Bejaard

Onlangs werd de wereld opgeschrikt door het vreselijke bericht dat maar liefst één derde van alle docenten in het MBO-onderwijs binnen tien jaar aan het pensioen toe is. Om het allemaal nog erger te maken, kan ik mijn lezertjes meedelen, dat ik daar ook bij hoor. Zoiets is natuurlijk allemaal heel schriklijk, maar aan de andere kant doet zo’n nieuwtje de fantasie ook rijkelijk op hol slaan. Laat ik daar maar eens aan toegeven:
Het MBO is dus deels bevolkt met bijna achter rollators schommelende en voortschuifelende docenten. Jonkies zijn er niet meer, want die willen wel wat anders dan in zo’n semi-geriatrische instelling te werk gesteld worden. Het aantal hoogbejaarden neemt dus snel toe, en dat komt ook doordat het kabinet ons eigenlijk het liefst tot aan ons negentigste levensjaar zag doorwerken, waarna verplicht vrijwillige euthanasie dient te volgen.  Hoe gaat zoiets voor de klas? ( Ik heb er trouwens al eens een keer aandacht aan besteed, schiet me nu te binnen; nou ja, hou het er maar op dat ik het ook allemaal niet meer zo goed weet, en door herhaling leert men toch het beste, ook al is dat tegenwoordig in het onderwijs not-done ).
Ik zie daar dus een lokaal voor me waarin een bureau staat omgeven door allerlei ziekenhuis-apparatuur: een infuus, hartmonitoren, kabels en slangen, een steek onder de stoel. De senior-docent zelf zit wat scheef onderuitgezakt op een kussentje tegen het doorzitten achter z’n tafel, een beetje kwijl op de mondhoek, wat op gezette tijden door een zuster ( zoiets kan makkelijk op een zorg-opleiding, dan hebben de leerlingen al een groot deel van het docentenkorps om op te oefenen ) wordt weggeveegd. Vóór de leraar is de klas; leerlingen zijn allemaal bezig met zelfwerkzaamheidsopdrachten, met het bepalen van hun persoonlijke leervraag, met het uitwerken van hun pop- en pap-gesprekken die weer een mooi plekje in hun portfolio moeten krijgen. Een vraag stellen aan de docent, dient met het volume van een scheepshoorn te gebeuren. De oren zijn niet zo best meer.
Pauzes duren extra lang, want het duurt even voordat het onderwijzend personeel met behulp van trapliften en rolstoelen de personeelskamer heeft bereikt, om daar, hevig morsend en schuddend, vanuit tuitbekers koffie, thee, pap of andere onderwijsvernieuwingen tot zich te nemen.  Daarna volgt een langdurige stoelgang ( paar keer per dag ) op de verhoogde toiletpot met handgrepen en noodknop die in elk schoolgebouw nadrukkelijk aanwezig zal zijn, het vervangen en schikken van de diverse luiers waarna de hele kudde weer schommelend, rollend en schuifelend en mogelijk nog na-lekkend richting trapliften gaat om weer hoestend, reutelend en gorgelend een les te verzorgen aan een groepje pubers die wel de moeite hebben genomen zich van MSN in de leerwerkruimte los te rukken.
De docent in zijn aangepaste stoel voelt zich niet gemakkelijk. Een functioneringsgesprek met een jonge, aanstormende manager, waar het onderwijs er tegenwoordig zeer velen van heeft, ligt in het verschiet. Dat betekent loskoppelen van alle apparatuur en wankelend naar het kantoor van de meerdere, waar het dossier al weer op tafel ligt: zijn de absenten genoteerd, is het verantwoordingsdocument ingevuld, kloppen de toetsgegevens in de toetskop met die van het examenbureau en de eisen van de onderwijsinspectie, heeft de docent zijn urenregistratie al geregeld en weet de docent wel dat de BAPO  afgewezen kan worden wanneer het schoolbelang vóór gaat?  En hij hoort al zo moeilijk; het hoorapparaat staat op tien en wat slechts doordringt  lijkt op niet meer dan een hinderlijke fluittoon, gelardeerd met mineurklanken. De manager praat en praat, maar het lijkt een gesprek tussen twee doofstommen.
Wel illustratief eigenlijk voor wat zich momenteel afspeelt binnen  -vooral- het MBO-onderwijs: een enorme kloof tussen top en werkvloer, een enorme kloof tussen jong en bejaard, een enorme kloof tussen wat men wil en wat men kan en een afgrond tussen onderwijsvernieuwingen, die steevast als verbeteringen worden gepresenteerd, en de realiteit van wat door bezuinigingen allemaal niet meer mogelijk is.   
Het onderwijs houdt zich moeizaam en wankelend staande met gehoorapparaten, leesbrillen, steunzolen, Tena-luiers, kunstgebitten en rollators. Afbrokkelende en stil wegkwijnende kennis en vaardigheden.
Verpleeghuizen staan qua zorg tegenwoordig in een ongunstig daglicht en lijken steeds meer op dat andere instituut waar we ons ook zorgen maken over onze bewoners, de leerlingen. Er is geen aandacht voor de patiënten, er wordt zwaar bezuinigd op de zorg, en de bestuurders -lees:de onderwijsinspectie- sluiten de gordijnen van hun kantoren om zo maar niet in hun prettige droomwereld gestoord te worden door dementerende en vergrijzende docenten daar ergens in de diepte van het klaslokaal.
 
Ik ga er dus maar uit dat bovenstaande beschrijving niet meer is dan een boze nachtmerrie, een doemscenario wat altijd een beetje wordt aangedikt om zo wat meer jongeren voor de klas te krijgen. Ik huppel dus maar als een jonge hinde door de gangen, laat de schoolfeesten, de muziek, de klasse-uitjes naar de bowling, de gesprekken met leerlingen in de dip maar als een verfrissende lafenis over mij heen komen, en geniet er van, zo lang dat nog kan. Ook al voel ik me soms tachtig, wanneer ik denk aan de stapel correctie met toetsen van 15 kantjes en 9 pagina’s correctievoorschrift die nog op mij wachten.
 
