Diploma

Hoeveel hoogtepunten heeft een mens eigenlijk in zijn leven? En hoeveel dieptepunten staan daar eigenlijk tegenover? En, naarmate dat leven verder gaat, beleef je dan meer diepte- dan hoogtepunten?  Het vervelende van hoogtepunten is, dat je die niet altijd beseft op de momenten dat ze plaats vinden; meestal denk je pas achteraf van ‘had ik maar meer’. Die dieptepunten, die hakken er vaak veel meer in. In de afgelopen weken was ik bij twee begrafenissen: de ene van een jonge moeder die vier kleine kinderen en een steeds zieker wordende , dove man in een rolstoel achterliet. Zij had zo dolgraag nog heel veel hoogtepunten willen meemaken in het leven wat nog voor haar lag. Als je jong bent, lijkt daar geen einde aan te komen. De andere begrafenis was van een leerling, nog veel jonger, 19 jaar oud, die in zijn leven wat nog voor hem lag alleen nog maar dieptepunten zag en besloot dat niet meer mee te willen maken. Een dieper dieptepunt bestaat er niet, een eindpunt is het na een veel te korte reis. Twee jaar verwijderd nog slechts, van een van de eerste hoogtepunten die je als jongere, met de toekomst nog voor je, kunt meemaken, namelijk de uitreiking van je diploma.  Het onbeschrijfelijke gevoel van vrijheid wat je ervaart met dat papiertje in je handen, de eindeloos lijkende grote vakantie in het vooruitzicht met de verre reizen en de volgende stap – een studie, een baan – in het verschiet.

Alles kan, alles is mogelijk, je bent maar één keer jong. Gelukkig kunnen we niet in de toekomst kijken, en gelukzalig staan we met de klas op de foto die nog één keer met z’n allen samen gemaakt wordt. Ik heb een oude klassenfoto die kort voor de oorlog is gemaakt in toenmalig Nederlands-Indië. De klas, leerlingen met verwachtingsvolle en ernstige blikken, geschaard om hun onderwijzer, trots in het midden. Drie jaar later zou die man in een kamp door de Japanners onthoofd worden.

Iedereen op z’n paasbest, zoals ik gister weer heb kunnen constateren bij de diploma-uitreiking van mijn laatste nog thuiswonende dochter. Een hoogtepunt om trots op te zijn, en dat er nog vele mogen komen.  Nu verkeer ik in de gelukkige omstandigheid dat ik dit jaarlijks kan meemaken, ook al zijn dat niet mijn eigen kinderen. Toch zijn daar ook elk jaar weer leerlingen bij, waarvan je later hoort: die jongen ligt nu in een ziekenhuis, met een enrstige hersentumor, dat meisje is in de prostitutie terechtkomen, en die leerling wordt mishandeld door haar vriend. Er zijn er bij, waarvan je bij het schoolverlaten al van te voren weet: dat wordt nooit wat, die gaan het niet redden in deze maatschappij, die niet iedereen met open armen ontvangt. Voor hen bestaat het leven enkel uit een aaneenschakeling van dieptepunten, ondanks een diploma tóch gezakt. Zo’n uitreiking van een diploma is dan zo’n beetje gelijk het laatste hoogtepunt.
Feestvieren dus, zolang dat nog kan, genieten zolang dat nog kan, en jong zijn zolang dat nog kan. Zorgeloos zolang het nog kan. Wat dat betreft is het werken in het onderwijs een fantastische baan. Je werkt met kinderen die – in het algemeen dan – redelijk zorgeloos door de wereld gaan, en dat stralen ze uit en daar laaf je je aan. Die dieptepunten soms, ja, die horen er helaas wel bij, maar die jaarlijks hoogtepunten bij een diploma maken alles weer goed.

Share

 


Voeg jij me effe toe

Het ideale middel om tot op hoge leeftijd jong ( en eventueel wild ) te blijven bestaat, en het heet: onderwijs. Niets houdt de mens zo fris en fruitig als de omgang met leerlingen, dus wat dat betreft kan ik iedereen een baan in dit dynamische wereldje aanraden. U bent altijd op de hoogte van de laatste trends en ontwikkelingen op mode- en muziekgebied, u ziet wat voor gadgets er op de markt zijn en u weet alles over tot voor kort raadselachtige termen als social media, Facebook , Twitter, WhatsApp en Draw something. U hoort over de laatste dancefestivals, welke lineup er staat, u weet alles van pilletjes, paddo’s, flashmobs, schuren, bubbelen en afterparty’s. Voor de basisschool gelden deze begrippen op een wat lager tandje, maar je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn. U herleeft uw jeugd en denkt de hele wereld aan te kunnen.

Nu zijn docenten door alle eeuwen heen echter ook de meest behoudende lieden op aarde, en ze lezen in het algemeen slechts één boek per jaar: de Elseviers Belansting Almanak ( dat laatste heb ik trouwens niet van mezelf, maar er zit soms een kern van waarheid in ). Naarmate ze ouder worden, verstart hun houding nog verder, en wars van alle vernieuwingen strompelen zij van weekend naar vakantie naar weekend naar pensioen. Zelf nader ik ook inmiddels die leeftijd, en mocht ik tot die tijd niet alsnog in totaal overspannen toestand het schoolpand hebben verlaten en in een gekkenhuis zijn beland, dan is het te verwachten dat ik net als velen met mij de hakken nog verder in het zand ga zetten en bij voorbaat overal tegen ben.

Tot de 21e eeuw zich aandiende, met als gruwelijke bijkomstigheid de social media als Twitter en Facebook. Je wilt als docent natuurlijk door je leerlingen voor zo jong mogelijk versleten worden en door je directie voor zo oud en breekbaar mogelijk en dus te ontzien, dus is het voor ons leraren een beetje schipperen geblazen. Er was een tijd dat een docent een persoon was die gezag uitstraalde en ontzag inboezemde, nu dien je – zo vinden sommigen – onder invloed van media, Den Haag, management en allerlei onderwijsadviesbureau’s zo laag en diep mogelijk tot het niveau van de leerling af te zakken en mag  je nog uitsluitend een soort voorzichtig begeleidende rol op je nemen. Dat wordt dus behoedzaam manouevreren tussen de oude en de nieuwe tijd. Wat kun je wel, wat kun je niet, wanneer verword je tot een potsierlijke clown?

Op Twitter ontstond gisteren een discussie over wat je je als docent kunt permitteren naar leerlingen toe wanneer je heel hip en vooruitstrevend besloten hebt om je nieuw aangeschafte mobieltje ook te benutten voor het contact met hen, binnen of buiten lesverband. Jongeren vinden het prachtig wanneer je op de hoogte bent van hun leefwereld, en je kunt je ongekend populair maken door met het momenteel meest begeerde mobieltje te gaan rondzwaaien.  Ze vinden het leuk wanneer je je een beetje vlot kleedt en er niet bij loopt als de typische docent in oude C&A-spijkerbroek, een flodderig ruitjesjasje met elleboogstukken en krijtstrepen en wat pennen uit de borstzak. Er wordt sterk op je gelet, en een beetje leerling ziet aan de stiknaad van je jeans welk merk het is en of dat nog wel verantwoord is of niet. Je krijgt dat dan ook terstond te horen, en moedeloos fiets je die dag naar huis omdat je blijkbaar net weer de verkeerde winkel bent binnengestapt voor je schaarse kledingaankopen.

