Welcome to nowhere, deel 2

Dit was een rare week. Opnieuw zit ik in de bus die mij lijkt te leiden naar het einde van de wereld. Hetzelfde weer: grijze watten, die deze dag eind juni doen linken op zo’n onbestemde, afwachtende dag ergens begin november, wanneer het geen herfst meer is maar ook nog geen winter.

Finland is een land als alle andere noordelijke landen, alleen lijken hier de bewoners op veel plekken te ontbreken. Toeristische plekjes, jachthaventjes, de poolcirkel; het is er uitgestorven. Hier en daar een camper op een vlakte langs een winderig grijs meer; het is tenslotte zomer. Op de rotondes in de plaatsjes die de bus passeert, meestal een standbeeld zoals je die op een plein ergens in een mijnstad in Kazachstan zou verwachten, of ergens in de kolenstreken van Noordoost China.

Het is een graad of elf. De taxichauffeur die mij van het ziekenhuis naar het busstation bracht, vertelde dat men dit heel redelijk vond.

Het ziekenhuis. Afgelopen maandag, na de eerste dag van een cursus die met Europees geld om toch wel plausibele redenen in een der meest afgelegen uithoeken van het noordelijk halfrond werd gehouden, was ik rillerig in bed gekropen, in een kamer die maar niet donker wilde worden en waar de middernachtzon de schitteringen van de rivier op de muur weerkaatste. Ademhalen werd een opgave van jewelste, messen leken in mijn longen te steken. Niet geslapen natuurlijk, de derde nacht op rij.

De volgende dag, de cursus maar even verzuimd, een wandelingetje als van een bejaarde. Naar het dorp, wat leek te bestaan uit twee winkels,een hotel, een enorm Lappen-museum ( de Lappen worden trouwens ook ‘Sami’ genoemd ) - een nog veel groter exemplaar was een eindje verderop in aanbouw – en wat huizen. Af en toe passeerde een auto,verder niets dan stilte en ruisende wind. Stralend weer, dat wel, maar zoals op een mooie winterdag. Hoogzomer in Lapland. De wandeling werd kort, onderbroken door aanvallen van paartjes stormmeeuwen die met schrille kreten de boze indringer poogden de verjagen. Het jong dobberde op de rivier, en ik zag in mij al een moordlustige vogelhater die kleine lieve donsballetjes de verdrinkingsdood injoeg.

De grond werd steeds zompiger; op plaatjes van de streek had ik ook al beren gezien, dus een gruwelijk einde ontrolde zich voor mijn geestesoog. Duizelig terug gestrompeld naar het dorp, even kijken in de souvenir-winkel: messen om een olifant mee te slachten, mutsen, pantoffels en heel veel sauna-benodigdheden, buijvoorbeeld een stuk gewei on je op je rug te krabben.

‘s Avonds hoge koorts, een volledig op hol geslagen hartritme en wat ongeruste collega’s belden de dokter, die – net als in Nederland – liet weten dat ik maar naar de hulppost in de dichtstbijzijnd gelegen plaats moest komen, in dit geval Ivalo, zo’n 40 km verderop. Daar bevond zich een hospitaalje, waar een dokter na enige tijd een heel verhaal in het Fins tegen mij af begon te steken, tot het doordrong dat ik daar niet echt vloeiend in was. Over op Engels dus, een vaardigheid die de aanwezige zusters helaas nauwelijks beheersten. Het schijnt in Finland ook al niet goed met Nokia te gaan, trouwens.  Hartfilmpjes, infusen, hoge koorts en na een uur ook zuurstof. Men wilde mij wel houden eigenlijk, en echt tegenstribbelen kun je op zo’n moment niet. Om het piepen van de hartmonitor uit te schakelen, moest de zuster de gebruiksaanwijzing raadplegen, en het kastje werd voor een raam gereden zodat men voor mij een soort intensive care creëerde zodat ik in de gaten gehouden kon worden vanuit het zusterkamertje er naast. Een nacht gekoppeld aan slangen en buizen, en eeuwig daglicht alom, dat betekende dus wéér niet slapen. Men komt ook niet even snel over vanuit huis om de kwijnende patient de hand vast te houden. Barneveld-Inari, 2848 km, zegt Google Maps,  33 uur rijden, vertrek in noordelijkwestelijke richting vanaf de Verlooplaan. Hypochonder als ik ben, maakt ik mij al druk over het uiterlijk  en het vervoer van de kist naar Nederland.

De volgende dag en diverse aderlatingen verder, was het hart weer tot rust gekomen en de koorts wat gezakt. Men vermoedde een longontsteking, maar de infectiewaarden in het bloed bleven maar stijgen. Ik kreeg mijn eerste bord Finse pap. Er zouden er vele volgen ( en weer onaangeroerd teruggebracht worden naar de keuken ). Verder: brood ( een sneetje gewoon en een sneetje zuur ), thee, toetje ( consequent iets drillerigs wat er op het oog eerst best wel smakelijk uitzag ) en dat op vreemdsoortige tijdstippen.  En natuurlijk voortdurend twee infusen. Wil je die pap niet goedschiks, dan maar kwaadschiks, en injecteren we de zooi rechtstreeks in je aderen. De conversatie met de zusters bestond uit “Yes”en “No”. Aan het ein de van de middag mocht ik de “intensive care” verlaten en kreeg ik een andere kamer, die ik – o blijdschap – mocht delen met twee stokoude Finnen, waarvan er eentje volgens mij al enkele weken gebitloos en morsdood in bed leek te liggen, met lege ogen en wijd open mond starend naar het plafond. Ik hoefde mij niet te verheugen op een boeiende conversatie in vloeiend Engels  over alle aspecten van de Finse samenleving en de gezondheidszorg in het bijzonder, en ook het woord “pap” zou in het Fins ongetwijfeld een halve bladzijde in beslag nemen. Wie op tv een Fins ondertitelde film kijkt, heeft volgens mij alleen nog de bovenkant van het scherm voor het eigenlijke beeld ter beschikking. En er wàs tv op de kamer. De iets minder dode maar stokdove kamergenoot vond het hoog tijd om het apparaat in te schakelen om zo een bijdrage te leveren aan mijn stekende hoofdpijn.