De jonge generatie lezertjes met interesse voor onderwijs wil ik dan ook adviseren om eens een serieuze poging te wagen. Ben je jong en je wilt wat ( en je weet ook nog wat ), kies dan voor de klas. Je blijft er fris en fruitig bij, zeker tot je tachtigste.
Share

 


Excellent

Dit stukje is geschreven door een excellente leraar. Althans, dat vind ik zelf, en als nu maar heel veel mensen op dit stukje reageren en dat ook zeggen, nou , dan ben ik het toch ook. Op mijn school werken zo’n 120 leraren. Het Ministerie van Onderwijs ( wat steeds meer op Ghadaffi begint te lijken die zijn onderdanen eens even stevig uitroeit )  ziet wel iets in het idee om per twintig docenten één docent tot excellente leraar uit te roepen. Dat betekent dat er op mijn instituut zo’n zes zullen excelleren, en daar ben ik er dus eentje van, want die andere schrijven geen weblog met geregeld iets aardigs of stekeligs over het onderwijs. Het leuke is dat me dat per jaar ook nog eens €2500 en een vrije dag per week oplevert. In die vrije dag mag ik dan collega’s die in de verste verte niet excellent zijn, leren hoe ze ook zo goed en fantastisch kunnen worden als ik.

Dat zal dus een gezellige sfeer worden op mijn school. Allemaal hopeloze docenten, die over elkaar heen buitelen om op mijn vrije dag door mij begeleid te worden om volgend jaar ook excellent te worden. Het zou mooi zijn als ik dat dan ook mocht bepalen. Maar ja, stel, ik wijs er eentje aan, dan betekent dat er ergens anders weer eentje weg moet van de lijst der uitverkorenen. Er mag tenslotte maar één uitblinker per twintig zijn.  Ik verwacht dus alle mogelijke geschenken, kleine bedragjes op mijn bankrekening , docenten vers van de Pedagogische Academie zonder bevoegdheid ( lekker goedkoop en ook snel weer weg ) zullen mijn tas willen dragen en zullen mijn kennis in zich op zuigen in de hoop een vaste aanstelling als excellent en dus door het management op handen gedragen persoon te worden. We krijgen verkiezingen,  we gaan heel vroeg op school komen en heel laat weg, we gaan vooraan zitten bij alle personeelsvergaderingen en we zuigen alle onderwijsplannen en papierwinkels in ons op. We gaan onze leerlingen overladen met hoge cijfers, we gaan voorbeeldig en juichend de competentie-gedachte uitdragen, want zo ziet men dat graag, daar bij degenen die over ons lot en onze bonus beslissen.  Het leven zal goed zijn,ook al is die vrije dag natuurlijk niet echt een vrije dag. Blijkbaar beschouwt men in Den Haag het niet geven van lessen als vrij. Hoe heerlijk toch, als er zo warm en fijn over je gedacht wordt.

Ik voorzie toch wel wat probleempjes: wat als er op een school nu echt geen excellente docenten zijn? Krijgen die dan straf, wordt hun salaris gekort en gaat dat naar het potje waar de exellente collega’s hun slijmbonus van krijgen? Oeps, wat zeg ik nou weer! Slijmbonus. Het flapt er zó maar uit. Of je met slijmen bij het management zoiets voor elkaar kunt krijgen. Nee, daarvoor missen wij eenvoudige docenten toch de helikoptervisie, en daarvoor is onze persoonlijke invloedscirkel te beperkt, ook al zijn wij misschien excellent in onze eigen optiek.

En scholen waar maar negentien docenten werken, of een basisschool met vijf zich uit de naad ploeterende collega’s, die zich zo’n vrije dag niet eens kunnen permitteren omdat ze veel te druk zijn met hun werk en te begaan met hun leerlingen. Die kunnen dus nooit excellent worden, want geen twintig personeelsleden en zo. Je zal toch op zo’n school werken, waar je tot in lengte van dagen in het zweet des aanschijns de onderwijsvernieuwingen en -ideeën over je heen voelt walsen. Dan had je maar geen docent moeten worden. Het onderwijs wordt een ratrace. Slecht één op de twintig zal excelleren, koste wat het kost. De rest, tja, die heeft gewoon te weinig aan uitbreiding van de persoonlijke invloedscirkel gedaan.

Vindt u mij nu al een irritant en zelfingenomen ventje? Ja hoor eens, er kan er maar één per twintig excellent zijn.

Share

 


Correctievoorschrift

Binnenkort mag ik voor het vak Nederlands bij een aantal vierdejaars klassen een toets ‘Schrijven’ afnemen. Onze geliefde minster wil dat zo vanaf 2012 of 2013 en dan moet je als school er natuurlijk als de kippen bij zijn om dat alvast in orde te hebben. Wat namelijk enkel nog telt is de wil en de wet van de inspectie. Verder maakt het eigenlijk allemaal niet zo veel uit, als de papieren die de inspectie wenst te zien, maar kloppen. Ze moeten dus schrijven, de vier vierde klassen die ik heb. De toets bestaat uit een aantal onderdelen, reeds voorgedrukt, dat scheelt weer. Negentien kantjes, om precies te zijn.  Dat worden straks 1900 kantjes om na te kijken, graag volgende week de resultaten bij het examenbureau inleveren svp. Wel even nakijken naast de gewone volle les- en vergadertaak, en vergeet de open dag op vrijdag en zaterdag niet.

Het correctievoorschrift beslaat iets van negen kantjes . Wanneer een leerling bij een bepaald onderdeel bijvoorbeeld meer dan 550 of minder dan 275 woorden heeft gebruikt, moet ik per tien woorden één punt aftrekken. Ik moet dus ook gaan tellen, elk woord, want anders weet je niet wanneer de 275 begint en waar de 550 wordt overschreden. Krankzinnige taalfouten kosten maximaal drie punten per onderdeel. Staan er 100 krankzinnige taalfouten in, dan maakt dat dus niet zo veel uit, en is de tekst volslagen onleesbaar maar zijn er nog wel alinea’s te onderscheiden, dan kan dat tòch nog wat puntjes opleveren. Zo zie je maar. As de bootsgap maar over komp hè?

Zo zijn er nog enkele onderdelen: een notitie schrijven en een zakelijke brief. Die laatste mag ook weer een orgie van taalfouten bevatten, maar als de rest – indeling, aanhef enzovoort –  goed is, kan de leerling voor deze zakelijke brief toch nog zeven van de tien punten scoren.

