Top 2000

Het leven zou je kunnen vergelijken met een grote verzameling wisselend gevormde stenen en steentjes van wisselende samenstelling. Er zitten bakstenen tussen, kiezels, grint, en – een beetje afhankelijk van wat je zo hebt meegemaakt en uitgespookt – edelstenen of lelijke brokken puin. Dat alles bij elkaar vormt een fundament waar je op verder bouwt, waarbij je hopelijk niet te veel te lijden hebt van verzakkingen, aardbevingen of andere zaken die verstorend werken. het zijn niet alleen stenen; er zijn ook geuren, beelden en geluiden die het huis maken zoals het er nu uit ziet. Het ene kan niet zonder het andere, bij mij althans. De bouwstenen associeer ik met geuren, met beelden, met muziek. Vooral dat laatste is aan het einde van het jaar een waar genoegen, wanneer de Top 2000 tot Nieuwjaarsdag aan het oor voorbij trekt. Nu zijn er mensen die niet tegen geluid kunnen, en al helemaal niet tegen popmuziek.
Nu is Wauwel op een leeftijd gekomen dat zo’n beetje alle nummers uit die Top 2000 wel meer of minder bekend klinken, en het is verbazingwekkend hoe je tekst van sommige liedjes nog woordelijk kunt meezingen. Onderwijs zou eigenlijk zingend gegeven moeten worden: we zouden met sprongen op de Pisa-ranglijst stijgen. Die Top 2000 is eigenlijk niets anders dan het openen van een doos gevuld met herinneringen, die je meevoeren naar de diamanten in je leven. Bordewijk kon het in Karakter niet mooier zeggen: “Want wat de edelstenen van het zieleleven betreft, is de mens een vrek: hij bekijkt ze eenzaam in de bankkluis van zijn hart, bij het licht van zijn herinnering”

Een zomer op het Bloemendaalse strand, begin jaren ’70, Radio Veronica maakt reclame met vliegtuigjes in de lucht, je luistert op een transistorradio naar “Riders on the Storm” van  The Doors, naar “Cecilia” van Simon and Garfunkel, de toekomst lijkt eindeloos ver weg maar o zo lonkend. Op de schoolavond staar je wanhopig  verliefd en machteloos naar die afschuwelijke gozer die op de klanken van “Samba Pati” van Santana het object van jouw hopeloze puberdromen in z’n smerige klauwen sluit.
‘s Nachts scheur je door de duinen op je aftandse en zwaar opgevoerde, paarse Mobylette met hoog chopperstuur ( een Puch kon ik niet betalen ) , met in je hoofd “Spirit in the sky”, van Norman Greenbaum, na je allereerste tongzoen, die onvergetelijk in mijn geheugen gegrift staat.  Tijdens je eerste jaren voor de klas klinkt tegen de Kerst in het lokaal waar de kerstviering plaats vindt: “Last Christmas” van Wham; een afschuwelijk nummer eigenlijk, maar het brengt je elke keer weer terug naar die intense beginjaren van je onderwijscarrière die toen nog een carrière kon zijn en dus een vèt nummer.  En bij het oplopen van het Malieveld echoode uit de luidsprekers “Human Nature”, een stralende zaterdag in Den Haag waar je met honderdduizenden demonstreerde tegen de kruisraketten.

Dat soort herinneringen, daar lenen zich geen Bach of Mozart voor, niet bij mij tenminste. Die leveren ook associaties, maar op de een of andere manier hebben die niet die intensiteit die popmuziek bij je oproept, terwijl het toch bijzonder aangenaam en vooral rustgevend kan zijn om daarnaar te luisteren. Alles op zijn tijd.

Nu zijn er ook lieden, die tot het hoogste cultureel erfgoed de muzikale oprispingen van bijvoorbeeld  Zanger Rinus rekenen, en die dan genieten van gruwelijkheden als “Met Romana op de scooter“. De herinneringen, voor zover je daar met dat soort klanken last van kunt hebben – beperken zich dan vermoedelijk tot – ik citeer even - “de bloedmooie Romana die met haar sensuele dans de show steelt. Onvergetelijk!” Vergeet vooral niet te kijken. Gezien het grote aantal PVV-stemmers moet een flink deel van de Nederlandse bevolking zich hier intens gelukkig bij voelen, hetgeen weer een hevig verlangen bij mij oproept om de rest van mijn leven bij de aboriginals en hun indringende muziek door te brengen.

Bach en Mozart beleef je vanuit je luie stoel, ( Bij zanger Rinus-liefhebbers is die denkelijk bekleed met hysterisch bloemmotief met schroeiplekken van ontelbare sigarettepeuken en van een automatisch opsta-mechanisme voorzien ) of beschaafd luisterend in een concertgebouw. Ze brengen je niet in een tijdmachine terug, waarbij je met gesloten ogen alles weer opnieuw beleeft waar je vroeger eigenlijk de tijd niet voor nam. Bij Bach en Mozart heb ik niet de neiging om stiekem, wanneer niemand dat ziet en er geen gezinsleden met zet-gelijk-op-You-Tube-mobieltjes in de buurt zijn, als een bezetene door de kamer te springen, playbackend met de afstandsbediening. Toch stiekum een popster, alle hopeloze verliefdheden uit de puberteit sublimerend. Muziek, de Top 2000, maakt je weer een beetje kind, of kinds, zo kritische lezertjes willen. Misschien heb ik die puberteit wel nooit afgeleerd eigenlijk. Deze week dus heerlijk zwelgen, en in het nieuwe jaar weer precies weten hoe je leerlingen zich voelen, wanneer ze met hun oordopjes wezenloos vergroeid lijken te zijn. Dat is toch wel een van de grote voordelen van het onderwijs: je blijft altijd een beetje in die sfeer, en je wordt er beslist niet ouder bij.

Straks om 12 uur dus Queen, niet mijn groep en niet mijn nummer. Ook geen herinneringen bij en dan blijft zo’n nummer een grof stuk steen, hoewel een ander daar weer een diamant in ziet. Dat is het aardige en het fascinerende van muziek. Nee, doe mij dan maar een flonkerend kristal als dit:

YouTube Preview Image

Share

 


Ouders ( en leerlingen ), we lusten je rauw!

Docent anno 2012

Docent anno 2012

Nu moet ik eerst iets vreselijks bekennen. Ik heb een leerling geslagen, erger nog, een meisje! Ik werd niet eens aangevallen, nou ja, niet fysiek dan, maar wel verbaal. Ik werd uitgemaakt voor rotte vis; een leerling uit IJmuiden, daar speelt zoiets geregeld. IJmuiden is een oord waar de bevolking gebukt gaat onder de grauwe smog van walmende hoogovens, waar uitgezakte moeders in peignoir in de grijze ochtend in het plantsoen naar hun krabbende en poepende honden staan te kijken. Het boze meisje ging meer en meer te keer, en u begrijpt wel, wanneer je als docent dan op zo’n manier voor de rest van de enthousiast genietende klas dreigt af te gaan, dan dien je je gezag te laten gelden, in mijn geval door een ouderwetsch degelijke oorvijg. Niet hard natuurlijk, ik schrok er zelf van, maar het effect was overdonderend. De klas doodstil en verbijsterd, de mond van de delinquent klapte dicht, de orde hersteld.

Het wachten is nu op de politie, want die komt tegenwoordig eerder dan de ouders. Vanavond ben ik denk ik wel in het nieuws, vol in beeld terwijl een arrestatieteam in vol ornaat het schoolplein oprijdt, onderweg enkele hekken plettend, onder het oog van de voltallige schoolbevolking die ademloos twitterend en bellend tegen de ramen staat geplakt, waarbij de lessen tot wanorde vervallen. Zware onderwijscrimineel opgepakt na aanvallen leerling.