Op dag drie was er gelegenheid tot ontsnapping, doordat ik met mijn infuusstaketsels nu wat mocht rondwandelen. Naar huis was uitgesloten, men dacht nu aan een longembolie en tot overmaat van ramp belde de Alarmcentrale vanuit Nederland. een ernstig persoon informeerde dringend naar mijn gezondheid. Dan gaat het dus echt niet goed met je.  Het ziekenhuisje leek geheel ingericht op de verzorging van dementerende bejaarden, en stelde een intrigerende verzameling foto’s aan de wand ten toon, waarvan er hier enkele te zien zijn. Er was een soort sanatorium-balkon, met achter glas uitzicht op een meer. Er waren overal schommelstoelen, er was een bejaarde die ‘s ochtends voor de buis in de ‘ontspanningsruimte’ werd geposteerd, daar de hele dag kreten slaakte en die ‘s avonds weer werd weggehaald. Schommelend bracht ik de middag op het sanatoriumbalkon door, om maar niet naar de kamer terug te hoeven, de pap stond naast mij koud te worden. Zo voelt het dus wanneer je honderd bent.
Nog meer dokters; een verademing, want even Engels kunnen spreken. De volgende morgen – vrijdag –  zou ik heel vroeg naar Rovaniemi, zo’n 350 km. verderop gebracht worden, want alleen daar kon men zeker constateren of ik wel of geen longembolie had. Vliegen was uitgesloten in dat geval. Minstens een extra week pap. Je zou sterk gaan geloven in wonderbare genezingen.
De zuster kwam. Het infuus werd vervangen, enge bloedstolsels die regelrecht je hersenen in zouden kunnen schieten. Bloedverdunning in de buik. Het doet geen zeer meneer.  Eindelijk douchen, de infuushand in plastic verpakt. Warm water als een hemels bad, waar je uren onder zou kunnen staan als je niet zo zwak was geweest.

Vrijdagmorgen, 4:30 uur. De enige zuster die nog een klein beetje Engels spreekt, brengt mij een ontbijtpakketje, nog één keer een infuus en wenst mij goede reis. Geen pap. Warmte doorstroomt  mij. Ik ploeter mij wankelend in mijn kleren, zie op tegen de lange rit. De rugzak lijkt 80 kilo te wegen. De taxi staat klaar, een busje met zowaar een bed er in, en een chaffeur die natuurlijk geen Engels spreekt. De reis verloopt knikkebollend, af en toe vertraagd door matineuze rendieren, maar toch word ik tijdig in het ziekenhuis in Rovaniemi afgeleverd, waar ik zal horen of ik nu wel of geen longembolie heb en waar men zeer voortvarend en vlot Engels sprekend met mij aan de slag gaat. Series prikken, foto’s, onderzoeken. Ik lig op de eerste hulp. Naast mij wordt een soort blazende en stomende walrus binnen gereden, de kleren worden van diens lijf geknipt en iemand met een lang leren voorschoot rolt een karretje vol dikke slangen achter het gordijn, waar nu vreselijke geluiden vandaan klinken. Er ligt iemand dood te gaan, lijkt het. Ik besluit de rest van mijn leven te vasten, nooit meer te snoepen, een lichaam als een jonge god te kweken.  Men draaft in en uit, gordijntjes vliegen open en dicht. Hier wordt gewerkt. Een jong zustertje rijdt mij met wapperende haren door de gangen heen en weer naar de röntgen-afdeling. Na een paar uur komt een dokter, een jonge Finse schone met zo’n strenge bril met zonder glazen lijkt het, die mij vertelt dat ik geen embolie heb maar slechts een zare longontsteking en dat ik morgen naar huis mag vliegen. Een paar uur later sta ik buiten, opnieuw te wachten op de bus, terug into the wild. eerst weer naar het noorden, maar levend en wel, en nog nooit zo verlangend naar huis als nu. We leven weer, ook al is het nog in the middle of nowhere.

En nog even een intrigerende foto uit de wandcollectie van het ziekenhuis in Ivalo. Je voelt je toch snel aangesproken…

Naschrift: Inmiddels ben ik weer thuis. Ik voel me geen honderd meer, maar tachtig. Het gaat dus beter, maar langzamer dan je zou willen. Alle tijd om straks te genieten van de vakantie en zo af en toe weer eens een blogje te schrijven. Ik kon het toch niet laten. Genoeg tijd gehad om heel veel na te denken over allerlei dingen in elk geval, en om diverse roeren rigoureus om te gooien. In een richting die heel aardig lijkt. Twitter heb ik niet gemist, ondanks dat je met een druk op de knop bijna 1000 volgers wist. Sporadisch zal ik er nog te vinden zijn, wanneer ik iets zinnigs te melden heb misschien. of ook wel onzinnig, maar toch misschien wel iets aardigs.

 

 

Share

 


Welcome to nowhere, deel 1

Ik ben in Finland, om precies te zijn, in Rovaniemi, een plaatsje ergens vèr in het noorden van een land wat toch al zo noordelijk aandoet. Er zijn opvallend veel Finnen hier, waar de zaterdagavond om elf uur ‘s avonds oogt als ware het drie uur op een november namiddag.  In Rovaniemi wil je niet oud worden , en al helemaal niet jong wezen. De Kerstman heeft er jaarlijks domicilie, en de luchthaven is geheel in stijl.  Mijn hotel kijkt uit op de meest noordelijke McDonalds ter wereld, een onooglijk pand waar de plaatselijke hangjeugd op de bijna langste avond van het jaar mistroostig voor zich uit staart achter een beker ijskoude cola met ijsblokjes, terwijl ik op de meest noordelijke french fries medium kauw. Even verderop in de straat, die oogt alsof de sneeuw nèt is weg gedooid, bevindt zich het Lordi-restaurant, waar ongeveer de allervreselijkste act ooit van het songfestival is geboren. Het restaurant is dienovereenkomstig ingericht, met doodshoofden en plastic botten aan de muur. Eet smakelijk. Donker wordt het niet, we zijn hier in het land  waar de zon niet of nauwelijks ondergaat, in de zomer dan.