Voor jonge docenten is het heel makkelijk en verleidelijk om volledig in de wereld van hun publiek mee en soms ook op te gaan; die wereld ligt immers nog maar kort achter hen. Voor ouderen, en dan bedoel ik boven de dertig, wat in de ogen van een leerling al stokoud is,  is  het lastiger. Laat je je nog bij je voornaam noemen, tutoyeer je elkaar of niet,  net zoals als het voor jongere docenten lastig is om met “u” en “Meneer” aangesproken te willen worden.
En er is meer: een beetje docent 2.0 zit tegenwoordig op Facebook en Twitter, en de wat behoudender types onder ons teren nog een beetje op Hyves. “O meneer, zit u op Facebook?”, en voor je het weet krijg je de mededeling dat die en die vrienden met je wil worden op Facebook, Hyves of dat je door je klas gevolgd wordt op Twitter. Vriend worden, met een leerling, in de toch wel behoorlijke anonimiteit van het internet, is iets anders dan vriendelijk zijn tegen diezelfde leerling in de vertrouwde omgeving van het klaslokaal. Voor een leerling is internet een deel van hun leefwereld, die betaat uit vrienden in real life en vrienden op Facebook, twee werelden die steeds nauwer met elkaar vervlochten zijn en waarin het begrip “vriend”een totaal andere betekenis heeft gekregen dan die wij er aan toekennen. Het is vooral een wereld van leeftijdgenoten, lotgenoten, soortgenoten; een wereld waar je je als school niet in moet mengen. In  de tijd dat een dagboek nog niet vervangen was door Twitter of een tijdlijn op Facebook, wilde je tenslotte ook niet dat je ouders of je leraar daar in ging zitten koekeloeren. In feite vraag je als leraar of je alles in de agenda of het mobieltje van de leerling mag bekijken. Je overschrijdt een onzichtbare maar duidelijke grens, die jouw wereld en die van de leerlingen scheidt.

Zie Twitter en Facebook als een enorme kroeg waar leerlingen buiten schooltijd in rond hangen, vaak dag en nacht. Stap je als onderwijsgevende in werkelijkheid de uitgaansgelegenheid van de leerlingen binnen wanneer ze daar op zaterdagavond aan het stappen zijn? Ik dacht het niet. Omgekeerd zit je er als docent ook niet op te wachten dat een leerling dag en nacht in de privé-sfeer van jouw woonkamer zit mee te gluren en alles ziet en weet wat je doet. Toch ben je daar wel mee bezig wanneer je leerlingen gaat volgen op Twitter of wanneer je ze een verzoekje om vriend te worden op Facebook stuurt. Omgekeerd ook, wanneer je op hun volg- of vriendschapsverzoek ingaat. Het is niet anders dan ‘s avonds laat op de bank thuis met een leerling over allerlei zaken gaan telefoneren. Men zou raar opkijken.

Alles wat je op het internet plaatst, staat daar in principe voorgoed, en kan door anderen gebruikt of misbruikt worden. Een grappig bedoelde opmerking kan snel verkeerd worden uitgelegd en een geheel eigen leven gaan leiden, kan honderden malen geretweet worden naar alle vrienden van de leerlingen die dat ook weer naar hún vrienden door sturen, ook als je zelf de tweet al weer hebt verwijderd. Je loopt als docent voortdurend langs de rand van een afgrond die Facebook en Twitter heet, of  langs de grens van de docenten- en de leerlingenwereld. Blijf daar dus een beetje uit de buurt vandaan, wanneer je geen geldige reispapieren hebt.

Nooit meer of Facebook of op Twitter dan? Natuurlijk niet, beide zijn een bron van informatie en vermaak. Je kunt ook als docent op beide media contact met je leerlingen onderhouden, en ze fantastisch gebruiken bij je lessen. De mogelijkheden zijn enorm! Maar alleen met een duidelijk herkenbaar school-account, een officiële schoolfoto, onder strikte afspraken en protocollen die elk school dient vast te leggen, en spelregels die er voor zorgen dat je je privé en je werk op dit gebied strikt van elkaar gescheiden houdt. Dan maar wat minder vrienden en volgers op Facebook en Twitter. Een goede buur is beter dan een vage digitale vriend.

Share

 


Neandertaal

Zo af en toe is het nodig om in de klas een horrorverhaal te vertellen, om de aandacht erbij te houden en de orde te herstellen, zeg maar. Er was een klas die net van een zware toets terugkwam, dus de aandacht was niet optimaal. Scholen zouden daar trouwens eens een beetje meer naar moeten kijken: hoe, waar en bij wie, waarvoor en wanneer rooster je een klas in? Dat aspect stroomt nogal eens onder, in een tijd waarin alleen nog maar belangrijk is dat de absenties zijn ingevuld,  ook al is de hele schoolbevolking absent, en dat het rooster klopt, ook al heefrt het gros van de leerlingen vaak een spanningsboog van niet langer van 15 minuten, waarna men in een geestelijk en kwijlend wrak verandert. Onderwijs is verworden tot het aan de inspectie en directie tonen van kloppende lijstjes met cijfertjes en statistieken.

Maar ik dwaal weer helemaal af. Het ging over een horrorverhaal, en dat was mijn constatering een alinea eerder ook wel, maar dat sloeg niet op de situatie van dat moment. Ook weer om de inspectie te gerieven was ik mijn klasje aan het voorbereiden op een zogenaamde “Kwalificerende toets lezen, niveau 2F”. Men krijgt daartoe een stapeltje teksten onder de neus ( zowaar niet digitaal, werkelijk een unicum)  plus een aantal blaadjes met multiple choice-vragen. Dat laatste is fijn, want uit de media konden we afgelopen dagen vernemen dat het handschrift van veel leerlingen is gedegradeerd tot een soort rudimentair gekras; dit alles veroorzaakt door het veelvuldig gebruik van mobieltje, tablet en – heel ouderwetsch – het toetsenbord. Komt daar dan ineens zo’n mastodont van een docent die zegt dat je een pen moet gaan pakken en een stuk op papier moet gaan schrijven, ja dat is vragen op problemen en vóór je het weet heb je dan woedende ouders of directie op je dak.

Nu hanteren veel pupillen hun schrijfgerei al alsof ze een kolenschop of een dood varken in de hand hebben, dus dat slechte handschrift is mij reeds tijden bekend. De trend is tegenwoordig ook een beetje van ‘als de bedoeling of de boodschap maar overkomt’ , dus je bent als docent snel geneigd het goede in de leerling te zoeken. Laatst moest ik een toets ‘brieven schrijven’ nakijken, waarin werd gesteld dat voor het onderdeel spelfouten maximaal 3 punten van het via uiterst ingewikkelde berekeningen te bepalen eindcijfer mochten worden afgetrokken. Gebruikt een leerling daar dus uitsluitend spijkerschrift, dan is het nog voldoende, als maar duidelijk is wat bedoeld wordt.