Nu wacht ik echter al 33  jaar op dat arrestatieteam, want die tik deelde ik in 1978 uit op een school voor Lager Economisch en Administratief Onderwijs, een paar weken nadat ik daar als beginnend docentje mijn voorganger, die was weggepest, had opgevolgd voor de vakken tekenen, handvaardigheid, Nederlands, godsdienst en maatschappijleer. Godsdienst, dat was een bijbelverhaal vertellen, op het spannendste moment ophouden ( bewaren tot de volgende keer ) en dan het hele verhaal dicteren en uit het hoofd laten leren. Door 30 ademloos luisterende pubermeiden. Je diende toen, net als nu weer, van alle markten thuis te zijn, al loop je tegenwoordig als argeloze passant al het risico de school binnengetrokken en voor de klas gezet te worden, want bevoegdheden, dat is lastig, dan moet je met vaste aanstellingen gaan werken en je wilt als onderwijsmanager zo’n hinderlijk aanwezige leerkracht ook weer snel kunnen lozen wanneer het met de aanwas van stakeholders even wat minder gaat.
Slaan mag natuurlijk niet, toen ook niet, maar er kwamen op de toen nog ijverig bezochte ouderavonden toch geregeld ouders die zeiden van: “Goed zo meester, geeft ‘m maar een mep en dan kennie d’r van ons thuis ook nog eentje krijgen.” De schaarse onderwijsvacatures die nu nog een enkele maal in de krant staan, zullen meer en meer de kant op gaan van: “Gezocht: enthousiaste leerkracht, met hart voor onderwijs. Bevoegdheid niet nodig maar wel graag een zwarte band in ultimate cage-fighting”.  Dat zal die ouders leren. Het vervelende is, dat elke leerling tegenwoordig direct alle middelen heeft om moord en brand te schreeuwen en daar behalve de ouders, ook de hele wereld van kan laten meegenieten, en wel op het moment dat het delict nog aan de gang is.  Een docent die consequent en corrigerend optreedt, die bijvoorbeeld mobieltjes in de les verbiedt, ja, dat is eigenlijk maar een beetje een vervelende vent die de school een slechte naam en de directie een hoop zorg omtrent de concurrentiepositie in de slag om de leerling – lees: “om de centen” – oplevert. Je moet je als docent tegenwoordig opgewekt en blij voor alles laten uitmaken wat mooi en lelijk is, en daar vooral niets van zeggen, want dat kan zich tijdens je POP-, PAP- en PIP-gesprekken met je meerdere tegen je keren en dan kun je je promotie naar senior of excellente docent voor de rest van je schoolloopbaan wel vergeten.  Elke docent is tegenwoordig een aspirant filmster-tegen-wil-en-dank, want vóór je het weet, staat je optreden op YouTube, en dan meestal in de rol van slechterik. Regels zijn uit de mode, orde en gezag zijn vieze woorden, cijfers voor vlijt en gedrag zien we liever niet in iets wat vroeger rapport en nu portfolio heet. Het portfolio, een veredeld poëziealbum, waarvan de leerling bepaalt wat er in komt en niet meer de docent. ‘De leerling centraal’; het is een mooie kreet die het goed doet in wervingsfolders en open dagen. We doen alles om ze binnen te lokken. Meld je aan bij ons, en je krijgt een prepay mobieltje!

Het verbieden van het onnodig gebruik van het mobieltje tijdens de les geeft de leerling tijdens zijn aanval van woede of dwarsigheid de mogelijkheid eerst even tot tien te tellen ( dat moet nog nét kunnen ) voordat hij of zij tot ondoordachte acties als het bellen van agressieve ouders over gaat. In ziekenhuizen kun je op sommige afdelingen helemaal niet bellen door techinsche handigheidjes. Er is gewoon geen bereik voor wie daar geen toestemming voor heeft. Zou op school ook kunnen.

Misschien moeten we toch eens nadenken over een wervingsfolder met als juichende kreet: “De leraar centraal!”. En daar dan gelijk in schreeuwerige letters bij: “Bij ons zijn mobieltjes in de klas VERBODEN!!”. Je geeft er een duidelijk signaal mee af. Naar leerlingen, en vooral naar ouders. Laat beiden een contract ondertekenen waarbij voor die twee kreten nadrukkelijk getekend wordt. Wanneer dat op alle scholen gebeurt, hoeven directies ook niet bang te zijn dat de klant naar een andere concurrerende school overloopt.

De tik uit 1978 was mijn eerste en mijn laatste. Een beginnersfout, toen. Heeft goed geholpen trouwens, vertelde de leerling mij later tijdens een reünie. Nooit meer last van haar of haar klas gehad. Had zij toen een mobieltje gehad, dan had ik nu misschien een strafblad. Ik was soms wel een vreselijke man, toen. Orde: tijdens de tekenlessen hoorde je soms enkel het krassen van de pennetjes met Oostindische inkt. Achter mij was een grote zinken wasbak, en in mijn bureaula lag een ketting, die ik op gezette tijden heel zachtjes te voorschijn haalde en dan achteloos over mijn  schouder in die wasbak wierp. Dertig hartstilstanden in die klas. Probeer dat nu eens. Ze praten er nóg over, waneer ik ze nog wel eens spreek. Nog nooit zo’n lol gehad, meester!

“De leraar centraal!”: ik voorspel een grote aanwas van leerlingen.

Share

 


Bescheidenheid siert de mens

Het is vandaag de Dag van de Leraar, een dag na Dierendag en net zoals er ook een Dag van de Leerplicht is, een Dag van de Huismeester, een Dag van de Wol en – niet te vergeten – hier in dorpje B. op de Veluwe de Wereldeidagen, maar bij die laatste wil je niet wezen, gezien de enerverende activiteiten die daar ontwikkeld worden. Zo heeft elk mens, beest of produkt wel zijn eigen dag, en hebben we elke dag van het jaar iets lolligs te doen of iets naars te gedenken. De Dag van de Leraar wordt elk jaar toch wel grootser gevierd, en zelfs de TV heeft ons afgelopen maandagavond in het zonnetje gezet door ons tijdens de  Avond van het Onderwijs en plekje te gunnen. Op de andere zender was concurrentie van Fort Boyard, waarin bekende Nederlanders stompzinnige opdrachten moeten uitvoeren en zoiets trekt natuurlijk het grootste deel van bij onderwijs betrokken kijkers weg. Onze grootste doelgroep, de leerlingen, verpoosde vermoedelijk massaal bij Holland’s Nex Top Model of bij een film met de aansprekende titel “Runaway Vacation”. De achtergebleven diehards onder de ouders, docenten en deskundigen kregen een kommervolle voorstelling voorgeschoteld, waarbij de optredens van enkele leerlingen zelf nog een lichtpunt vormden.

Toch was er wel iets opmerkelijks te constateren, en dat betrof het gebruik en het nut van ICT. Daarover waren wat onderzoekjes gepleegd en werden ook enkele leerlingen bevraagd. Hieruit kwam een beeld naar voren wat een groot deel van de onderwijscomputernerds – en daar reken ik mijzelf ook toe – eigenlijk liever helemaal niet wil zien, en wat op Twitter -waar je ze toch allemaal vindt – tot opvallend weinig reacties leidde: het gros van de gebruikers is helemaal niet zo gecharmeerd van ICT als wij denken! Slechts een schamele 23 procent ziet in ICT de sleutel naar beter onderwijs  en een MBO-klas verkoos in koor het boek boven het internet. Dat is dus wel even schrikken voor ons voorlopers op ICT-gebied. Barre tijden van het krijtje en beduimelde boekjes liggen in het verschiet.

Zijn we dan zó verblind? Een beetje wel, denk ik. We bezoeken prachtige onderwijsbeurzen, waar de nieuwste ontwikkelingen op informaticagebied ons vanaf snelle touchscreens toelachen, we gebruiken de nieuwste stemkastjes, tablets, smartphones, we maken Wiki’s, Prezi’s en Slideshares. We hangen als docenten de halve dag verglaasd achter ons beeldscherm en kijken uit naar het volgende congres waar we – en dat is een beetje de kern denk ik – weer dezelfde dingen in iets nieuwere vorm, en dezelfde collega’s in iets oudere vorm aantreffen, en we praten over steeds dezelfde dingen als mobieltjes en educatieve software in de klas. We zijn  een behoorlijk groepje selecte nerds aan het worden, een behoorlijk incrowd met een hoog ons-kent-ons-gehalte in ons veilige kringetje, dat we op Twitter ook weer terugvinden: dezelfde volgers en gevolgden twitteren over dezelfde onderwerpen.