Niet echt haute couture

Tja, een pak van fraaie snit oogt zo toch wat sombertjes

De lucht is grauw bewolkt en een kille wind drijft temperaturen van 10 graden rechtstreeks van de pool. En ik moet nog noordelijker, veel noordelijker: vijfeneenhalf uur met de bus naar Inari, een gehucht van 500 inwoners in de buurt van de Russische grens, en ook niet al te ver van Moermansk. Er zijn weinig mensen op straat. Wat moet je hier ook. Rovaniemi lijkt naast de Mc Donalds en het Lordi restaurant te bestaan uit parkeergarages, communistische flatgebouwen en grimmig gesloten winkelcentra die zijn neergevallen in omgewoelde hopen aarde en betonnen platen. De stad is net zo grijs als de wolken, die ook al geen afwisseling vertonen. Er scharrelen veel Russen rond, bijna zonder uitzondering gekleed in foute trainingspakken en shirts met opzichtige opdruk. Slapen lukt niet, alweer niet. De jetlag van twee weken geleden is nog steeds niet verwerkt.

De volgende morgen is naargeestig en guur, en ik besluit tijdig naar het busstation te sjokken, want de bus rijdt maar twee keer per dag, en missen betekent nòg een nacht hier. “Nordkapp” geeft een bord boven het raam aan. Dat is nog te ontcijferen. Ik zoek een plekje. Uit de radio in de bus klinkt: “I put a spell on you”. Veel ouderen. De man van het echtpaar voor mij probeert de stoel in de slaapstand te zetten, wat niet lukt doordat ik ernstig tegenwicht bied met mijn knieën. Dat wordt opletten, want als ik gedurende de reis eenmaal opsta, kom ik nooit meer op mijn plek. We vertrekken. De reis into the wild is begonnen. 56 euro, richting het Lappenland, richting niets. Ik wil lijden, afzien, niet wetend dat dit later in de week ernstig bewaarheid gaat worden. Het land van beren, veelvraten , elanden en wolven lonkt.

We passeren het Santa Claus Village op de poolcirkel. Dan te bedenken dat ik twee weken geleden nog aan de tegenovergestelde kant in Australië zat. het dorp van de kerstman bestaat uit houten hutjes en snacktenten, en mag zich verheugen in het bezoek van enkele Finse gezinnen met kinderen. Je moet toch wat op je vrije zondag, dus ga je half juni maar eens het dorp van deKerstman bezoeken. We rijden verder, ik wacht nu vol smart op de eerste kuddes overstekende rendieren. Er zijn geregeld zijwegen, die allemaal naar iets lijken te leiden, maar waar het schaarse autoverkeer tóch afslaat. Ook zijn er lieden met een optimistische handelsgeest die hier en daar een nering in koffie, drank en vettige worstjes langs de weg hebben neergezet. De bus is gevuld met bejaarde en kouwelijke Australiërs die steeds meer truien en jassen aantrekken, terwijl de verwarming toch op vol vermogen lijkt te staan. Europa in drie weken. Ik deed Australië in twee dagen, en dat wreekt zich nog steeds. De temperatuur binnen doet denken aan een sauna.

Er is een verplichte stop van 45 minuten in Ivalo, een al even nietszeggende plaats als Rovaniemi. Verlaten parkeerplaatsen, hopen omgespitte aarde, hermetisch gesloten restaurants, een supermarkt die allerlei vliegvis-benodigdheden verkoopt aan dikke mannen in camouflagepakken met baseball-petten op en modderige pickup-trucks. De bejaarden schuifelen onrustig heen en weer. Zij worden nog verder gezeuld richting Noordkaap, waar ze vanavond rond tien uur zullen zijn om vervolgens per boot naar Bergen af te zakken.

De bus rijdt weer. De chauffeur luistert nu naar iets wat een hoorspel doet vermoeden. Een hoorspel in het Fins. We passeren een bord: Murmansk, 300 km. De laatste etappe nu naar Inari, een gehucht met 500 inwoners. Daar zal ik een week lang de bossen en de ruisende rivier aanschouwen.

 

Share

 


Wauwel revisited

Gezien het feit dat Wauwel afgelopen week in twee uiterst noordelijk gelegen Finse ziekenhuizen ongeveer aan de klauwen van de dood ( ik overdrijf maar een heel klein beetje ) is ontsnapt, én de vele verzoeken om toch alsjeblieft door te gaan met dit blog, moet ik dit als een teken van hogerhand zien om misschien toch het toetsenbord weer ter hand te nemen. Tijdens mijn herstelproces ( ik mag gelukkig weer terugvliegen naar Nederland, waar de meeste mannen géén paardenstaart en een sikje hebben ) zal ik nog eens ernstig nadenken over het vervolg… Stay tuned…..

Share

 


Afscheid

Dit is het laatste blog. Wauwel stopt, zowel hier als op Twitter. Er is meer in het leven dan jezelf tentoonstellen op internet en kreten van 140 tekens de ruimte inslingeren. Het is tijd voor bezinning, tijd voor andere inzichten, tijd voor andere bezigheden.
Door de jaren heen heb ik een trouwe schare lezers en volgers opgebouwd, die ik hierbij allemaal hartelijk wil bedanken voor hun interesse en voor de tijd die ze aan mijn schrijfsels en berichten besteed hebben. Ik heb mensen verblijd, ontroerd en ook gekwetst, mijn stukjes waren soms leuk, soms ontroerend en soms cynisch. Het is voor mij een mooie uitlaatklep geweest, dat is wat bloggen toch vooral is.

Ik wens jullie alle goeds.

Rein Bijlsma ( Wauwel )


Dit bericht blijft nog een paar weken staan, daarna gaat de site op zwart.