En wéér terug naar het horrorverhaal. Je hebt soms snel in de gaten of het toch niks meer wordt met de aandacht of niet, en soms ga je daar dan maar in mee. Ik vertelde van een documentaire die ik eens had gezien over een docent in Japan, maar het kan ook Korea geweest zijn. Hoe die man aan kwam wandelen door de gang, en een klas van een stuk of vijftien puberknapen hem netjes in een rijtje bij het lokaal opwachtte. De man naar binnen, na de nodige buigingen, en vervolgens gezeten achter het bureau. De jongens werden een voor een naar binnen geroepen – mijn eigen klas was nu een en al aandacht -, maakten bij de docent een buiging en kregen vervolgens stuk voor stuk een ongenadige mep met een stuk bamboe over hun achterwerk, waarna weer een buiging en de leerling zonder een spier te vertrekken ging zitten. Zo werd de hele klas afgehandeld en dat elke dag. Tucht en orde. Mijn klas verbijsterd,  jullie hebben het maar goed,  jongens.

Om de zaak nog wat gruwelijker te maken vervolgens de waargebeurde doch droevige geschiedenis van twee andere Japanse leerlingen, die door een wat kribbige collega op een slechte vrijdagmiddag in het kolenhok van de school werden opgesloten.
“Meneer, wat is een kolenhok?”, klonk het door de klas. Ja, daar heb je leerling 2.0. Wat is een kolenhok. Na de geduldige uitleg ging het verhaal verder.  Die leraar ging dus opgelucht naar huis en vergat verder volkomen de twee delinquenten in dat hok, die wel zó streng waren gedrild, dat ze het niet in hun hoofd haalden om een beetje tegen die deur te gaan schoppen of te schreeuwen.

Op maandagmorgen werden beide ongelukkigen dood gevonden. En wat kreeg de leraar voor straf? De leraar kreeg een berisping!”. Tja, en toen wist niemand wat een berisping was, waarna ik dit verving door “reprimande”, en, toen dat ook nietszeggende blikken opleverde, door “schrobbering”. Het hele intimiderende en orde-handhavende effect weg, en toen ik ‘schrobbering’  ook nog verving door ‘standje’ was de sfeer inmiddels licht uitbundig. Je eindigt dan als volleerd docent natuurlijk door met een stalen gezicht te zeggen: “Ja nu weer rustig dames en heren, want anders komen we nooit klaar!”.  Wanner je het maar over sex hebt, of ze laat denken dat het daarover gaat, is de spanningsboog ineens gegroeid tot zeker een volledig lesuur.

Wat leren we nu uit zo’n les die anders verliep dan volgens planning? Wel, dat je bijvoorbeeld nog steeds kunt dollen met je klas, en dat moet ook, ongeacht wat voor gruwelijk handelingsplan of prestatiegericht beleid jou en de leerlingen boven het hoofd hangt. Je moet de vrijheid kunnen nemen om eens een keer een les niets  of niet al te veel te doen. Aanhalen en weer vieren is de ideale combinatie.
Helaas leren we ook dat leerlingen – naast het feit dat ze niet meer leesbaar kunnen schrijven, ook qua leesniveau soms weer langzaam maar zeker afdalen tot het niveau van de Neanderthaler. Vertel je een verhaal; ze snappen de clou soms niet meer, lezen ze een tekst; geen idee waar het over gaat. Krijgen ze een vraag: ze snappen hem niet omdat ze sommige woorden te moeilijk vinden; het gaat dus al mis bij de vraag zelf, laat staan bij het antwoord.
De leerling die terug lijkt te gaan naar de Neanderthalers schrijft en spreekt al  een variant daarop: de Neandertaal, in maximaal 140 tekens. ‘As de bootsgap maar overkomp’. Taal wordt Twittertaal, Neandertaal. Maar goed, veel lager afzakken kan het niet, en uit de Neanderthalers van toen zijn wij weer opgeklommen. Er is dus hoop, zolang ze maar blijven lezen, te beginnen bij 140 tekens, en heel geleidelijk weer wat meer. Maar daar moeten we niet te lang mee wachten. En straks weer een rapportcijfer voor schoonschrijven misschien? Van een 1 naar een 6, dat is al een hele vooruitgang.

 

Share

 


(Elfsteden)koorts

Op mijn leeftijd komt je op een leeftijd waarin je de winter met de nodige angst en beven tegemoet moet zien. In het najaar werd ik al vriendelijk doch dringend uitgenodigd om met – naar het leek –  de voltallige bevolking van dorpje B. op de Veluwe een griepprik te komen halen, maar in het weekend werd pijnlijk duidelijk dat deze weer niet geholpen had. Wauwel is dus even geveld. Niet lang, want in het onderwijs moet je volgens bepaalde politici werken tot je er bij neervalt, dus morgen maar weer een nieuwe poging om niet al te ver achter te raken en mijn kindjes ter wille te zijn met het aanhoren van een aantal presentaties.
Ze hebben daar hard voor gewerkt, en daar het hier een opleiding in de dierverzorging betreft, komt een keur aan onderwerpen voorbij die iets met het vak te maken hebben. Zo heb ik ‘s ochtends in alle vroegte, nèt na mijn eerste kopje thee van de dag, al eens een demonstratie mogen aanschouwen van het uitknijpen  van de anaalklieren van een voor dat doel speciaal meegenomen hond, die, opdat iedereen het goed kan zien, op mijn bureau had plaats genomen. De klas was vanzelfsprekend een en al aandacht, iets wat niet elke morgen voorkomt.  Je zou er dus haast ernstig naar verlangen voortaan elke les met flink wat anaalklieren te laten beginnen, succes en op tijd aanwezig zijn verzekerd!

Vandaag dus niet, en zwakjes voelend aan mijn eigen klieren ( die bij mij in mijn hals zitten, maar dan andere ) maar voorzichtig opgestart. Want als mannen ziek zijn, dan zijn ze ook echt ziek en dient iedereen dat te weten en  zich in overvloedig medelijden over de kwijnende patiënt te ontfermen.  Thee op bed dus, beschuitje, en een batterij aan Vicks-stiften, neussprays, keelpastilles en zakdoekjes binnen handbereik, en natuurlijk ook laptop en iPad, zonder welke speeltjes dit stukje nooit tot u zou zijn gekomen. De school gebeld en met verstikte stem het slechte nieuws meegedeeld. Koorts en zo. Grieperig. Morgen weer aanwezig.
Ooit ( dat is lang geleden ) was ik eens twee weken uit de running  en tegen het einde van die periode besloot ik weer een ommetje te maken, want voorzichtig boodschappen en zo. Op de hoek van de straat liep ik toen een leerling tegen het lijf, die onderweg was om de lijder met een fruitmandje wat op te beuren. Dat was even pijnlijk, want in zulke gevallen gaat op school al snel de mare dat je op wonderbare wijze genezen bent geconstateerd en je huppelend als een hinde door de straten dartelt, maar alles liep keurig netjes af en de leerling trok geen verkeerde conclusies.
Nu heb ik wel eens een collega gehad die met een hernia thuis zat, en die men vrolijk in zijn woonplaats met een kratje bier achterop de fiets zag rondfietsen. Dan ken je toch niet helemaal je verantwoordelijkheden.  Eén dagje ziek is nu toch wel zo’n beetje het maximum, want het werk wordt niet overgenomen, dus veel langer kun je ook niet missen.

