, met iets van een fles Jägermeister of zo.  Toch ook behoorlijk sportief, al zeg ik het zelf, en behoorlijk gevaarlijk, want zo’n slee, nou, daar kan ook van alles mee gebeuren.  Stel je voor dat er een helling komt. Ik ski wel op de Wii Fit of zo. Ook zoiets wat is aangeschaft in een vlaag van sportiviteit.
Misschien heb ik dan wel weer koorts, of wordt nou uitgerekend op die dag de Elfstedentocht verreden. 38,2 gisteren, en vanmiddag weer 37,5.  Maar wie weet stijgt de temperatuur dusdanig, dat geen van beide evenementen doorgaat. Is de koorts voor niets geweest. En dat is dan eigenlijk ook wel weer jammer. Want leuk om naar te kijken is het in elk geval, ook al zit je aan de kant op een stuk karton.

Share

 


Komt allen tot ons!

Afgelopen zaterdag was ik – na enig eenzijdig overleg – ingeroosterd voor de open dag van het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik mijn centjes pleeg te verdienen. Om foto’s te maken en te filmen, want een beeld zegt vaak meer dan 100 open dag-woorden.  De dreigende woorden van onze minister van onderwijs en die van de geachte heer Elias indachtig, offerde ik mijn vrije zaterdag met blij gemoed op. Niet dat ik gestaakt had of zo – daarvoor hebben we het hier veel te druk – , maar gewoon omdat het leuk is om te doen en ik tijdens de volgende open dag op kosten van de school een weekje op Malta mag doorbrengen, en daarvoor wil ik op mijn vrije zaterdagen wel heen en weer reizen. Dat brengt het totaal van ingeleverde zaterdagen al wel weer op drie trouwens.

Jaloerse lezertjes, of meneer Elias, zullen zich afvragen of ik die week niks beters te doen heb, maar ook die dagen worden aan onderwijs besteed, en ik zeul nog een extra grote hutkoffer mee gevuld met achterstallig nakijkwerk. Dat kan ik daar dan mooi ‘s nachts en tijdens het vliegen doen. Een Europees potje zorgt ervoor dat ik mijn Engelse taal op een nog wat hoger niveau kan brengen, want om hoog op de Pisa-ranglijst ( voor de niet-onderwijsleken: een soort top 2000 aller tijden maar dan voor onderwijs ) moet je natuurlijk ook investeren in tweetalig onderwijs.

Mijn liefde voor het vak en mijn angst voor de heer Elias kostten mij afgelopen voorjaar al bijna het leven toen ik in Finland ( ook weer Europees geld ) een ICT-nascholing volgde, die mij een soort longembolie opleverde. Trouwe lezertjes weten waar ik op doel en de anderen moeten maar even zoeken.
Nu vind ik reizen gelukkig heel erg leuk, en niets is zo verrijkend voor een docent om je vleugels af en toe in een andere cultuur te mogen uitstrekken. Je legt leuke contacten, doet een schat aan ervaringen op en je gaat na terugkomst vol energie weer aan de slag. Daar teer je meer dan een jaar op. Bovendien schept zoiets een extra band met je school. Ons geachte kabinet zou de waardering voor de docent een behoorlijke oppepper kunnen geven door hem of haar eens een keertje naar een cursus in het buitenland te sturen. Daar offert men volgens mij graag een weekje vakantie voor op, en zo ziet ook het gewone voetvolk binnen de school eens wat anders dan het klaslokaal, en ervaart het wat veel colleges van bestuur of andere managementslagen als al niet meer dan normaal beschouwen.

De docent lijkt momenteel onderwerp van een heksenjacht van in hun ego aangetaste politici en bewindslieden die onbezonnen plannen zonder overleg willen doordrukken. Resultaat is dat inmiddels iedereen kijvend in de gordijnen hangt en elk negatief bericht over onderwijs wordt uitvergroot tot het formaat van een olifant waar iedereen op staat te schieten.

Wie nog in het onderwijs gaat is een sukkel, en wie er al in zit is een nog grotere. Dat lijkt een beetje de teneur. Toch leuk dat al die sukkels  op hun vrije zaterdagen nog wat leerlingen en ouders binnen de school proberen te trekken, en toch leuk dat zoiets nog uitstekend lukt ook. Wij hadden er afgelopen zaterdag op één locatie bijna 2000. Blijkbaar krijgen leerlingen graag les van sukkels, of het nou in 1000, in 500 of in 1040 uur  gebeurt. Les is niet meer wat wij vroeger hadden: een uur in een lokaal, keer een aantal dagen keer een aantal weken, resulterend in een onwrikbaar getal. School is een totaalbeleving, die zich ook uitstrekt ná een lesdag van negen tot vier. Je ziet dat leerlingen op de meest krankzinnige tijden aan het werk zijn in een electronische leeromgeving, je krijgt mailtjes binnen die in de vakantie, in het weekend of diep in de nacht verstuurd zijn. Of je maar even snel wilt reageren, meneer! De ene wil het zus, de andere wil het zo en de meesten krijgen het nog voor elkaar ook.

Docent zijn is een zwaar beroep. Heel zwaar. Gelukkig hebben we als tegenprestatie ook een leuk beroep, en dat merk je bijvoorbeeld wanneer je twee bonken van puberknapen, van het soort die je niet in een donker steegje zou willen tegen komen, een geanimeerd gesprek hoort voeren over dat ze het vroeger toch zo leuk vonden om naar Barbapappa en Flubber te kijken.
Ik zelf was vroeger gekluisterd aan de eerste avonturen van Ivanhoe of van Pipo die in een bordkartonnen grot spannende onderwater-avonturen, gelardeerd met zeepbelletjes beleefde. Nu slachten ze in hun eentje achter het computerscherm hordes buitenaardse wezens af, de moderne Pip, zeg maar. En dat tot drie, vier uur in de nacht, maar eigenlijk is er aan onze schoolbevolking zelf niets veranderd in al die jaren: het zijn nog steeds kinderen, die ook nog eens best wat willen leren, hoewel dat niet altijd even makkelijk lijkt te gaan. Een beetje meer steun en begrip kunnen we daar dus wel bij gebruiken.

