Doodgaan is een kunst

Er zijn twee manieren van doodgaan. De eerste is die waar je soms tot een fractie van een seconde voor het gebeuren geen weet van van hebt: in je slaap, een kogel, een betonblok wat uit een hijskraan valt, ik noem maar wat. De andere manier is die waar je weet dat het onherroepelijk gaat gebeuren en dat is een kunst op zich.  Kunst kan lastig toegankelijk zijn. pas wanneer je je er aan overgeeft en wanneer je er over hoort of leest, kun je er iets mee.  Je staat daar in het museum en je komt daar in een zaal en daar hangt dan aan de wand voor je de dood aan de muur. Wanneer je je omdraait is er geen uitgang meer, je bent alleen daar in die zaal met dat stuk ontoegankelijke kunst wat toch zo veelzeggend is. Er is geen gids, geen handleiding om dit werk te beschrijven. Iets is kunst wanneer het uniek in de wereld is en ook nog eens een boodschap in zich draagt. Kunst is een soort wonder. De  wereldwonderen bestaan voor een groot deel uit kunstobjecten.

De dag voor kerst hoorde ik van een familielid dat alvleesklierkanker was geconstateerd. Geen gunstige prognoses. Wat kun je doen wanneer je op die manier in die zaal van dat museum wordt geduwd? Wanneer je je omdraait en tot de ontdekking komt dat de uitgang verdwenen is, dat jij de enige overgebleven bezoeker bent? Je kunt op zoek gaan naar een uitweg, naar verborgen deuren, een naad in de wand die mogelijk een kans biedt, je klampt je aan de kleinste oneffenheid vast. Je hoopt op een wonder, in een wereld waar wonderen eigenlijk niet meer plaats kunnen vinden omdat alles beredeneerd, berekend en beschreven is. We geloven niet meer, we wéten alles. Van de geboorte tot aan de dood. Geboorte, daar weten we ook alles van. Het wonder van de geboorte, dat hoor je dan weer wel. Bij de dood hebben we die associatie niet. Mijn moeder heeft een lang sterfbed gehad. Een week voor het einde had haar gezicht alle kenmerken van iemand die reeds overleden was.  Duizend rimpeltjes plooiden zich om de schedel, de gelaatstrekken leken verstard. En toen, bij die laatste adem, die je direct herkent ook al heb je het nog nooit meegemaakt, trokken die rimpeltjes weg. Met die laatste wegstervende unieke zucht, waarmee de ziel hoorbaar het opgebrande lichaam verlaat, op weg naar het onbekende, verdwenen ook ineens de sporen van de negenentachtig jaar tussen geboorte en dood.  Of je weer helemaal terug ging naar het begin van de geboorte. Alsof dàt geen wonder is.

Iemand die terminaal ziek is, verliest een kwart van zijn vrienden, zo bleek onlangs uit een onderzoek van de stichting Sire. We kunnen blijkbaar niet zo goed omgaan met dingen die we niet begrijpen, die moeilijk toegankelijk zijn zoals wonderen of kunst. We komen niet graag in een museum met ontoegankelijke kunst, we zijn niet geneigd nog in wonderen te geloven. Is er iets vóór de geboorte, en – nog belangrijker – is er iets ná de dood. Wanneer we ons daarmee bezighouden, dan zitten we in het gebied van de wonderen, van de kunst, van het geloof. Het ontoegankelijke toegankelijk en daarmee begrijpelijk maken. Misschien is er nog een onvermoede uitgang in die zaal waar de dood aan de wand hangt. Misschien verandert de lichtinval wat, en zien we toch een kier. Misschien zijn er geen uitzaaiingen en komen we een andere keer terug in het museum. Ook dat is een wonder wat soms gebeurt.

Zoniet, dan rest niets anders dan je te verdiepen in het kunstwerk wat daar voor je hangt. Alleen dàn wordt het toegankelijk. En dan kun je bij de verwondering daarover de hulp van vrienden goed gebruiken.

2 antwoorden op “Doodgaan is een kunst”

  1. Ha Rein ter filosofische overdenking: Stel het kunstwerk is écht niet te doorgronden (is het dan überhaupt nog kunst?). Daarbij opgeteld uitgang kwijt én slechte verlichting? Waar ben je dan? De hel? Nou bijna: Kröller Muller… 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

twee × een =