We kunnen het maar nauwelijks bevatten dat er collega’s, ouders en leerlingen bestaan die heel anders tegen al onze mooie speeltjes en ideeën aankijken dan wij. Dat zij niet denken zoals wij dat doen. Dat zij niet door beeldschermen verblind zijn zoals wij dat zijn. Dat zij bijna in een andere realiteit leven dan wij. Offline. Hoe vreselijk, hoe onbegrijpelijk.   Natuurlijk, waar wij op kicken en waar wij van genieten biedt ongekende kansen en mogelijkheden voor het onderwijs. Maar ja, door ons enthousiasme vergeten we wel eens dat er ook nog eens een behoorlijk kostenplaatje aan hangt, dat er soms totaal nieuwe dingen aangeleerd moeten worden, dat er op onbegrijpelijke knopjes geklikt moet worden en dat er  meer is dan de wereld van Social Media, waar wij ook in onze vrije tijd  heel wat uurtjes doorbrengen om vaak nog meer onze honger naar ICT te bevredigen.

Een school volstoppen met materiaal en daar enthousiast naar wijzen en zeggen hoe eenvoudig het allemaal is gaat dus niet werken. Misschien moeten we eens even tot bezinning komen, en eens kijken hoe we wat bescheidener de wondere wereld van ICT aan de man kunnen brengen. Niet elke digibeet is een inboorling die verblind door hightech spiegeltjes en kraaltjes de digitale zendeling en diens geloof omarmt.

Share

 


Lost in space…school zonder internet.


Het is een zonnige dag, leerlingen braaf aan het werk in de electronische leeromgeving, want een beetje school kan niet meer zonder en de docent kan op die momenten even amechtig onderuit hangend de beurskoersen of vakantieveilingen.nl doornemen, waarbij hij of zij er wèl op moet letten dat de beamer niet aan staat. Het is niet de eerste keer dat een collega in den lande werd geschorst vanwege niet-lesgerelateerde activiteiten op internet, en dan ook nog ten aanschouwe van een groep ineens ernstig geïnteresseerde pubers.

Gescheld en getier in de klas. De ELO ligt er uit. Daar gaat je zorgvuldig voorbereide les. Zoeken op twitter levert een ware kanonnade op van radeloze scholieren, een enkele ontheemde en ontredderde docent en pas later ook wat mededelingen van de fabrikant zelf. Ik citeer even ene @Mirpiee, die roept: “Aaaaah ITSLEARNING DOET HET NIET!!! Ik space ‘m zo hard hier he”.
Een ander, reeds het kookpunt genaderd ( ik zal de vloeken en de schuttingtaal even door sterretjes vervangen ): “G*D, K*T ITSLEARNING! Ik moet een verslag maken , moet duits leren en nog NA leren! En nu doe je het niet? ! F**K YOU!!!”.
Of: “Shiiiit, itslearning doet k*t en ik moet die ckvpoep nog inleveren!!!”  en : “tering itslearning als ik hem te laat inleveren heb ik een 1″.
Gelukkig zien sommigen ook de zonnige kant van een leven zonder internet: “Itlearning doet het niet….chill! :-)

Tja, wat moet je als vooruitstrevende Onderwijs 2.0-school nog zonder internet? Docenten zitten verweesd achter hun gestorven laptopjes, leerlingen hangen lui en “chill” achterover of grijpen radeloos en vloekend naar de Ritalin. De geoliede machine is krakend tot stilstand gekomen, men stroomt het pand uit, genietend van het prachtige nazomerweer wat zo verpest werd door het feit dat je achter zo’n stom beeldscherm een beetje opdrachten voor een stom ckv-poepvak moest maken, bedacht door zo’n moderne computernerd-docent die zelf niet eens een eigen Hyves of Facebook-profiel heeft.
Onderwijs 2.0 is voor de doorsnee-leerling vaak niet meer dan rondneuzen op Facebook, chatten op MSN, je verslag vullen met Google en je opdrachten inleveren via de ELO. Werkt één van die dingen niet, dan volgt totale ontreddering. We zijn offline.

Daar schuilt hem gelijk het gevaar van het o zo prachtige en verleidelijke intertnet: dat je je als school er te veel van afhankelijk maakt, dat je soms vergeet dat je ook nog met een krijtje op een ouderwetsch degelijk donkergroen schoolbord kunt schrijven, en dat je voor de afwisseling eens met een stapel nakijkschriftjes in je tas naar huis fietst. Je wordt ‘s avonds niet gestoord door mailtjes, bliepjes, je hoeft niet elk lesuur een vaak krakkemikkig werkend absentieregistratie-systeem bij te houden, je loopt niet met schele hoofdpijn van het in verkeerde houding turen naar je laptop door het pand en je hoeft je niet te storen aan Powerpoint-presentatie nummer zoveel waar je duizelig wordt van de op het scherm rondstuiterende teksten, plaatjes en geluidjes die de maker in zijn enthousiasme voor al dat moois wat dit programma biedt, heeft toegepast. “Killed by powerpoint” is een gevleugelde kreet bij de Amerikaanse troepen in Afghanistan.

Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd van griffels en leien, naar wolken krijtstof en grauwe docenten die met een afgebeten potloodje stapels volgekladderd proefwerkpapier doorworstelen. Onderwijs 2.0 is een zegen en biedt ongekende mogelijkheden. Ik kan niet wachten tot alle lokalen vol staan met touchscreens, webcams, tablets, en wat er meer voor prachtigs op de markt is. Zolang het ‘blieb”zegt en licht geeft, blijkt het voor leerlingen op de een of andere manier soms een stuk boeiender dan alle ouderwetse lesmethodes en docenten bij elkaar. Wel hard en onverbiddelijk trouwens, dat digitale lesgeven: “wanneer ik ‘m niet inlever heb ik een 1″.

Onderwijs 2.0  is prachtig, fantastisch! Zo lang we maar niet verleren om terug te vallen op beproefde middelen wanneer we eens een keertje digitaal offline zijn.In dat soort situaties bewijst zich de professionele schoolorganisatie.

Share

 


Ouderavond

‘t Is ouderavond. De school vult zich al ruim voor tijd met vaders en moeders, die allemaal wat onwennig aan hun bekertje koffie nippen en nu eindelijk de omgeving te zien krijgen waarover zoon- of dochterlief meestal niet anders weet te reageren dan met “O, wel goed, niks bijzonders gedaan!” wanneer gevraagd wordt wat er vandaag allemaal op school is gebeurd. Ik spreek nu over pubers, die op die leeftijd nu eenmaal altijd A moet zeggen als de ouders B beweren.  Aan de andere kant zijn ze de volgende ochtend allemaal wel weer vreselijk nieuwsgierig naar wat de leraar “over mij te zeuren had”. En als je ze dan een pluimpje geeft, dan zwellen ze van trots. Het blijven kinderen, tenslotte. Die ouders eigenlijk ook wel een beetje. Ook hier zijn er die te laat komen, gedoemd tot ongemakkelijke bankjes aan de zijkant, want de zaal is mudvol. Men heeft gelukkig nog interesse in wat het kind te wachten staat, ook al is het maar aan het begin van de schoolloopbaan dat je ze allemaal zo bij elkaar hebt. De volgende keer dat de zaal weer zo vol zit, zal zijn bij de diploma-uitreiking, over een aantal jaren, met daartussen nog wat tien-minutengesprekken, zo hoop je.

De docenten staan langs de zijkant van de aula, zien de volle zaal, lichting nummer zoveel van de vele die zijn gepasseerd, en zoeken naar gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. “Ah, dat is vast de vader van Pietje, en die mevrouw zit er net zo bij als haar dochter. De directie spreekt. Het gaat over missie, visie, plannen, de onderwijsinspectie. De aanwezigen laten alles gelaten over zich heen komen. Stapels vaktermen, exameneisen, normeringen; het is lang geleden.

Heel braaf loopt men na de algemene toespraak met de mentoren mee naar de lokalen, en neemt afwachtend plaats achter de tafeltjes. Het is buiten al donker, de beamer zoemt, en bijna wordt het knus. Ouderavonden hebben altijd iets rustgevends vind ik. Zeker de individuele gesprekken, in de stilte van het bijna verlaten schoolgebouw, de leerruis verstorven, de boel aan kant, waar je hoort van huiselijke narigheid, echtscheiding, onhandelbare pubers, en gelukkig ook van ideale gezinnen vol pais en vree, die helaas steeds meer een zeldzaamheid beginnen te worden.
Dit keer heb ik ze allemaal. Een klas vol, dertig stuks zijn er op komen dagen, je geeft ze allemaal een hand. Je bent ineens weer een beetje de Meester. Soms zegt een leerling dat nog tegen je: “Meester!” en heel soms, waar ze dan gelijk van schrikken: “Papa!”. Ze voelen zich dan blijkbaar thuis. Da’s het belangrijkste, de rest komt vanzelf.
Die school moet een veilige plek zijn, een plek waar je alle leerlingen dat kunt bieden wat ze nodig hebben, of ze nou lijden aan ADHD, PDD-NOS, Asperger, dyslexie,dyscalculie,schizofrenie,Borderline, zelfmutilatie, NLD of noem maar op lijden, of dat ze doodnormaal of juist hoogbegaafd zijn: je krijgt ze allemaal bij elkaar en je dient er wat van te maken. De ouders zien soms net zuilke beren en bergen als hun kinderen. Wat gaat er allemaal gebeuren, gaat mijn kind straks wéér gepest worden, krijgt mijn kind wel de juiste aandacht, op de specifieke manier die bij zijn of haar stoornis hoort?  Je probeert een sfeer te creëren die je ook in de les hebt. Gezellig, een grap en toch aandacht.

