Dodenherdenking

Auschwitz1kleinZag men vroeger tegen Dodenherdenking op wegens de herinneringen aan het onnoemelijk leed en het onpeilbaar verdriet, tegenwoordig moet je met angst en beven afwachten welke rel er nu weer losbarst rondom ons nationale eenheidsmoment.
Ik heb de oorlog niet meegemaakt, ik kan me – ondanks mijn rijke fantasie – dus ook geen enkele voorstelling maken van de verschrikkingen die mijn beide ouders wel zijn overkomen. Een weldenkend mens kán zich zoiets ook niet voorstellen als het hem niet zelf is overkomen.
Ja, we hebben 9/11 ervaren, de oorlogen in het Midden-Oosten, de aanslagen zoals bijvoorbeeld in Parijs. Het staat op het netvlies gegrifd, maar het was altijd elders, we zagen het vanuit onze veilige stoel via de buis en internet tot ons komen. Maar hoe je het ook wendt of keert, we zitten niet meer in een wereldoorlog.
Mijn ouders leven niet meer. Zij leefden in een wereld die wel door een totale oorlog verscheurd werd. Zij hadden geen weet van wat er elders in de wereld aan verschrikkingen gebeurde, wat zij beleefden, beleefden zij zelf of -met vertraging – via kranten of radio. De wereldoorlog was voor hen eigenlijk een lokale oorlog, de wereld was voor hen de stad waar zij woonden, met misschien nog een klein stukje daarbuiten, Duitsland, België, Engeland en Frankrijk misschien, maar dat was het dan wel.
Zij kenden geen beelden van vluchtelingen in rubberen bootjes op de Middelandse Zee, zij kenden geen kleurlingen, de zeldzame zwarte medemens was een rariteit.
De getroffenen door oorlog waren naast henzelf vrienden, familie, een broer in de strafgevangenis van Scheveningen, Joodse vrienden die moesten onderduiken. Zij vreesden de Duitse legerwagen die voor een razzia de eigen straat  inreed.  De wereld was klein en overzichtelijk, maar net zo wreed. Wat daar buiten gebeurde, was volledig onzichtbaar.

Jarenlang herdachten zij die wereld, tot hun dood aan toe. 4 mei was om acht uur ’s avonds de Waalsdorpervlakte, de totale stilte op straat, het ontroerend en hoopvol zingen van een merel in een struik daar bij die fakkels in de duinen.
Ik kreeg dat mee en blijf daar eeuwig dankbaar voor: de verhalen, het verdriet, de angst, de haat eerst tegen “de moffen”. Een haat die langzaam overging, die voorzichtig weg-ebde naarmate hun wereld wijder werd en de jaren vergleden. Tijd heelt vele wonden, maar laat flinke littekens achter.

Op 4 mei ben ik blij dat zij er nu niet meer zijn, hoewel dat een van dagen is waarbij de herinneringen aan hen, aan het moment van de dodenherdenking mét hen, mij het meest dierbaar zijn. Zij zouden het nu niet meer begrijpen. Zij zouden niet begrijpen dat een dominee, voor hen toch altijd een symbool van gezag en verstand en ook steun, de dodenherdenking, de herdenking van hún doden, zou gebruiken voor iets wat vér buiten hun wereld vandaag lag, voor iets wat niet van hen was.
Zij zouden de wereld nu niet meer begrijpen. De vluchtelingen in de bootjes, moskeeën waar eens kerken stonden, de halal-supermarkt, hipsters, internet, twitter, asielzoekers, de vrachtwagen in Stockholm, Temptation Island en virtual reality. Zij zouden hun eigen zoon nauwelijks meer begrijpen. Ze zouden zich omdraaien in hun urn.

Ik begrijp hen wel. Ik begrijp ook de vluchtelingen, de virtual reality, de bagger op tv, de mensen die op de PVV stemmen, Groen Links, de graaiers bij de VVD en de goede bedoelingen van Aboutaleb. Ik begrijp de Antifa, maar ook Geert Wilders, de oorlogen op social media, het correcte en het nep-nieuws. Je moet steeds meer begrijpen om niet gillend gek te worden. Dat lukt alleen nog als je alles een eigen plek geeft, een eigen specifiek moment, en die plekken en momenten gaan niet samen. Daarvoor is de wereld te complex geworden.