 

Share

 


Onderwijsvernieling ja of nee

Op Twitter barstte op Nieuwjaarsdag een discussie los over een artikel op de site van Kennisnet; dat lijkt al in juni geplaatst, maar in het onderwijs gaan de ontwikkelingen gelukkig soms toch nog wat minder snel dan iedereen denkt, dus nu pas vliegen diverse lieden elkaar in de haren. Voor wie geen zin heeft om op de link te klikken: het komt er op neer dat de auteur een pleidooi houdt voor een minder krampachtige houding tegen het gebruik van mobieltjes in de klas. Niet iedereen is het daar mee eens. Men krijgt al genoeg onderwijsvernieuwing over zich heen, en de frustratie richt zich onder andere op het feit dat die vernieuwing vaak door mensen langs de zijlijn van het onderwijs wordt bedacht.
Nu werk ik al weer zo’n 35 jaar in het onderwijs, voornamelijk als docent, en ik kan dus wel zeggen dat ik toch minstens 35 onderwijsvernieuwingen heb moeten slikken. De meeste pakten niet goed of desastreus uit, en wanneer je ziet dat het kennisniveau de afgelopen 35 jaar met sprongen achteruit is gegaan, dan kan ik me voorstellen dat je niet op nóg een verdere aantasting van de nu langzamerhand rudimentaire vaardigheden zit te wachten. Mobieltjes, social media, de ICT; ze worden door veel mensen in het onderwijs als een bedreiging gezien. Er zijn op scholen in de afgelopen decennia werkelijk miljoenen over de balk gesmeten aan allerlei ict-projecten en in een tijd van voortdurende bezuinigingen en daardoor verdere afbraak van het onderwijs is zoiets frustrerend. De wrevel is begrijpelijk. Wie zoals ik tot de groep van “ICT-nerds” of – iets positiever -” ICT-voorlopers” binnen de school behoort, moet oppassen niet in de valkuil van “ICT in de klas is toch vanzelfsprekend en leuk!” te trappen. Ik kan mijn vrouw niet kwader krijgen dan als antwoord op een computerprobleem te beginnen met “Nou, gewoon”.

Het feit dat onze leerlingen de hele dag door ongeveer vergroeid lijken met hun mobieltjes, wil nog niet zeggen dat zoiets in de klas dan ook maar “gewoon” en “leuk” moet zijn. Docenten, én leerlingen,  zijn geen lemmingen, hoewel het daar vaak steeds meer op begint te lijken. ICT-voorlopers zijn snel geneigd om dingen als vanzelfsprekend te beschouwen die door veel collega’s nog als iets buitenaards worden gezien.  Het past dan niet om die collega’s af te schilderen als halsstarrige mastodonten die elke verandering tegenhouden.

Een instantie als Kennisnet propageert al jaren het gebruik van ICT in de klas maar of dit nu geleid heeft tot zoveel betere onderwijsprestaties is nog maar de vraag. Natuurlijk, er zijn zat onderzoeken waarin een verbetering wordt aangetoond, maar zo kun je evenveel onderzoeken opvoeren waaruit het tegendeel blijkt. Het gaat altijd om deelgebieden, bij specifieke groepen gebruikers, met specifieke wensen en vaardigheden. Je voelt je langzamerhand als school of als docent een beetje schuldig wanneer je nog niet met een digiboard werkt en wanneer je nog ouderwetsch de lesdag in groep 8 besluit met voorlezen uit een spannend boek in plaats van met het klassikaal bekijken van een filmpje op YouTube.
Het scheelt ook nogal of  je voor een klas met HBO-leerlingen of een klas met VMBO-leerlingen staat. Probeer die laatsten maar eens van het voortdurend controleren van de updates op Hyves en Facebook af te houden. Het is verschillend publiek, en dat heeft verschillende benaderingen nodig.  Ga een VMBO-docent dus vanuit een redelijk luxe positie als HBO-docent of onderwijs-adviseur niet met een blij gezicht vertellen dat hij z’n klas in een achterstandswijk de hele les door moet laten pielen met het mobieltje, omdat dat zoveel meerwaarde heeft en omdat die man of vrouw met de tijd mee moet gaan.

We moeten niet klakkeloos achter en alle gadgets aanhollen en daarbij de onderwijsrealiteit uit het oog verliezen. Kennisoverdracht via het mobieltje en social media  kan vreselijk leuk zijn, kan daadwerkelijk iets toevoegen, maar dring het niet op en presenteer het vooral niet als de ultieme onderwijsvernieuwing.  Dat hebben we inmiddels vaak genoeg gehoord. Ik word vaak genoeg door mijn leerlingen teruggefloten wanneer ik weer begin over twitter in de les en wanneer ik al te enthousiast van de ELO gebruik maak. Leerlingen en docenten, die vormen eigenlijk een behoorlijk behoudend volkje. Laten we daar maar een beetje rekening mee houden. ICT-bescheidenheid siert de mens.

Share

 


Top 2000

Het leven zou je kunnen vergelijken met een grote verzameling wisselend gevormde stenen en steentjes van wisselende samenstelling. Er zitten bakstenen tussen, kiezels, grint, en – een beetje afhankelijk van wat je zo hebt meegemaakt en uitgespookt – edelstenen of lelijke brokken puin. Dat alles bij elkaar vormt een fundament waar je op verder bouwt, waarbij je hopelijk niet te veel te lijden hebt van verzakkingen, aardbevingen of andere zaken die verstorend werken. het zijn niet alleen stenen; er zijn ook geuren, beelden en geluiden die het huis maken zoals het er nu uit ziet. Het ene kan niet zonder het andere, bij mij althans. De bouwstenen associeer ik met geuren, met beelden, met muziek. Vooral dat laatste is aan het einde van het jaar een waar genoegen, wanneer de Top 2000 tot Nieuwjaarsdag aan het oor voorbij trekt. Nu zijn er mensen die niet tegen geluid kunnen, en al helemaal niet tegen popmuziek.
Nu is Wauwel op een leeftijd gekomen dat zo’n beetje alle nummers uit die Top 2000 wel meer of minder bekend klinken, en het is verbazingwekkend hoe je tekst van sommige liedjes nog woordelijk kunt meezingen. Onderwijs zou eigenlijk zingend gegeven moeten worden: we zouden met sprongen op de Pisa-ranglijst stijgen. Die Top 2000 is eigenlijk niets anders dan het openen van een doos gevuld met herinneringen, die je meevoeren naar de diamanten in je leven. Bordewijk kon het in Karakter niet mooier zeggen: “Want wat de edelstenen van het zieleleven betreft, is de mens een vrek: hij bekijkt ze eenzaam in de bankkluis van zijn hart, bij het licht van zijn herinnering”

Een zomer op het Bloemendaalse strand, begin jaren ’70, Radio Veronica maakt reclame met vliegtuigjes in de lucht, je luistert op een transistorradio naar “Riders on the Storm” van  The Doors, naar “Cecilia” van Simon and Garfunkel, de toekomst lijkt eindeloos ver weg maar o zo lonkend. Op de schoolavond staar je wanhopig  verliefd en machteloos naar die afschuwelijke gozer die op de klanken van “Samba Pati” van Santana het object van jouw hopeloze puberdromen in z’n smerige klauwen sluit.
‘s Nachts scheur je door de duinen op je aftandse en zwaar opgevoerde, paarse Mobylette met hoog chopperstuur ( een Puch kon ik niet betalen ) , met in je hoofd “Spirit in the sky”, van Norman Greenbaum, na je allereerste tongzoen, die onvergetelijk in mijn geheugen gegrift staat.  Tijdens je eerste jaren voor de klas klinkt tegen de Kerst in het lokaal waar de kerstviering plaats vindt: “Last Christmas” van Wham; een afschuwelijk nummer eigenlijk, maar het brengt je elke keer weer terug naar die intense beginjaren van je onderwijscarrière die toen nog een carrière kon zijn en dus een vèt nummer.  En bij het oplopen van het Malieveld echoode uit de luidsprekers “Human Nature”, een stralende zaterdag in Den Haag waar je met honderdduizenden demonstreerde tegen de kruisraketten.

