Eeuwige liefde

liefdespaarUit de nacht van de tijd zijn zij langzaam naar boven komen glijden. Beetje bij beetje, eerst met grove scheppen, later haast korrel voor korrel, met spades, borstel en penseel, onder het oog van een student, dopjes in de oren, op het ritme van een dreunende beat….

Terug in de wereld na die dag, of die nacht, 1500 jaar gleden, waarin zij in de aarde werden gelegd, naast elkaar, hand in hand, het hoofd van de ene gekeerd naar de ander, de ander als het ware beschroomd opzij kijkend. Postuur en houding doen de vrouw vermoeden, maar dat is gezien door een blik van de twintigste eeuw, gevoed door een schoonheidsbeeld wat bedacht is door snelle reclamejongens en couturiers. Zij wil niet, weert af, hij wil wel, dringt aan.

De echte vrouw ligt rechts, brede heupen, gebouwd om een kind te dragen in een tijd die vol met wonderen en verwondering lag, vol angst voor het onbegrepene, vol angst voor het dreigende, en vol onwetendheid over alles wat verder dan het oog en de mond reikte. Maar ook, in hun geval, vol verwachting voor de toekomst; wij zien een liefdespaar, wij willen dat zien, in onze drang naar verklaren.

Vroege middeleeuwen, Romeinse tijd, een tijd van stilte, leegte, een wijdheid van de wereld, die niet verder strekt dan enige honderden kilometers. Daarna houdt de aarde op; daarachter ligt het godenrijk, het dodenrijk, dat wat dreigend en afschrikwekkend is.
Buiten de muren van de stad, de tempel, het klooster, vonden zij elkaar, omarmden zij elkaar, Onder bomen die het zelfde zijn gebleven, onder bladeren die nog steeds dezelfde koelte geven, het zelfde ritselen. Met merels die onveranderd hun zelfde tonen produceren, Een kus van nu is net zo hartstochtelijk als een kus van toen, een siddering door het lichaam siddert net zo hevig door ons heen. Daar staat de tijd in stil, en meer dan 1500 jaar. Het licht van de sterren, uitgezonden van plaatsen in het oneindig heelal die ook toen al misschien niet meer bestonden, schijnt net zo rustig en koel als op de gezichten van een liefdespaar wat nu, onder de oranje gloed van stadsverlichting, een stille plek gevonden denkt te hebben.

En dan het weten van een naderende dood. De pest misschien, een kou die niet met middelen, bezweringen en zalverijen was te bestrijden. We weten het niet. Het onherroepelijke afscheid, een weerzien in het dodenrijk. De ander kwijnt, en volgt, en warme aarde vult zich schep voor schep boven hun teder naast elkaar gevleide lichamen, hand in hand; dooft boven hen het laatste lome licht in de namiddag, ergens in het Italiaanse heuvelland , voorgoed. Het doffe ploffen van het zand, een trage hartslag die dan stopt.

Het graf verwildert onder de seizoenen, wordt vertrapt door vele voeten, hoeven, wielen, karren, rupsbanden, walsen, asfalteermachines, gebouwen dreunen neer en worden weer ontmanteld. Geen weet van oorlogen, van stervende en in hun doodsstrijd om hun geliefde roepende soldaten, Duits, Italiaans, Amerikaans, boven op de plek waar zij nog steeds maar liggen. De wereld draait als een dolgeworden mallemolen over hen heen.

En dan: zacht gekrabbel, wroeten, een vreemde geur en een reusachtig licht. Dit is niet het godenrijk, dit is nu. Zijn worden herboren, begeleid door het slissen van de muziek uit de oordopjes van de jonge student, die aandachtig met zijn borsteltje hun lege ogen blootlegt, die hun handen van het stof ontdoet, de ring aan de vingers weer openbaart, en die hen liefdespaar noemt. Hun foto flitst over de wereld die nog veel meer dan 1500 jaar verwijderd lijkt van die van hen. Zij liggen in een ander universum. Binnen enkele uren reizen zij de niet meer platte aardbol rond, vergaren zij honderdduizenden likes, meer mensen dan zij ooit in hun korte leven konden tellen.

Eeuwige liefde, ook straks, maar niet meer op die plek, waar zij samen 1500 jaar jaar doorbrachten. Straks wordt een museum, een zaal, een glazen vitrine onder kunstlicht. Nooit meer zonlicht, nooit meer maanlicht, nooit meer merels en nachtegalen in de avond. Straks een zacht zoemen van de klimaatcontrole, de stille stap van een nachtwaker, die even stilstaat bij hun glazen kast. In het strijkende licht van zijn zaklantaarn schittert even kort een vonkje uit haar ring. Een flits van een liefdespaar in eeuwigheid.

 

Noot:
Dit stuk schreef ik naar aanleiding van een foto die ik op Twitter tegenkwam.. Een van mijn volgers, @Touaregtweet, zond mij deze link met wat achtergrond-info, waarvoor dank! Ik heb expres gewacht met lezen, ik vind dat je eerst ruimte moet kunnen geven aan je fantasie. Wel wist ik dat dit paar gevonden is in Noord-Italië, en dat het ongeveer 1500 jaar oud moest zijn. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

14 − 11 =