Het gaat over mobieltjes. We moeten ons kind toch bereiken meneer. De herkenning wanneer het gaat over het eindeloze getuur op dat kreng tijdens de maaltijd. Eeuwig met dat mobieltje in de weer. Het gaat over huiswerk: er staat nooit niks meer wat in hun agenda meneer, hoe kan dat nu. Het gaat over reizen: mijn dochter moet al om vijf uur op voor die-en-die les. Over schoolfeesten: ik heb gehoord dat daar nogal gedronken wordt, houden jullie dat een beetje in de gaten. Worden er bij jullie ook drugs gebruikt. Hoe zit het met het pesten. Kunnen wij ook een bericht krijgen telkens wanneer er huiswerk wordt opgegeven. Die schoolboeken zijn zo duur, wat als ze nog geen boeken hebben. Moeten ze persé mee naar Barcelona, mogen ze op buitenlandstage als ze 15 zijn.

Grote zorgen, enorme zorgen, en voor iedereen terecht. Ouders geven tenslotte hun kostbaarste bezit in jouw handen. “U mag mij bellen als er problemen thuis met uw kind zijn”. Hilariteit alom. Dat moet ik dus even nuanceren, want voordat je het weet staat de hele week de telefoon roodgloeiend. Na afloop , om tien uur, de tijd vliegt, blijft er nog iemand dralen. Dan weet je: daar komt een groter thuisprobleem dan alle andere die je vanavond gehoord hebt. En ja, je hoort van plotseling geconstateerde kanker bij een ouder, een zware operatie in het verschiet met ongewisse afloop, en of we alsjeblieft rekening willen houden met het kind waarvan jij de mentor bent. Dat kind wat thuis al een paar weken zo vreselijk veel heeft gehuild en wat op school stoer en ogenschijnlijk onaangedaan door de gangen liep, waar het dolgraag thuis bij de zieke op schoot zou kruipen en roepen van “laat me nu niet in de steek, ik zit hier net op school en ik wil zo graag dat je weet hoe ik het hier doe”.

Het hoort er allemaal bij. School, een maatschappijtje in het klein, waar onze toekomstige bloem der natie wordt klaargestoomd voor de grote wereld straks. Een zwaar beroep, maar die leerlingen zelf, die willen allemaal wel. Er zitten etterbakken tussen, dictators, onderdrukte volkeren, politici, bankiers, minder bedeelden, criminelen, brave burgers, sporters en wereldverbeteraars. En het is heerlijk om daar samen met die ouders aan te schaven en te vormen. Dat er nog maar vele ouderavonden mogen komen.

YouTube Preview Image

Share

 


Tel soms uw zegeningen ( van de ICT )

Een beetje school kan in deze barre tijden niet meer zonder overvloedig gebruik van ICT. De argeloze bezoeker die langs de diverse docentenwerkplekken – meestal gekenmerkt door chaotische bergen correctie- en registratieformulieren, oekazes uit Den Haag, stapels onderwijsvernieuwingen, een sanseveria op sterven, rondslingerende kartonnen koffiebekertjes, een kapstok met wat groezelige kleding, een bureau bezaaid met gummetjes, paperclips, afgepakte rommel, een stapeltje boterhammen in een plastic zakje, een merkstift die niet meer schrijft, een beduimelde CAO, een potje witsel, veertjes uit de balpen en een blokje Post It – wandelt, ontwaart daar de bewoner in slechtzittende houding achter een reutelende desktop-pc of een wat aftandse laptop, moedeloos starend naar Nu.nl, Vakantieveilingen.nl of een teletekstpagina met de aandelenkoersen. Soms ziet men op het beeldscherm ook een grote variëteit aan roosterprogramma’s, abesentieregistratieprogramma’s, leerlingvolgsystemen, elektronische leeromgevingen, schoolwebsites of andere didactisch verantwoorde applicaties, die er allemaal op gemaakt lijken te zijn om totaal niet, of op zijn minst slecht samen te werken.
Amechtig hollen lieden met verstand van de technische kant van ICT door het pand om hulpeloze gebruikers weer op de digitale snelweg te zetten, een snelweg vol files, opbrekingen en wegversmallingen, die gevuld lijken te zijn met rollators, scootmobielen, autowrakken en spookrijders.Wanneer we de vergelijking met auto’s nog even voortzetten,  worden scholen voortdurend gelokt door de ene na de andere autoshow, waar wulps geklede dames kronkelend over de motorkap van de nieuwste types de gapende toeschouwers kirrend uitnodigen om toch vooral niet achter te blijven met de aanschaf van een nieuw model. Het mag, het moet wat kosten.

Nu wordt er in onderwijsland nogal stevig bezuinigd, wat zich onder andere vertaalt in het massaal wegsturen van docenten, grotere klassen, gevuld met lastiger leerlingen en ook op ict-gebied vallen steeds grotere klappen. We moeten het dus steeds vaker met opgelapte Trabantjes doen.

Ook mijn eigen eerbiedwaardige college ontkomt niet aan het bezuinigingsspook. Waar vroeger een uitleenbalie was voor laptops, u weet wel, die onhandige dingen uit de tijd dat er nog geen tablets waren, is deze balie nu gesloten en vervangen door drie kasten gevuld met wat versteende apparatuur. Elke afdeling heeft zijn eigen kast, die voorzien is van wieltjes en een stevig slot. De sleutel te bevragen bij uw teamleider of bij die-en-die, zo heeft het management in zijn onuitsprekelijke wijsheid besloten.
Maar ja, hoe gaat zoiets. Je kunt geen duur lesboek meer openslaan zonder dat daarin verwezen wordt naar een bijbehorend duur computerprogramma waar de leerling met wéér een andere gebruikersnaam en wéér een ander wachtwoord moet inloggen, en wie als school in de vaart der volkeren wil meegaan, dient eigenlijk het gehele pand vol te stouwen met computerapparatuur.
Tien collega’s – ingeroosterd in lokalen zonder ict-voorzieningen –  slaan dus op het zelfde moment hun dure lesboeken open en worden daar onverbiddelijk gewezen op het noodzakelijke computergebruik. Er ontstaat een wedren in de gangen op zoek naar kasten en sleutels bij teamleiders of personen die-en-die, en die zijn op dat moment natuurlijk in vergadering of niet aanwezig. Ook blijkt de sleutel van de lift niet aanwezig te zijn, en wanneer alles toch nog mocht meezitten, blijken de laptops al in andere klassen te zijn uitgeleend, of is de accu leeg, of heeft een humoristisch type ijverig alle toetsjes een andere plek op het toetsenbord gegeven tijdens een saaie les Nederlands. Het kan natuurlijk ook zijn dat de laptopkast – vanwege de hinderlijk aanwezige wieltjes – volkomen in het luchtledige is opgelost.

Tegen de tijd dat iedereen van de schrik bekomen is, de computers eindelijk zijn opgestart en iedereen zijn of haar kwijtgeraakte of vergeten inloggegevens ( daar zijn ze wanneer dat zo uitkomt heel sterk in ) weer bij elkaar gesprokkeld heeft, kun je langzamerhand weer beginnen met afmelden omdat de les bijna voorbij is en er weer andere klassen en collega’s vol ongeduld staan te trappelen vcoor een herhaling van deze cyclus.

De lesgevende docent hangt tegen die tijd aan de zuurstof en dient zichzelf nog maar eens een flinke shot heroïne toe, vertwijfeld zoekend naar een moker of een kettingzaag om schuimbekkend de apparatuur te lijf te gaan of in machteloze woede stukken uit het tapijt te bijten ( Hitler deed dat tenslotte ook ) .