Dat soort herinneringen, daar lenen zich geen Bach of Mozart voor, niet bij mij tenminste. Die leveren ook associaties, maar op de een of andere manier hebben die niet die intensiteit die popmuziek bij je oproept, terwijl het toch bijzonder aangenaam en vooral rustgevend kan zijn om daarnaar te luisteren. Alles op zijn tijd.

Nu zijn er ook lieden, die tot het hoogste cultureel erfgoed de muzikale oprispingen van bijvoorbeeld  Zanger Rinus rekenen, en die dan genieten van gruwelijkheden als “Met Romana op de scooter“. De herinneringen, voor zover je daar met dat soort klanken last van kunt hebben – beperken zich dan vermoedelijk tot – ik citeer even - “de bloedmooie Romana die met haar sensuele dans de show steelt. Onvergetelijk!” Vergeet vooral niet te kijken. Gezien het grote aantal PVV-stemmers moet een flink deel van de Nederlandse bevolking zich hier intens gelukkig bij voelen, hetgeen weer een hevig verlangen bij mij oproept om de rest van mijn leven bij de aboriginals en hun indringende muziek door te brengen.

Bach en Mozart beleef je vanuit je luie stoel, ( Bij zanger Rinus-liefhebbers is die denkelijk bekleed met hysterisch bloemmotief met schroeiplekken van ontelbare sigarettepeuken en van een automatisch opsta-mechanisme voorzien ) of beschaafd luisterend in een concertgebouw. Ze brengen je niet in een tijdmachine terug, waarbij je met gesloten ogen alles weer opnieuw beleeft waar je vroeger eigenlijk de tijd niet voor nam. Bij Bach en Mozart heb ik niet de neiging om stiekem, wanneer niemand dat ziet en er geen gezinsleden met zet-gelijk-op-You-Tube-mobieltjes in de buurt zijn, als een bezetene door de kamer te springen, playbackend met de afstandsbediening. Toch stiekum een popster, alle hopeloze verliefdheden uit de puberteit sublimerend. Muziek, de Top 2000, maakt je weer een beetje kind, of kinds, zo kritische lezertjes willen. Misschien heb ik die puberteit wel nooit afgeleerd eigenlijk. Deze week dus heerlijk zwelgen, en in het nieuwe jaar weer precies weten hoe je leerlingen zich voelen, wanneer ze met hun oordopjes wezenloos vergroeid lijken te zijn. Dat is toch wel een van de grote voordelen van het onderwijs: je blijft altijd een beetje in die sfeer, en je wordt er beslist niet ouder bij.

Straks om 12 uur dus Queen, niet mijn groep en niet mijn nummer. Ook geen herinneringen bij en dan blijft zo’n nummer een grof stuk steen, hoewel een ander daar weer een diamant in ziet. Dat is het aardige en het fascinerende van muziek. Nee, doe mij dan maar een flonkerend kristal als dit:

YouTube Preview Image

Share

 


Ouders ( en leerlingen ), we lusten je rauw!

Docent anno 2012

Docent anno 2012

Nu moet ik eerst iets vreselijks bekennen. Ik heb een leerling geslagen, erger nog, een meisje! Ik werd niet eens aangevallen, nou ja, niet fysiek dan, maar wel verbaal. Ik werd uitgemaakt voor rotte vis; een leerling uit IJmuiden, daar speelt zoiets geregeld. IJmuiden is een oord waar de bevolking gebukt gaat onder de grauwe smog van walmende hoogovens, waar uitgezakte moeders in peignoir in de grijze ochtend in het plantsoen naar hun krabbende en poepende honden staan te kijken. Het boze meisje ging meer en meer te keer, en u begrijpt wel, wanneer je als docent dan op zo’n manier voor de rest van de enthousiast genietende klas dreigt af te gaan, dan dien je je gezag te laten gelden, in mijn geval door een ouderwetsch degelijke oorvijg. Niet hard natuurlijk, ik schrok er zelf van, maar het effect was overdonderend. De klas doodstil en verbijsterd, de mond van de delinquent klapte dicht, de orde hersteld.

Het wachten is nu op de politie, want die komt tegenwoordig eerder dan de ouders. Vanavond ben ik denk ik wel in het nieuws, vol in beeld terwijl een arrestatieteam in vol ornaat het schoolplein oprijdt, onderweg enkele hekken plettend, onder het oog van de voltallige schoolbevolking die ademloos twitterend en bellend tegen de ramen staat geplakt, waarbij de lessen tot wanorde vervallen. Zware onderwijscrimineel opgepakt na aanvallen leerling.

Nu wacht ik echter al 33  jaar op dat arrestatieteam, want die tik deelde ik in 1978 uit op een school voor Lager Economisch en Administratief Onderwijs, een paar weken nadat ik daar als beginnend docentje mijn voorganger, die was weggepest, had opgevolgd voor de vakken tekenen, handvaardigheid, Nederlands, godsdienst en maatschappijleer. Godsdienst, dat was een bijbelverhaal vertellen, op het spannendste moment ophouden ( bewaren tot de volgende keer ) en dan het hele verhaal dicteren en uit het hoofd laten leren. Door 30 ademloos luisterende pubermeiden. Je diende toen, net als nu weer, van alle markten thuis te zijn, al loop je tegenwoordig als argeloze passant al het risico de school binnengetrokken en voor de klas gezet te worden, want bevoegdheden, dat is lastig, dan moet je met vaste aanstellingen gaan werken en je wilt als onderwijsmanager zo’n hinderlijk aanwezige leerkracht ook weer snel kunnen lozen wanneer het met de aanwas van stakeholders even wat minder gaat.
Slaan mag natuurlijk niet, toen ook niet, maar er kwamen op de toen nog ijverig bezochte ouderavonden toch geregeld ouders die zeiden van: “Goed zo meester, geeft ‘m maar een mep en dan kennie d’r van ons thuis ook nog eentje krijgen.” De schaarse onderwijsvacatures die nu nog een enkele maal in de krant staan, zullen meer en meer de kant op gaan van: “Gezocht: enthousiaste leerkracht, met hart voor onderwijs. Bevoegdheid niet nodig maar wel graag een zwarte band in ultimate cage-fighting”.  Dat zal die ouders leren. Het vervelende is, dat elke leerling tegenwoordig direct alle middelen heeft om moord en brand te schreeuwen en daar behalve de ouders, ook de hele wereld van kan laten meegenieten, en wel op het moment dat het delict nog aan de gang is.  Een docent die consequent en corrigerend optreedt, die bijvoorbeeld mobieltjes in de les verbiedt, ja, dat is eigenlijk maar een beetje een vervelende vent die de school een slechte naam en de directie een hoop zorg omtrent de concurrentiepositie in de slag om de leerling – lees: “om de centen” – oplevert. Je moet je als docent tegenwoordig opgewekt en blij voor alles laten uitmaken wat mooi en lelijk is, en daar vooral niets van zeggen, want dat kan zich tijdens je POP-, PAP- en PIP-gesprekken met je meerdere tegen je keren en dan kun je je promotie naar senior of excellente docent voor de rest van je schoolloopbaan wel vergeten.  Elke docent is tegenwoordig een aspirant filmster-tegen-wil-en-dank, want vóór je het weet, staat je optreden op YouTube, en dan meestal in de rol van slechterik. Regels zijn uit de mode, orde en gezag zijn vieze woorden, cijfers voor vlijt en gedrag zien we liever niet in iets wat vroeger rapport en nu portfolio heet. Het portfolio, een veredeld poëziealbum, waarvan de leerling bepaalt wat er in komt en niet meer de docent. ‘De leerling centraal’; het is een mooie kreet die het goed doet in wervingsfolders en open dagen. We doen alles om ze binnen te lokken. Meld je aan bij ons, en je krijgt een prepay mobieltje!