Vanavond om 8 uur herdenk ik dus niet de op de Middelandse Zee gestorven vluchtelingen van nu, ik herdenk niet de doden uit de oorlog in Syrië of in Midden Afrika, ik herdenk niet de slachtoffers van 9/11. Ik herdenk ook niet de Joden die in het hedendaagse Israël door Palestijnen worden doodgestoken, ik herdenk ook niet de Palestijnse kinderen die stierven tijdens een Israelisch bombardement op de Gaza-strook. Het is er het moment niet voor.

Ik herdenk de Nederlandse doden uit de oorlogen van mijn ouders, of ze nu verzetsstrijder, Joodse onderduiker of gewone burger waren. Ik herdenk mijn ouders, hun verdriet, ik herdenk de doden op de Erebegraafplaats van Overveen, ik herdenk de doden op de gedenkplaatsen die ik tijdens mijn bezoeken aan de concentratiekampen als Auschwitz en Mauthausen heb gezien, en ik denk aan iedereen in Nederland die nog op enigerlei manier te lijden heeft onder de oorlogen uit de tijd dat de wereld nog klein en iets begrijpelijker was.

Zolang er nog direct betrokkenen en directe nabestaanden leven: gun hun die Dodenherdenking zoals die vele jaren was, gun hun dat laatste stukje waar ze zichzelf nog in kunnen vinden.

3D

Oplettende lezertjes zullen misschien al weten dat ik een nieuw speeltje heb, namelijk een HTC Vive Virtual Reality-bril. Daar zitten diverse programma’s bij, waaronder Tilt Brush. Daarmee maak je virtuele kunst. Je schildert met diverse soorten kwasten en materialen letterlijk in de ruimte. Het is een mix tussen beeldhouwen en op het platte vlak schilderen, en biedt dus heel veel nieuwe mogelijkheden. Normaliter kun je het eindresultaat alleen maar zien wanneer je als toeschouwer ook zo’n bril hebt, maar er zijn wat trucjes om je werk te exporteren naar speciale viewers waardoor je in een browser, als je tenminste de goede hebt, ook kunt kijken. Een kwestie van op de afbeelding klikken met je muis, en vervolgens kun je alle kanten op draaien, in- en uitzoomen, etc.

In de bril is het reslutaat nog veel mooier, met animatie, lichtgevende objecten, sterretjes en langsdrijvende wolken, dus wil je dat een keertje zelf ervaren, dan moet je even een seintje geven.

Blinde engel

IMG_3731Hoe is het om niets horen en ook nog eens niets te zien? En dan vanaf je geboorte. Kun je dan überhaupt denken, want dat doe je toch in beelden en woorden; hoe meer beelden en woorden je jezelf eigen maakt, hoe meer het denken zich ontwikkelt. Je kunt alleen nog communiceren met behulp van geur, gevoel en mogelijk smaak. Misschien ben je wel hoog-intelligent, maar wordt door je beperking dit niet onderkend. Doofblind; in Nederland zijn ongeveer 100 mensen die echt zo geboren zijn. De overigen is het gedurende hun leven op enig moment overkomen, volledig, of in gradaties, vaak gelinkt aan een andere lichamelijke en/of geestelijke handicap.

We leven in een maatschappij die in toenemende mate gericht is op volmaaktheid en excellentie, en daar ook steeds meer op is ingesteld. Wie niet aan dat ideaalbeeld voldoet dreigt op allerlei manieren uit de boot te vallen en lijkt steeds meer hinderlijk aanwezig; het rigoureus en harteloos korten op steeds meer voorzieningen voor mensen die steun behoeven is daar een voorbeeld van. De ideale maatschappij is een harde, koude maatschappij aan het worden, die zich letterlijk buiten het beeld van de doofblinde voltrekt.

Wat rest is de eigen wereld: een wonderlijke, voor ons bijna onvoorstelbare wereld, gevormd uit klanken, vage beelden, aanrakingen, ervaringen, soms slechts vibraties, lichtflitsen. Een levend geworden schilderij van Dali, waaruit steeds delen missen of ineens kortstondig opdoemen in een wervelende kaleidoscoop. Een duistere diepzee, waarin hier en daar een enkel lichtpuntje naderbij zweeft en weer weg ijlt in het zwart, soms gonzende geluiden in je oor naast de druk van het alom aanwezige water dat aan je trekt, op je drukt en je onbekende richtingen op duwt.

