Leve de toets, en de rest bomt niet.

Een onderwijsdeskundige en een organisatieadviseur: een gruwelijker combinatie kan een mens zich niet voorstellen wanneer het gaat over lieden die menen hoe het in het kwakkelende onderwijs beter kan en moet. In een artikel op Managementsite.nl hebben twee ervaren stuurlieden het ultieme licht gezien en lezen de docenten in het basisonderwijs op gepaste wijze de les. Dat gepruts van die eigenwijze koninkjes in hun eigen koninkrijk moet maar eens afgelopen zijn, en er is nog maar één ding wat telt, en dat is de Cito-eindtoets. Wanneer een kind namelijk 2 punten meer scoort, 542 in plaats van 540, is het kind gered van een zinloos leven in bijvoorbeeld het VMBO en krijgt het een HAVO/VWO-advies: “Dat zou voor u en uw dochtertje een wereld van verschil kunnen uitmaken”. Het staat er echt.

Wat fijn dat meneer Kerklaan en mevrouw Verhoeff in hun functies als organisatie-adviseur en onderwijskundige dit zo mooi voor mij en het merendeeel van de Nederlandse ouders en hun kinderen hebben bedacht. De zon begint zo ongeveer te stralen over het kommervol bestaan van driekwart van de Nederlanders. Je kind zal toch naar het VMBO moeten, je kind zal toch een score van minder dan 542 hebben.

In hun alziende en ongetwijfeld duur betaalde wijsheid gaan deze lieden gemakshalve maar even geheel voorbij aan het feit dat er ook nog zoiets is als het geestelijk welbevinden van een kind op de school waar het zich bevindt. Dat geestelijk welzijn wordt gerekend tot “ruis en slecht controleerbare pr-activiteiten”. Daar heb je niks aan, zoiets valt niet in een cijfertje of iets meetbaars ( “met een druk op de knop” ) aan te tonen. Daar koop je niks voor in een maatschappij waarin alleen nog het resultaat telt, zowel voor de school als in de portemonnee van al die onderwijs- en organisatieadviesbureaus die het onderwijs hebben gemaakt tot de onoverzichtelijke puinhoop die het nu is. Het aantal organisatieadviseurs is sinds 1980 met ongeveer 1600 procent gegroeid ( “Bullshitmanagement”, Jos Verveen, 2011 ), en dat is ook ongeveer het moment waarop het onderwijs begon aan zijn steeds snellere aftakeling. We zijn nu in een situatie beland waarin de ene helft van Nederland de andere helft adviseert, en waarin die andere helft ook klakkeloos dat advies overneemt.

Leerlingen en docenten moeten zorgen voor “een betere performance” wanneer men niet aan de Cito-normen voldoet, aandacht voor “leuke zaken” ( wat zijn dat? ) moet “on top of” ( ik verbeter gelijk maar even de Engelse  spelfout in het artikel ) en niet “in plaats van”. Dat komt allemaal omdat de huidige leerkracht “geen professionele kenniswerker meer is”. Een beetje een sukkel dus, die leuke dingen met z’n kinderen wil doen op het moment dat daar ruimte voor en behoefte toe is. Zijn  die leerkrachten helemaal gek geworden, een beetje leuke dingen doen in plaats van rekenen en ontleden? Dat doen ze maar in hun vrije tijd ( die ze trouwens niet hebben omdat ze zo onprofessioneel hun stapels extra werk indelen ).

Kinderen mogen blijkbaar geen kinderen meer zijn, mogen vooral niet lager dan de norm scoren, want dan tellen ze niet volwaardig meer mee. Een regelrechte schoffering van allen die zich een slag in de rondte werken om kinderen te geven waar het in de eerste plaats op school om gaat: geborgenheid, een veilig leer- en leefklimaat, en het gevoel iets te betekenen en te zijn, ongeacht of je nu hoog of laag scoort volgens het Cito, ongeacht of je een beperking hebt of  niet. Beide dure onderzoekers gaan in hun kille advies-ijver geheel voorbij aan het feit dat dit de randvoorwaarden zijn voor een fatsoenlijk menselijk bestaan, juist voor kinderen die op dat gebied al zoveel ontberen.