Onze minister wil, om de aansluiting met het HBO te verbeteren, de duur van het MBO terugbrengen van vier naar drie jaar. De minister wil , om de werkdruk van de docenten te verlichten, de zomervakanties met één week verkorten. De minister wil, om de prestaties van docenten te verbeteren, hen allemaal een Master-titel laten halen. Op het HBO bijvoorbeeld, waar je straks met drie jaar MBO naar toe kunt. Wanneer je tenminste de bovenstaande toets Nederlands goed gemaakt hebt, dat wil zeggen, wanneer de boodschap goed over kwam.

Ik denk dat ik per leerling een uur aan het corrigeren ben, want ja, je wilt de inspectie en de andere over jou gestelde overheden binnen de school niet teleurstellen hè? Dat wordt dus vier uur per avond, van zeven tot elf, en als ik dan voorzichtig de zaterdagavond vrij neem, dan kan ik er vierentwintig in een week doen. Als er tenminste geen correctie van andere klassen tussendoor komt, want dit zijn er pas vier van de dertien verschillende klassen die ik dit blok les geef. Nou ja, wanneer ik hard doorbuffel, ben ik over twee maanden klaar, net op tijd voor de volgende toets.

Gelukkig is het allemaal op te brengen, want ik weet dat wij een minister hebben die strijdt voor haar levensdoel: onderwijs aantrekkelijk maken en tot een ongekend niveau brengen. Dat laatste lukt zeker.

Share

 


Computertoets

Vandaag had ik de eer onverwachts te zijn ingeroosterd bij een proeftoets van het Cito, waarbij de kennis van Nederlands op het MBO wordt getest. Enkele lieden ergens in de top van ons onderwijsinstituut hadden gemeend dat het wel aardig zou zijn als onze leerlingen daar ook aan mee deden, want de beheersing van de Nederlandse taal is op het MBO enigszins twijfelachtig, laat ik me maar voorzichtig uitdrukken. Enkele dagen van te voren werden  de leerlingen en ik dus verblijd met mailtjes waarin een en ander werd aangekondigd, en voor verdere uitleg kon men zich wenden “tot je docent”. Gelukkig kreeg ik gistermiddag nog een mailtje – na enig aandringen – waarin iets meer uitleg stond, dus welgemoed toog ik vanochtend naar het computerlokaal.

Nu kunnen digitaal toetsen en de apparatuur waarop dat moet worden uitgevoerd elkaar op menig school behoorlijk slecht verdragen; iedereen die in het onderwijs hiermee te maken krijgt, zal dit kunnen beamen. Bij mij was het vandaag dus al niet anders. Terwijl het bevoegd gezag  zich ijverig op ander heel belangrijk werk stortte en de verdere uitvoering van de test aan de surveillant overliet, kreeg ik te maken met een grote variëteit aan technische en logistieke problemen. Nu heb ik gelukkig de nodige kennis van ict, maar ik vrees met grote vreze voor  de gemoedsrust van enkele collega’s die iets minder vaardig op dat gebied zijn, en voor wie het surveilleren nog op de rol staat.

Allereerst was  een redelijk gedeelte van de klas niet aanwezig, want geen mail gelezen en zo. Van de overige leerlingen konden er een stuk of drie niet inloggen op het netwerk, “terwijl dat vroeger altijd wel ging”.
Dan hadden enkele kwaadwillende lieden in de dag ervóór gemeend op slinkse wijze de toetsjes van de toetsenborden te moeten verwisselen, zodat voortdurend bij een vijftal leerlingen de gebruikersnamen en wachtwoorden niet werden geaccepteerd. Vóórdat je zoiets in de gaten hebt, ben je ook weer vijf minuten verder. Tot overmaat van ramp bleken drie leerlingen helemaal geen toegang tot de Cito-toets te hebben, omdat degene die de gegevens had ingevoerd hen blijkbaar had vergeten of verkeerde lettercombinaties had gebruikt.
Zo was het dus op een gegeven moment een komen en gaan van zenuwachtige onderwijsbeambten, die allemaal meenden dat de fout bij een ander lag en die zich al bellend en turend in lijsten ernstig zorgen maakten over de voortgang van het digitale onderwijsleerproces.
Gelukkig kon ik alles met een minzaam lachje van een afstand aanschouwen, de handen wassend in onschuld, want vandaag was ik slechts een simpel uitvoerend instrument  in deze digitale rampspoed. Je moet op zo’n moment natuurlijk vooral geen leedvermaak tonen naar de bedenkers van dit alles, want dat komt je op verhitte blikken en mogelijk een functioneringsgesprek te staan. En het resultaat daarvan wordt dan ook weer ergens in een of ander digitaal zwartboek opgeslagen.

Vroegâh, ja , toen was het leven nog simpel. Een eenvoudig proefwerkje op papier , waarbij de cijfertjes nauwgezet in de docentenagenda werden genoteerd en bij de rapportenvergadering  ( die ook vrijwel uitsluitend over cijfers ging )  werden besproken. Nooit gehoord van systeem- of internetuitval tijdens cruciale toetsen, lappen tekst werden toen nog gewoon van papier gelezen in plaats van 120 minuten naar een beeldscherm turend. Er was voor het afnemen van de toets geen begeleidend schrijven van 120 kantjes uit Den Haag.
Je kon nog ouderwetsch spieken. Ooit heb ik eens net zo lang met een passer in een tafel zitten boren tot ik een gat had gefabriceerd waar doorheen ik naar een spiekbriefje op mijn knieën kon turen. Of - wanneer je het geluk had naast de luxaflex te zitten- je schoof je boek gewoon open op de vensterbank en gluurde door de lamellen naar de tekst. De langs lopende docent had door het hoogteverschil niets in de gaten.  Het meisje voor je trok haar schouders naar voren, zodat ineens het spiekbriefje onder haar wat doorschijnende blouse zichtbaar werd.

De leerling van tegenwoordig heeft het zwaar met al die digitale toetsen. Mobieltjes mogen niet aan in de les, rekenmachines met handige kijkvensters zijn niet toegestaan en met een druk op de knop worden de digitale vragen van je buurman in een totaal andere volgorde getoond. Bovendien toont de ingebouwde plagiaatcontrole genadeloos van welke klasgenoot of website je je tekst hebt gejat. Het enige voordeel: wanneer je in vroeger tijden klaar was en je mocht het lokaal nog niet verlaten, dan moest je maar een beetje stommig voor je uit gaan zitten kijken. Nu doe je gewoon je MSN, of je speelt een van de honderden spelletjes die er online te vinden zijn. Vervelen is er niet meer bij. Afraffelen van de eigenlijke toets daarentegen wel, want het internet lokt.