Ik was bij een voorstelling door doofblinden in Kalorama, een zorginstelling waarin ook een centrum voor doofblinden is ondergebracht. Via via kaartjes gekregen, omdat mensen in mijn omgeving contacten hadden gelegd over het mogelijk geven van een concert voor doofblinden.
Een prachtige, bosrijke omgeving, op glooiende heuvels. Veel fel gekleurde leuningen, houvast in de onzichtbare wereld. Toneelgroep Mooi Uitzicht had met de bewoners de voorstelling “Perfect” voorbereid. Een mooie titel voor mensen die in deze wereld niet “perfect” zijn, mensen met een weeffoutje, die niet passen in het beeld van volmaaktheid. Wie is wel perfect, eigenlijk? Wie zou willen zijn als Barbie of Ken, wat maakt je dan nog uniek? Het zijn juist de onvolkomendheden die het hem doen bij ieder mens.
Ik keek naar het publiek: een beweeglijk publiek. Her en der werd in plaats van gepraat heftig gebaard: doventaal, of werden tekentjes in de palm van de hand geschreven: doofblinden-taal. De spelers, allemaal prachtig en kleurrijk gecostumeerd en geschminckt, bewogen zich zelfstandig of met behulp van een rolstoel voort. Soms geleid en gestuurd door oIMG_3727nvermoeibare begeleiders, die op de een of andere manier erin slaagden niet opvallend aanwezig te zijn en alle aandacht op hun cliënten te vestigen. Ik werd ondergedompeld en gegrepen door deze bij vlagen surrealistische wereld. Er was muziek, er was film, er was een band, er was beweging als in een voorstelling van Jheronimus Bosch. Er was een aanstekelijke blijdschap in zijn meest pure vorm. Kreten, klanken, beelden, gebaren, het prikkelen van zintuigen die wij – de “normale” mens – verleerd zijn te gebruiken. Daar was een man in een rolstoel, zwarte zonnebril, qua uiterlijk de toetsenist van Rammstein haast, zichtbaar genietend van zijn rol. Een klein pookje stuurde hem door het leven.

De voorstelling verplaatste zich naar verschillende locaties op het terrein. Terwijl de regen neergutste op het tentdoek, terwijl de merels zongen, speelde een doofblinde vrouw, eerst geheel verborgen onder zwart plastic, de sterren van de hemel, voor een publiek dat zij mogelijk niet zag maar slechts kon vermoeden. Een snelle krabbel in haar hand: ze klappen nu voor jou. Nog een krabbel: wel vijftig mensen kijken naar je. En: op het moment dat je in jouw rol over regen praatte, begon het buiten heel hard te regenen.
Wij ruiken wel eens de regen, in bijzondere gevallen. We voelen het ook. Maar we zien en horen het vooral; een grijs gordijn van water kan ons het zicht haast benemen, een ruisende natte wereld.
De wereld van de doofblinde is er een van overweldigende geuren, van druppels voelen op je huid, op je gezicht. Een wereld de zich in stilte om je heen wentelt. Waar je door een aanraking op je schouder weet dat je begeleider in de buurt is, dat je die of die kant op moet gaan. Dat je niet alleen bent. De begeleider waarvan je je geen of slechts een vaag beeld kunt vormen van hoe hij of zij er uit ziet. Je begeleider is die hand, die vingers die je aanraken of die als snelle maar onmisbare wervelingen voor je niet ziende ogen heen en weer bewegen. Je begeleider is de geur van haar parfum.

Hoe is zoiets. Ik kan me er eigenlijk geen voorstelling van maken. Voelt het als gevangen in een cocon van zwart en stilte? Als een cel die steeds smaller en kleiner wordt? We worden elke dag gebombardeerd met beelden en klanken, meer dan iemand uit de middeleeuwen gedurende zijn hele leven te verwerken kreeg. Een wereld die geen einde lijkt te kennen, maar die voor een doofblinde lijkt gereduceerd tot een oppervlakte van hooguit enkele meters. Waar je zonder hulp eigenlijk niet kunt overleven. De top van de Mount Everest, verdwaald in de Sahara, van de aarde afgesneden in een wegtollend verongelukt ruimteschip, totdat de zuurstof op is en de zon niet meer is dan een verre ijle ster.

Totdat je later sterft.  Totdat je laatste nog resterende zintuigen stoppen met werken. Toch heb je een mooi leven gehad. Eruit gehaald wat er in zat. In onze ogen misschien beperkt, maar dat is betrekkelijk en relatief. Wij worden lang niet altijd van de wieg tot het graf ondersteund en beschermd door mensen, die ervoor gekozen hebben ons te begeleiden omdat wij niet perfect zijn en anderen wel. Groot respect voor hen die dit tot hun roeping gemaakt hebben. Wij hebben verleerd onze zintuigen tot het uiterste te benutten. Daarin zijn we zeker imperfect.