Share

 


De grote boze wereld

Zo zit je zondags een beetje voor je uit te staren en je vraagt je af wat te gaan doen en wat er vanavond op tv is, en zó zit je diezelfde avond nog in het vliegtuig naar Brisbane, alwaar mogelijk ingegrepen moet worden om wat stage-lopend kroost tot de orde te roepen.
Want wat moet je als ouder. Loslaten natuurlijk, een beetje afstand nemen en van daaruit kijken hoe het vogeltje de wijde wereld verkent. Maar niet zo ver weg, dat het onzichtbaar wordt. 
Nu is dat makkelijk: alle jonge vogeltjes hebben tegenwoordig Hyves, Skype, Whatsapp en Facebook, daarbij niet altijd beseffend dat de ouden ook niet meer helemaal van gisteren zijn en dus op gezette tijden een bezorgde blik werpen op de tak waar het jonge vogeltje al stuntelend is geland en luidkeels piepend of twitterend de wereld verkent. 
En wat ze daar zien is niet altijd verheffend. Veel uitvliegende vogeltjes hebben tegenwoordig de onhebbelijke gewoonte om verder en onvoorzichtiger  te vliegen dan eigenlijk de bedoeling was, en dan is er altijd wel ergens een loerende kater op vogeltjesjacht of een ruit waar men zich tegenaan werpt. 

De ouders vliegen hevig schreeuwend boven het slachtoffertje rond, doen schijnaanvallen op de dader maar kunnen meestal weinig uitrichten. Een dag later lijkt de narigheid al weer vergeten en wordt noest gewerkt aan een nieuw broedsel. 
Helaas hebben wij, menselijke ouders, niet altijd de verstandelijke vermogens van onze gevederde vrienden, dat zou soms een enorme hoop zorg en stress schelen. Het is echter meer dan instinct. En als er een noodgeval dreigt te ontstaan, dan kun je niet anders, kost wat kost, er op afvliegen. Dan maar geen dure zomervakantie naar Indonesië , waar je drie weken voor dacht uit te trekken. In plaats daarvan binnen in een week heen en weer naar de andere kant van de wereld, het groot deel van de reis nachtbrakend, piekerend en peinzend in de meest krankzinnige houding in een vliegtuigstoel. Toch  word je zo wel gedwongen je gedachten even te ordenen en het gemaal tot rust te laten komen; misschien valt het allemaal mee, je hebt ze toch een keurige opvoeding gegeven, en zelf was je in je doen en laten vroeger ook niet altijd even fris op die leeftijd.
Zijn de gevaren tegenwoordig groter, zoeken we meer de grenzen op? Het maakt niet uit. Als ouder schiet je je kroost te hulp, als is het gevaar nóg zo groot en is de grens reeds lang overschreden. Geen berg te hoog, later ook geen ‘had ik maar’.
Snel vliegen dus, en hopelijk is het allemaal niet nodig, hopelijk heb je je veel te veel in het hoofd gehaald. 

Deel 1 zit er op. Doe Australië in drie dagen. Het vogeltje is gevonden en onder de hoede genomen. Zo’n reis, binnen 7 dagen,  42000 km via Amsterdam, Frankfurt, Singapore, Brisbane, Hong Kong, Londen, Amsterdam, is een ook een beetje een waanzinnige reis door je eigen geest, waar je in het zelfde razende tempo indrukken opdoet als in de buitenwereld. Je vliegt van de ene uithoek van je geest naar de andere, van laag naar hoog, van hoog naar laag. Vaders praten moeilijk met hun dochters, praten liever met zichzelf soms. Praten moet je leren, begrijpen moet je leren, invoelen moet je leren. Je zelf en je kind tegenkomen is een kunst, die ik nu in een snelcursus van zeven dagen heb aangeleerd. Verschrikt en eerst hulpeloos heb ik naar het vogeltje gezocht, en ook gevonden. Over een paar dagen vliegt het mee terug, op eigen kracht, maar wel naar huis. De goede richting.  

Share

 


Rust….

Ut benne hectische tijden. Ik check in- en uit op Foursquare, ik hou mij actiever dan ooit bezig met Facebook,  ik luister muziek op Spotify, ik bel met de halve wereld via Skype en ik sprokkel volgers bij elkaar op Twitter. Daartussen door praat ( of What’s App ) ik af en toe met mijn vrouw, geef ik mijn leerlingen les via de electronische leeromgeving en neem ik soms de tijd voor een slaapje, waarbij de Sleepcycle App op mijn iPhone mijn slaappatronen registreert en mij bij het ontwaken op de hoogte houdt, zodat ik op mijn gemak naar de internet-wekkerradio kan luisteren. Gelukkig kan ik soms ook nog even ontspannen in de natuur, waar ik tijdens een wandeling volgens mijn GPS-systeem kan genieten van de vogels, waarvan ik allemaal de zang kan onderscheiden dankzij mijn Tsjilp-programmaatje.  Verdwalen is er niet meer bij, er is altijd wel ergens iets wat mijn doen en laten registreert. Ik volg en word gevolgd. Je moet toch wat doen, wanneer het Sony Playstation Network er uit ligt en je je dus suf verveelt.

Maar misschien ben ik juist wel heel erg verdwaald. Weggedwaald van waar het toch vaak om gaat: contact met anderen  en tijd voor bezinning op jezelf, op je leven. Daar zou ook een appje voor moeten zijn.  “Bezinning” voor € 0,79 of zo te downloaden in de App store. Een applicatie die je telefoon uitschakelt, je pc uitschakelt, al je apparaten van je werpt en die je digitale bestaan opheft en je verstand eens op nul zet. Een algehele reset.  Niets meer te doen, tijd om iets echts te gaan doen.

Nu word ik dus sinds deze week op Twitter gevolgd door een heuse monnik: Broeder Steve van de Abdij van Egmond. Alsof ik in deze 21e en futuristische eeuw ineens door de Middeleeuwen word ingehaald en bij de arm genomen word. God twittert dus ook.
Bij monniken en abdijen stel ik me nog altijd scènes voor zoals in de film “The Name of the Rose”: duistere krochten en walmende flambouwen, schimmen die verborgen in lange pijen gebogen langs komen schuilen. Kou, verdoemenis, de inquisitie, intriges, de pest. De middeleeuwer kreeg in zijn hele leven net  zo veel informatie te verwerken als een puber nu gedurende één dag. Dat was dus eigenlijk wel relaxed, ook al had het leven in de duistere tijden soms z’n nadelen. Je kon je nog ergens over verbazen, verwonderen, en er waren nog dingen die je niet kon Googelen.
We hadden nog niet de neiging om werkelijk alles wat we deden en dachten aan de wereld kenbaar te maken.
Op de iPhone kan ik nu bijvoorbeeld een applicatie installeren die mijn sexleven registreert: alles wordt bijgehouden, hoe snel en hard je beweegt, hoe hard je mogelijk schreeuwt of kreunt en of je misschien ondersteboven in bed ligt tijdens het moment suprème. Al je vrienden worden direct via twitter op de hoogte gehouden en je prestaties verschijnen op een scorelijst die anderen dan weer kunnen overtreffen….Het is echt waar, hoewel je elke keer weer denkt dat we in het verzinnen van treurig exhibitionisme niet dieper kunnen zinken dan wat we dagelijks al aan pulp op de RTL-zenders krijgen uitgestort.