De toetsweek anno 2011 is er nog steeds eentje om met angst en beven naar uit te kijken. Angst over de vraag of de stof nu wel beheerst wordt of niet. Maar nog veel meer beven en bijna wanhoop bij de vraag of de techniek je niet in de steek laat. Aan Onderwijs 2.0 zal nog heel wat gesleuteld moeten worden.

Share

 


Onderwijs: een serieuze zaak

Elke leerkracht zal wel eens voor de spiegel gestaan hebben met de gedachte: Wat moet ik aan vandaag? Want leerlingen zijn kritisch. Ze zien aan de naad van je spijkerbroek of het een G-Star of een weet-ik-veel-wat-voor-merk is. Dat is dus heel belangrijk, want jongeren zijn op die leeftijd nog erg gevoelig voor uiterlijk vertoon. Een leerkracht zou dat dus ook een beetje moeten zijn, en zou zich vooral ernstig in moeten leven in wat er bij jongeren allemaal door het hoofd gaat.  Dat kan redelijk zware gevolgen hebben, zoals een uurtje naar MTV moeten kijken, een uurtje op Hyves, een uurtje naar spuiten en Slikken, naar de film van New Kids Turbo gaan, een optreden van Sterretje en Barbie bezoeken met daaraan gekoppeld een toepasselijke schuimparty, een avondje  comazuipen met gezellig knokken achteraf , op koopavond met een ploegje lotgenoten hinderlijk irritant over je scooter hangen, met z’n allen chips kopen in de supermarkt en eens een keertje eerste klas reizen zonder kaartje of geldige OV-card.  O ja, een tattoo en piercing op een enge plek dienen natuurlijk ook uitgeprobeerd te worden. De docent die in de opsomming hierboven een aantal volslagen onbekende begrippen tegen komt, moet nodig eens op bijscholing bij zijn klas. Dat zullen ze graag doen.

Onlangs had ik een leerlinge die mij met opgewekt humeur haar tepelpiercing op Hyves toonde voordat ik ook maar de tijd had om fatsoenlijk te protesteren. “Ja, nou, het is wat meisje. Maar doe nu maar de electronische leeromgeving weer aan” . We leven in een tijd van uiterlijk vertoon, en het is dus zaak om af en toe eens bij je pupillen te informeren of er nou nooit eens een sliert spaghetti ter weerszijden van die tongpiercing blijft hangen.
Iets van de muziek afweten doet het ook erg goed. Je maakt je onsterfelijk populair wanneer je kunt laten horen dat je op je iPhone ook het nodige van Rammstein hebt staan. Aan de andere kant: je dient ook te zorgen dat je dan nog ergens een portie Jan Smit achter de hand hebt, want nergens zijn de meningen zo verdeeld als wanneer het over muziek gaat.  In mijn lessen mogen ze soms een muziekje draaien. Nu heb ik op mijn iPhone een programmaatje dat die muziek herkent en je vertelt welk nummer dat is. Dat laat ik dus af en toe stiekum even meeluisteren, waarna ik ze met een ernstig gezicht kan vertellen dat dat nummer Fluorescent Adolescent heet en dat het gespeeld wordt door de Arctic Monkeys. Jouw lessen kunnen niet meer stuk dan. Wanneer je dan ook nog een beetje orde hebt, nou, dan hou je het in het onderwijs wel een tijdje uit, ondanks alle tegenwerking van onze minister Van Bijsterveldt.

Moet je dan maar klakkeloos hetzelfde leerlinggedrag aan nemen? Moet ik bij de eerste volgende les mijn shirt omhoog sjorren en mijn kersverse navelpiercing showen? Nou nee, en al helemaal niet op mijn respectabele leeftijd van 57. Elke docent boven de vijfentwintig is in de ogen van de leerling een strompelende hoogbejaarde, wanhopig op zoek naar kunstgebit en wegkantelende rollator, en gehuld in een aftakelend rimpelhuidje. Onderwijs is een serieuze zaak, en ze hebben het ook graag een beetje serieus. Men zal mij dus niet meer zien stuiptrekken ( = dansen ) op een schoolfeest. Hoe je je best ook doet, je blijft een houten klaas, het soepele is allemaal een beetje weg.
De kunst is dus het vinden van de juiste mix. De spanningsboog is tegenwoordig dermate kort, dat veel leerlingen na een kwartier opletten veranderd zijn in een geestelijk en lichamelijk kwijlend wrak, en de moderne docent doet daar nauwelijks voor onder. Het is dus heerlijk om af en toe een beetje met ze te kunnen dollen, eens te vragen naar wat ze in het weekend allemaal voor – in onze ogen – verschrikkelijks  gedaan hebben en ze eens hun favoriete nummer of filmpje op YouTube te laten showen.  Daarna willen ze wel weer aan de slag, zolang het maar niet te lang duurt. Onderwijs is een serieuze zaak, wanneer je er maar de lol van in ziet.

En u krijgt van mij niet te horen of ik nu wèl of geen eikelpiercing heb.

Share

 


Middagje NOT. Mwah…

Ik was gister weer eens een middagje op de NOT, de Nationale Onderwijs Tentoonstelling. Tout onderwijsminnend Nederland begeeft zich naar dat tweejaarlijkse festijn , waarbij de woensdagmiddag qua drukte het absolute hoogtepunt is, want dan spoedt ook het voltallige primair onderwijs zich derwaarts. Er mag tenslotte geen les gemist worden.
Bij het oversteken van de drukke verkeersweg die langs het Jaarbeursgebouw loopt, pik je al die pedagogen en didactici er direct uit , want iedereen wacht daar keurig netjes tot het voetgangerslicht op groen springt. De wat meer roekelozen doen het heel gewaagd vijftig meter verderop bij de onbewaakte oversteekplaats, maar niet na uitvoerig eerst naar links, dan naar rechts en vervolgens weer  naar links te hebben gekeken.