Perfect was voor mij gisteravond de blinde engel, in een rolstoel, prachtig zingend, boven het ruisen van de regen en het zingen van de merels uit. IMG_3730

De andere wereld

SolusProjectHet is ongelooflijk koud. Voor mij ligt een verlaten strand, bezaaid met stukken rots, grote, vreemd gevormde schelpen, brokken verscheurd metaal. Een onbekende oceaan rolt eindeloos naar de kust. Hier en daar breekt wat schrale vegetatie door de zoutkorst heen, de wind rukt en snauwt. Boven zee zinkt de zon steeds lager in grijze wolkenflarden, wanneer ik omhoog kijk zie ik twee reusachtige hemellichamen tussen myriaden sterren tollen. Voorzichtig, aarzelend,  stap ik langs een plant waarvan de bladen snappend dichtklappen als ik in de buurt kom. Ik moet opschieten, want het wordt donker en ik ben verdwaald. Ginds is iets wat op een grot lijkt. Een burcht van bazaltblokken rijst om mij heen. Mijn meters tonen dat ik nu heel snel een schuilplaats moet vinden. Ik balanceer van blok naar blok, mag niet misstappen, want onder mij wacht de afgrond.
Duizelig bereik ik de steeds donkerder wordende schemer van de grot. Buiten hoor ik de wind bulderen boven het geluid van de golven uit. Ik pak een lichtstick. Het groenige schijnsel komt niet ver; in een bol van bleek, koud licht schuifel ik dieper de grond in, te midden van dansende schaduwen. Voorzichtig stappen nu. Een schaduw kan ook een gat zijn waar ik in kan vallen. Dieper en dieper ga ik naar binnen, zwarter en zwarter wordt mijn wereld. Mijn lichtstick raakt leeg, flakkert, dooft langzaam uit tot een klein groen puntje, als de ogen van een dier in de nacht. Intense duisternis omringt mij nu. Ik durf niet verder te stappen, moet bukken om nog een paar centimeter grond te onderscheiden. Ik tast als een blinde. Mijn wereld is gekrompen tot mijn pak, een dunne laag bescherming tegen alles wat daar vijandig buiten is. Heel ver weg klinkt nog de wind door mijn ontvangers, heel vaag gloeien nog de meters om mijn pols en op het vizier van mijn helm.
Dan is daar een ander geluid. Een soort schuifelen, zacht krabbelen, krassen over de rotsgrond. De richting is moeilijk te bepalen. Er komt iets onmiskenbaar op mij af. Iets wat mij kwaad wil doen, iets wat mij wil verscheuren.

Ik zet even mijn bril af. Dit wordt even te gortig. De gordijnen staan half open, ik ben weer in mijn werkkamer, de computer zoemt, er staat een kop lauw geworden koffie voor mijn neus. Alles is veilig. Barneveld is zoals gewoonlijk weer heel gewoon, de vreemde oceaan is ver te zoeken. Mijn bril is een HTC Vive Virtual Reality-bril, met lange kabels verbonden aan mijn pc, een week in huis nu. Jaren op gewacht, en na lang wikken en wegen besteld, want voor dat bedrag kun je ook leuk op vakantie. Maar waarom  zou je dat nog willen? Ik kan nu gaan wanneer ik wil, naar de meest exotische oorden, het heelal verlaten zelfs. Het blijft natuurlijk een solistisch gebeuren, hoewel je met een VR-bril virtuele ontmoetingen kunt hebben met mede-brildragers over de hele wereld in bijvoorbeeld AltSpace, een wereld waar je van alles kunt doen, van vergaderen tot taaltrainingen of gamen op exotische locaties; je kunt het zo gek niet bedenken. Wat je nodig hebt is een virtual reality-bril, een headset en een stevige computer.
De mogelijkheden met VR zijn ongekend, en de ervaring is niet met enige andere tot nu toe te vergelijken. Wandel door je toekomstige huis via de makelaardij, bezoek vast je vakantieadres, kijk mee in het ISS-ruimtestation, duik in de hersenen van een patiënt op de operatietafel, genees van spinnen-, vliegangst of hoogtevrees, maak eindeloze ritjes in spectaculaire achtbanen, kijk vanaf de bank thuis bioscoopfilms in het formaat van een enorme zaal, repareer een laptop zonder enige voorkennis of -en daar heb ik mijn bril voornamelijk voor aangeschaft- maak drie-dimensionale virtuele kunst, die je dus niet aan de muur kunt hangen, maar die je op internet kunt bekijken en waar je met behulp van een VR-bril aan alle kanten doorheen kunt wandelen, waarbij je niet gehinderd wordt door ruimte en afmetingen. In het programma Tilt Brush tover ik met mijn controllers virtuele kunstwerken, die licht geven,  wolken sterrenstof uitwerpen, die wervelen en draaien en alles doen wat in je fantasie opkomt. Updates gaan de komende tijd veel nieuwe mogelijkheden toevoegen. Kunst wordt wat het nog nooit eerder geweest is.