Het zijn duidelijk voorstanders van de harde lijn. Voor straf ga jij maar naar het VMBO, voor straf word jij als docent ontslagen. Welnu, wanneer er hier straf uitgedeeld moet worden, dan is dat wel aan deze beide slechtste stuurlui aan de wal: ga in de hoek staan en ga je kapot schamen! En laat ik jullie niet meer zien!

 

4 antwoorden op “Leve de toets, en de rest bomt niet.”

  1. Goed dat je hier aandacht aan besteedt. Ik krijg echt overal jeuk als ik deze mensen aanhoor. Het is Good Old Tayloriaans managementdenken. Wat zitten deze mensen hartstikke fout! Ik heb een reactie geplaatst, ben benieuwd of ie langs de nmoderator komt 🙂

  2. Dank voor de doorverwijzing. Interessant artikel, omdat het zo schaamteloos eenzijdig is. Dat kun je afkeuren (terecht), maar als ik een stapje terug doe, roept het bij mij de vraag op hoe het kan dat dit soort verhalen acceptabel zijn geworden. In mijn reactie onderaan het oorspronkelijke artikel stel ik de provocatieve vraag welke rol leraren en schoolleiders zelf hebben in het in stand houden van de Cito-mythe. Voor de goede orde: ik ben zelf ook zo’n adviseur/onderzoeker die nog nooit zelf les heeft gegeven. Dus je kunt deze vraag afdoen als irrelevante onzin van iemand die het niet begrepen heeft. Maar ik hoop op een serieus antwoord 😉

  3. @Hartger:
    Haha, het feit dat je als vertegenwoordiger van een door veel docenten verfoeide beroepsgroep de nodige zelfkritiek in je reactie plaatst, doet je al weer een stuk in mijn achting stijgen. Ik heb ook je reactie bij het artikel op Managementsite gelezen, en daar heb ik wel wat opmerkingen bij:
    Ik denk dat de weerzin tegen onderwijsadviesbureau’s vooral bij het beleid van veel schoolleiders en besturen gezocht moet worden, en dat het niet de docenten zijn die Cito-mythe in stand houden. Zij hebben immers geen direct belang bij de aantallen leerlingen die met een diploma naar een zo hoog mogelijke opleiding gaan, waar een schoolleider dat wèl heeft; het gaat immers om de goede naam ( = leerlingenaanwas = geld ) van de school; het gaat om het rond krijgen van het kostenplaatje en alles wat daarmee samenhangt.
    Wanneer daar dan een externe deskundige aan komt stappen die een nóg hoger rendement belooft, dan is de keus snel gemaakt en wordt een x bedrag uitgetrokken voor adviezen die er uiteindelijk toe moeten leiden dat er meer geld binnenkomt, dat de school groeit en dat zoveel mogelijk leerlingen naar de hogere onderwijssectoren doorstromen. Lange termijn-werk, waar de docent niet dagelijks bij betrokken is. Diezelfde docent constateert wèl een toenemende werkdruk die de door onderwijsadviesbureaus opgelegde veranderingen met zich meebrengen. Daar komt nog bij dat dit veelal van bovenaf opgelegde veranderingen zijn, door mensen die niet met twee benen in de dagelijkse drukke onderwijspraktijk staan.
    Onderwijsadviesbureau’s én de diverse managementlagen zouden dus veel meer moeite moeten doen zich te verplaatsen in hen, die uiteindelijk alle plannen in de praktijk moeten uitvoeren, en zij zouden er niet klakkeloos van uit moeten gaan dat al hun plannen “er wel even bij kunnen”. Het is de opeenstapeling van vernieuwingen, wijzigingen, veranderingen in combinatie met een toegenomen werkdruk die nu eens aanleiding zou moeten zijn om voorlopig eens even pas op de plaats te maken en even bescheiden langs de zijlaan te blijven staan. De tijd die hierdoor vrij komt kan besteed worden aan het werken aan de acceptatie en aanpassing van onderaf van reeds ten uitvoer gebrachte plannen die vaak niet meer teruggedraaid kunnen worden: “Hoe maken we het beste van de gegeven omstandigheden?”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

1 + 17 =