Zo vernam ik dus dat vandaag een andere koorts, die van de Elfsteden, steeds meer slachtoffers maakt, en dat rayonhoofden in spoedzitting bijeen zijn om te bespreken of en waar er ijstransplantaties moeten worden uitgevoerd.  Dat moeten toch allemaal gepensioneerden of herstellende zieken zijn, want hoe kun je anders tijdens je werk rayonhoofd wezen en en passant nog wat wakken transplanteren? Er wordt bij de diverse hogescholen in Nederland nog geen opleiding Rayonhoofd of IJstransplanteur aangeboden, of het zou een bijvak van Vrijetijds-management moeten wezen. Overspannen Friese docenten die op therapeutische  basis gaatjes in het ijs boren en daar over vergaderen is misschien  ook nog een mogelijkheid. Straks giet het ôan, en dan gaat vermoedelijk half onderwijzend en onderwijs volgend Nederland spijbelen of ziek zijn.

Ik ben niet zo’n schaatser, helemaal niet zo van sport trouwens. Mijn schaatservaringen zou men voornamelijk als traumatisch kunnen omschrijven niet in het minst door zo’n vreselijk wollen mutsje wat ik altijd moest dragen en de beslagen glazen van mijn stoere jongensbrilletje. Het ergst waren echter die houten Friese doorlopers, die met veters om mijn rubberen laarzen waren gemangeld. zodat niet alleen de laarzen, maar ook mijn kindervoetjes in de meest gruwelijke plooien waren gewrongen, waarbij de schaatsen zelf al na tien slagen aan de zijkanten van mijn afgevroren voeten bungelden. ook nooit meer recht te krijgen trouwens, want die veters waren stijfbevroren en mijn wantjes aan een touwtje bungelden ook al in de weg bij het vastpulken. Een schaatstocht duurde bij mij dus in het algemeen niet langer dan een kwartiertje, en de rest van de tijd zat je sippig en door en door koud op een stuk karton langs de kant van de eendenvijver naar de cracks te kijken. Ik zou nu alleen al koorts krijgen bij het idee dat ik die dingen weer onder zou moeten binden, en mijn iets comfortabeler Noren hangen ook al weer jaren aan de wilgen.

Volgende week organiseert mijn school een skidag. Ook zo wat. Voor mij zie ik dan een rol weggelegd, warm onder een deken, de hele dag voortgereden in een arreslee, met iets van een fles Jägermeister of zo.  Toch ook behoorlijk sportief, al zeg ik het zelf, en behoorlijk gevaarlijk, want zo’n slee, nou, daar kan ook van alles mee gebeuren.  Stel je voor dat er een helling komt. Ik ski wel op de Wii Fit of zo. Ook zoiets wat is aangeschaft in een vlaag van sportiviteit.
Misschien heb ik dan wel weer koorts, of wordt nou uitgerekend op die dag de Elfstedentocht verreden. 38,2 gisteren, en vanmiddag weer 37,5.  Maar wie weet stijgt de temperatuur dusdanig, dat geen van beide evenementen doorgaat. Is de koorts voor niets geweest. En dat is dan eigenlijk ook wel weer jammer. Want leuk om naar te kijken is het in elk geval, ook al zit je aan de kant op een stuk karton.

Share

 


Komt allen tot ons!

Afgelopen zaterdag was ik – na enig eenzijdig overleg – ingeroosterd voor de open dag van het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik mijn centjes pleeg te verdienen. Om foto’s te maken en te filmen, want een beeld zegt vaak meer dan 100 open dag-woorden.  De dreigende woorden van onze minister van onderwijs en die van de geachte heer Elias indachtig, offerde ik mijn vrije zaterdag met blij gemoed op. Niet dat ik gestaakt had of zo – daarvoor hebben we het hier veel te druk – , maar gewoon omdat het leuk is om te doen en ik tijdens de volgende open dag op kosten van de school een weekje op Malta mag doorbrengen, en daarvoor wil ik op mijn vrije zaterdagen wel heen en weer reizen. Dat brengt het totaal van ingeleverde zaterdagen al wel weer op drie trouwens.

Jaloerse lezertjes, of meneer Elias, zullen zich afvragen of ik die week niks beters te doen heb, maar ook die dagen worden aan onderwijs besteed, en ik zeul nog een extra grote hutkoffer mee gevuld met achterstallig nakijkwerk. Dat kan ik daar dan mooi ‘s nachts en tijdens het vliegen doen. Een Europees potje zorgt ervoor dat ik mijn Engelse taal op een nog wat hoger niveau kan brengen, want om hoog op de Pisa-ranglijst ( voor de niet-onderwijsleken: een soort top 2000 aller tijden maar dan voor onderwijs ) moet je natuurlijk ook investeren in tweetalig onderwijs.

Mijn liefde voor het vak en mijn angst voor de heer Elias kostten mij afgelopen voorjaar al bijna het leven toen ik in Finland ( ook weer Europees geld ) een ICT-nascholing volgde, die mij een soort longembolie opleverde. Trouwe lezertjes weten waar ik op doel en de anderen moeten maar even zoeken.
Nu vind ik reizen gelukkig heel erg leuk, en niets is zo verrijkend voor een docent om je vleugels af en toe in een andere cultuur te mogen uitstrekken. Je legt leuke contacten, doet een schat aan ervaringen op en je gaat na terugkomst vol energie weer aan de slag. Daar teer je meer dan een jaar op. Bovendien schept zoiets een extra band met je school. Ons geachte kabinet zou de waardering voor de docent een behoorlijke oppepper kunnen geven door hem of haar eens een keertje naar een cursus in het buitenland te sturen. Daar offert men volgens mij graag een weekje vakantie voor op, en zo ziet ook het gewone voetvolk binnen de school eens wat anders dan het klaslokaal, en ervaart het wat veel colleges van bestuur of andere managementslagen als al niet meer dan normaal beschouwen.

De docent lijkt momenteel onderwerp van een heksenjacht van in hun ego aangetaste politici en bewindslieden die onbezonnen plannen zonder overleg willen doordrukken. Resultaat is dat inmiddels iedereen kijvend in de gordijnen hangt en elk negatief bericht over onderwijs wordt uitvergroot tot het formaat van een olifant waar iedereen op staat te schieten.

Wie nog in het onderwijs gaat is een sukkel, en wie er al in zit is een nog grotere. Dat lijkt een beetje de teneur. Toch leuk dat al die sukkels  op hun vrije zaterdagen nog wat leerlingen en ouders binnen de school proberen te trekken, en toch leuk dat zoiets nog uitstekend lukt ook. Wij hadden er afgelopen zaterdag op één locatie bijna 2000. Blijkbaar krijgen leerlingen graag les van sukkels, of het nou in 1000, in 500 of in 1040 uur  gebeurt. Les is niet meer wat wij vroeger hadden: een uur in een lokaal, keer een aantal dagen keer een aantal weken, resulterend in een onwrikbaar getal. School is een totaalbeleving, die zich ook uitstrekt ná een lesdag van negen tot vier. Je ziet dat leerlingen op de meest krankzinnige tijden aan het werk zijn in een electronische leeromgeving, je krijgt mailtjes binnen die in de vakantie, in het weekend of diep in de nacht verstuurd zijn. Of je maar even snel wilt reageren, meneer! De ene wil het zus, de andere wil het zo en de meesten krijgen het nog voor elkaar ook.