Een eerste versie van zo’n consumentenbril kent natuurlijk tekortkomingen; je hebt een sterke computer nodig. De scherpte is nog niet optimaal, je ziet beeldpuntjes als bij een ouderwetse televisie. Er hangt een dikke kabel van je hoofd naar de pc. Wil je met bril en al goed kunnen bewegen en het virtuele gevoel écht tot zijn recht laten komen, dan heb je toch minimaal een vrij oppervlak van 2×2 meter nodig om in rond te lopen en niet met je controller de lamp van het plafond te slaan ( of je belangstellende gade een blauw oog ). Breng huisdieren, planten en kostbare Chinese vazen in veiligheid. Alle tekortkomingen vallen echter in het niet bij de immense ervaring die de onderdompeling in de virtuele wereld met zich meebrengt. Na een paar minuten merk je er niets meer van.
Zorg ook voor een grote vriendenkring, want niets is zo leuk als het kijken naar gasten die voor het eerst zo’n bril op hun hoofd zetten en die dan in de diepzee op oud scheepswrak in elkaar duiken wanneer er een enorme walvis rakelings over hen heen zwemt.
Virtual Reality wordt dit jaar de nieuwe verslaving voor wie daar gevoelig voor is. Maar wel een heel leuke. Neem eens een shot, zou ik zeggen.
13346514_10154316815246661_1554512002697742444_n

Leven zonder internet

talkingOnlangs las ik een opmerkelijk berichtje dat 10 % van de inwoners van Nederland nog nooit van internet gebruik heeft gemaakt. Daar zit natuurlijk een flink gedeelte bejaarden bij, mensen die dus nóg stokouder zijn dan ik, en een deel baby’s en peuters, hoewel er veel hippe ouders zijn die zich de afschuwelijke gewoonte hebben eigen gemaakt om bij de geboorte van hun eerste kind ook maar gelijk een Facebook-account en een email-adres voor de kleine spruit op te zetten. Ze vergeten daarbij dat tegen de tijd dat het kind kan schrijven en lezen, email en vermoedelijk ook Facebook, hopeloos uit de mode zijn. Daar zit je dan straks als moderne puber met die antieke zooi mooi mee opgescheept.

In het berichtje stonden ook enkele overwegingen van lieden die bewust kozen om zonder internet door het leven te gaan. Eentje verloor anders het ware contact met de aarde en het wij-gevoel met de natuur, en de ander zag het als een bedreiging voor Gods schepping en het contact met de medemens.  Er is zelfs een Vereniging zonder Internet. Daar vind je dus geen website van.
Nu heb ik de grote eer al bijna veertig jaar in het onderwijs actief te zijn, om daar de heffe des volks en de bloem der natie naar ongekende hoogten te begeleiden, en ik kan daar constateren dat de moderne jongere zonder internet zou veranderen in een geestelijk en lichamelijk kwijlend wrak. Er is in de tijd dat het internet bestaat een nieuw ras geëvolueerd met als nieuw ledemaat het mobieltje, onlosmakelijk met het lichaam verbonden, waarbij uitval van mobiel bereik zoiets is als het amputeren van een been of desgewenst hoofd. U weet als ervaren ouder wel hoe uw kroost reageert bij opmerkingen over het gebruik van mobieltjes aan tafel, of bij dreigementen dit genotsvoorwerp af te pakken. Hoeveel feestelijke maaltijden en bijeenkomsten zijn er al verknald door dat eeuwige getuur op hun telefoontje of tablet of door de bliepjes die de Snapchat- of Whatsapp-berichtjes veroorzaakten? Kinderen ontwikkelen tegenwoordig ook een soort mobiel-bochel, we groeien dus langzaam weer terug naar de voorovergebogen lichaamsvorm van de Neanderthaler.
Ik denk aan de bijna twee weken zonder internet dat mijn dochters chagrijnig beneden op de bank zaten, zomaar in de woonkamer, de plek waar mensen vroeger wel eens een leuk gesprek met elkaar plachten te hebben in real life. De kreten waarmee zij opsprongen en de kamer uit stormden toen zij ineens gelijktijdig een “Nieuw-bericht-bliepje” op hun apparaat binnenkregen. Er was weer verbinding met het leven!

