Kus

 

Zoenen is in het algemeen een intrigerende bezigheid: vier vochtige lauwwarme lapjes vlees stulpen naar elkaar toe om vervolgens te verkleven, waarna twee nog veel vochtiger vleespoliepen zich lillend tussen voornoemde vier doorpersen om vervolgens elkaar af te tasten en ineen te kronkelen, daarbij overvloedige hoeveelheden vaak zuur ruikend speeksel uitwisselend. Niet zonder gevaar bovendien; onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer men tijdens deze daad meer dan tachtig liter speeksel overbrengt, de kans op een aidsbesmetting aanwezig is.

Aanstaande maandag word ik op het nieuwsjaarsontbijt van mijn onderwijsinstituut verwacht, zo liet mijn werkgever mij onlangs enigszins dringend weten. Om nieuwjaarswensen uit te wisselen en zo. Niemand kan mij echter van mijn vaste ochtendritueel: beschuit, kop thee en krant afhouden, dus dat doe ik toch echt sowieso eerst, dan maar wat vroeger op. Ik kan de krant en mijn eigen theekop natuurlijk meenemen en mij daarin verdiepen tijdens de nieuwjaarsfeestelijkheden, en aldus verzonken in mijn huiselijke routine ontloop ik dan misschien waar ik het meest tegen op zie, elk jaar weer: het gezoend worden door en moeten zoenen van collega’s, de vrouwelijke dan tenminste. Mannelijke collega’s, azend op een flinke zoenpartij, zijn in deze contreien dun gezaaid. Het blijft natuurlijk wel de Bible-belt, en daar zal de coming-out pas in de tweeëntwintigste eeuw plaats vinden.
 
Nu moet ik wel even voorzichtig zijn, want sommigen schijnen met enig plezier mijn episteltjes te lezen, en ook een enkele leerling schijnt het onder jongeren algemeen heersend analfabetisme te zijn ontgroeid en geeft blijkt van rudimentaire intelligentie door opmerkingen over de inhoud van Wauwel te ventileren ( “Huhh, leuk stukkie wel m’neer!”). Mijn collega’s zijn in het algemeen aardige lieden, maar degenen waar ik het meest mee optrek zijn natuurlijk toch wat meer van mijn leeftijd en dan laat het uiterlijk hier en daar wat steken vallen. Flabberende kwabben steken de kop op, hier en daar klappert een kunstgebit, bij nadere bestudering van de huid rond de mond blijkt zo nu en dan een moedervlek met daarop vier stugge zwarte haren de kop op te steken, er ontstaat bij een enkeling een hardnekkig schuim op de mondhoeken, ogen draaien geregeld wit weg of zijn van zichzelve al vaalblauw van de staar, gehoorapparaten vallen spontaan uit de de oorschelp, twee leesbrillen over elkaar op het hoofd, ja we hebben het allemaal niet meer zo goed in de gaten. Ouderdom komt met gebreken. Ooit had ik – op een andere school – een vrouwelijke collega die werkelijk verschrikkelijk onwelriekende adem had. Dat schiep toch een bepaalde afstand, zal ik maar zeggen, zeker op de nieuwjaarsbijeenkomst. Aanschouwt daar een volgepropte docentenkamer, is daar ineens een groot gat in de menigte, waarin dan weer die collega stond met een vermoedelijk bedorven toastje filet Americain in de hand.

Maar goed, enkele collega’s zullen dus – ondanks het feit dat ik mijn hand bij het schudden ver uitgestoken houd en daarbij een wegduwende beweging maak – ernstige pogingen tot verdergaand lichamelijk contact doen. Nu zal vermoedelijk het aantal gevallen waarin dat ontaardt in vol op de mond zoenen wel meevallen, je hebt in het onderwijs toch een bepaalde voorbeeldfunctie, en bovendien is daar dan nog het spiedend en alziend oog van de baas. Een complete orgie in de personeelskamer op de vroege maandagmorgen zit er dus niet in. Misschien kan ik een hinderlijk stoppelbaardje laten staan, of een groot bord om mijn nek hangen met daarop de wervende tekst: “PAS OP: GORDELROOS!”. En dit hele stukje zal ook een enorm zoenremmende werking op kuslustige ( ik wou haast zeggen: “bijtgrage”) collega’s hebben.

Eskimo’s schijnen elkaar geluk te wensen door hun neuzen langs elkaar te wrijven: ook zo wat, beetje meeëters uitwisselen. Nee, dan maar liever zoenen. Het zal allemaal wel meevallen. Gelukkig nieuwjaar. En krijg ik nou een kus?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

7 + dertien =