Docent zijn is een zwaar beroep. Heel zwaar. Gelukkig hebben we als tegenprestatie ook een leuk beroep, en dat merk je bijvoorbeeld wanneer je twee bonken van puberknapen, van het soort die je niet in een donker steegje zou willen tegen komen, een geanimeerd gesprek hoort voeren over dat ze het vroeger toch zo leuk vonden om naar Barbapappa en Flubber te kijken.
Ik zelf was vroeger gekluisterd aan de eerste avonturen van Ivanhoe of van Pipo die in een bordkartonnen grot spannende onderwater-avonturen, gelardeerd met zeepbelletjes beleefde. Nu slachten ze in hun eentje achter het computerscherm hordes buitenaardse wezens af, de moderne Pip, zeg maar. En dat tot drie, vier uur in de nacht, maar eigenlijk is er aan onze schoolbevolking zelf niets veranderd in al die jaren: het zijn nog steeds kinderen, die ook nog eens best wat willen leren, hoewel dat niet altijd even makkelijk lijkt te gaan. Een beetje meer steun en begrip kunnen we daar dus wel bij gebruiken.

 

Share

 


Onderwijsvernieling ja of nee

Op Twitter barstte op Nieuwjaarsdag een discussie los over een artikel op de site van Kennisnet; dat lijkt al in juni geplaatst, maar in het onderwijs gaan de ontwikkelingen gelukkig soms toch nog wat minder snel dan iedereen denkt, dus nu pas vliegen diverse lieden elkaar in de haren. Voor wie geen zin heeft om op de link te klikken: het komt er op neer dat de auteur een pleidooi houdt voor een minder krampachtige houding tegen het gebruik van mobieltjes in de klas. Niet iedereen is het daar mee eens. Men krijgt al genoeg onderwijsvernieuwing over zich heen, en de frustratie richt zich onder andere op het feit dat die vernieuwing vaak door mensen langs de zijlijn van het onderwijs wordt bedacht.
Nu werk ik al weer zo’n 35 jaar in het onderwijs, voornamelijk als docent, en ik kan dus wel zeggen dat ik toch minstens 35 onderwijsvernieuwingen heb moeten slikken. De meeste pakten niet goed of desastreus uit, en wanneer je ziet dat het kennisniveau de afgelopen 35 jaar met sprongen achteruit is gegaan, dan kan ik me voorstellen dat je niet op nóg een verdere aantasting van de nu langzamerhand rudimentaire vaardigheden zit te wachten. Mobieltjes, social media, de ICT; ze worden door veel mensen in het onderwijs als een bedreiging gezien. Er zijn op scholen in de afgelopen decennia werkelijk miljoenen over de balk gesmeten aan allerlei ict-projecten en in een tijd van voortdurende bezuinigingen en daardoor verdere afbraak van het onderwijs is zoiets frustrerend. De wrevel is begrijpelijk. Wie zoals ik tot de groep van “ICT-nerds” of – iets positiever -” ICT-voorlopers” binnen de school behoort, moet oppassen niet in de valkuil van “ICT in de klas is toch vanzelfsprekend en leuk!” te trappen. Ik kan mijn vrouw niet kwader krijgen dan als antwoord op een computerprobleem te beginnen met “Nou, gewoon”.

Het feit dat onze leerlingen de hele dag door ongeveer vergroeid lijken met hun mobieltjes, wil nog niet zeggen dat zoiets in de klas dan ook maar “gewoon” en “leuk” moet zijn. Docenten, én leerlingen,  zijn geen lemmingen, hoewel het daar vaak steeds meer op begint te lijken. ICT-voorlopers zijn snel geneigd om dingen als vanzelfsprekend te beschouwen die door veel collega’s nog als iets buitenaards worden gezien.  Het past dan niet om die collega’s af te schilderen als halsstarrige mastodonten die elke verandering tegenhouden.

Een instantie als Kennisnet propageert al jaren het gebruik van ICT in de klas maar of dit nu geleid heeft tot zoveel betere onderwijsprestaties is nog maar de vraag. Natuurlijk, er zijn zat onderzoeken waarin een verbetering wordt aangetoond, maar zo kun je evenveel onderzoeken opvoeren waaruit het tegendeel blijkt. Het gaat altijd om deelgebieden, bij specifieke groepen gebruikers, met specifieke wensen en vaardigheden. Je voelt je langzamerhand als school of als docent een beetje schuldig wanneer je nog niet met een digiboard werkt en wanneer je nog ouderwetsch de lesdag in groep 8 besluit met voorlezen uit een spannend boek in plaats van met het klassikaal bekijken van een filmpje op YouTube.
Het scheelt ook nogal of  je voor een klas met HBO-leerlingen of een klas met VMBO-leerlingen staat. Probeer die laatsten maar eens van het voortdurend controleren van de updates op Hyves en Facebook af te houden. Het is verschillend publiek, en dat heeft verschillende benaderingen nodig.  Ga een VMBO-docent dus vanuit een redelijk luxe positie als HBO-docent of onderwijs-adviseur niet met een blij gezicht vertellen dat hij z’n klas in een achterstandswijk de hele les door moet laten pielen met het mobieltje, omdat dat zoveel meerwaarde heeft en omdat die man of vrouw met de tijd mee moet gaan.

We moeten niet klakkeloos achter en alle gadgets aanhollen en daarbij de onderwijsrealiteit uit het oog verliezen. Kennisoverdracht via het mobieltje en social media  kan vreselijk leuk zijn, kan daadwerkelijk iets toevoegen, maar dring het niet op en presenteer het vooral niet als de ultieme onderwijsvernieuwing.  Dat hebben we inmiddels vaak genoeg gehoord. Ik word vaak genoeg door mijn leerlingen teruggefloten wanneer ik weer begin over twitter in de les en wanneer ik al te enthousiast van de ELO gebruik maak. Leerlingen en docenten, die vormen eigenlijk een behoorlijk behoudend volkje. Laten we daar maar een beetje rekening mee houden. ICT-bescheidenheid siert de mens.

Share

 


Ouders ( en leerlingen ), we lusten je rauw!

Docent anno 2012

Docent anno 2012

Nu moet ik eerst iets vreselijks bekennen. Ik heb een leerling geslagen, erger nog, een meisje! Ik werd niet eens aangevallen, nou ja, niet fysiek dan, maar wel verbaal. Ik werd uitgemaakt voor rotte vis; een leerling uit IJmuiden, daar speelt zoiets geregeld. IJmuiden is een oord waar de bevolking gebukt gaat onder de grauwe smog van walmende hoogovens, waar uitgezakte moeders in peignoir in de grijze ochtend in het plantsoen naar hun krabbende en poepende honden staan te kijken. Het boze meisje ging meer en meer te keer, en u begrijpt wel, wanneer je als docent dan op zo’n manier voor de rest van de enthousiast genietende klas dreigt af te gaan, dan dien je je gezag te laten gelden, in mijn geval door een ouderwetsch degelijke oorvijg. Niet hard natuurlijk, ik schrok er zelf van, maar het effect was overdonderend. De klas doodstil en verbijsterd, de mond van de delinquent klapte dicht, de orde hersteld.

Het wachten is nu op de politie, want die komt tegenwoordig eerder dan de ouders. Vanavond ben ik denk ik wel in het nieuws, vol in beeld terwijl een arrestatieteam in vol ornaat het schoolplein oprijdt, onderweg enkele hekken plettend, onder het oog van de voltallige schoolbevolking die ademloos twitterend en bellend tegen de ramen staat geplakt, waarbij de lessen tot wanorde vervallen. Zware onderwijscrimineel opgepakt na aanvallen leerling.