Wij als fanatieke ICT-voorhoedelopers willen in ons enthousiasme nog wel eens vergeten dat een flinke groep docenten iets minder warme gevoelens voor de zegeningen van de ICT kan opbrengen, en dat veel dingen – ook voor onze leerlingen! – lang niet zo vanzelfsprekend en fijn werkend zijn als wij denken. Moet er dan toch bezuinigd worden, gooi dan als eerste al die computers en laptops de school uit, ook die kasten, en laat leerlingen zelf een tablet ( geen toetsjes meer om te verwisselen!) of iets kleins en lichts aanschaffen, en zet al je lesmateriaal en leerboeken op het netwerk.  Geef de docent ook zo’n mooie iPad of Galaxy Tablet – met een mooi rustgevend en hypnotiserend achtergrondje – en de hele schoolbevolking schrijdt met een hemelse blik door het pand, niet meer gehinderd door zware tassen gevuld met boeken en andere ballast.

Tot slot: u bent niet de enige bij wie de ICT niet altijd mee werkt. Als alles werkt is het leuk, zaligmakend, uitdagend ( beetje eng woord ) en kan het behoorlijk toegevoegde waarde hebben aan ons kommervol onderwijskundig bestaan. Maar zaligmakend is het niet, en het mag ook niet te veel kosten. Letterlijk en figuurlijk.

YouTube Preview Image

 

Share

 


Per seconde dommer

Al ongeveer sinds het ontstaan der mensheid draait op de televisie, het medium wat zoveel weldaad maar in toenemende mate zoveel treurigheid over ons uitstort, de quiz “Per seconde wijzer”.  Een intelligent programma met lastige vragen, en de allerlastigste kunnen worden opgezocht. Vroegâh in een degelijke encyclopedie, tegenwoordig natuurlijk vooral op Google. Daarna klinkt het belletje: gevonden! Een prijs van een paar duizend euro als beloning. Daar trek je geen miljoenen kijkers meer mee, want we willen tegenwoordig weer brood ende spelen, zoiets doet het beter bij de massa, die steeds meer massa begint te worden.

Google is stukken van onze hersenen aan het vervangen. We zoeken pas iets op op het moment dat we het nodig hebben, en dan luiden we het belletje. Daarna slaan we die gevonden informatie niet meer op, maar drukken gewoon weer op delete. Tijd is geld. Stop een doorsnee student in Maastricht in een auto, en geef hem opdracht om naar Groningen te rijden. Wanneer de Tomtom ( een nieuw zelfstandig naamwoord ) uitvalt, zal hij of zij mogelijk eindigen in Parijs. Met het uitvallen van de nieuwe media valt onze hersencapaciteit uit. Wanneer Facebook of Hyves door een storing plat liggen, zijn we 500 of meer vrienden kwijt. Eenzaam en verloren. Wat nu?

De mens stamt af van de aap tot de Neanderthaler, of van Adam en Eva, of welke religie of overtuiging wij maar aanhangen, en evolueert in een opgaande lijn qua lengte en kennis. Die kennis krijgen wij op allerlei manieren aangeboden. Een puber krijgt nu op één dag meer informatie te verwerken dan een Middeleeuwer gedurende zijn hele leven; zoiets kan natuurlijk niet altijd goed gaan. Plaats een kind in een kamer tot aan de nok toe gevuld met snoep en het eet zich ongetwijfeld misselijk. Ga je gang. Eet maar, vreet maar. En dat doen we dus ook. De maatschappij is de kamer, wij zijn de kinderen, en het snoep is de wereld om ons heen. Wij graaien zoveel mogelijk bij elkaar, proppen het in onze zakken, rukken verpakkingen half open, nemen overal een hap van en smijten de rest weg, want er is zoveel meer. Wat we niet lusten, spugen we uit. Meer, meer, steeds groter, steeds extremer, want niet genoeg. De kater komt morgen.

Grenzen dienen overschreden te worden, want anders worden we belemmerd in onze ontwikkeling. Regels, dat is iets voor oude mensen. Alles mag, alles kan, alles móet kunnen. Grenzen verleggen. Kennis vergroten.  We kijken met honderdduizenden naar talentenjachten waarin men kok, zanger of musicalster gaat worden. We genieten via infrarood van een programma waarin wildvreemden in een stikdonkere kamer aan elkaar gaan graaien om vervolgens een stel voor het leven te vormen. We schateren mee om puistige pubers, die door een “vakkundige jury” waarin lieden als Gordon zitten, tot de grond toe worden afgefakkeld omdat ze hun uiterlijk en mimiek nog niet mee hebben. Gaat het slachtoffer in kwestie vervolgens publiekelijk zijn beklag doen, dan wacht hem een boete van John de Mol.  We juichen wanneer kandidaten om een geldprijs levende maden verorberen of een wildvreemde een minuut lang vol in de mond zoenen terwijl die een groot stuk schuurpapier aan het gezicht bevestigd heeft.

We gaan de weg op met een honkbalknuppel, een riek of een pistool op de achterbank, en we gaan vól op de rem wanneer een ander te dicht achter ons zit of wanneer we een kist met geld over het asfalt zien waaien. Kwetsen is de nieuwe norm, het korte lontje vormt het nieuwe karakter. We graaien waar we kunnen: op Google, bij elkaar, van elkaar , uit de geldpot, in de kamer gevuld met snoep. Zo zappen we onze dagen door.

In de Volkskrant stond vandaag een artikel over iemand die een nieuwe draai aan zijn carrière had gegeven door loopbaancoach te worden. Nu was ik in mijn huidige werkkring een tijdje ICT-coach, en dat stond ook op mijn twitter-account vermeld. Prompt werd ik gevolgd door een leger coaches, die blijkbaar allemaal hoopten een draai aan mijn loopbaan te geven of een collega te treffen. De nood in coach-land moet hoog zijn. In het boekje “Bullshit Management” las ik dat de ene heft van Nederland door de andere helft van Nederland wordt geadviseerd hoe zich te gedragen, voor een flink honorarium uiteraard.

De loopbaancoach in kwestie organiseert nu “bezinningsreizen” voor mensen ( managers ) die geen voldoening meer vinden in hun werk. Deze slachtoffers kunnen een 9-daagse reis boeken naar Ethiopië, a raison van maar liefst 3000 euro. Doel is om daar tot verhelderende inzichten te komen, te relativeren en – eenmaal thuisgekomen – mogelijk alle luxe overboord te gooien of juist nog meer luxe aan te schaffen, alles in elk geval met nieuw elan.

Negen dagen, 3000 euro, daar kun je jezelf toch goed van fêteren, zeker in een land als Ethiopië, waar het grootste deel van de bevolking ver onder de armoedegrens leeft. De loopbaancoach verdedigt zijn business door te stellen dat men niet naar zielige en arme mensen gaat kijken, maar dat men wel leert dat je ook met minder tevreden kunt zijn. Nu weet ik nog wel meer mensen die aan bezinning toe zijn, maar gezien hun financiële positie zal dat vermoedelijk bij een weekendje op de camping in Bakkum blijven.  Die vormen voor de loopbaancoaches natuurlijk geen interessante -lees lucratieve- markt.

Misschien moeten we allemaal maar eens een tijdje op bezinning, gewoon bij onszelf, in de achtertuin of op het balkon. Even de tijd stop zetten in de Per seconde wijzer quiz.  Echt eens even na gaan denken. Over waar we mee bezig zijn. Ons onderwijs bijvoorbeeld. Men zoekt voortdurend naar nieuwe uitdagingen, naar vernieuwingen, verbeteringen. Ik sprak laatst een collega Nederlands in den lande die notulen van een teamvergadering gevonden had. In anderhalf kantje stonden 52 taalfouten…
Onze regering maakt zich zorgen over de kwaliteit van ons onderwijs, de peiler waar onze maatschappij op rust. Het niveau van Nederlands en rekenen moet dringend omhoog. Kwalificerende toetsen op de computer. Zo stond ik dus in het onlangs weer begonnen schooljaar met een klas van 33 MBO-pubers in een ruimte waar 17 stokoude pc’s en tafeltjes gereed stonden. Geen bord, geen bureau. Ernstig verlangend naar een luchtverversingssysteem waarin ook een Ritalin-vernevelaar was geïntegreerd. Ik neem het mijn school niet kwalijk, want tegelijk met de kwaliteitsverbetering moet er in het onderwijs ook bezuinigd worden, en bijvoorbeeld de aanschaf van de JSF’s, de steun van de grote banken en bedrijven moet toch ergens uit bekostigd worden. Dus halen we dat geld weg bij onderwijs, chronisch zieken, bij zorg, bij cultuur en bij minder draagkrachtigen, bij hen bij wie een staking geen economisch effect heeft. In het onderwijs wordt niet gestaakt, in de zorg niet, en mensen zonder baan of in de WAO en AOW staken ook niet.