Het klooster in de 21e eeuw. Ik kon er eens een weekend naartoe, dat leek me heel avontuurlijk. Een weekendje afzien in de koude en duistere gangen, Gregoriaans galmend gezang, om drie uur ‘s nachts op voor de metten, knielend op een hard bankje, verzonken in mijn leenkazuifel. Back to basics. Tót ik hoorde dat dit een weeekend zou zijn in een nonnenklooster en waar de verwarming op 23 graden stond in een redelijk comfortabel en fel neon-verlicht ingerichte slaapkamer….

Dan maar digitaal dus. In plaats van de mis kan nu het woord van de Heer in 140 tekens tot mij komen, bijvoorbeeld in de persoon van broeder Steve, die ook qua naam al heel modern met de tijd is meegegaan. Een broeder Stefanus ware wat toepasselijker geweest. Maar toch: we zijn nog niet helemaal reddeloos ten onder gegaan in de digitale hectiek. Er zijn nog wat rust- en ijkpunten in ons digitale leven. “Weer in mijn oase, het is stil in huis”, twittert broeder Steve. Ik ben echt jaloers.  Soms hebben we allemaal even een broeder Steve nodig. Zoekt en gij zult vinden.

Share

 


Aaaargh!!! Kill!!!

Vroegâh, wanneer het schemerde, ging je nog even fijn naar buiten om je buurjongen dood te schieten. Dat was heerlijk. De zinderende spanning wanneer je – verscholen in de bosjes van het nabij gelegen plantsoen – je slachtoffer argeloos zag naderen en hem plotseling de volle laag kon geven met je klappertjespistool, of, wanneer je ouders wat minder te besteden hadden, met een zelfgemaakt geweer van een stuk hout en blaaspijp. Voordeel van zo’n laatste wapen was dat je er ook papieren pijltjes en klapbessen mee kon schieten. Die pijltjes rolde je van stroken papier, en op geregelde tijden lagen de straten vol met pijltjes, als de rolschaats- knikker of tollentijd weer voorbij was. Die periodes wisselden elkaar om onnavolgbare redenen af op de schoolpleinen en speelplaatsen. Meisjes waren natuurlijk wat minder agressief bezig dan jongens: meer met elastiek, springtouwen of gewoon ouderwets degelijke Barbie’s . Veel kinderen rollen ongeveer van hun stoel van verbazing, wanneer je het daar over hebt. Wat oneindig saai, truttig, sloom en suf. Een leven zonder computers en mobieltjes, wat moet je dan in vredesnaam met je tijd doen???

Met een houten speelgoedgeweer hoef je tegenwoordig niet meer aan te komen. Een beetje kind, en dan vooral weer jongens, bedient zich tegenwoordig van een futuristische lasergun en roeit daarmee behalve de buurjongen ook hele hordes buitenaardse monsters uit. Hoe meer hoe beter, en hoe zwaardere en nog vernietigender wapens je kunt kopen, soms voor echt geld . Niet alleen in de schemering wanneer je nog even buiten mag spelen, maar soms meer dan acht uur per dag, zo blijkt uit onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. 3% van de kinderen tussen 13 en 16 jaar houdt zich op de meest krankzinnige tijden bezig met bijvoorbeeld het vernietigen van Arabische hordes, Middeleeuwse woestelingen of buitenaardse invasies. Vooral jongens op het VMBO vertonen dit gedrag, en worden daardoor depressief, scoren slecht op school en komen slaap te kort. Elke klas telt een aantal van die typische nerds: ze bestaan dus echt. Jongeren die zich terug trekken in een niet bestaande maar voor hen o zo levensechte wereld, waar de bedreigingen van een heel andere aard zijn dan de verschrikkelijke saaie school- of thuisomgeving. Steeds meer neemt die wereld de plaats in van de echte wereld, die dan inderdaad wel heel gewoontjes overkomt. Docenten en ouders , dát zijn in hun optiek pas echte wezens van een andere planeet, die totaal geen benul hebben van hoe het er in de echte virtuele wereld aan toe gaat. Ik snap het trouwens wel: je wordt bijvoorbeeld gepest, je durft niets terug te doen. Je hebt je uiterlijk niet mee, je bent niet sportief. En dan, daar is dan ineens de mogelijkheid om een atletische superheld te zijn, omgeven door dito superhelden van het andere geslacht. Je vernietigt met een druk op de knop wie je niet aanstaat. Je wordt heerser over de wereld, over het universum zelfs. Wie wil dat nou niet?

En wij hebben geen benul. Het benul wat wij hebben, is nog gebaseerd op blaaspijpen, klapperpistolen, knikkertijd en ouderwets Monopoly of Stratego.  Onze kinderen leven soms in een wereld waar wij geen weet van hebben. Veilig thuis achter de computer, da’s toch veel beter dan je elk weekend klemzuipen in de kroeg? Láát die kinderen toch een beetje onschuldig vermaak.  Niet dus. Habbo-hotel was leuk, de Sims was leuk, een kort spelletje World of Warcraft, dat moet kunnen. Wij vinden het allemaal maar stom, dus verdiepen we ons er niet in. We zien ze rustig achter de pc of met hun mobieltje zitten, we hebben zicht op ze, niets aan de hand.