Nu wacht ik echter al 33  jaar op dat arrestatieteam, want die tik deelde ik in 1978 uit op een school voor Lager Economisch en Administratief Onderwijs, een paar weken nadat ik daar als beginnend docentje mijn voorganger, die was weggepest, had opgevolgd voor de vakken tekenen, handvaardigheid, Nederlands, godsdienst en maatschappijleer. Godsdienst, dat was een bijbelverhaal vertellen, op het spannendste moment ophouden ( bewaren tot de volgende keer ) en dan het hele verhaal dicteren en uit het hoofd laten leren. Door 30 ademloos luisterende pubermeiden. Je diende toen, net als nu weer, van alle markten thuis te zijn, al loop je tegenwoordig als argeloze passant al het risico de school binnengetrokken en voor de klas gezet te worden, want bevoegdheden, dat is lastig, dan moet je met vaste aanstellingen gaan werken en je wilt als onderwijsmanager zo’n hinderlijk aanwezige leerkracht ook weer snel kunnen lozen wanneer het met de aanwas van stakeholders even wat minder gaat.
Slaan mag natuurlijk niet, toen ook niet, maar er kwamen op de toen nog ijverig bezochte ouderavonden toch geregeld ouders die zeiden van: “Goed zo meester, geeft ‘m maar een mep en dan kennie d’r van ons thuis ook nog eentje krijgen.” De schaarse onderwijsvacatures die nu nog een enkele maal in de krant staan, zullen meer en meer de kant op gaan van: “Gezocht: enthousiaste leerkracht, met hart voor onderwijs. Bevoegdheid niet nodig maar wel graag een zwarte band in ultimate cage-fighting”.  Dat zal die ouders leren. Het vervelende is, dat elke leerling tegenwoordig direct alle middelen heeft om moord en brand te schreeuwen en daar behalve de ouders, ook de hele wereld van kan laten meegenieten, en wel op het moment dat het delict nog aan de gang is.  Een docent die consequent en corrigerend optreedt, die bijvoorbeeld mobieltjes in de les verbiedt, ja, dat is eigenlijk maar een beetje een vervelende vent die de school een slechte naam en de directie een hoop zorg omtrent de concurrentiepositie in de slag om de leerling – lees: “om de centen” – oplevert. Je moet je als docent tegenwoordig opgewekt en blij voor alles laten uitmaken wat mooi en lelijk is, en daar vooral niets van zeggen, want dat kan zich tijdens je POP-, PAP- en PIP-gesprekken met je meerdere tegen je keren en dan kun je je promotie naar senior of excellente docent voor de rest van je schoolloopbaan wel vergeten.  Elke docent is tegenwoordig een aspirant filmster-tegen-wil-en-dank, want vóór je het weet, staat je optreden op YouTube, en dan meestal in de rol van slechterik. Regels zijn uit de mode, orde en gezag zijn vieze woorden, cijfers voor vlijt en gedrag zien we liever niet in iets wat vroeger rapport en nu portfolio heet. Het portfolio, een veredeld poëziealbum, waarvan de leerling bepaalt wat er in komt en niet meer de docent. ‘De leerling centraal’; het is een mooie kreet die het goed doet in wervingsfolders en open dagen. We doen alles om ze binnen te lokken. Meld je aan bij ons, en je krijgt een prepay mobieltje!

Het verbieden van het onnodig gebruik van het mobieltje tijdens de les geeft de leerling tijdens zijn aanval van woede of dwarsigheid de mogelijkheid eerst even tot tien te tellen ( dat moet nog nét kunnen ) voordat hij of zij tot ondoordachte acties als het bellen van agressieve ouders over gaat. In ziekenhuizen kun je op sommige afdelingen helemaal niet bellen door techinsche handigheidjes. Er is gewoon geen bereik voor wie daar geen toestemming voor heeft. Zou op school ook kunnen.

Misschien moeten we toch eens nadenken over een wervingsfolder met als juichende kreet: “De leraar centraal!”. En daar dan gelijk in schreeuwerige letters bij: “Bij ons zijn mobieltjes in de klas VERBODEN!!”. Je geeft er een duidelijk signaal mee af. Naar leerlingen, en vooral naar ouders. Laat beiden een contract ondertekenen waarbij voor die twee kreten nadrukkelijk getekend wordt. Wanneer dat op alle scholen gebeurt, hoeven directies ook niet bang te zijn dat de klant naar een andere concurrerende school overloopt.

De tik uit 1978 was mijn eerste en mijn laatste. Een beginnersfout, toen. Heeft goed geholpen trouwens, vertelde de leerling mij later tijdens een reünie. Nooit meer last van haar of haar klas gehad. Had zij toen een mobieltje gehad, dan had ik nu misschien een strafblad. Ik was soms wel een vreselijke man, toen. Orde: tijdens de tekenlessen hoorde je soms enkel het krassen van de pennetjes met Oostindische inkt. Achter mij was een grote zinken wasbak, en in mijn bureaula lag een ketting, die ik op gezette tijden heel zachtjes te voorschijn haalde en dan achteloos over mijn  schouder in die wasbak wierp. Dertig hartstilstanden in die klas. Probeer dat nu eens. Ze praten er nóg over, waneer ik ze nog wel eens spreek. Nog nooit zo’n lol gehad, meester!

“De leraar centraal!”: ik voorspel een grote aanwas van leerlingen.

Share

 


Bescheidenheid siert de mens

Het is vandaag de Dag van de Leraar, een dag na Dierendag en net zoals er ook een Dag van de Leerplicht is, een Dag van de Huismeester, een Dag van de Wol en – niet te vergeten – hier in dorpje B. op de Veluwe de Wereldeidagen, maar bij die laatste wil je niet wezen, gezien de enerverende activiteiten die daar ontwikkeld worden. Zo heeft elk mens, beest of produkt wel zijn eigen dag, en hebben we elke dag van het jaar iets lolligs te doen of iets naars te gedenken. De Dag van de Leraar wordt elk jaar toch wel grootser gevierd, en zelfs de TV heeft ons afgelopen maandagavond in het zonnetje gezet door ons tijdens de  Avond van het Onderwijs en plekje te gunnen. Op de andere zender was concurrentie van Fort Boyard, waarin bekende Nederlanders stompzinnige opdrachten moeten uitvoeren en zoiets trekt natuurlijk het grootste deel van bij onderwijs betrokken kijkers weg. Onze grootste doelgroep, de leerlingen, verpoosde vermoedelijk massaal bij Holland’s Nex Top Model of bij een film met de aansprekende titel “Runaway Vacation”. De achtergebleven diehards onder de ouders, docenten en deskundigen kregen een kommervolle voorstelling voorgeschoteld, waarbij de optredens van enkele leerlingen zelf nog een lichtpunt vormden.