We voeren mensen als Wilders en bieden de ontevredenheid, het korte lontje, het kwetsen als norm, de totale geestelijke en intellectuele armoede en daardoor de tweedeling in de wereld een steeds breder platform.

We worden per seconde dommer, lijkt het wel. “Dat is typisch een opmerking voor een ouwe lul”, zullen sommigen denken. En wanneer ik het had gehad over een “oude penis” was ik helemaal voor gek versleten. Wie zegt nou zoiets. Dat hoort niet, in deze tijd.

Per seconde dommer. Dat is natuurlijk niet zo. Die hersencapaciteit wordt echt niet minder. We zetten hem alleen verkeerd in. En dat levert foute antwoorden op. Dat kost ons de overwinning. Wat meer tijd nemen dus, weer eens even goed nadenken over onze antwoorden op de volgende lastige vraag in Per Seconde Wijzer: “Komt het allemaal nog goed?”

 

Share

 


Lesgeven anno 2011

De onderwijsgemoederen in de media zijn afgelopen week weer danig verhit, onder andere door diverse nieuwe plannen -waarbij de bedenkers op voorhand niet meer over “Vernieuwing” durven te spreken-  en een ingezonden  stuk van collega Anneke Wijma in de Volkskrant, met als titel: “Je moet wel gek zijn om in het voortgezet onderwijs te werken”. Geheel in stijl met de moderne “student” jat ik het even integraal over en plaats ik het hier in dit blogje. Voor hen die nieuwsgierig zijn naar alle reacties: hier is het ook nog eens te lezen, mèt reacties, maar doe dat straks even, want anders komt u hier niet meer terug en dat is ook zo wat.  Verderop in mijn verhaaltje nog wat meer plagiaat trouwens, moet allemaal kunnen tegenwoordig.

Het stuk in kwestie:

U werkt met dertig mensen in een ruimte van amper 10 bij 10 vierkante meter. Zonder adequate zonwering of ventilatie. Onderzoek heeft uitgewezen dat de lucht in uw werkruimte een ongezond gehalte aan micro-organismen, allergenen en fijnstof bevat. U hebt geen eigen bureau of kast en geen eigen computer. In de pauzes probeert u enige tijd vrij te maken om met uw collega’s op een kluitje in de personeelsruimte uw boterhammen weg te werken. De meest uitdagende decoratie in deze ruimte is het prikbord. De theeglazen hebben minstens tienduizend maal het vaatwasprogramma doorlopen en de lepeltjes zijn zo dof als uw beroepsomgeving zelf.

Zuinigheid
Als u dit herkent, is de kans zeer groot, ja is het vrijwel zeker dat u docent bent aan een instelling voor voortgezet onderwijs. Uw salaris ligt ruim onder dat van een vergelijkbare positie in het bedrijfsleven. Het begrip bonus is u onbekend. Zuinigheid is het credo in uw beroep. U leeft immers van belastinggeld. Dat wordt u bij herhaling op niet mis te verstane wijze ingepeperd. Het mooie van uw beroep, de zomervakantie, wordt u maatschappijbreed misgund. Hoewel u die vakantie al dubbel en dwars door uw lage salaris heeft vereffend.

U hebt nauwelijks carrièremogelijkheden. Uw beroep heeft weinig maatschappelijke status. Uw directie vraagt daarentegen veel van u. Termen als commitment, empathie, differentiatie en competentie vliegen u om de oren. U moet handelingsplannen schrijven, leerlinginformatieformulieren invullen en u suf vergaderen in kernteams, vakgroepen, werkgroepen, zorggroepen en noem-maar-opgroepen. En u weet dat het geld- en tijdverspilling is.

De middelen om problemen adequaat op te lossen ontbreken immers, dus worden de belangrijke agendapunten hardnekkig doorgeschoven naar een volgende bijeenkomst. De schoolleiding trekt zich met regelmaat terug voor brainstormsessies in comfortabele onderkomens. Daar komen dan de meest ondoordachte ideetjes vandaan die u vervolgens zonder enige facilitering mag uitvoeren. En waar u, ja u alleen, op afgerekend wordt. Dit alles moet de indruk wekken dat bestuur, directie en teamleiders ernst maken met de kwaliteit van de school. Het is echter slechts papier, nodig voor het bezoek van de inspectie en nuttig voor het cv en persoonlijk ontwikkelingsplan van uw leidinggevenden.

Universitair
In de toekomst mag u alleen nog lesgeven met een masterdiploma. Het is de nieuwste oplossing die voor het onderwijsprobleem in Nederland bedacht is. Welke onderbouwing ervoor is, Joost mag het weten. Wellicht zal een universitair opgeleide zich beter staande weten te houden in een omgeving waarin hij dagelijks geconfronteerd wordt met adhd, add, dyslexie, dyscalculie, asperger, pdd-nos, autisme en faalangst. Met slachtoffers van ruziënde ouders, ziekten, mishandeling en pesten.

Wellicht is het geen kapitaalvernietiging als een jonge academicus zich met zijn dure, door de belastingbetaler gefinancierde opleiding opsluit binnen de muren van een schoolgebouw, zonder wetenschappelijke uitdaging, zonder toekomstperspectief en zonder maatschappelijk respect voor zijn functie.

De ene na de andere onderwijsvernieuwing krijgt u voor de kiezen. Tweede Fase, basisvorming, vmbo, competentiegericht leren, het nieuwe leren, het actieve leren, het interactieve leren, het studiehuis. Het ‘Beter presteren’ mag u binnenkort gaan uitvoeren. De jongens- en meisjesklassen liggen op de loer. Onderwijsgoeroes schrijven voor elke vernieuwing duizenden pagina’s vol over het grote belang van hun eigen visie, hun eigen ideale toekomstbeeldje.

Onderwijsadviesbureaus overspoelen u met pedagogische en psychologische testen. Wetenschappelijk onderbouwde onderzoeken laten al deze lieden echter nooit zien. Recente onderzoeken naar de ontwikkeling van het puberbrein willen zij niet kennen.

Tegenargument
In onderwijsland gaat het er immers enkel om zo fanatiek mogelijk een mening uit te dragen, geen tegenargument te dulden en je opponent weg te honen. ‘Wie niet voor mij is, is tegen de leerling’, lijkt hun adagium te zijn. Het veld mort en slikt. U, die kinderen moet leren mondig te zijn, mag uw mond niet opendoen. U, die leerlingen vol idealisme voorhoudt niet in hokjes te denken, wordt bij uw eigen voorzichtige tegenargumenten zonder pardon in het hok van de vastgeroeste, non-coöperatieve mopperkont geworpen.

Hopelijk hebt u van uw vakantie genoten. Hebt u zin om weer aan de slag te gaan met die klassen van dertig opgroeiende jongeren. Die zo onweerstaanbaar lief zijn en u tegelijkertijd het bloed onder de nagels vandaan kunnen halen. Hopelijk mag u nog lesgeven en bent u niet gedegradeerd tot opzichter in de computerruimte, waar uw leerlingen hun kennis van internet halen. Hopelijk weet u hen uit te dagen tot topprestaties, weet u hen de tranen uit hun ogen te laten lachen om aan het eind van uw lesdag met een goed gevoel en een tas vol nakijkwerk naar huis te gaan. Een goed schooljaar gewenst!

Anneke Wijma

Wijma wordt nogal aangevallen. Het stukje hiernaast is een afdruk van een ingezonden brief van iemand uit Amsterdam naar aanleiding van haar betoog, waarin ons als docenten weer verweten wordt in onze klagerige slachtofferrol te kruipen en likkebaardend vanuit de luie stoel naar het bedrijfsleven te loensen.