De oogst van een middagje grabbelenHet was dus druk daar op die beurs, en zoiets begint al bij de garderobe, waar een aantal verhitte medewerkers het jassenaanbod van al die complete schoolteams in ontvangst moet nemen. In plaats van dat zo’n schoolleider nu eens hoffelijk de jassen van al zijn vrouwelijke collega’s aanneemt en die ter bewaring aanbiedt zodat de dames in de lange rij bij de toiletten ( waarom gaan vrouwen trouwens altijd met twee of met drie tegelijk naar de plee? Zou ik zo’n voorstel aan mijn mannelijke collega’s doen, dan zou dat de nodige gefronste wenkbrauwen opleveren ), maar nee, iedereen perste en wrong zich langzaam maar zeker naar de balie  en daar stond ik dan met samengeknepen benen tussen in, want ik wilde eigenlijk ook wel naar die WC. Daarbij komt dat ik altijd in een rij pleeg te staan waar vooraan allerlei oponthoud plaats vindt. Bij kassa’s zijn huisvrouwen op zoek naar een onvindbare  pinpas in één van de minstens drie reusachtige portemonnee’s die ze bij zich hebben, in bioscopen blijkt iemand een verkeerde film te hebben geboekt, en nu bij de NOT kreeg iemand een verkeerde jas terug, wat tot gevolg had dat al het bedienend personeel zich daar mee ging bemoeien.

Maar goed, na een klein halfuurtje waren alle garderobe- en toilethindernissen overwonnen en mocht ik mij laven aan al het moois wat de exposanten te bieden hadden, waarbij nog even de afschuwelijke gedachte door mijn  hoofd flitste of ik niet mijn toegangsbadge in mijn jas had laten zitten. Meestal ga ik op zo’n beurs uit medelijden eerst langs de “eenzame stands”, dat zijn van die leveranciers waar niemand interesse in lijkt te hebben, en waarbij de standhouders voor de zoveelste keer maar weer eens met de moed der wanhoop het stapeltje folders van links naar rechts te verschuiven of omgekeerd, om vervolgens te bedenken waar je het nu met je collega over moet hebben met nog drie dagen voor de boeg. Soms waagt er eentje op je af te komen, met een schuchter uitgestoken hand, en dan is het zaak zo snel mogelijk in je plattegrondje te duiken of te doen of er ineens een dringend telefoongesprek door komt.

Men sjouwt trouwens wat mee in allerlei uitgeverijboodschappentassen die bij nader inzien toch eigenlijk in een volgende hal wel weer gedumpt kunnen worden. De crisis slaat ook in het onderwijs hard toe: als wolven stort men zich op tafels met afgeprijsde lesmaterialen, voornamelijk voor het basisonderwijs, men dropt overal ijverig gegevens in de hoop één van de schaars aanwezige iPads te winnen en men bedenkt hoe men straks, weer op school, al die telefoontjes van bedrijven die naar aanleiding van jouw bezoek aan hun stand bij jou langs willen komen, kan afwimpelen.

Ik vond de beurs een teleurstelling: hét item van 2011, de tablet, schitterde grotendeels door afwezigheid, en de nadruk lag zoals alle andere edities vooral op ‘ouderwets’ lesmateriaal voor het basisonderwijs: boeken, digitale schoolborden ( ja u leest het goed ) voor in het klaslokaal, ideeën voor schoolreisjes, schoolmeubilair etc.  Een toonbeeld van Onderwijs 1.0 .
Zo’n massale beurs is eigenlijk uit de tijd. Een zo grote variëteit van spullen ( die wèl allemaal op het zelfde neerkomen ) doen je door de bomen het bos niet meer zien en ontaarden in een grabbelton voor armlastige scholen, waar men op jacht gaat naar gratis pennetjes en bloknootjes, om vervolgens als haringen in de trein opeengepakt weer naar huis te rijden en de volgende dag weer over te gaan tot alledaags lesgeven, waarbij je het al druk genoeg hebt om verder nog aan nieuwigheden te denken, laat staan te implementeren.

Het nieuwe onderwijs moet de scholen niet meer naar zich toe halen, het moet zèlf kleinschalig naar die scholen toe : maatwerk, in de vorm van een teammiddag waar bijvoorbeeld zo’n tablet eens even serieus uitgeprobeerd kan worden. Zoiets werkt niet in een stand met dringende en graaiende didactici. Grote beurzen zijn zóó 2010. Onderwijs moet je niet meer beperken tot één fysieke ruimte ergens in de Jaarbeurshal in Utrecht.  Daarvoor kom je niet uit Zeeland of Groningen. En een school hoeft dankzij nieuwe technieken ook niet meer aan één lokatie gebonden te zijn, net zoals leraren en leerlingen niet meer in de buurt van die school hoeven te wonen en daar ook nog eens alleen maar van negen tot vijf terecht kunnen. De nieuwe onderwijsbeurs gaat geheel digitaal. De vraag is alleen wanneer.

Share

 


Druk

Bijsterveldt zal ons leiden op de smalle weg omhoogMijn vrouw zei vanochtend, twee dagen naar haar terugkomst van een week wintersport en na de eerste dag van de nieuwe werkweek: “Eigenlijk heb ik helemaal geen zin meer in het werk” ( onderwijs aan een combinatieklas van drie verschillende groepen leerlingen ).
Hoe kan zoiets. Heeft het onderwijs daar een patent op of zo. Zijn docenten zich massaal over de kop aan het werken.