Toch was er wel iets opmerkelijks te constateren, en dat betrof het gebruik en het nut van ICT. Daarover waren wat onderzoekjes gepleegd en werden ook enkele leerlingen bevraagd. Hieruit kwam een beeld naar voren wat een groot deel van de onderwijscomputernerds – en daar reken ik mijzelf ook toe – eigenlijk liever helemaal niet wil zien, en wat op Twitter -waar je ze toch allemaal vindt – tot opvallend weinig reacties leidde: het gros van de gebruikers is helemaal niet zo gecharmeerd van ICT als wij denken! Slechts een schamele 23 procent ziet in ICT de sleutel naar beter onderwijs  en een MBO-klas verkoos in koor het boek boven het internet. Dat is dus wel even schrikken voor ons voorlopers op ICT-gebied. Barre tijden van het krijtje en beduimelde boekjes liggen in het verschiet.

Zijn we dan zó verblind? Een beetje wel, denk ik. We bezoeken prachtige onderwijsbeurzen, waar de nieuwste ontwikkelingen op informaticagebied ons vanaf snelle touchscreens toelachen, we gebruiken de nieuwste stemkastjes, tablets, smartphones, we maken Wiki’s, Prezi’s en Slideshares. We hangen als docenten de halve dag verglaasd achter ons beeldscherm en kijken uit naar het volgende congres waar we – en dat is een beetje de kern denk ik – weer dezelfde dingen in iets nieuwere vorm, en dezelfde collega’s in iets oudere vorm aantreffen, en we praten over steeds dezelfde dingen als mobieltjes en educatieve software in de klas. We zijn  een behoorlijk groepje selecte nerds aan het worden, een behoorlijk incrowd met een hoog ons-kent-ons-gehalte in ons veilige kringetje, dat we op Twitter ook weer terugvinden: dezelfde volgers en gevolgden twitteren over dezelfde onderwerpen.

We kunnen het maar nauwelijks bevatten dat er collega’s, ouders en leerlingen bestaan die heel anders tegen al onze mooie speeltjes en ideeën aankijken dan wij. Dat zij niet denken zoals wij dat doen. Dat zij niet door beeldschermen verblind zijn zoals wij dat zijn. Dat zij bijna in een andere realiteit leven dan wij. Offline. Hoe vreselijk, hoe onbegrijpelijk.   Natuurlijk, waar wij op kicken en waar wij van genieten biedt ongekende kansen en mogelijkheden voor het onderwijs. Maar ja, door ons enthousiasme vergeten we wel eens dat er ook nog eens een behoorlijk kostenplaatje aan hangt, dat er soms totaal nieuwe dingen aangeleerd moeten worden, dat er op onbegrijpelijke knopjes geklikt moet worden en dat er  meer is dan de wereld van Social Media, waar wij ook in onze vrije tijd  heel wat uurtjes doorbrengen om vaak nog meer onze honger naar ICT te bevredigen.

Een school volstoppen met materiaal en daar enthousiast naar wijzen en zeggen hoe eenvoudig het allemaal is gaat dus niet werken. Misschien moeten we eens even tot bezinning komen, en eens kijken hoe we wat bescheidener de wondere wereld van ICT aan de man kunnen brengen. Niet elke digibeet is een inboorling die verblind door hightech spiegeltjes en kraaltjes de digitale zendeling en diens geloof omarmt.

Share

 


Lost in space…school zonder internet.


Het is een zonnige dag, leerlingen braaf aan het werk in de electronische leeromgeving, want een beetje school kan niet meer zonder en de docent kan op die momenten even amechtig onderuit hangend de beurskoersen of vakantieveilingen.nl doornemen, waarbij hij of zij er wèl op moet letten dat de beamer niet aan staat. Het is niet de eerste keer dat een collega in den lande werd geschorst vanwege niet-lesgerelateerde activiteiten op internet, en dan ook nog ten aanschouwe van een groep ineens ernstig geïnteresseerde pubers.

Gescheld en getier in de klas. De ELO ligt er uit. Daar gaat je zorgvuldig voorbereide les. Zoeken op twitter levert een ware kanonnade op van radeloze scholieren, een enkele ontheemde en ontredderde docent en pas later ook wat mededelingen van de fabrikant zelf. Ik citeer even ene @Mirpiee, die roept: “Aaaaah ITSLEARNING DOET HET NIET!!! Ik space ‘m zo hard hier he”.
Een ander, reeds het kookpunt genaderd ( ik zal de vloeken en de schuttingtaal even door sterretjes vervangen ): “G*D, K*T ITSLEARNING! Ik moet een verslag maken , moet duits leren en nog NA leren! En nu doe je het niet? ! F**K YOU!!!”.
Of: “Shiiiit, itslearning doet k*t en ik moet die ckvpoep nog inleveren!!!”  en : “tering itslearning als ik hem te laat inleveren heb ik een 1″.
Gelukkig zien sommigen ook de zonnige kant van een leven zonder internet: “Itlearning doet het niet….chill! :-)

Tja, wat moet je als vooruitstrevende Onderwijs 2.0-school nog zonder internet? Docenten zitten verweesd achter hun gestorven laptopjes, leerlingen hangen lui en “chill” achterover of grijpen radeloos en vloekend naar de Ritalin. De geoliede machine is krakend tot stilstand gekomen, men stroomt het pand uit, genietend van het prachtige nazomerweer wat zo verpest werd door het feit dat je achter zo’n stom beeldscherm een beetje opdrachten voor een stom ckv-poepvak moest maken, bedacht door zo’n moderne computernerd-docent die zelf niet eens een eigen Hyves of Facebook-profiel heeft.
Onderwijs 2.0 is voor de doorsnee-leerling vaak niet meer dan rondneuzen op Facebook, chatten op MSN, je verslag vullen met Google en je opdrachten inleveren via de ELO. Werkt één van die dingen niet, dan volgt totale ontreddering. We zijn offline.

Daar schuilt hem gelijk het gevaar van het o zo prachtige en verleidelijke intertnet: dat je je als school er te veel van afhankelijk maakt, dat je soms vergeet dat je ook nog met een krijtje op een ouderwetsch degelijk donkergroen schoolbord kunt schrijven, en dat je voor de afwisseling eens met een stapel nakijkschriftjes in je tas naar huis fietst. Je wordt ‘s avonds niet gestoord door mailtjes, bliepjes, je hoeft niet elk lesuur een vaak krakkemikkig werkend absentieregistratie-systeem bij te houden, je loopt niet met schele hoofdpijn van het in verkeerde houding turen naar je laptop door het pand en je hoeft je niet te storen aan Powerpoint-presentatie nummer zoveel waar je duizelig wordt van de op het scherm rondstuiterende teksten, plaatjes en geluidjes die de maker in zijn enthousiasme voor al dat moois wat dit programma biedt, heeft toegepast. “Killed by powerpoint” is een gevleugelde kreet bij de Amerikaanse troepen in Afghanistan.

Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd van griffels en leien, naar wolken krijtstof en grauwe docenten die met een afgebeten potloodje stapels volgekladderd proefwerkpapier doorworstelen. Onderwijs 2.0 is een zegen en biedt ongekende mogelijkheden. Ik kan niet wachten tot alle lokalen vol staan met touchscreens, webcams, tablets, en wat er meer voor prachtigs op de markt is. Zolang het ‘blieb”zegt en licht geeft, blijkt het voor leerlingen op de een of andere manier soms een stuk boeiender dan alle ouderwetse lesmethodes en docenten bij elkaar. Wel hard en onverbiddelijk trouwens, dat digitale lesgeven: “wanneer ik ‘m niet inlever heb ik een 1″.