In de eerste zin staat echter m.i. gelijk een cruciale fout: niet de leraren, de beroepsbeoefenaars, maken hun beroep met de grond gelijk, maar juist zij die vanuit hun eigen optiek, vèr verheven boven en verwijderd van de werkvloer, telkens weer menen te moeten bepalen hoe er op die werkvloer gewerkt moet worden. Ik doel hier op grote aantallen onderwijsadviesbureau’s die voor astronomische bedragen geld wegzuigen, geld wat voor eigenlijk onderwijs bedoeld zou moeten zijn. Ik doel op ministers en hun ambtenaren in Den Haag, wiens enige drijfveer het bezuinigen on onderwijskosten is.
Alsof je de fundamenten van je woonhuis probeert te vervangen door papier-maché, omdat dat voordeliger is. Ik doel helaas ook op sommige geledingen binnen het management van scholen, een management wat steeds meer de proporties van een waterhoofd aanneemt en niet gehinderd door enig inlevingsgevoel de ene na de andere onderwijsvernieuwing of bezuiniging doorvoert, om zo de inspectie maar tevreden te stellen met overtuigende cijfertjes. Goede uitzonderingen natuurlijk daar gelaten. De docent, èn de leerling, zijn op veel scholen verworden tot cijfertjes, die een kloppende som moeten opleveren. Alleen dát resultaat lijkt te tellen.

De briefschrijver hiernaast zou juist verwonderd moeten zijn over het feit dat wij docenten ondanks alles toch maar doorgaan, ook al hebben wij nog zo veel ( al dan niet terecht ) te klagen. Wij stellen namelijk altijd nog ons beroep centraal, en dat is het overbrengen van kennis aan jonge mensen die nodig hebben. Wáár in het bedrijfsleven draait men zoveel onbetaalde overuren? Als elke docent zijn extra uren, ook in de steeds korter wordende vakanties zou declareren, dan zou de firma onderwijs binnen no time failliet zijn. Ze klagen ook ja, maar daar blijft het eigenlijk wel bij. Ze mopperen nauwelijks over hun salaris. . Ze zeuren niet over het feit dat ze dat bedrag grotendeels op moeten souperen wanneer ze- uitsluitend in het hoogseizoen tegen exorbitante prijzen op vakantie kunnen, waar iemand in het bedrijfsleven op elke ander moment dat voor een fractie van het bedrag zou kunnen doen. Ze laten zich meewarig uitlachen op feesten en partijen. Alle onderwijsveranderingen door de jaren heen hebben ze uiteindelijk, al dan niet met frisse tegenzin, opgepakt en geprobeerd er het beste van te maken om zo de leerlingen zo effectief mogelijk van dienst te kunnen zijn. Ze vullen braaf hun 360 graden-feedbackformulieren in, hun POP-gepsprekken, hun PAP-gesprekken. Vaak tegen beter weten in. Kom daar elders eens om.

Docenten zijn eigenlijk een heel volgzaam volkje, idealer personeel zou je je als werkgever niet kunnen wensen. Ze staken nooit, ze willen de leerlingen nooit de dupe laten worden, en ze voelen zich in het algemeen innig tevreden wanneer ze zich eenmaal met de kern van hun beroep, het lesgeven, kunnen bezighouden. Voor en in de klas hebben ze plezier in hun werk. Werk dat bijvoorbeeld ook steeds meer opvoeden begint te lijken, een taak die de eigenlijke opvoeders steeds meer achterwege laten. Nee, we doen het allemaal. We morren, we klagen, maar we doen het.

Daarom gaan we niet weg.  We zijn een beetje verslaafd aan ons vak. We kicken lastig af, ook al doet men elders nóg zo z’n best. We praten er op Twitter en op andere social Media ongeveer 24 uur per dag over. We houden er blijkbaar van. Onderwijs is nog steeds een prachtig vak. En ja, je moet er inderdaad wèl een beetje gek voor zijn. Anders red je het inderdaad niet. Laat ons dan in elk geval prettig gestoord blijven, en gun ons ons geklaag op z’n tijd, of onze galgenhumor, zoals uit onderstaand hilarisch ingezonden stukje eerder dit jaar blijkt:

Ik ben werkzaam als docent in het MBO. Ik begrijp niet hoe men kan zeggen dat de kwaliteit van docenten alsmaar minder wordt.
Vroeger gaf ik gewoon les. Tegenwoordig ga ik als professional naar het primaire proces, teneinde de door het College van Bestuur en de Sectordirecteur geformuleerde deoelstellingen en targets te realiseren, daarbij rekening houdend met de middelen en tools vastgelegd in het vigerende teamplan, waarbij de focus, binnen de gestelde kaders, gericht dient te zijn op de realisatie en de optimalisatie van de output, zodat er benchmarktechnisch gesproken een win-winsituatie ontstaat tussen enerzijds de leerling en anderzijds het instituut.
Geweldig toch?

H. A.

De naam en locatie van de schrijver heb ik even weggelaten. Niet om zelf met de eer te strijken maar in oude tijden en ook nieuwe tijden wordt de brenger van slecht of – in dit geval – kritisch nieuws niet altijd gewaardeerd door de machten die over hem gesteld zijn. Mocht de auteur mijn blogje lezen : ik zet hem er graag bij, want hij geeft precies aan waar het tegenwoordig in het onderwijs om lijkt te draaien.

Share

 


Aaaargh!!! Kill!!!

Vroegâh, wanneer het schemerde, ging je nog even fijn naar buiten om je buurjongen dood te schieten. Dat was heerlijk. De zinderende spanning wanneer je – verscholen in de bosjes van het nabij gelegen plantsoen – je slachtoffer argeloos zag naderen en hem plotseling de volle laag kon geven met je klappertjespistool, of, wanneer je ouders wat minder te besteden hadden, met een zelfgemaakt geweer van een stuk hout en blaaspijp. Voordeel van zo’n laatste wapen was dat je er ook papieren pijltjes en klapbessen mee kon schieten. Die pijltjes rolde je van stroken papier, en op geregelde tijden lagen de straten vol met pijltjes, als de rolschaats- knikker of tollentijd weer voorbij was. Die periodes wisselden elkaar om onnavolgbare redenen af op de schoolpleinen en speelplaatsen. Meisjes waren natuurlijk wat minder agressief bezig dan jongens: meer met elastiek, springtouwen of gewoon ouderwets degelijke Barbie’s . Veel kinderen rollen ongeveer van hun stoel van verbazing, wanneer je het daar over hebt. Wat oneindig saai, truttig, sloom en suf. Een leven zonder computers en mobieltjes, wat moet je dan in vredesnaam met je tijd doen???

Met een houten speelgoedgeweer hoef je tegenwoordig niet meer aan te komen. Een beetje kind, en dan vooral weer jongens, bedient zich tegenwoordig van een futuristische lasergun en roeit daarmee behalve de buurjongen ook hele hordes buitenaardse monsters uit. Hoe meer hoe beter, en hoe zwaardere en nog vernietigender wapens je kunt kopen, soms voor echt geld . Niet alleen in de schemering wanneer je nog even buiten mag spelen, maar soms meer dan acht uur per dag, zo blijkt uit onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. 3% van de kinderen tussen 13 en 16 jaar houdt zich op de meest krankzinnige tijden bezig met bijvoorbeeld het vernietigen van Arabische hordes, Middeleeuwse woestelingen of buitenaardse invasies. Vooral jongens op het VMBO vertonen dit gedrag, en worden daardoor depressief, scoren slecht op school en komen slaap te kort. Elke klas telt een aantal van die typische nerds: ze bestaan dus echt. Jongeren die zich terug trekken in een niet bestaande maar voor hen o zo levensechte wereld, waar de bedreigingen van een heel andere aard zijn dan de verschrikkelijke saaie school- of thuisomgeving. Steeds meer neemt die wereld de plaats in van de echte wereld, die dan inderdaad wel heel gewoontjes overkomt. Docenten en ouders , dát zijn in hun optiek pas echte wezens van een andere planeet, die totaal geen benul hebben van hoe het er in de echte virtuele wereld aan toe gaat. Ik snap het trouwens wel: je wordt bijvoorbeeld gepest, je durft niets terug te doen. Je hebt je uiterlijk niet mee, je bent niet sportief. En dan, daar is dan ineens de mogelijkheid om een atletische superheld te zijn, omgeven door dito superhelden van het andere geslacht. Je vernietigt met een druk op de knop wie je niet aanstaat. Je wordt heerser over de wereld, over het universum zelfs. Wie wil dat nou niet?

