Hypochonder

Mr.-Bean-at-the-hospitalOnderuitgezakt op de bank kijk ik op zondag, na een lange hete dag in de zon, naar de televisie. Bak chips, afstandsbediening, meer stereotype kan niet. Dat schijnt het typerende beeld van de man van de 21e eeuw te zijn, dus wie ben ik om mij daarin anders te gedragen? Dan flikkert even het beeld, en verdwijnt de bovenste helft van het scherm achter grote slordige vegen lichtgrijze muurverf. Een ramp, de tv kapot. Een mannenleven stort dan ineen, waar een vrouw opgewekt denkt van ha, nu kan ik eindelijk iets leuks of gezelligs gaan doen. Maar als ik opzij kijk, is de muurverf er nog steeds, en alleen bij mijn rechteroog.
“Zien jullie dat ook?” vraag ik nog aan de andere aanwezigen in de kamer, en dan wordt duidelijk dat ik ineens in één oog half blind ben geworden. Ik zit recht overeind nu en lichte paniek maakt zich van mij meester. Ik heb al baggerogen; op foto’s van mij ben ik altijd te zien met een mobieltje ongeveer in één oog gedrukt, en daar drijft het gezin dan altijd de spot mee. Een groot verschil tussen links en rechts, dus het ene oog gebruik ik om te lezen en het andere om ver weg te kijken, daar komt het ongeveer op neer. Stel je voor dat daar nu ook nog blindheid bij komt, ook mijn hond is daar niet op voorbereid en ik ben enorm visueel ingesteld. Doofheid lijkt me te verdragen, maar blindheid, nee, hoewel je wel hoort dat doven liever blind zouden zijn dan doof.

Dan vallen gaten in het grijze vlak, de tv komt weer tot leven – o heerlijkheid – en na een minuut of vijf  is alles weer normaal. De chips, de afstandsbediening, mijn in mijn hand verkleefde mobieltje. Meer kan een man niet wensen.  Toch knaagt er wat twijfel; op dinsdagmiddag toch maar even de huisarts gebeld, en die wil mij toch wel even zien. Dan wordt het eng. Waarom wil zij mij zien, het is toch over.

Ik ben de laatste patiënt. In de wachtkamer vertelt Nico de Haan – ja die met die sik – over vogels in het waddengebied. Dat doet hij daar al jaren. Naar lucht happend, lijkt het, want er klinkt andere muziek uit de luidsprekers. Rustgevende space-muziek, waardoor je als patiënt mijns inziens nóg meer in de stress schiet. Daar is juffrouw de dokter. Een jong meisje nog. Vertelt u maar eens, wat is er gebeurd. Ze komt er niet uit. Ze belt de oogarts en die zegt dat dit meer iets voor een neuroloog is. Dan valt het woord ‘tia’, en zakt de stoel ongeveer onder mij weg. Dát had ik niet verwacht. Dus tóch de langverwachte straf voor mijn zondig leven. Een tia, een licht herseninfarct, voorbode van een beroerte die mij met 60% kans in het eerste jaar in een rolstoel gaat doen belanden, vegeterend als een plant. Ineens voel ik mij honderd, en alle horror die ik vervolgens thuis op internet lees doet daar nog wat flinke scheppen bovenop. Het is iets voor oude mannetjes, lijkt mij.
Oxazepam leidt mij rimpelloos door de nacht. Als ik lijd, moet dat ook gelijk goed gebeuren. De volgende ochtend al hangt het ziekenhuis aan de lijn, om de ernst van de situatie nog eens even te onderstrepen. Of ik morgenochtend om 8 uur mij wil melden bij de tia-poli, voor een serie onderzoeken, en vooral nuchter zijn. Ik en nuchter. Mijn werk gaat niet. Ik staar naar het beeldscherm, wachtend op de volgende aanval, ik zit zelfs niet op twitter, en meld mij halverwege de dag geheel ontredderd af. De ochtend van het onderzoek wandel ik, hypochonder als ik ben, nog één keer met de hond over een grijze sombere akker, het miezert, alles zit mee in mijn zwartgallige stemming. De laatste onbezorgde ochtend, wat rest is een angstig leven met een naderende beroerte, hangend als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Hoe snel kunnen alle zekerheden waar je je aan vastklampt onder je weg getrokken worden.

In het ziekenhuis krijg ik een grote map mee met het dagprogramma, waarbij ik langs diverse afdelingen moet. Ik mag eerst bloed prikken, dan CT-scan, echo’s, verdere onderzoeken; tot 12 uur ben ik zoet, waarna de specialist met het vonnis zal komen. Met het bloed prikken heb ik traumatische herinneringen aan de locatie in Barneveld, waar ik dat ooit een aantal jaren heb moeten ondergaan. Een kamer waarvan de deur altijd open staat, en waar buiten een hele verzameling kromme oude boeren en krakkemikkige bejaarden zit of hangt, die elkaar allemaal al jaren lijken te kennen en die allemaal aandachtig naar binnen kijken wie er nu weer een naald in de arm gestoken krijgt. Alle kwalen worden besproken, van loopoor tot anale ongemakken. Ik zat daar altijd tussen waarbij ik mijn uiterste best deed om zoveel mogelijk op een buitenaards wezen te lijken om elk contact te vermijden. Ik deed ook altijd de deur dicht als ik naar binnen ging, en die moest van de zuster – o, heks!  – dan altijd weer open. Mijn onvermijdelijk voorland weer, vrees ik.

Gelukkig mag ik na het bloedprikken eten. Een kleffe witte bol met veel boter en een droge plak koek. Je zou van een ziekenhuis, waar men je gezond wil houden, toch anders verwachten. De ene na de andere oorzaak wordt uitgesloten. Ik schuif in een scanner van een miljoen, voel me de astronaut uit Space Odyssey, en aanschouw later bij de specialist mijn hersenen in plakjes. Er is niets aan de hand, geen tia, hooguit een klein voorbijgaand gesprongen adertje in het oog, ik schijn een lichaam en een gezondheid als een jonge god te hebben. Nou ja, die gezondheid dan, dat lichaam is uiterlijk aan het nodige verval onderhevig.
Ik sta weer buiten. Het is koud en grauw, er vallen spatjes, maar de zon schijnt in mijn hoofd. Hoe kwetsbaar ben je eigenlijk, dat dingen zómaar, plóp, het kunnen begeven. En ik heb geluk gehad; anderen, die ik vandaag in het ziekenhuis  zag, niet. Een jongetje van een jaar of 8 in een rolstoel, dat er uitzag als een geest. Een baby van 3 maanden voor een echo. Een meisje van een jaar of 20, broodmager, grijs gelaat, voorbij wankelend als een skelet.

Leven is een kostbaar bezit, en ook heel breekbaar. Door zo’n week sta je daar weer eens bij stil. En dat is goed. Stilstaan ook bij al die anderen, die dat niet hebben, die in al hun narigheid nóg verder worden uitgekleed door een harteloze overheid. Die veel meer recht hebben zich hypochonder te voelen dan ik. Ik volg velen van hen op Twitter. Die hebben heel veel reden tot klagen. Vaak gekluisterd aan een bed, of met een hulphond, lees je dan in hun bio, en dan toch altijd – ogenschijnlijk misschien – opgewekt, genietend van de dag. Ik bof, zij niet. En dat is soms redelijk onverdraaglijk. Ik kan van hen nog heel veel leren.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

17 − 7 =