Het verbieden van het onnodig gebruik van het mobieltje tijdens de les geeft de leerling tijdens zijn aanval van woede of dwarsigheid de mogelijkheid eerst even tot tien te tellen ( dat moet nog nét kunnen ) voordat hij of zij tot ondoordachte acties als het bellen van agressieve ouders over gaat. In ziekenhuizen kun je op sommige afdelingen helemaal niet bellen door techinsche handigheidjes. Er is gewoon geen bereik voor wie daar geen toestemming voor heeft. Zou op school ook kunnen.

Misschien moeten we toch eens nadenken over een wervingsfolder met als juichende kreet: “De leraar centraal!”. En daar dan gelijk in schreeuwerige letters bij: “Bij ons zijn mobieltjes in de klas VERBODEN!!”. Je geeft er een duidelijk signaal mee af. Naar leerlingen, en vooral naar ouders. Laat beiden een contract ondertekenen waarbij voor die twee kreten nadrukkelijk getekend wordt. Wanneer dat op alle scholen gebeurt, hoeven directies ook niet bang te zijn dat de klant naar een andere concurrerende school overloopt.

De tik uit 1978 was mijn eerste en mijn laatste. Een beginnersfout, toen. Heeft goed geholpen trouwens, vertelde de leerling mij later tijdens een reünie. Nooit meer last van haar of haar klas gehad. Had zij toen een mobieltje gehad, dan had ik nu misschien een strafblad. Ik was soms wel een vreselijke man, toen. Orde: tijdens de tekenlessen hoorde je soms enkel het krassen van de pennetjes met Oostindische inkt. Achter mij was een grote zinken wasbak, en in mijn bureaula lag een ketting, die ik op gezette tijden heel zachtjes te voorschijn haalde en dan achteloos over mijn  schouder in die wasbak wierp. Dertig hartstilstanden in die klas. Probeer dat nu eens. Ze praten er nóg over, waneer ik ze nog wel eens spreek. Nog nooit zo’n lol gehad, meester!

“De leraar centraal!”: ik voorspel een grote aanwas van leerlingen.

Share

 


Bescheidenheid siert de mens

Het is vandaag de Dag van de Leraar, een dag na Dierendag en net zoals er ook een Dag van de Leerplicht is, een Dag van de Huismeester, een Dag van de Wol en – niet te vergeten – hier in dorpje B. op de Veluwe de Wereldeidagen, maar bij die laatste wil je niet wezen, gezien de enerverende activiteiten die daar ontwikkeld worden. Zo heeft elk mens, beest of produkt wel zijn eigen dag, en hebben we elke dag van het jaar iets lolligs te doen of iets naars te gedenken. De Dag van de Leraar wordt elk jaar toch wel grootser gevierd, en zelfs de TV heeft ons afgelopen maandagavond in het zonnetje gezet door ons tijdens de  Avond van het Onderwijs en plekje te gunnen. Op de andere zender was concurrentie van Fort Boyard, waarin bekende Nederlanders stompzinnige opdrachten moeten uitvoeren en zoiets trekt natuurlijk het grootste deel van bij onderwijs betrokken kijkers weg. Onze grootste doelgroep, de leerlingen, verpoosde vermoedelijk massaal bij Holland’s Nex Top Model of bij een film met de aansprekende titel “Runaway Vacation”. De achtergebleven diehards onder de ouders, docenten en deskundigen kregen een kommervolle voorstelling voorgeschoteld, waarbij de optredens van enkele leerlingen zelf nog een lichtpunt vormden.

Toch was er wel iets opmerkelijks te constateren, en dat betrof het gebruik en het nut van ICT. Daarover waren wat onderzoekjes gepleegd en werden ook enkele leerlingen bevraagd. Hieruit kwam een beeld naar voren wat een groot deel van de onderwijscomputernerds – en daar reken ik mijzelf ook toe – eigenlijk liever helemaal niet wil zien, en wat op Twitter -waar je ze toch allemaal vindt – tot opvallend weinig reacties leidde: het gros van de gebruikers is helemaal niet zo gecharmeerd van ICT als wij denken! Slechts een schamele 23 procent ziet in ICT de sleutel naar beter onderwijs  en een MBO-klas verkoos in koor het boek boven het internet. Dat is dus wel even schrikken voor ons voorlopers op ICT-gebied. Barre tijden van het krijtje en beduimelde boekjes liggen in het verschiet.

Zijn we dan zó verblind? Een beetje wel, denk ik. We bezoeken prachtige onderwijsbeurzen, waar de nieuwste ontwikkelingen op informaticagebied ons vanaf snelle touchscreens toelachen, we gebruiken de nieuwste stemkastjes, tablets, smartphones, we maken Wiki’s, Prezi’s en Slideshares. We hangen als docenten de halve dag verglaasd achter ons beeldscherm en kijken uit naar het volgende congres waar we – en dat is een beetje de kern denk ik – weer dezelfde dingen in iets nieuwere vorm, en dezelfde collega’s in iets oudere vorm aantreffen, en we praten over steeds dezelfde dingen als mobieltjes en educatieve software in de klas. We zijn  een behoorlijk groepje selecte nerds aan het worden, een behoorlijk incrowd met een hoog ons-kent-ons-gehalte in ons veilige kringetje, dat we op Twitter ook weer terugvinden: dezelfde volgers en gevolgden twitteren over dezelfde onderwerpen.