Tot het te laat is. Tot we zelf buitenaardse wezens zijn geworden. De kloof tussen de digitale wereld en onze wereld wordt steeds groter, terwijl de kloof tussen de digitale wereld en de leefwereld van onze kinderen al lang niet meer bestaat, en de digitale wereld steeds meer vervlochten raakt met de echte wereld. Voor veel jongeren, zeker voor hen die wat onderscheidend en relativeringsvermogen missen, ís de wereld van Warcraft langzamerhand de enige echte wereld, een wereld waaruit geen ontsnapping meer mogelijk lijkt.

Hoog tijd dat we als ouders en docenten dus eens een kijkje gaan nemen in die wereld. Niet alle ouders en docenten willen of kunnen dat, want te druk, niet onze taak, ver van mijn bed.  De school en de ouders thuis kunnen zich echter niet langer meer veroorloven geen deel uit te maken van de wereld waarin veel van onze kinderen leven.  Die wereld gaat 24 uur per dag door, en dan zijn lessen op school , een nachtje slapen thuis of een maaltijd met het gezin wel heel hinderlijke onderbrekingen  van iets wat veel leuker en uitdagender is, maar ook veel verslavender dan bijvoorbeeld een beetje suf en niet erg chill  bij wiskunde of Engels te zitten. Die school zou net als de virtuele wereld een plekje moeten krijgen in de combinatie van al die werelden waar jongeren tegenwoordig in leven. Alles met elkaar vervlochten: school, World of Warcraft, thuis, werk. Zodat iedereen een oogje op elkaar kan houden en waar nodig kan aanvullen of bijsturen.

Ik chargeer natuurlijk een beetje. Het is nu “nog maar 3 %”. Maar het percentage groeit, zeker nu je de spelletjes op je mobieltje overal mee naar toe kunt nemen. Daarom een oproep om eens wat te brainstormen , vooral aan gamende ouders en leraren, waar ik mij zelf ook toe reken. Ook op je 57e mag je speels zijn, ik  mag graag wat buitenaardse wezens afknallen of een rondje om de wereld vliegen in mijn Jumbo-jet in Flight Simulator. Dat is het vreselijk leuke van de tijd waarin we nu leven: je kunt er even helemaal uit vanachter je bureaustoel. Zolang je maar met twee benen op de grond blijft zitten. En dat is dus wel wat lastig voor sommigen.  Reacties welkom.

 

Share

 


2 minuten stilte, ook digitaal…

Het is weer bijna dodenherdenking en dan brengt een deel van Nederland het op om zowaar weer eens 2 minuten stil te zijn. Dat is een behoorlijke opgave, als ik bijvoorbeeld denk aan de momenten dat mijn dochters nog allemaal thuis woonden en vader Wauwel hun verplichtte om tijdens de uitzending van de Waalsdorpervlakte even de kakel te houden. Zoiets werkt natuurlijk averrechts wanneer je puber bent, en het resultaat was vaak een stilte die onderbroken werd door krampachtig gehik en ingehouden gierende lach, waarbij woedende blikken over de schouder naar de veroorzakers van dit onheil geworpen werden. Mijn vader kon zich bij gebrek aan dochters tijdens de stilte om acht uur ook vreselijk opwinden over buren die bijvoorbeeld de vlag niet uit hadden of over auto’s die de gore lef hadden gewoon door te rijden.

De Waalsdorper Vlakte moet het zijn, en niet de Dam, die  – in mijn optiek – te ver van het gewone volk af staat door de aanwezigheid van allerlei bobo’s en koninklijke types op ereplaatsen.  Op de Waalsdorper Vlakte is het ook stiller, eenvoudiger, bijna totale stilte, die hooguit onderbroken wordt door het zingen van een merel of het geluid van de wind, twee dingen die de stilte daar nóch intenser doen klinken.  We lijken niet meer tegen echte stilte te kunnen. Zelfs twee minuten per jaar is voor een behoorlijk deel van de Nederlanders al te veel moeite.  Er móet gewoon lawaai zijn, anders schijnt men zich niet te kunnen concentreren op waar men mee bezig is. Bijna al mijn leerlingen hebben bijvoorbeeld muziek, of daarnaast ook nog televisie aan tijdens het leren van hun huiswerk. Daarbij komt dan ook nog de computer met MSN en bijvoorbeeld Hyves, dat dit jaar zowaar een digitale dodenherdenking zal toepassen. Bezoekers krijgen rond die tijd een verzoek om digitaal stil te zijn en een getoond gedicht te lezen. Geen slecht initiatief om jongeren, voor wie de oorlog steeds meer een ver-van-mijn-bed-show -voor-oude-mensen is, er bij te betrekken dat niet alles nu zo vanzelfsprekend is. Daarna barst de digitale herrie weer in volle hevigheid los, want herdenken, ja, dat is toch niet echt chill.

Met enige moeite doen we er aan mee. RTL5 bijvoorbeeld ruimt met frisse tegenzin 2 minuten in tussen “Topchef, de jonge professionals”, en “Dames en heren in de dop”, een reality-serie over ordinaire meiden en jongens die worden omgevormd tot “nette dames en heren”,  maar dan wel van het soort waarbij vermoedelijk elk historisch besef en verantwoordelijkheidsgevoel voor een ander ontbreekt. Net 5 doet helemaal niet aan dodenherdenking, want het is natuurlijk oneindig veel belangrijker om vijftien hippe en flitsende kandidaten in alwéér een reality-serie te volgen in hun voor-geld-doe-ik-alles-hang naar vluchtige roem. Het moet tenslotte niet te dol worden hè, een beetje 2 minuten lang niet je ding kunnen doen en niet vèt kunnen kicken.

Hoe gaat dat op Twitter? Misschien moeten we ook tijdens de digitale Hyves-dodenherdenking vrezen voor een digitale Dam-schreeuwer. Blijven we om acht uur als gekken doorblaten met nietszeggende onzin, of kunnen we het, in navolging van Hyves, ook dáár opbrengen om even twee minuten lang onze digitale grote waffel dicht te houden om even te denken aan het feit dat we zonder hen die wij gedenken Twitter in zijn huidige vorm waarschijnlijk onmogelijk zou zijn? Ik ga er voor. Om acht uur, op 4 mei, Twitter even helemaal stil. Hopelijk ben ik niet de enige.