Wat deed u eigenlijk in de jaren dat u nog geen verbinding met de wereld via internet had, en u nog gewoon gesprekken op de bank moest voeren met uw partner; keek u toen de hele dag door tv, of las u het ene na het andere boek uit de bibliotheek ( daar leende je vroeger boeken ), maakte u een legpuzzel van de bollenvelden met strakblauwe lucht of ging u een kathedraal van luciferhoutjes in schaal 1: 2 nabouwen? Hoe vreselijk moet dit geweest zijn, zoiets als de tijd van de crisis in 1929 of de aanvallen van de Gothen, Hunnen, hordes van Djengiz Kan of de uitroeiing van de mensheid door de Zwarte Dood in de Middeleeuwen.

Een paar jaren geleden doorkruiste ik de woestijn van Wadi Rum in Jordanië. Het landschap was buitenaards, roodachtig van tint, miljoenen jaren geleden ontstaan uit een grote zee, en de surrealistische rots-structuren  gaven je het gevoel op Mars te zijn. Geen wind, ’s nachts miljoenen sterren aan de hemel en absolute stilte; zó stil dat je in je oren het bloed door je aderen hoorde ruisen. Een ander universum. En toch: verdwalen kon niet meer. Op je mobieltje zag je tot op een paar meter nauwkeurig waar je je bevond, en wanneer je een tijdje rondreed op het hotsende schip der woestijn, zag je altijd wel ergens in de verte een GSM-mast.  Nergens kun je meer verdwalen, ook al zou je dat heel romantisch willen. Je bent altijd bereikbaar, vindbaar, traceerbaar, op misschien een paar plekken in de Stille of de Atlantische Oceaan na.

Na de jaren 80 van de vorige eeuw brak dan eindelijk de nieuwe Verlichting aan, het zegenende Tijdperk van Internet. Daar passen natuurlijk geen zonderlingen zonder internet in. Er is geen plek meer voor kluizenaars en mensen die de wereld buiten willen sluiten, wat hun redenen ook mogen zijn. Je plakt ze ook gelijk een etiket op: boomknuffelaars, geitenwollen sokken-types, reli-gekkies, stel je er maar iets aparterigs bij voor. De enige plek waar je je nu nog een klein beetje kunt afzonderen is je eigen hersenpan.

Is leven zonder internet geen leven? Ondraaglijk lijden, om in overtrokken pubertermen te blijven? Zelf denk ik wel de nodige afkickverschijnselen te ervaren. Twitter opzeggen, Facebook stoppen, digitale zelfmoord, de computer ongeveer de deur uit en geheel afhankelijk zijn van stokoude media als krant, televisie en Radio Bandoeng. Nog even zoeken tussen de oude rommeldozen of daar nog ergens een gewone telefoon ligt, en of er überhaupt nog wel een aansluiting aan de wand zit waar ik dat ding in kan pluggen. Vakanties plannen via een reisbureau in een straat met echte winkels, wachten op de papieren bankafschrijvingen in de brievenbus. De grote Bos-Atlas maar weer eens uit de kast trekken en kijken welke landen er allemaal verdwenen of bijgekomen zijn. Een avond vakantie-dia’s van 30 jaar geleden er doorheen jagen. Je leven uit de steentijd terugkijken: toen je nog niet bestond uit nullen en enen. Toen je nog offline was.