We kunnen het maar nauwelijks bevatten dat er collega’s, ouders en leerlingen bestaan die heel anders tegen al onze mooie speeltjes en ideeën aankijken dan wij. Dat zij niet denken zoals wij dat doen. Dat zij niet door beeldschermen verblind zijn zoals wij dat zijn. Dat zij bijna in een andere realiteit leven dan wij. Offline. Hoe vreselijk, hoe onbegrijpelijk.   Natuurlijk, waar wij op kicken en waar wij van genieten biedt ongekende kansen en mogelijkheden voor het onderwijs. Maar ja, door ons enthousiasme vergeten we wel eens dat er ook nog eens een behoorlijk kostenplaatje aan hangt, dat er soms totaal nieuwe dingen aangeleerd moeten worden, dat er op onbegrijpelijke knopjes geklikt moet worden en dat er  meer is dan de wereld van Social Media, waar wij ook in onze vrije tijd  heel wat uurtjes doorbrengen om vaak nog meer onze honger naar ICT te bevredigen.

Een school volstoppen met materiaal en daar enthousiast naar wijzen en zeggen hoe eenvoudig het allemaal is gaat dus niet werken. Misschien moeten we eens even tot bezinning komen, en eens kijken hoe we wat bescheidener de wondere wereld van ICT aan de man kunnen brengen. Niet elke digibeet is een inboorling die verblind door hightech spiegeltjes en kraaltjes de digitale zendeling en diens geloof omarmt.

Share

 


Lost in space…school zonder internet.


Het is een zonnige dag, leerlingen braaf aan het werk in de electronische leeromgeving, want een beetje school kan niet meer zonder en de docent kan op die momenten even amechtig onderuit hangend de beurskoersen of vakantieveilingen.nl doornemen, waarbij hij of zij er wèl op moet letten dat de beamer niet aan staat. Het is niet de eerste keer dat een collega in den lande werd geschorst vanwege niet-lesgerelateerde activiteiten op internet, en dan ook nog ten aanschouwe van een groep ineens ernstig geïnteresseerde pubers.

Gescheld en getier in de klas. De ELO ligt er uit. Daar gaat je zorgvuldig voorbereide les. Zoeken op twitter levert een ware kanonnade op van radeloze scholieren, een enkele ontheemde en ontredderde docent en pas later ook wat mededelingen van de fabrikant zelf. Ik citeer even ene @Mirpiee, die roept: “Aaaaah ITSLEARNING DOET HET NIET!!! Ik space ‘m zo hard hier he”.
Een ander, reeds het kookpunt genaderd ( ik zal de vloeken en de schuttingtaal even door sterretjes vervangen ): “G*D, K*T ITSLEARNING! Ik moet een verslag maken , moet duits leren en nog NA leren! En nu doe je het niet? ! F**K YOU!!!”.
Of: “Shiiiit, itslearning doet k*t en ik moet die ckvpoep nog inleveren!!!”  en : “tering itslearning als ik hem te laat inleveren heb ik een 1″.
Gelukkig zien sommigen ook de zonnige kant van een leven zonder internet: “Itlearning doet het niet….chill! :-)

Tja, wat moet je als vooruitstrevende Onderwijs 2.0-school nog zonder internet? Docenten zitten verweesd achter hun gestorven laptopjes, leerlingen hangen lui en “chill” achterover of grijpen radeloos en vloekend naar de Ritalin. De geoliede machine is krakend tot stilstand gekomen, men stroomt het pand uit, genietend van het prachtige nazomerweer wat zo verpest werd door het feit dat je achter zo’n stom beeldscherm een beetje opdrachten voor een stom ckv-poepvak moest maken, bedacht door zo’n moderne computernerd-docent die zelf niet eens een eigen Hyves of Facebook-profiel heeft.
Onderwijs 2.0 is voor de doorsnee-leerling vaak niet meer dan rondneuzen op Facebook, chatten op MSN, je verslag vullen met Google en je opdrachten inleveren via de ELO. Werkt één van die dingen niet, dan volgt totale ontreddering. We zijn offline.

Daar schuilt hem gelijk het gevaar van het o zo prachtige en verleidelijke intertnet: dat je je als school er te veel van afhankelijk maakt, dat je soms vergeet dat je ook nog met een krijtje op een ouderwetsch degelijk donkergroen schoolbord kunt schrijven, en dat je voor de afwisseling eens met een stapel nakijkschriftjes in je tas naar huis fietst. Je wordt ‘s avonds niet gestoord door mailtjes, bliepjes, je hoeft niet elk lesuur een vaak krakkemikkig werkend absentieregistratie-systeem bij te houden, je loopt niet met schele hoofdpijn van het in verkeerde houding turen naar je laptop door het pand en je hoeft je niet te storen aan Powerpoint-presentatie nummer zoveel waar je duizelig wordt van de op het scherm rondstuiterende teksten, plaatjes en geluidjes die de maker in zijn enthousiasme voor al dat moois wat dit programma biedt, heeft toegepast. “Killed by powerpoint” is een gevleugelde kreet bij de Amerikaanse troepen in Afghanistan.

Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd van griffels en leien, naar wolken krijtstof en grauwe docenten die met een afgebeten potloodje stapels volgekladderd proefwerkpapier doorworstelen. Onderwijs 2.0 is een zegen en biedt ongekende mogelijkheden. Ik kan niet wachten tot alle lokalen vol staan met touchscreens, webcams, tablets, en wat er meer voor prachtigs op de markt is. Zolang het ‘blieb”zegt en licht geeft, blijkt het voor leerlingen op de een of andere manier soms een stuk boeiender dan alle ouderwetse lesmethodes en docenten bij elkaar. Wel hard en onverbiddelijk trouwens, dat digitale lesgeven: “wanneer ik ‘m niet inlever heb ik een 1″.

Onderwijs 2.0  is prachtig, fantastisch! Zo lang we maar niet verleren om terug te vallen op beproefde middelen wanneer we eens een keertje digitaal offline zijn.In dat soort situaties bewijst zich de professionele schoolorganisatie.

Share

 


Ouderavond

‘t Is ouderavond. De school vult zich al ruim voor tijd met vaders en moeders, die allemaal wat onwennig aan hun bekertje koffie nippen en nu eindelijk de omgeving te zien krijgen waarover zoon- of dochterlief meestal niet anders weet te reageren dan met “O, wel goed, niks bijzonders gedaan!” wanneer gevraagd wordt wat er vandaag allemaal op school is gebeurd. Ik spreek nu over pubers, die op die leeftijd nu eenmaal altijd A moet zeggen als de ouders B beweren.  Aan de andere kant zijn ze de volgende ochtend allemaal wel weer vreselijk nieuwsgierig naar wat de leraar “over mij te zeuren had”. En als je ze dan een pluimpje geeft, dan zwellen ze van trots. Het blijven kinderen, tenslotte. Die ouders eigenlijk ook wel een beetje. Ook hier zijn er die te laat komen, gedoemd tot ongemakkelijke bankjes aan de zijkant, want de zaal is mudvol. Men heeft gelukkig nog interesse in wat het kind te wachten staat, ook al is het maar aan het begin van de schoolloopbaan dat je ze allemaal zo bij elkaar hebt. De volgende keer dat de zaal weer zo vol zit, zal zijn bij de diploma-uitreiking, over een aantal jaren, met daartussen nog wat tien-minutengesprekken, zo hoop je.