Ik denk het eigenlijk wel. Wij worden om de oren geslagen met berichten over onze kelderende positie op de Pisa-ranglijst  ( voor de niet-kenners: dat is een soort zwarte lijst van landen met scholen waar de meest hysterische docenten en studenten rondlopen in hun jacht naar hoge prestaties.). Haal je daar als leerling minder dan een negen, dan kun je het de rest van je leven wel schudden. In die landen wordt ook niet gestaakt, wanneer de werkdruk in het onderwijs te hoog wordt. Stel je voor dat de leerlingen de dupe worden. Nee, dan werken we liever onszelf over de kop. We plannen onze vergadermomenten, ouderavonden, personeelsdagjes, bezoekjes aan de NOT, verplichte nascholingen en noem maar op zoveel mogelijk buiten schooltijd en de eerste weken van de natuurlijk veel te lange zomervakantie zitten we met een knallende hoofdpijn bij de pakken neer, als voorbereiding op de laatste weken waarin we ons weer helemaal op het in orde maken van al het lesmateriaal storten.
In de weekends geregeld nog even snel naar school: even dit klaarzetten, dat klaarzetten, dan is dat maar weer gedaan. In de klas van mijn vrouw zitten leerlingen die behoefte hebben aan rust, leerlingen die prikkels nodig hebben, leerlingen die denken dat ze drie leerlingen zijn, leerlingen die zich alleen in volstrekte afzondering kunnen concentreren en leerlingen die stijf staan van de Ritalin, de Borderline, de Asperger en noem maar op, gezellig in een veel te klein lokaaltje bijeen en dan ook nog eens uit drie verschillende leerjaren. 
De school waar ik werk wordt bezocht – en dat woord is voor beide betekenissen vatbaar – door een stoet van lieden met dikke aktetassen die ons de laatste wijzigingen en verplichtingen op het gebied van het onderwijs vriendelijk doch dringend door de strot komen duwen.
Eindtermen heetten eerst competenties ( een ander woord voor ‘de heilige graal van de onderwijsvernieuwing’ ) en moeten volgens de laatste berichten nu weer ‘eindtermen’  genoemd worden, waarbij het pak papier met de beschrijving van dit alles is vervangen door een nieuw pak papier met de zelfde inhoud maar waarbij wel de correcte terminologie gebruikt wordt. Zo wordt het gewenste eindniveau van een leerling die hier 1 dag in de week zichzelf even van de trekker in de klei losrukt om met lichte tegenzin in de schoolbanken plaats te nemen, beschreven in een pak papier met de dikte van de Statenbijbel. Of je dat als docent dan ook nog even in drievoud naar de inspectie wilt verantwoorden, vergezeld van bewijsstuk A tot en met Z.

Voor mij ligt een artikel uit de Trouw, mij aangereikt door een dankbare collega, met als opbeurende kop: “Beginnende MBO’ers vaak onder niveau basisschool” . De helft haalt met rekenen het eindniveau van de basisschool niet. Of we dat dan maar even met een paar uurtjes in de week in orde willen maken zodat men weer door kan stromen naar het HBO en vanzelfsprekend de universiteit, want we moeten toch echt weer een beetje opklimmen in die Pisa-lijst. Een volgende onderwijsvernieuwing zal bestaan uit het afschaffen van taal en rekenen, omdat beide onderdelen voor te lage scores zorgen en het niveau van HAVO , HBO  en universiteit daaronder lijdt. Vorig jaar zag ik een dure advertentiecampagne , waarmee een MBO-school de wat intelligentere leerling probeerde te lokken. De slogan, groot op reclame-posters verspreid: “Het MBO-lyceum, jou keuze!” ( ik heb de naam uit piëteitsverwegingen even aangepast )

Langzamerhand zijn we allemaal dol aan het worden. Er zou een aantal wettelijk toegestane stakingsdagen moeten komen. Een dag waarop je tot je verbazing bemerkt dat alle schoolmuren ineens doorzichtig worden, dat je in een warreling van correctiemodellen, competentiemetingen, papers en lesschema’s opstijgt onder de verbaasde ogen van je leerlingen met een gelukzalige glimlach op je lippen. Ontsnapt aan de regeldruk, stoned als een garnaal, de boel de boel latend en je weer twintig in plaats van tachtig voelend. Zwevend door maagdelijk witte en roze wolkjes, door de nevelstralen van een mistig zomerbos, langs een verlaten kust met een donderende oceaan onder een kobaltblauwe lucht, of dobberend op een bootje in een lauw voortstromende rivier die wijder en wijder wordt. Een meeuw over de eindeloze zee. Vrij van alles, niets wat je nog tegenhoudt of remt. Geen regels, geen normen en niemand waar je iets aan moet verantwoorden. De tijd lijkt stil te staan, en je proeft elke seconde die eindeloos terug lijkt te komen. Je lichaam is verdwenen, er zijn alleen nog je wervelende gedachten.

En dan, op de toppen van ons genot, dan verschijnt daar het summum van zaligheid, een engel gelijk, in de gedaante van Minister van Onderwijs Van Bijsterveldt, omgeven door een stralenkrans van ondersteunende diensten. En zij ziet dat het goed is en nog beter wordt. Zij zal “zorgvuldig” de vernieuwingen doorvoeren. Er is dus hoop. Alles komt goed. Dus nu weer snel afdalen en aan de slag. Hup, les! Want we blijven toch wonderbaarlijk veel van ons vak en onze leerlingen  ( nou ja, de meeste dan ) houden. Gelukkig maar.

Share

 


#Kutleraren

Het is in het algemeen niet mijn gewoonte om gevoelens van onvrede aan te duiden met namen van welk geslachtsdeel dan ook  ( ik las vandaag in de krant dat de Argentijnse Meereend er eentje van 40 centimeter heeft ), maar aangezien in de moderne media tegenwoordig de volledige intieme vleeswarenafdeling de wereld in wordt geslingerd heb ik toch maar bij hoge uitzondering voor de titel van dit blogje gekozen.

Wat is het geval. Onze beroepsgroep – die van leraar – blijkt behalve bij het kabinet ook bij onze doelgroep, de leerlingen, niet overal even geliefd te zijn. Er wordt danig over ons in negatieve bewoordingen getwitterd, en daarbij wordt dan gebruik gemaakt van hashtags als #kutleraren, #kutschool, noem maar op ( voor de Twitter-leken: een hashtag is een tekentje waar je op Twitter een herkenningswoord aan vast koppelt, zodat een en ander beter gevonden wordt. )

Nu bekt het ook niet als je het in plaats van over #kutleraren over #lulleraren of #lulschool zou twitteren, dan sta je op de een of andere manier voor #lul en dat is iets wat in de puberwereld angstvallig vermeden moeten worden. Vrouwen zijn dus weer eens het slachtoffer. Ze zeggen hele nare dingen over ons, die ook nog eens getuigen van een aparte logica en taalbeheersing:

“Boos zijn op dat mens van wiskunde : ze had me iPod afgepakt ):”
“Volgende week 4 so’s en 2 toetsen, daar weet ik niks van af.. Welke allemaal?”