En wij hebben geen benul. Het benul wat wij hebben, is nog gebaseerd op blaaspijpen, klapperpistolen, knikkertijd en ouderwets Monopoly of Stratego.  Onze kinderen leven soms in een wereld waar wij geen weet van hebben. Veilig thuis achter de computer, da’s toch veel beter dan je elk weekend klemzuipen in de kroeg? Láát die kinderen toch een beetje onschuldig vermaak.  Niet dus. Habbo-hotel was leuk, de Sims was leuk, een kort spelletje World of Warcraft, dat moet kunnen. Wij vinden het allemaal maar stom, dus verdiepen we ons er niet in. We zien ze rustig achter de pc of met hun mobieltje zitten, we hebben zicht op ze, niets aan de hand.

Tot het te laat is. Tot we zelf buitenaardse wezens zijn geworden. De kloof tussen de digitale wereld en onze wereld wordt steeds groter, terwijl de kloof tussen de digitale wereld en de leefwereld van onze kinderen al lang niet meer bestaat, en de digitale wereld steeds meer vervlochten raakt met de echte wereld. Voor veel jongeren, zeker voor hen die wat onderscheidend en relativeringsvermogen missen, ís de wereld van Warcraft langzamerhand de enige echte wereld, een wereld waaruit geen ontsnapping meer mogelijk lijkt.

Hoog tijd dat we als ouders en docenten dus eens een kijkje gaan nemen in die wereld. Niet alle ouders en docenten willen of kunnen dat, want te druk, niet onze taak, ver van mijn bed.  De school en de ouders thuis kunnen zich echter niet langer meer veroorloven geen deel uit te maken van de wereld waarin veel van onze kinderen leven.  Die wereld gaat 24 uur per dag door, en dan zijn lessen op school , een nachtje slapen thuis of een maaltijd met het gezin wel heel hinderlijke onderbrekingen  van iets wat veel leuker en uitdagender is, maar ook veel verslavender dan bijvoorbeeld een beetje suf en niet erg chill  bij wiskunde of Engels te zitten. Die school zou net als de virtuele wereld een plekje moeten krijgen in de combinatie van al die werelden waar jongeren tegenwoordig in leven. Alles met elkaar vervlochten: school, World of Warcraft, thuis, werk. Zodat iedereen een oogje op elkaar kan houden en waar nodig kan aanvullen of bijsturen.

Ik chargeer natuurlijk een beetje. Het is nu “nog maar 3 %”. Maar het percentage groeit, zeker nu je de spelletjes op je mobieltje overal mee naar toe kunt nemen. Daarom een oproep om eens wat te brainstormen , vooral aan gamende ouders en leraren, waar ik mij zelf ook toe reken. Ook op je 57e mag je speels zijn, ik  mag graag wat buitenaardse wezens afknallen of een rondje om de wereld vliegen in mijn Jumbo-jet in Flight Simulator. Dat is het vreselijk leuke van de tijd waarin we nu leven: je kunt er even helemaal uit vanachter je bureaustoel. Zolang je maar met twee benen op de grond blijft zitten. En dat is dus wel wat lastig voor sommigen.  Reacties welkom.

 

Share

 


Afgang

Het gaat niet zo goed met het onderwijs in Nederland. We maken ons allemaal massaal zorgen over het niveau van onze studenten ( nog even en de leerling in het primair onderwijs heet ook ‘student’; dat klinkt tòch weer wat wijzer ), en het niveau van de docenten is ook al niet meer om over naar huis te schrijven. Het niveau van de bestuurders en managers, daar hoor je nog niet zo heel veel over trouwens. Je zou haast denken dat alle problemen veroorzaakt worden door degenen die alle onderwijsvernieuwingen en -veranderingen moeten uitvoeren, niet door hen die ze bedacht hebben. 39 % van de studenten die een opleiding op In Holland hebben gevolgd, blijkt een onwaardig diploma op zak te hebben. Er moet dus gereorganiseerd worden, en – opvallend – een van de eerste zaken waar de bezem rigoreus door heen gaat is het competentie-onderwijs. Dat wordt afgeschaft en vervangen door iets wat “meer structuur” aan de studenten biedt, aldus bestuursvoorzitter Doekle Terpstra.  Al die proteseterende docenten en studenten blijken dus toch gelijk te hebben gehad. We tragisch dat daarvoor eerst 39% van de studenten een waardeloos papiertje in de maag gesplitst moest krijgen.

Zelf geef ik les aan een MBO-opleiding. Over sommige leerlingen maak je je ernstig zorgen; zwakke taalbeheersing bijvoorbeeld. Die gaan vervolgens toch op wonderbaarlijke wijze naar het HBO en drie jaar later zie je ze ineens weer zitten in de docentenkamer, dit keer als collega…. de vakkennis zal hoop ik wel voldoende zijn, maar hoe breng je die vervolgens over aan taalzwakke leerlingen als je je taal zelf ook al gebrekkig beheerst?

Een dochter van mij volgt een 4-jarige opleiding aan, ik noem hem hier maar gewoon, het ROC ASA in Amersfoort. Middelbaar hotelonderwijs. Geheel gegeven volgens de moderne en zaligmakende principes van het competentiegerichte onderwijs, zo werd ons op een open dag juichend door een belangrijke spreker meegedeeld. De veelbetekenende blikken van de in de zaal aanwezige docenten spraken boekdelen.  Nu, drie jaar verder, is het aantal werkelijk gegeven lesuren op de vingers van een paar handen te tellen. Drie jaar klaagzang op het niets doen, het vervelen en de uitval aan moeten horen. En dat uit de mond van een leerling die net als veel andere leerlingen toch best wel de nodige tijd aan zinnig – in onze ogen zinloos –  niets doen wil spenderen. Ze loopt nu stage in Australië. Dat is natuurlijk mooi, het mag wat ( Europees geld ) kosten, maar je kunt grote vraagtekens gaan zetten als die stage ( van 4 maanden ) in feite bestaat uit 2 maanden les krijgen op een school waar het niveau nòg lager is en waar de resterende 2 maanden stage bestaan uit 5 weken lang 3 avonden in de week borden afruimen in een casino.  En dat alles geregeld en gesanctioneerd door de school. De rest van de tijd wordt verveeld en geluierd. In feite wordt er van het hele derde schooljaar vier maanden niets gedaan, krijgen de leerlingen vier maanden geen zinnige opleiding. Zoiets gebeurt niet alleen op ROC ASA, zoiets gebeurt ook niet overal. Maar het gebeurt wel akelig vaak en is tekenend voor het verval waarin het onderwijs zicht steeds meer lijkt te bevinden.

Op de MBO-opleiding waar ik werk krijgen we elk jaar een steeds grotere toestroom van leerlingen van andere MBO’s te verwerken. Ze komen ongeveer op hun knieën naar ons toe, of wij ze toch alsjeblieft willen aannemen, want wij geven nog wat meer “ouderwets” les. Nog wel.

En ja, hoe nu verder? We zullen nog wel dieper zakken op de internationale ranglijsten vrees ik. Dat gaat nog jaren door, met die afkalving. Niet elke onderwijsvernieuwing is een achteruitgang. Ook in het competentiegericht onderwijs zitten goede dingen. Maar het klakkeloos zalig en tot enige grote almacht verklaren van weer iets wat door een groepje deskundigen ver buiten de dagelijkse onderwijspraktijk is bedacht, kunnen we ons echt niet meer permitteren. De tweedeling in de maatschappij, tussen hen die nog wel een waardevol diploma hebben en hen die het met een twijfelachtig papiertje moeten doen, zal nog veel groter worden. ‘Kennis is macht’; de groep die over beide beschikt wordt helaas steeds kleiner, en daardoor ook gevaarlijker….

Share

 


Onderwerpen:

Laatste reacties

    • Rein Bijlsma: Uhm..Barry en Cesar, dat gaat. Ik neem mijn woorden deel terug ;-)
    • EarringTweets: “Aanschouwe daar vier stramme heren, de jongste 64, de oudste bijna 66, die daar enigszins...
    • Paul: Goed verhaal, kan me heel goed voorstellen hoe lastig het is om over zo een onderwerp te schrijven.
    • Rein Bijlsma: @Hartger: Haha, het feit dat je als vertegenwoordiger van een door veel docenten verfoeide beroepsgroep...
    • Hartger Wassink: Dank voor de doorverwijzing. Interessant artikel, omdat het zo schaamteloos eenzijdig is. Dat kun je...

Archief