Tijdmachine

Ik lig in de zon in mijn tuin, het is een zaterdagmiddag, en toch ook weer niet. Het is niet afgelopen zaterdag, het is niet mijn tuin; het is lang geleden, ik was zeventien of zo, mijn tuin is het strand, of het duin, of een tuin uit mijn jeugd.
De zon zindert op mijn huid, die ruikt zoals een huid in de zon hoort te ruiken. Hoog boven mij wat drijvend, zwevend dons, wanneer ik mijn ogen wijder open doe, gekaderd en omlijnd door rechte strepen van een vliegtuig, dat ook diverse tijdzones overschrijdt. In mijn oog kleine kronkeldraadjes als door een elektronenmicroscoop, ik draai naar links en rechts, zij deinen mee, tollen rond  en glijden opzij, maken plaats voor nieuwe. Door mijn wimpers waaiergordijnen van licht. Ik voel mij wegzakken in het verleden, onmerkbaar, met kleine schokjes door de jaren terug, naar toen alles nog open, ongewis, en verder dan ooit en ongrijpbaar in de toekomst leek.
De zee ruist in de verte, wordt een aanzwellend en weer wegstervend gemurmel. Een lauwe wind beweegt plukjes haar, als strelende vingers van mijn jeugdvriendinnetje, kleine stroomstootjes ook, die aanrakingen. Zand, eerst warm, dieper verkoelend, glijdt door mijn vingers. Zeventien, examentijd, zomertijd, eeuwigheid. Wat komt en wacht is ongewis, maar lokkend, wenkend. Tijd besef je niet, of pas te laat, als eeuwigheid geen eeuwigheid meer is, maar tien, twintig, dertig jaar misschien, voor je wegzakt in een plek waar ook geen tijd meer is.
Ik schakel tussen heden en verleden, schicht heen en weer, als de ijl zoemende zweefvlieg die mijn hoofd vluchtig verkent. Kinderen spelen in de verte, een sportvliegtuig passeert, ergens slaat een deur en klinkt een flard muziek. Schaduw van de bladeren in de boom penseelt mijn gezicht. Ik voel mijn voeten en mijn benen niet meer, gewichtloos zijn mijn armen en mijn borst. Enkel het gewicht van mijn geest draag ik nog met mij mee. Op en neer in het ruisen van die verre glinsterende zee in dat zonnige verleden.

Dit ben ik geworden sinds die tijd. Een man in een stoel in de zon in de tuin op een lome zaterdagnamiddag in mei. Vele zijn er geweest, zaterdagmiddagen, reizen in de tijd, jaar na jaar. Elke keer een stukje herinnering erbij, steeds meer bestemmingen en jaren om uit te kiezen, als bladeren in een album met foto’s die steeds fletser kleuren naarmate ze eerder genomen zijn. Zachter ook worden de omtrekken van allen in beeld, het harde licht verdwijnt, de scherpe randen vervloeien. Wat overblijft is een steeds draaiende kaleidoscoop, die af en toe te voorschijn komt, achter mijn half gesloten ogen, goudkleurig, op een warme middag in mei. wolk

Paus

pausOnlangs werd hier besloten om naar Rome te gaan. Voor iemand die al een aantal jaren in het zwaar reformatorische Barneveld woont, is dat zoiets als een reis naar de hel, want paaps en zo, maar juist dan gooi ik de kont tegen de krib en doe het toch. Het ging overigens bijna mis, want toen we ons ontspannen bij de security-balie op vliegveld Weeze meldden, wist de mevrouw ons te vertellen dat we op het verkeerde vliegveld stonden en dat we 89 kilometer verderop in Düsseldorf moesten zijn. Nu schijn ik niet de enige te zijn, die dat is overkomen, dat was een schrale troost. We scheerden – beslist door Hogerhand geleid – met 150 kilometer per uur over de snelweg met nog een half uurtje te gaan, Porsches en dikke Mercedessen inhalend.
In Düsseldorf stond een rij van ongeveer 1000 man voor de controle-poortjes. Daar ren je dus hijgend als een paars aangelopen stoompaard geheel a-sociaal aan voorbij en je wringt je helemaal vooraan richting poortje. Bij de boarding bleek overigens een vertraging van een half uur, maar de rest van de dag was wel nodig om het hartritme weer op een normaal niveau te krijgen.

Op dag 1 naar het Colosseum. Je staat er niet bij stil, maar eigenlijk bezoek je dan een kolossaal martel- en executieoord, waar volgens schattingen tussen de 300.000 en 500.000 mensen een afschuwelijke dood zijn gestorven. Voeg daarbij nog ongeveer gelijke aantallen wilde dieren uit de hele wereld en het beeld van de Romein als ultieme barbaar is wel compleet. Schone schijn, in de vorm van schitterende en indrukwekkende bouwwerken die op de boerenpummel uit het noorden in die tijd een verpletterende indruk moeten hebben gemaakt, bedriegt dus.