De docenten staan langs de zijkant van de aula, zien de volle zaal, lichting nummer zoveel van de vele die zijn gepasseerd, en zoeken naar gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. “Ah, dat is vast de vader van Pietje, en die mevrouw zit er net zo bij als haar dochter. De directie spreekt. Het gaat over missie, visie, plannen, de onderwijsinspectie. De aanwezigen laten alles gelaten over zich heen komen. Stapels vaktermen, exameneisen, normeringen; het is lang geleden.

Heel braaf loopt men na de algemene toespraak met de mentoren mee naar de lokalen, en neemt afwachtend plaats achter de tafeltjes. Het is buiten al donker, de beamer zoemt, en bijna wordt het knus. Ouderavonden hebben altijd iets rustgevends vind ik. Zeker de individuele gesprekken, in de stilte van het bijna verlaten schoolgebouw, de leerruis verstorven, de boel aan kant, waar je hoort van huiselijke narigheid, echtscheiding, onhandelbare pubers, en gelukkig ook van ideale gezinnen vol pais en vree, die helaas steeds meer een zeldzaamheid beginnen te worden.
Dit keer heb ik ze allemaal. Een klas vol, dertig stuks zijn er op komen dagen, je geeft ze allemaal een hand. Je bent ineens weer een beetje de Meester. Soms zegt een leerling dat nog tegen je: “Meester!” en heel soms, waar ze dan gelijk van schrikken: “Papa!”. Ze voelen zich dan blijkbaar thuis. Da’s het belangrijkste, de rest komt vanzelf.
Die school moet een veilige plek zijn, een plek waar je alle leerlingen dat kunt bieden wat ze nodig hebben, of ze nou lijden aan ADHD, PDD-NOS, Asperger, dyslexie,dyscalculie,schizofrenie,Borderline, zelfmutilatie, NLD of noem maar op lijden, of dat ze doodnormaal of juist hoogbegaafd zijn: je krijgt ze allemaal bij elkaar en je dient er wat van te maken. De ouders zien soms net zuilke beren en bergen als hun kinderen. Wat gaat er allemaal gebeuren, gaat mijn kind straks wéér gepest worden, krijgt mijn kind wel de juiste aandacht, op de specifieke manier die bij zijn of haar stoornis hoort?  Je probeert een sfeer te creëren die je ook in de les hebt. Gezellig, een grap en toch aandacht.

Het gaat over mobieltjes. We moeten ons kind toch bereiken meneer. De herkenning wanneer het gaat over het eindeloze getuur op dat kreng tijdens de maaltijd. Eeuwig met dat mobieltje in de weer. Het gaat over huiswerk: er staat nooit niks meer wat in hun agenda meneer, hoe kan dat nu. Het gaat over reizen: mijn dochter moet al om vijf uur op voor die-en-die les. Over schoolfeesten: ik heb gehoord dat daar nogal gedronken wordt, houden jullie dat een beetje in de gaten. Worden er bij jullie ook drugs gebruikt. Hoe zit het met het pesten. Kunnen wij ook een bericht krijgen telkens wanneer er huiswerk wordt opgegeven. Die schoolboeken zijn zo duur, wat als ze nog geen boeken hebben. Moeten ze persé mee naar Barcelona, mogen ze op buitenlandstage als ze 15 zijn.

Grote zorgen, enorme zorgen, en voor iedereen terecht. Ouders geven tenslotte hun kostbaarste bezit in jouw handen. “U mag mij bellen als er problemen thuis met uw kind zijn”. Hilariteit alom. Dat moet ik dus even nuanceren, want voordat je het weet staat de hele week de telefoon roodgloeiend. Na afloop , om tien uur, de tijd vliegt, blijft er nog iemand dralen. Dan weet je: daar komt een groter thuisprobleem dan alle andere die je vanavond gehoord hebt. En ja, je hoort van plotseling geconstateerde kanker bij een ouder, een zware operatie in het verschiet met ongewisse afloop, en of we alsjeblieft rekening willen houden met het kind waarvan jij de mentor bent. Dat kind wat thuis al een paar weken zo vreselijk veel heeft gehuild en wat op school stoer en ogenschijnlijk onaangedaan door de gangen liep, waar het dolgraag thuis bij de zieke op schoot zou kruipen en roepen van “laat me nu niet in de steek, ik zit hier net op school en ik wil zo graag dat je weet hoe ik het hier doe”.

Het hoort er allemaal bij. School, een maatschappijtje in het klein, waar onze toekomstige bloem der natie wordt klaargestoomd voor de grote wereld straks. Een zwaar beroep, maar die leerlingen zelf, die willen allemaal wel. Er zitten etterbakken tussen, dictators, onderdrukte volkeren, politici, bankiers, minder bedeelden, criminelen, brave burgers, sporters en wereldverbeteraars. En het is heerlijk om daar samen met die ouders aan te schaven en te vormen. Dat er nog maar vele ouderavonden mogen komen.

YouTube Preview Image

Share

 


Tel soms uw zegeningen ( van de ICT )

Een beetje school kan in deze barre tijden niet meer zonder overvloedig gebruik van ICT. De argeloze bezoeker die langs de diverse docentenwerkplekken – meestal gekenmerkt door chaotische bergen correctie- en registratieformulieren, oekazes uit Den Haag, stapels onderwijsvernieuwingen, een sanseveria op sterven, rondslingerende kartonnen koffiebekertjes, een kapstok met wat groezelige kleding, een bureau bezaaid met gummetjes, paperclips, afgepakte rommel, een stapeltje boterhammen in een plastic zakje, een merkstift die niet meer schrijft, een beduimelde CAO, een potje witsel, veertjes uit de balpen en een blokje Post It – wandelt, ontwaart daar de bewoner in slechtzittende houding achter een reutelende desktop-pc of een wat aftandse laptop, moedeloos starend naar Nu.nl, Vakantieveilingen.nl of een teletekstpagina met de aandelenkoersen. Soms ziet men op het beeldscherm ook een grote variëteit aan roosterprogramma’s, abesentieregistratieprogramma’s, leerlingvolgsystemen, elektronische leeromgevingen, schoolwebsites of andere didactisch verantwoorde applicaties, die er allemaal op gemaakt lijken te zijn om totaal niet, of op zijn minst slecht samen te werken.
Amechtig hollen lieden met verstand van de technische kant van ICT door het pand om hulpeloze gebruikers weer op de digitale snelweg te zetten, een snelweg vol files, opbrekingen en wegversmallingen, die gevuld lijken te zijn met rollators, scootmobielen, autowrakken en spookrijders.Wanneer we de vergelijking met auto’s nog even voortzetten,  worden scholen voortdurend gelokt door de ene na de andere autoshow, waar wulps geklede dames kronkelend over de motorkap van de nieuwste types de gapende toeschouwers kirrend uitnodigen om toch vooral niet achter te blijven met de aanschaf van een nieuw model. Het mag, het moet wat kosten.