Share

 


Klusjesman

Op een boze koude winternacht - Sinterklaas was net klaar met het pakjes verspreiden in huize Wauwel- werden wij enkele maanden geleden opgeschrikt door luid geraas en gesis. “Maakt de CV nou z o’n lawaai?” mompelde mevrouw Wauwel, nog half in slaap. Ja geen idee, je houdt je dan nog een beetje slapend want je hebt weinig zin om midden in de nacht uit bed te klauteren om de thermostaat lager te zetten. Het lawaai leek echter ook van buiten te komen, uit de achtertuin. Een blik uit het raam, en daar toonde zich in de sneeuw een snel groeiend zwart en glinsterend meer: de waterleiding was met de invallende dooi gesprongen.
Spiernaakt omlaag, de schuifpui open – waardoor natuurlijk direct een kat ontsnapte – en ja hoor, de Trevi-fontein viel er bij in het niet. Er schoot me te binnen dat er in de garage een luik met daaronder een kraantje zat, wat we dus nog nóóit dicht hoefden te draaien want een gesprongen waterleiding, dat is toch zo iets uit de vorige eeuw. Op dat luik stonden dus fietsen, tuinstoelen, ongeveer alle scheppen en harken en nadat die allemaal onder gemopper en gescheld verwijderd waren, bleek dat luik ook nog eens muurvast te zitten. Omhoog maar weer naar de eerste verdieping, waar deze klusjesman al zijn gereedschap in chaos bewaart. En gelijk maar een ochtendjas aangetrokken, want er waren ook nog logerende kinderen met aanhang in huis en die zouden toch lichtelijk geschokt kunnen raken bij de aanblik van het blote achterwerk van Wauwel, om drie uur ‘s nachts dubbelgevouwen over een luik in de grond.

Onder de vloer had zich inmiddels ook al een aardige binnenzee gevormd en uiteindelijk lukte het de kraan naar buiten dicht te draaien. De volgende ochtend zouden we wel zien of het parket tot aan het plafond was krom getrokken. Dat bleek mee te vallen en aangezien we voorlopig toch de tuin niet hoefden te sproeien, trad de rust weer in. De verzekering betaalt wel.  Lastige klussen stel je graag uit, dus afgelopen week maar eens de Univé gebeld waar een blijde juffrouw mij vertelde dat er geen aantoonbare schade aan het huis was en dat er dus geen vergoeding plaats zou vinden.

Waar ik al ideeën had om dan maar de halve tuin- en buitenmuur te slopen bekeek mijn vrouw het buitenkraantje eens en zij ontdekte dat het lek bij de aansluiting zat. Gistermorgen aan de slag dus, met frisse tegenzin, maar fluitje van een cent.  Nu vind ik klussen leuk, maar dan moet alles aanwezig zijn, vindbaar zijn en ook nog eens achter mijn kont worden opgeruimd. En daar tussendoor dient veel rust genomen te worden en veel koffie gedronken te worden.
Stoer aan de slag. Spijkerbroek met sexy gaten aan. Voor het solderen van een waterleiding heb je nodig: een soldeerbrander, wat tangen, soldeer, S39 ( een gemeen bijtend goedje wat je op de te solderen stukken dient te smeren ) , schuurlinnen ( om de verbindingen mooi glad te schuren ) en enige ruimte.
Nu zat het kraantje helemaal verstrikkeld in de vuurdoorn, en zo’n struik heeft nare stekels. Na een kwartier gemodder en geworstel had ik de boel los en een paar bloedende schrammen op mijn hand.  Vervolgens eindeloos op zoek naar mijn soldeerbrander die natuurlijk nergens te vinden was, net als de S39, die ik bij stom toeval ontdekte achter een stel lege flessen op een plank in de schuur.  Maar goed, ook de brander kwam te voorschijn en ik toog aan de slag, om na een minuut te ontdekken dat het vlammetje tot de sterkte van een waxinelichtje werd gereduceerd: gas op. Aan de onderkant van de brander zit een handeige klem die je makkelijk los kunt draaien om het tankje te verwisselen, maar die zat dus hopeloos verankerd en vastgeroest of zoiets. Het hele kreng razend van woede in een bankschroef geklemd en aan de slag met tangen en schroevendraaiers, die daar niet voor bedoeld zijn.
Op zulke momenten moet je dus beslist geen echtgenote hebben die aan je vraagt: “Is het al bijna klaar? Het is toch alleen maar even weer vastsolderen?”  Na een tiental minuten ploeteren, waarbij de hele brander definitief ontzet en verbogen raakte, heb ik het rotding in de vuilnisbak gesmeten  en ben ik verhit naar de Karwei-markt afgereisd. Op zaterdag moet je daar eigenlijk niet zijn: kerels die ernstig naar zweet stinken, kinderen die je met houten strippen een oog proberen uit te steken, en een vent voor je aan de kassa die honderdduizend dingen af moet rekenen.

Thuis. De nieuwe brander aan. Een vlam van een meter waarmee je een hetelucht-ballon kunt doen opstijgen. Hoe ik ook draai en schuif, enorme vlammen blijven het gevolg. Ik zie de brandweer al de straat in draaien, waar Wauwel een buitenkraantje aan het monteren is. Volksoploop, want zaterdagmiddag en alle andere buurtbewoners zijn al lang uitgeklust en dus wel in the mood voor een verzetje als een brandend pand. Ik ben inmiddels zó witheet, dat een soldeerbrander haast niet meer nodig is.
Op de een of andere manier wordt de vlam plots normaal en kan ik mij uitleven op de aansluiting, die enigszins scheef en uit het lood uiteindelijk muurvast blijft zitten, in stand gehouden door dikke klodders extra soldeer.  Het gebruikte gereedschap, wat inmiddels is uitgegegroeid tot een aardige stapel, zal nog enkele weken door het huis blijven slingeren op hinderlijk zichtbare plaatsen, en geleidelijk traptree voor traptree weer naar de berging verhuizen, om daar ogenblikkelijk zoek te raken voor een volgend gebruik.  Volgende keer maar een vakman bellen.