Onderwijs 2.0  is prachtig, fantastisch! Zo lang we maar niet verleren om terug te vallen op beproefde middelen wanneer we eens een keertje digitaal offline zijn.In dat soort situaties bewijst zich de professionele schoolorganisatie.

Share

 


Ouderavond

‘t Is ouderavond. De school vult zich al ruim voor tijd met vaders en moeders, die allemaal wat onwennig aan hun bekertje koffie nippen en nu eindelijk de omgeving te zien krijgen waarover zoon- of dochterlief meestal niet anders weet te reageren dan met “O, wel goed, niks bijzonders gedaan!” wanneer gevraagd wordt wat er vandaag allemaal op school is gebeurd. Ik spreek nu over pubers, die op die leeftijd nu eenmaal altijd A moet zeggen als de ouders B beweren.  Aan de andere kant zijn ze de volgende ochtend allemaal wel weer vreselijk nieuwsgierig naar wat de leraar “over mij te zeuren had”. En als je ze dan een pluimpje geeft, dan zwellen ze van trots. Het blijven kinderen, tenslotte. Die ouders eigenlijk ook wel een beetje. Ook hier zijn er die te laat komen, gedoemd tot ongemakkelijke bankjes aan de zijkant, want de zaal is mudvol. Men heeft gelukkig nog interesse in wat het kind te wachten staat, ook al is het maar aan het begin van de schoolloopbaan dat je ze allemaal zo bij elkaar hebt. De volgende keer dat de zaal weer zo vol zit, zal zijn bij de diploma-uitreiking, over een aantal jaren, met daartussen nog wat tien-minutengesprekken, zo hoop je.

De docenten staan langs de zijkant van de aula, zien de volle zaal, lichting nummer zoveel van de vele die zijn gepasseerd, en zoeken naar gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. “Ah, dat is vast de vader van Pietje, en die mevrouw zit er net zo bij als haar dochter. De directie spreekt. Het gaat over missie, visie, plannen, de onderwijsinspectie. De aanwezigen laten alles gelaten over zich heen komen. Stapels vaktermen, exameneisen, normeringen; het is lang geleden.

Heel braaf loopt men na de algemene toespraak met de mentoren mee naar de lokalen, en neemt afwachtend plaats achter de tafeltjes. Het is buiten al donker, de beamer zoemt, en bijna wordt het knus. Ouderavonden hebben altijd iets rustgevends vind ik. Zeker de individuele gesprekken, in de stilte van het bijna verlaten schoolgebouw, de leerruis verstorven, de boel aan kant, waar je hoort van huiselijke narigheid, echtscheiding, onhandelbare pubers, en gelukkig ook van ideale gezinnen vol pais en vree, die helaas steeds meer een zeldzaamheid beginnen te worden.
Dit keer heb ik ze allemaal. Een klas vol, dertig stuks zijn er op komen dagen, je geeft ze allemaal een hand. Je bent ineens weer een beetje de Meester. Soms zegt een leerling dat nog tegen je: “Meester!” en heel soms, waar ze dan gelijk van schrikken: “Papa!”. Ze voelen zich dan blijkbaar thuis. Da’s het belangrijkste, de rest komt vanzelf.
Die school moet een veilige plek zijn, een plek waar je alle leerlingen dat kunt bieden wat ze nodig hebben, of ze nou lijden aan ADHD, PDD-NOS, Asperger, dyslexie,dyscalculie,schizofrenie,Borderline, zelfmutilatie, NLD of noem maar op lijden, of dat ze doodnormaal of juist hoogbegaafd zijn: je krijgt ze allemaal bij elkaar en je dient er wat van te maken. De ouders zien soms net zuilke beren en bergen als hun kinderen. Wat gaat er allemaal gebeuren, gaat mijn kind straks wéér gepest worden, krijgt mijn kind wel de juiste aandacht, op de specifieke manier die bij zijn of haar stoornis hoort?  Je probeert een sfeer te creëren die je ook in de les hebt. Gezellig, een grap en toch aandacht.

Het gaat over mobieltjes. We moeten ons kind toch bereiken meneer. De herkenning wanneer het gaat over het eindeloze getuur op dat kreng tijdens de maaltijd. Eeuwig met dat mobieltje in de weer. Het gaat over huiswerk: er staat nooit niks meer wat in hun agenda meneer, hoe kan dat nu. Het gaat over reizen: mijn dochter moet al om vijf uur op voor die-en-die les. Over schoolfeesten: ik heb gehoord dat daar nogal gedronken wordt, houden jullie dat een beetje in de gaten. Worden er bij jullie ook drugs gebruikt. Hoe zit het met het pesten. Kunnen wij ook een bericht krijgen telkens wanneer er huiswerk wordt opgegeven. Die schoolboeken zijn zo duur, wat als ze nog geen boeken hebben. Moeten ze persé mee naar Barcelona, mogen ze op buitenlandstage als ze 15 zijn.

Grote zorgen, enorme zorgen, en voor iedereen terecht. Ouders geven tenslotte hun kostbaarste bezit in jouw handen. “U mag mij bellen als er problemen thuis met uw kind zijn”. Hilariteit alom. Dat moet ik dus even nuanceren, want voordat je het weet staat de hele week de telefoon roodgloeiend. Na afloop , om tien uur, de tijd vliegt, blijft er nog iemand dralen. Dan weet je: daar komt een groter thuisprobleem dan alle andere die je vanavond gehoord hebt. En ja, je hoort van plotseling geconstateerde kanker bij een ouder, een zware operatie in het verschiet met ongewisse afloop, en of we alsjeblieft rekening willen houden met het kind waarvan jij de mentor bent. Dat kind wat thuis al een paar weken zo vreselijk veel heeft gehuild en wat op school stoer en ogenschijnlijk onaangedaan door de gangen liep, waar het dolgraag thuis bij de zieke op schoot zou kruipen en roepen van “laat me nu niet in de steek, ik zit hier net op school en ik wil zo graag dat je weet hoe ik het hier doe”.

Het hoort er allemaal bij. School, een maatschappijtje in het klein, waar onze toekomstige bloem der natie wordt klaargestoomd voor de grote wereld straks. Een zwaar beroep, maar die leerlingen zelf, die willen allemaal wel. Er zitten etterbakken tussen, dictators, onderdrukte volkeren, politici, bankiers, minder bedeelden, criminelen, brave burgers, sporters en wereldverbeteraars. En het is heerlijk om daar samen met die ouders aan te schaven en te vormen. Dat er nog maar vele ouderavonden mogen komen.

YouTube Preview Image

Share

 


Onderwerpen:

Laatste reacties

    • LEHTI: Herstel: Over kunst doe ik wel een uitspraak: onderstaand schilderij is erg mooi qua…. alles. Kan er...
    • LEHTI: Over kunst doe ik geen uitspraak. Ook heet ik geen Jelle of Nelle. Wel ben ik blij te lezen dat er opnieuw een...
    • Jeroen: Leuke blog! Kan mij dan ook volledig in je positie verplaatsen! Zelf ben ik ook echt gadget gek, kan dan ook...
    • Erik Boeschoten: Dank voor een heerlijk positief inkijkje in je praktijk. Dat is weer een onderwijspareltje online ;-)
    • Frank: Het lijke me eerder een probleem welke raampjes je gebruikt en hoe je ze afdicht. Twee glaasjes in formaat...

Archief