Nu wordt er in onderwijsland nogal stevig bezuinigd, wat zich onder andere vertaalt in het massaal wegsturen van docenten, grotere klassen, gevuld met lastiger leerlingen en ook op ict-gebied vallen steeds grotere klappen. We moeten het dus steeds vaker met opgelapte Trabantjes doen.

Ook mijn eigen eerbiedwaardige college ontkomt niet aan het bezuinigingsspook. Waar vroeger een uitleenbalie was voor laptops, u weet wel, die onhandige dingen uit de tijd dat er nog geen tablets waren, is deze balie nu gesloten en vervangen door drie kasten gevuld met wat versteende apparatuur. Elke afdeling heeft zijn eigen kast, die voorzien is van wieltjes en een stevig slot. De sleutel te bevragen bij uw teamleider of bij die-en-die, zo heeft het management in zijn onuitsprekelijke wijsheid besloten.
Maar ja, hoe gaat zoiets. Je kunt geen duur lesboek meer openslaan zonder dat daarin verwezen wordt naar een bijbehorend duur computerprogramma waar de leerling met wéér een andere gebruikersnaam en wéér een ander wachtwoord moet inloggen, en wie als school in de vaart der volkeren wil meegaan, dient eigenlijk het gehele pand vol te stouwen met computerapparatuur.
Tien collega’s – ingeroosterd in lokalen zonder ict-voorzieningen –  slaan dus op het zelfde moment hun dure lesboeken open en worden daar onverbiddelijk gewezen op het noodzakelijke computergebruik. Er ontstaat een wedren in de gangen op zoek naar kasten en sleutels bij teamleiders of personen die-en-die, en die zijn op dat moment natuurlijk in vergadering of niet aanwezig. Ook blijkt de sleutel van de lift niet aanwezig te zijn, en wanneer alles toch nog mocht meezitten, blijken de laptops al in andere klassen te zijn uitgeleend, of is de accu leeg, of heeft een humoristisch type ijverig alle toetsjes een andere plek op het toetsenbord gegeven tijdens een saaie les Nederlands. Het kan natuurlijk ook zijn dat de laptopkast – vanwege de hinderlijk aanwezige wieltjes – volkomen in het luchtledige is opgelost.

Tegen de tijd dat iedereen van de schrik bekomen is, de computers eindelijk zijn opgestart en iedereen zijn of haar kwijtgeraakte of vergeten inloggegevens ( daar zijn ze wanneer dat zo uitkomt heel sterk in ) weer bij elkaar gesprokkeld heeft, kun je langzamerhand weer beginnen met afmelden omdat de les bijna voorbij is en er weer andere klassen en collega’s vol ongeduld staan te trappelen vcoor een herhaling van deze cyclus.

De lesgevende docent hangt tegen die tijd aan de zuurstof en dient zichzelf nog maar eens een flinke shot heroïne toe, vertwijfeld zoekend naar een moker of een kettingzaag om schuimbekkend de apparatuur te lijf te gaan of in machteloze woede stukken uit het tapijt te bijten ( Hitler deed dat tenslotte ook ) .

Wij als fanatieke ICT-voorhoedelopers willen in ons enthousiasme nog wel eens vergeten dat een flinke groep docenten iets minder warme gevoelens voor de zegeningen van de ICT kan opbrengen, en dat veel dingen – ook voor onze leerlingen! – lang niet zo vanzelfsprekend en fijn werkend zijn als wij denken. Moet er dan toch bezuinigd worden, gooi dan als eerste al die computers en laptops de school uit, ook die kasten, en laat leerlingen zelf een tablet ( geen toetsjes meer om te verwisselen!) of iets kleins en lichts aanschaffen, en zet al je lesmateriaal en leerboeken op het netwerk.  Geef de docent ook zo’n mooie iPad of Galaxy Tablet – met een mooi rustgevend en hypnotiserend achtergrondje – en de hele schoolbevolking schrijdt met een hemelse blik door het pand, niet meer gehinderd door zware tassen gevuld met boeken en andere ballast.

Tot slot: u bent niet de enige bij wie de ICT niet altijd mee werkt. Als alles werkt is het leuk, zaligmakend, uitdagend ( beetje eng woord ) en kan het behoorlijk toegevoegde waarde hebben aan ons kommervol onderwijskundig bestaan. Maar zaligmakend is het niet, en het mag ook niet te veel kosten. Letterlijk en figuurlijk.

YouTube Preview Image

 

Share

 


Per seconde dommer

Al ongeveer sinds het ontstaan der mensheid draait op de televisie, het medium wat zoveel weldaad maar in toenemende mate zoveel treurigheid over ons uitstort, de quiz “Per seconde wijzer”.  Een intelligent programma met lastige vragen, en de allerlastigste kunnen worden opgezocht. Vroegâh in een degelijke encyclopedie, tegenwoordig natuurlijk vooral op Google. Daarna klinkt het belletje: gevonden! Een prijs van een paar duizend euro als beloning. Daar trek je geen miljoenen kijkers meer mee, want we willen tegenwoordig weer brood ende spelen, zoiets doet het beter bij de massa, die steeds meer massa begint te worden.

Google is stukken van onze hersenen aan het vervangen. We zoeken pas iets op op het moment dat we het nodig hebben, en dan luiden we het belletje. Daarna slaan we die gevonden informatie niet meer op, maar drukken gewoon weer op delete. Tijd is geld. Stop een doorsnee student in Maastricht in een auto, en geef hem opdracht om naar Groningen te rijden. Wanneer de Tomtom ( een nieuw zelfstandig naamwoord ) uitvalt, zal hij of zij mogelijk eindigen in Parijs. Met het uitvallen van de nieuwe media valt onze hersencapaciteit uit. Wanneer Facebook of Hyves door een storing plat liggen, zijn we 500 of meer vrienden kwijt. Eenzaam en verloren. Wat nu?