Een voor mij hinderlijke bijkomstigheid  is dat er in Italië vrij veel Italianen wonen – ik maak waar ook ter wereld overal ruzie met ze – maar dit keer had ik zowaar nergens last van. Je zag overigens voornamelijk toeristen uit de hele wereld, die zich bij de Trevi-fontein minutenlang met hun selfie-sticks voor het nageslacht bewaarden. Naar mensen kijken is vaak nog veel leuker dan naar mooie monumenten kijken, want je kijkt in feite in de spiegel naar jezelf.

Midden in de week dan naar het Vaticaan; de omgeving een circus van winkeltjes waar je ansichten, sneeuwbollen, t-shirts, theelepeltjes, onderbroeken en biermokken van de eerste tot en met de laatste paus kon kopen, maar ook waar je je compleet tot bisschop kon omkleden in diverse kledingzaken, met gouden en zilveren versierselen in allerlei soorten, maten en prijzen.
Het enorme plein voor de Sint Pieter, badend in de zon, stroomde langzaam vol met tienduizenden bezoekers uit werkelijk de hele wereld, die vaak uitgedost in hun nationale vlag of in speciale “We gaan de Paus bezoeken”-kleding hun aanwezigheid met gejoel en gezwaai kenbaar maakten wanneer hun naam vanaf het bordes in de eigen taal werd omgeroepen.
Voor ons bevond zich een grote groep Polen met geel-witte petjes op, die voortdurend gingen staan  en grote spandoeken ontrolden. De dag van hun leven blijkbaar. Na een half uurtje barstte feestelijke fanfare-muziek los en verwachtte ik de paus ergens hoog op een balkon als een klein wit stipje te zien verschijnen. Het gejuich van het hele plein zwol aan en zoiets doet je wonder boven wonder toch wat.
Tot mijn verbazing bleek de plaatsbekleder van Jezus Christus op aarde zich in een open auto kriskras over het hele plein te bewegen, en geregeld stil te houden om ook weer met uitzinnige fans of een baby op de foto te gaan; laagdrempeliger kon het niet. De Polen voor mij waren inmiddels op de grens van een hysterische aanval en vlogen voortdurend heen en weer naar de richting waar de heer Franciscus zich op dat moment bevond. Zou ik er wat van gezegd hebben, dan waren mij vermoedelijk ter plekke de ogen uitgekrabd.
Er zijn dus mensen die van het andere eind van de wereld, van piepkleine eilandjes in de Stille Oceaan, van de uithoeken van Zuid-Amerika tot de binnenlanden van Afrika naar Rome komen, er alles voor over hebben uitsluitend om eenmaal in hun leven de Paus te zien en waar mogelijk door hem aangeraakt te worden. Onzin, belachelijk, sprookjes? Nee, blijkbaar hebben ze er iets aan, worden ze er gelukkiger door, leven ze intenser, vinden ze troost. Je zag het in de vele kerken die Rome rijk is, en je ziet het in ( katholieke ) kerken waar ook ter wereld: in de drukte van een wereldstad knielen in een oase van stille rust mensen uit de hele wereld voor wat je kunt beschouwen als niets meer dan een beeld, en bidden daar voor verlichting van wat hun gemoed bezwaart.

Het heeft iets, ik vind het wel mooi, ook al ben ik zelf inmiddels té ver van de kudde afgedwaald om er mogelijk nog iets aan te hebben. Waar denken ze aan, wat baart hun zorgen, voordat ze weer hun weg in de wereld gaan? Ik ben daar altijd benieuwd naar, en hoe gaat het dan verder met hen wanneer ze weer terug in hun land zijn. Geloof veroorzaakt een hoop gedoe en narigheid in de wereld, maar biedt toch ook zekerheden, troost en houvast wanneer het teveel lijkt te worden.

De nabije aanwezigheid van de Paus heeft mij niet verlicht, mij geen ander mens gemaakt. Maar het lijkt me geen verkeerde kerel, vergeleken met zijn voorgangers, en blijkbaar vervult hij een belangrijke rol in deze woelige wereld. Een blik op de fantastische beschilderde plafonds in de Sixtijnse Kapel die middag, natuurlijk stiekem gefilmd en gefotografeerd omdat dat niet mocht, leert dat je als mens, ook als je Michelangelo heet, altijd geïnspireerd kunt worden tot fantastische daden wanneer je maar een zingeving in je bestaan hebt, of dat nou de Paus, religie in het algemeen of gewoon vertrouwen in jezelf is. Dat was toen zo, en dat is nu nog steeds. Stug volhouden dus maar.