” Er valt weer eens fucking niks uit”
” Kak school ook nog huiswerk opgeve”
” Fuck, laat je je hw ook even liggen op school. morgen maar even uurtje eerder heen, anders gaan ze weer zeiken”
” Naaaa, heb geen zin meer in huiswerk maken :S het is egt teveeel gewooon”
”  ik ga m’n boeken niet meenemen hoor, jammerdan !

Een snelle oogst, die de argeloze docent de moed in de schoenen zou doen zinken. Een beetje boeken mee laten nemen en huiswerk opgeven, waar háál je de lef vandaan?  En Nederlands geven lijkt ook al geen zin meer te hebben, want wanneer je op het wat meer in moderne spelling gebruikelijke #kutsgool zoekt, verschijnt er ook weer een hele waslijst aan opwekkende berichten, zoals deze:
eens een kutsgool, altijd een kutsgool! Sture ze een brief dat k me diploma kan ophalen. Ga k vndg, hebbe ze em ng niet klaar“, waarbij je je kunt afvragen of de cijfers voor taalvaardigheid zwaar meegewogen hebben bij het behalen van dat begeerde papiertje.

Je fantasie slaat dan natuurlijk op hol en je ziet dan een nieuwe hashtag #kutleerlingen ontstaan, waarbij docenten hun frustraties uiten in termen als: “Er waren weer fucking veel leerlingen aanwezig. Moest ik daar een beetje voor een volle klas staan les geven! Belachelijk! ” Kamervragen en verschrikte Colleges van Bestuur zouden ons deel zijn, woedende ouders die “dat ventje wel es effe in mekaar komen rammen”.

Collega’s, wanneer u morgen weer het lokaal betreedt, en daar het vertrouwde beeld van onderuitgezakte, met jassen aan/petjes op zover mogelijk achterin hangende groep leerlingen aanschouwt, weet dan dat u op een vulkaan danst en dat al uw doen en laten  voor dat u het weet onder de noemer #kutleraren voor heel de wereld is terug te vinden. En weet ook dat lieden die tevreden zijn, daar meestal niet over twitteren. Het klagen zit ons nu eenmaal een beetje in het bloed. En nog een geruststelling: de meerderheid van de leerlingen zit nog niet op twitter. We kunnen dus nog een tijdje ongegeneerd iPods afpakken, boeken mee laten nemen en huiswerk opgeven. Veel plezier morgen.

Share

 


Betoog

De gemiddelde puber heeft het maar zwaar. Een druk bezet leven wat geregeld bestaat uit hevig uitgaan, feesten en beesten, apatisch op de bank hangen en met wezenloze bewegingen van kanaal naar kanaal zappen, razend van woede en met deuren smijtend naar de kamer stormen, subtiel de gezellige maaltijd verpesten, hopeloos verliefd zijn of bedroefd zijn omdat verkering nummer zoveel uit is, eindeloze discussies met ouders over het tijdstip van uiterlijk naar huis komen, ruzie omdat dat ene veel te laag uitgesneden truitje niet gedragen mag worden “omdat je er dan bij loopt als een slet”, beetje irritant in groepjes rondhangen in winkelcentra en dan is er ook nog zoiets als school.

Het vervelende van die school is, dat je daar dingen moet doen. Wie verzint zoiets. Terwijl je het al zo druk hebt, dus waarom snappen ze dat daar niet. Zo moet de gemiddelde puber op mijn school, ergens in het midden des lands, gedurende mijn lessen een betoog houden. Dat is modern en zo, de inspectie en de onderwijsvernieuwers willen het graag, en aangezien je als docent natuurlijk totáál geen verstand van onderwijs hebt worden er door diverse instanties ergens hogerop allerlei modellen en theorieën bedacht waardoor je je lessen zo vooruitstrevend mogelijk kunt geven, en daar hoort natuurlijk ook een door de zelfwerkzame leerling te houden serie betogen bij.

Wel, die vallen eigenlijk nog niet tegen. Ze gaan serieus aan de slag, pluizen het internet af, maken mooie en flitsende presentaties met powerpoint en staan als een volleerd docent met de bijbehorende mimiek een fraai verhaal te houden. Er kan veel van het competentie-leren gezegd worden maar sommige dingen zijn beslist zinvol. Gisteren had ik een lange dag van negen uur les, grotendeels gevuld met deze betogen. Je hoort het aan, je denkt af en toe volslagen geschokt aan de ellenlange formulierbrij die je per betoog nog in dient te vullen maar in het algemeen zijn zulke lessen leuk en leerzaam bovendien.
Het één na laatste uur: een gehalveerd klasje dames verschijnt – we hebben een damesoverschot op school – , de rest van de klas vond twee tussenuren wachten toch wat lang en was vertrokken. Kopje thee erbij, de regen kletterde tegen de ramen, het werd al donker; gezellig dus.
Meisje X is aan de beurt. Rustig in de les, vriendelijk, nooit last van, kortom de ideale leerling. Ze mogen allemaal zelf een onderwerp kiezen en dit betoog van zes minuten gaat over “Euthanasie moet aan minder regels gebonden zijn”. Er zijn er bij, die stijf van de zenuwen, met enorme rode vlekken in de nek en zich aan alle kanten krabbend voor de klas verschijnen. Die gun je natuurlijk tijd, je praat wat op ze in en probeert ze op hun gemak te stellen, want ze hebben er allemaal op hun manier hard aan gewerkt. Meisje X heeft nergens last van en steekt professioneel van wal. Schema’s, getallen, een mooie presentatie. En dan ineens, na een paar minuten, waarin zij stelt dat het soms erg moeilijk is voor mensen om euthanasie te ondergaan terwijl het lijden zo hevig is,  barst zij in hartverscheurend huilen uit en vallen wij allemaal stil. Dit gaat dus over haar moeder.

Ik heb in mijn loopbaan in het onderwijs al heel wat huilende meisjes bij mijn bureau gehad en daar praat je dan mee en je voelt met ze mee en je denkt er aan als je naar huis fietst en dan ben je het wel redelijk kwijt. Je hebt snel je oprecht troostende woorden klaar en meestal gaat zo’n meisje dan enigszins opgeklaard en met ernstig uitgelopen make-up en wat papieren zakdoekjes de deur weer uit. Voor de klas ben je weer de gevatte docent en hou je je emoties toch wel grotendeels verborgen. Voorbeeldfunctie en zo.