Share

 


Hollywood Hemel

Nou, Elizabeth Taylor is dus dood. Zo gaat dat soms in het leven.  Een mens komt en gaat, ongeacht de hoeveelheid botox die je er in spuit en de meters huid die je omhoog en naar achteren zeult. Gisteravond werd zij nog even op het nieuws getoond, de verleidelijke vamp van weleer die in een rolstoeltje een zaal in werd gereden, met bevroren glimlach, zwart geverfd haar of pruik en beverig wuivend met het handje. Beetje pijnlijk. Er komt een moment dat oudere mannen beter in de markt liggen dan oudere vrouwen. Een vrouw met een oudere man, veertien jaar of zo leeftijdsverschil, niemand die daar een probleem van maakt. Blijkbaar heeft zo’n man een uitstraling die een vrouw op diezelfde leeftijd niet meer heeft. Hoe ouder, hoe mooier, hoe rijper. Beetje grijzend aan de slapen, mja, dan kan heel goed. Heeft een man een veertien jaar oudere partner, zeker als dat een een redelijk beroemd persoon is, dan is hij al gauw op haar centen uit en wordt hij voor gek versleten en de vrouw voor zielig.  Liefde schijnt wel degelijk blind te maken, of misschien ook niet.  

Ik zou dus geen mooie vrouw willen zijn, want elke dag die voorbij gaat, brengt je een stapje meer naar de totale ineenschrompeling toe; ik heb dus toch wel een beetje respect voor die iconen van vergane glorie die er toch nog alles aan doen om in elk geval het masker aan de buitenkant nog een beetje in stand te houden. Geen rustig leven, lijkt me. Het moment waarop je merkt dat er toch wat minder fotografen in de struiken liggen en dat jongeren van je denken: Wie is die mevrouw ook al weer?  Niets is zo vergankelijk als roem, gebaseerd op uiterlijk. Elke dag in de spiegel geconfronteerd te worden met een karikatuur van je zelf.  Straks figureer je alleen nog op verzamelbeurzen, afgebeeld op kauwgomplaatjes. Dat was lang geleden in de mode. Een album vol plaatjes die nog sterk naar kauwgom roken en die artiesten toonden wier namen nu nog slechts een heel vaag belletje  doen rinkelen: Conny Froboess, Peter Krauss,  nooit van gehoord mensen. Ik  bied twee euro, meer niet, voor de hele map.

Een dag vóór het overlijden van Liz stonden in de kranten en op internet berichten en plaatjes over een man die een geheel nieuw gezicht had gekregen. Het waarom werd ook getoond. Een soort hoofd met daarin wat dalen en uitstulpingen op plekken waar eerst mond, ogen en neus hadden gezeten. Dat was dus nu veravangen door een echt ‘gezicht’ , hoewel de eigenaar dat hooguit  kan voelen, want hij was nog steeds blind. Nooit zullen weten hoe je er na de ultieme face-lift uitziet.  Misschien ook wel goed dat je de schrikreacties van degenen die je aanschouwen ook niet kunt zien, want een beeldschoon uiterlijk zal het wel niet geworden zijn.
Wil je wat bereiken, dan moet je dus mooi zijn volgens de huidige standaarden. Die standaard bestaat uit glossy tijdschriften en de wat armoediger varianten in de vorm van de Privé, de Story en de Weekend en uit programma’s als Shownieuws. De beelden tonen foto’s van gruwelijk verbrande zonnebank-koppen, rimpelige decolletés, in foute smokings gesnoerde uitgezakte buiken en kromme beentjes onder een bikini met lubberende kont op een vage foto van een uitstapje op een mondain strand. Kom je dus Liz Taylor in real life tegen, dan mag je niet schrikken, je produceert dezelfde bevroren glimlach als de hare want je vermoedt dat haar ogen nog niet zó zijn aangetast door grauwe staar dat ze je slechts als een vage schaduw uit vroeger tijden aanschouwen.

Boven de dertig is het dus eigenlijk al mis. Voor mijn leerlingen ben ik op mijn zevenenvijfstigste zo ongeveer een hoogbejaard fossiel. Heel rustgevend eigenlijk. Je hoeft geen illusies te koesteren. Ik zorg er wèl voor dat ik niet in een geruit jasje met elleboogstukken en een nietszeggende terlenka broek met door slijtage glimmend achterwerk voor de klas sta.  Tegenwoordig mag het qua kleding allemaal wat jonger, zo kan ik voor mezelf de schijn toch een heel klein beetje ophouden. En er wordt wel degelijk op gelet.”Nou meneer, u draagt altijd een jasje, vanwaar nu ineens een sweater?”   Gelukkig ben ik geen filmster, niet beroemd, je kunt je dus een uitglijder permitteren.

Liz is niet meer. Is nu in de hemel voor Hollywoodsterren, de hemel die nu wel zo’n beetje vol is, want een hemel voor Goede Tijden, Slechte Tijden sterren, voor Popstars-sterren en andere mij volslagen onbekende VIP-types die ineens allemaal over acteertalent blijken te beschikken  en in films meespelen die over een maand al weer vergeten zijn, nee, dat lijkt me wat te veel eer.  Die blijken in de nabeschouwingen ook nog eens allemaal ernstige geschokt te zijn door Liz” verscheiden, hadden haar allemaal als lichtend voorbeeld en noemen haar allemaal een groot actrice die is heengegaan, ondertussen koorstachtig hopend dat dit ingestudeerde interview ook weer de nodige bekendheid in de Story zal opleveren.

Zo’n Hollywood-hemel heeft Liz wel verdiend. Uit haar lijden verlost. Nu echt stralen dan maar.

Share

 


Onderwerpen:

Laatste reacties

    • Rein Bijlsma: Uhm..Barry en Cesar, dat gaat. Ik neem mijn woorden deel terug ;-)
    • EarringTweets: “Aanschouwe daar vier stramme heren, de jongste 64, de oudste bijna 66, die daar enigszins...
    • Paul: Goed verhaal, kan me heel goed voorstellen hoe lastig het is om over zo een onderwerp te schrijven.
    • Rein Bijlsma: @Hartger: Haha, het feit dat je als vertegenwoordiger van een door veel docenten verfoeide beroepsgroep...
    • Hartger Wassink: Dank voor de doorverwijzing. Interessant artikel, omdat het zo schaamteloos eenzijdig is. Dat kun je...

Archief