Komt allen tot ons!

Afgelopen zaterdag was ik – na enig eenzijdig overleg – ingeroosterd voor de open dag van het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik mijn centjes pleeg te verdienen. Om foto’s te maken en te filmen, want een beeld zegt vaak meer dan 100 open dag-woorden.  De dreigende woorden van onze minister van onderwijs en die van de geachte heer Elias indachtig, offerde ik mijn vrije zaterdag met blij gemoed op. Niet dat ik gestaakt had of zo – daarvoor hebben we het hier veel te druk – , maar gewoon omdat het leuk is om te doen en ik tijdens de volgende open dag op kosten van de school een weekje op Malta mag doorbrengen, en daarvoor wil ik op mijn vrije zaterdagen wel heen en weer reizen. Dat brengt het totaal van ingeleverde zaterdagen al wel weer op drie trouwens.

Jaloerse lezertjes, of meneer Elias, zullen zich afvragen of ik die week niks beters te doen heb, maar ook die dagen worden aan onderwijs besteed, en ik zeul nog een extra grote hutkoffer mee gevuld met achterstallig nakijkwerk. Dat kan ik daar dan mooi ’s nachts en tijdens het vliegen doen. Een Europees potje zorgt ervoor dat ik mijn Engelse taal op een nog wat hoger niveau kan brengen, want om hoog op de Pisa-ranglijst ( voor de niet-onderwijsleken: een soort top 2000 aller tijden maar dan voor onderwijs ) moet je natuurlijk ook investeren in tweetalig onderwijs.

Mijn liefde voor het vak en mijn angst voor de heer Elias kostten mij afgelopen voorjaar al bijna het leven toen ik in Finland ( ook weer Europees geld ) een ICT-nascholing volgde, die mij een soort longembolie opleverde. Trouwe lezertjes weten waar ik op doel en de anderen moeten maar even zoeken.
Nu vind ik reizen gelukkig heel erg leuk, en niets is zo verrijkend voor een docent om je vleugels af en toe in een andere cultuur te mogen uitstrekken. Je legt leuke contacten, doet een schat aan ervaringen op en je gaat na terugkomst vol energie weer aan de slag. Daar teer je meer dan een jaar op. Bovendien schept zoiets een extra band met je school. Ons geachte kabinet zou de waardering voor de docent een behoorlijke oppepper kunnen geven door hem of haar eens een keertje naar een cursus in het buitenland te sturen. Daar offert men volgens mij graag een weekje vakantie voor op, en zo ziet ook het gewone voetvolk binnen de school eens wat anders dan het klaslokaal, en ervaart het wat veel colleges van bestuur of andere managementslagen als al niet meer dan normaal beschouwen.

De docent lijkt momenteel onderwerp van een heksenjacht van in hun ego aangetaste politici en bewindslieden die onbezonnen plannen zonder overleg willen doordrukken. Resultaat is dat inmiddels iedereen kijvend in de gordijnen hangt en elk negatief bericht over onderwijs wordt uitvergroot tot het formaat van een olifant waar iedereen op staat te schieten.

Wie nog in het onderwijs gaat is een sukkel, en wie er al in zit is een nog grotere. Dat lijkt een beetje de teneur. Toch leuk dat al die sukkels  op hun vrije zaterdagen nog wat leerlingen en ouders binnen de school proberen te trekken, en toch leuk dat zoiets nog uitstekend lukt ook. Wij hadden er afgelopen zaterdag op één locatie bijna 2000. Blijkbaar krijgen leerlingen graag les van sukkels, of het nou in 1000, in 500 of in 1040 uur  gebeurt. Les is niet meer wat wij vroeger hadden: een uur in een lokaal, keer een aantal dagen keer een aantal weken, resulterend in een onwrikbaar getal. School is een totaalbeleving, die zich ook uitstrekt ná een lesdag van negen tot vier. Je ziet dat leerlingen op de meest krankzinnige tijden aan het werk zijn in een electronische leeromgeving, je krijgt mailtjes binnen die in de vakantie, in het weekend of diep in de nacht verstuurd zijn. Of je maar even snel wilt reageren, meneer! De ene wil het zus, de andere wil het zo en de meesten krijgen het nog voor elkaar ook.

Docent zijn is een zwaar beroep. Heel zwaar. Gelukkig hebben we als tegenprestatie ook een leuk beroep, en dat merk je bijvoorbeeld wanneer je twee bonken van puberknapen, van het soort die je niet in een donker steegje zou willen tegen komen, een geanimeerd gesprek hoort voeren over dat ze het vroeger toch zo leuk vonden om naar Barbapappa en Flubber te kijken.
Ik zelf was vroeger gekluisterd aan de eerste avonturen van Ivanhoe of van Pipo die in een bordkartonnen grot spannende onderwater-avonturen, gelardeerd met zeepbelletjes beleefde. Nu slachten ze in hun eentje achter het computerscherm hordes buitenaardse wezens af, de moderne Pip, zeg maar. En dat tot drie, vier uur in de nacht, maar eigenlijk is er aan onze schoolbevolking zelf niets veranderd in al die jaren: het zijn nog steeds kinderen, die ook nog eens best wat willen leren, hoewel dat niet altijd even makkelijk lijkt te gaan. Een beetje meer steun en begrip kunnen we daar dus wel bij gebruiken.

 

Eén antwoord op “Komt allen tot ons!”

  1. Ik moest die Pisa-ranglijst een paar keer overlezen. Ik las steeds pisang-lijst. 🙂
    Niet verzuren hoor. Leraar zijn is een mooi vak. Anders zou er niemand meer in het onderwijs gaan. Maar getuige de aanwas en de vaak ook mooie verhalen op het net, zit dat wel snor. In de ouderenzorg, volgens mij is daar echt niemand meer voor te porren. Waarom? Omdat ik weinig hoor en lees van mensen die daar met passie over vertellen. Maar dat wordt binnen korte tijd (of is al) een veel grotere branche dan het onderwijs. Wat mensen dáár in hun vrije tijd moeten doen, wil niemand weten. Een leraar heeft, ook nu nog, heel wat meer status.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

10 + zestien =