Maar dit hakte er toch wel eventjes in, en ik betrapte mij er op dat ik ook wat nattigs in mijn ooghoek voelde in deze klas die nu ineens bestond uit hevig verschrikte en snotterende meisjes en we voelden allemaal een enorme behoefte om de armen om dat trieste en ontredderde kind voor de klas te slaan. Het gebeurt niet snel, maar ook ik kwam niet uit mijn woorden. “Zou je dit jezelf nu wel aan doen meisje, je kwelt je zelf zo op deze manier” was wat ik hakkelend en slikkend uit kon brengen. Ja, het was inmiddels drie jaar geleden, ze dacht dat ze het wel kon, huilde ze. We hebben haar betoog niet afgemaakt en ik heb haar toch een negen gegeven. Soms moet je wat sjoemelen met je cijfers. Omdat je in het onderwijs met mensen te maken hebt en niet altijd met te behalen eindtermen en -doelen.

De rest van de les verliep in een wat onwerkelijke sfeer, waarin we allemaal diep adem haalden en de draad weer zo goed en zo kwaad als het ging oppakten. Zelden zo’n band met m’n leerlingen gevoeld.

Share

 


Nieuwjaarsontbijt en hoe dat te voorkomen

De eerste schooldag in een nieuw kalenderjaar is iets wat ik met licht angst en beven tegemoet kan zien. Niet dat ik ordeproblemen heb of zo – ik doe het met één of twee keer per jaar een nachtmerrie dat het wèl zo is – maar wat vooral vrees inboezemt is het verplichte nieuwjaarsontbijt. Om acht uur worden wij in het pand verwacht, en wie niet komt, kan mogelijk een slecht nieuwjaar tegemoet zien, en – erger nog – moet het doen zonder de nieuwjaarswensen van het bevoegd gezag. In de aula is dan gedekt en mag het dankbare personeel aanschuiven, onder het toeziend oog en luidkeels commentaar van leerlingen die om ondoorgrondelijke redenen op dat tijdstip al aanwezig zijn.

Ik weet dus niet wat erger is: de eeuwige toorn van de over mij gestelde machten binnen ons onderwijsinstituut en een ongelukkig nieuwjaar, of toch maar naar het ontbijt en dan het allervreselijkste moeten ondergaan, namelijk het gezoend worden door collega’s. Ik denk daarbij direct aan een stukje uit  ”Bint” van Bordewijk, verplichte kost voor elke onderwijsgevenden: “Mond open!” Onmiddellijk geulde de mond. Hij was onbeholpen gebeiteld, een nat, rood hol vol ouwe tandjes van vergeeld ivoor.

Nu is zoenen in het algemeen natuurlijk een bijzonder aangenaam tijdverdrijf, vooral als je dat kunt doen met het object van jouw liefde ( er schijnen dierenliefhebbers te zijn die het met hun hond doen ) . Uren kun je jouw tong laten rondhangen in zo’n natte warme holte, en er zelf ook eentje verwelkomen. Wetenschappers schijnen trouwens uitgezocht te hebben dat je tijdens het zoenen met een aidspatiënt die ziekte kunt oplopen wanneer je minstens tachtig liter speeksel uitwisselt, dus dat risico is verwaarloosbaar, met wie of wat je het ook doet.

Nu werk ik op een vrij grote school, er worden dus zo’n honderd collega’s , al dan niet met frisse tegenzin, op de festiviteiten verwacht. Momenteel is drie keer zoenen bij dit soort sociale evenementen usance, en als ik er dan vanuit ga dat er zo’n 50 vrouwelijke collega’s zijn, waarvan er 20 mij sowieso vanwege mijn mogelijk afstotend uiterlijk of anderszins onsympathiek voorkomen niet zullen willen zoenen, dan blijven er toch altijd nog 30 over. In het meest beroerde geval zul je dus 90 keer gekust worden en zelf ook zoiets moeten verrichten. Ik ben wel geneigd enkele collega’s (allen vrouwelijk, en niet behorend tot het management) te willen zoenen, zodat er uiteindelijk  zo’n 81 gevallen van ongewenste intimiteit overblijven. Direct een stevige hand geven en dan flink op afstand duwen wil nog wel eens helpen, maar levert dan een tennisarm op.

Via Twitter kreeg ik allerlei adviezen binnen: knoflook eten (@Fred_Beumer), zeggen dat je verkouden bent ( @JoachimW), koortslip ( @MevrNestorix en @harmhofstede) en roepen dat je melaats bent ( @Wiswijzer2); allemaal ervaringsdeskundigen. Dat melaats zijn lijkt me wel wat. Klingelend met zo’n bel, gehuld in lompen en zonder benen zittend op zo’n houten karretje duw je jezelf dan de feestzaal in, en door je vrolijke geroep hou je iedereen, zelfs de vrouwelijke collega’s met beginnende snor en stoppelbaard, op afstand. Ook de directie zal je door je lage ondergeschikte houding niet zien zitten ( dit kan dubbel opgevat worden, maar ik bedoel het ene ), en je kunt in een stil hoekje je witte kadetje vanaf je plastic bordje oppeuzelen.
Waarom toch dat gezoen met wildvreemden? Wel beschouwd is het niet anders dan elkaars wangen tegen elkaar drukken en daarbij kusbewegingen in het luchtledige maken.  Doe het dan goed, vol op de mond, en rats, die tong er in. Men gaat zowaar iets menselijks in je zien. Je laat wel een diepe indruk achter in het nieuwe jaar, en het is toch allemaal een stukje minder oppervlakkig zo. Bijkomend voordeel is dat je volgend jaar niet op een nieuwjaarsontbijt hoeft te rekenen.

Share

 


Onderwerpen:

Laatste reacties

    • Rein Bijlsma: Uhm..Barry en Cesar, dat gaat. Ik neem mijn woorden deel terug ;-)
    • EarringTweets: “Aanschouwe daar vier stramme heren, de jongste 64, de oudste bijna 66, die daar enigszins...
    • Paul: Goed verhaal, kan me heel goed voorstellen hoe lastig het is om over zo een onderwerp te schrijven.
    • Rein Bijlsma: @Hartger: Haha, het feit dat je als vertegenwoordiger van een door veel docenten verfoeide beroepsgroep...
    • Hartger Wassink: Dank voor de doorverwijzing. Interessant artikel, omdat het zo schaamteloos eenzijdig is. Dat kun je...

Archief