De mens stamt af van de aap tot de Neanderthaler, of van Adam en Eva, of welke religie of overtuiging wij maar aanhangen, en evolueert in een opgaande lijn qua lengte en kennis. Die kennis krijgen wij op allerlei manieren aangeboden. Een puber krijgt nu op één dag meer informatie te verwerken dan een Middeleeuwer gedurende zijn hele leven; zoiets kan natuurlijk niet altijd goed gaan. Plaats een kind in een kamer tot aan de nok toe gevuld met snoep en het eet zich ongetwijfeld misselijk. Ga je gang. Eet maar, vreet maar. En dat doen we dus ook. De maatschappij is de kamer, wij zijn de kinderen, en het snoep is de wereld om ons heen. Wij graaien zoveel mogelijk bij elkaar, proppen het in onze zakken, rukken verpakkingen half open, nemen overal een hap van en smijten de rest weg, want er is zoveel meer. Wat we niet lusten, spugen we uit. Meer, meer, steeds groter, steeds extremer, want niet genoeg. De kater komt morgen.

Grenzen dienen overschreden te worden, want anders worden we belemmerd in onze ontwikkeling. Regels, dat is iets voor oude mensen. Alles mag, alles kan, alles móet kunnen. Grenzen verleggen. Kennis vergroten.  We kijken met honderdduizenden naar talentenjachten waarin men kok, zanger of musicalster gaat worden. We genieten via infrarood van een programma waarin wildvreemden in een stikdonkere kamer aan elkaar gaan graaien om vervolgens een stel voor het leven te vormen. We schateren mee om puistige pubers, die door een “vakkundige jury” waarin lieden als Gordon zitten, tot de grond toe worden afgefakkeld omdat ze hun uiterlijk en mimiek nog niet mee hebben. Gaat het slachtoffer in kwestie vervolgens publiekelijk zijn beklag doen, dan wacht hem een boete van John de Mol.  We juichen wanneer kandidaten om een geldprijs levende maden verorberen of een wildvreemde een minuut lang vol in de mond zoenen terwijl die een groot stuk schuurpapier aan het gezicht bevestigd heeft.

We gaan de weg op met een honkbalknuppel, een riek of een pistool op de achterbank, en we gaan vól op de rem wanneer een ander te dicht achter ons zit of wanneer we een kist met geld over het asfalt zien waaien. Kwetsen is de nieuwe norm, het korte lontje vormt het nieuwe karakter. We graaien waar we kunnen: op Google, bij elkaar, van elkaar , uit de geldpot, in de kamer gevuld met snoep. Zo zappen we onze dagen door.

In de Volkskrant stond vandaag een artikel over iemand die een nieuwe draai aan zijn carrière had gegeven door loopbaancoach te worden. Nu was ik in mijn huidige werkkring een tijdje ICT-coach, en dat stond ook op mijn twitter-account vermeld. Prompt werd ik gevolgd door een leger coaches, die blijkbaar allemaal hoopten een draai aan mijn loopbaan te geven of een collega te treffen. De nood in coach-land moet hoog zijn. In het boekje “Bullshit Management” las ik dat de ene heft van Nederland door de andere helft van Nederland wordt geadviseerd hoe zich te gedragen, voor een flink honorarium uiteraard.

De loopbaancoach in kwestie organiseert nu “bezinningsreizen” voor mensen ( managers ) die geen voldoening meer vinden in hun werk. Deze slachtoffers kunnen een 9-daagse reis boeken naar Ethiopië, a raison van maar liefst 3000 euro. Doel is om daar tot verhelderende inzichten te komen, te relativeren en – eenmaal thuisgekomen – mogelijk alle luxe overboord te gooien of juist nog meer luxe aan te schaffen, alles in elk geval met nieuw elan.

Negen dagen, 3000 euro, daar kun je jezelf toch goed van fêteren, zeker in een land als Ethiopië, waar het grootste deel van de bevolking ver onder de armoedegrens leeft. De loopbaancoach verdedigt zijn business door te stellen dat men niet naar zielige en arme mensen gaat kijken, maar dat men wel leert dat je ook met minder tevreden kunt zijn. Nu weet ik nog wel meer mensen die aan bezinning toe zijn, maar gezien hun financiële positie zal dat vermoedelijk bij een weekendje op de camping in Bakkum blijven.  Die vormen voor de loopbaancoaches natuurlijk geen interessante -lees lucratieve- markt.

Misschien moeten we allemaal maar eens een tijdje op bezinning, gewoon bij onszelf, in de achtertuin of op het balkon. Even de tijd stop zetten in de Per seconde wijzer quiz.  Echt eens even na gaan denken. Over waar we mee bezig zijn. Ons onderwijs bijvoorbeeld. Men zoekt voortdurend naar nieuwe uitdagingen, naar vernieuwingen, verbeteringen. Ik sprak laatst een collega Nederlands in den lande die notulen van een teamvergadering gevonden had. In anderhalf kantje stonden 52 taalfouten…
Onze regering maakt zich zorgen over de kwaliteit van ons onderwijs, de peiler waar onze maatschappij op rust. Het niveau van Nederlands en rekenen moet dringend omhoog. Kwalificerende toetsen op de computer. Zo stond ik dus in het onlangs weer begonnen schooljaar met een klas van 33 MBO-pubers in een ruimte waar 17 stokoude pc’s en tafeltjes gereed stonden. Geen bord, geen bureau. Ernstig verlangend naar een luchtverversingssysteem waarin ook een Ritalin-vernevelaar was geïntegreerd. Ik neem het mijn school niet kwalijk, want tegelijk met de kwaliteitsverbetering moet er in het onderwijs ook bezuinigd worden, en bijvoorbeeld de aanschaf van de JSF’s, de steun van de grote banken en bedrijven moet toch ergens uit bekostigd worden. Dus halen we dat geld weg bij onderwijs, chronisch zieken, bij zorg, bij cultuur en bij minder draagkrachtigen, bij hen bij wie een staking geen economisch effect heeft. In het onderwijs wordt niet gestaakt, in de zorg niet, en mensen zonder baan of in de WAO en AOW staken ook niet.

We voeren mensen als Wilders en bieden de ontevredenheid, het korte lontje, het kwetsen als norm, de totale geestelijke en intellectuele armoede en daardoor de tweedeling in de wereld een steeds breder platform.

We worden per seconde dommer, lijkt het wel. “Dat is typisch een opmerking voor een ouwe lul”, zullen sommigen denken. En wanneer ik het had gehad over een “oude penis” was ik helemaal voor gek versleten. Wie zegt nou zoiets. Dat hoort niet, in deze tijd.

Per seconde dommer. Dat is natuurlijk niet zo. Die hersencapaciteit wordt echt niet minder. We zetten hem alleen verkeerd in. En dat levert foute antwoorden op. Dat kost ons de overwinning. Wat meer tijd nemen dus, weer eens even goed nadenken over onze antwoorden op de volgende lastige vraag in Per Seconde Wijzer: “Komt het allemaal nog goed?”

 

Share

 


Mijn foto's op Flickr

    Interrail2010 (213) P1030596 Beekbergen 2010 (19) P1040577 P1040537 P1000352 Interrail2010 (243) Egypte 2008: Check your Email! P1040507_8_9_fused