Leven zonder internet

talkingOnlangs las ik een opmerkelijk berichtje dat 10 % van de inwoners van Nederland nog nooit van internet gebruik heeft gemaakt. Daar zit natuurlijk een flink gedeelte bejaarden bij, mensen die dus nóg stokouder zijn dan ik, en een deel baby’s en peuters, hoewel er veel hippe ouders zijn die zich de afschuwelijke gewoonte hebben eigen gemaakt om bij de geboorte van hun eerste kind ook maar gelijk een Facebook-account en een email-adres voor de kleine spruit op te zetten. Ze vergeten daarbij dat tegen de tijd dat het kind kan schrijven en lezen, email en vermoedelijk ook Facebook, hopeloos uit de mode zijn. Daar zit je dan straks als moderne puber met die antieke zooi mooi mee opgescheept.

In het berichtje stonden ook enkele overwegingen van lieden die bewust kozen om zonder internet door het leven te gaan. Eentje verloor anders het ware contact met de aarde en het wij-gevoel met de natuur, en de ander zag het als een bedreiging voor Gods schepping en het contact met de medemens.  Er is zelfs een Vereniging zonder Internet. Daar vind je dus geen website van.
Nu heb ik de grote eer al bijna veertig jaar in het onderwijs actief te zijn, om daar de heffe des volks en de bloem der natie naar ongekende hoogten te begeleiden, en ik kan daar constateren dat de moderne jongere zonder internet zou veranderen in een geestelijk en lichamelijk kwijlend wrak. Er is in de tijd dat het internet bestaat een nieuw ras geëvolueerd met als nieuw ledemaat het mobieltje, onlosmakelijk met het lichaam verbonden, waarbij uitval van mobiel bereik zoiets is als het amputeren van een been of desgewenst hoofd. U weet als ervaren ouder wel hoe uw kroost reageert bij opmerkingen over het gebruik van mobieltjes aan tafel, of bij dreigementen dit genotsvoorwerp af te pakken. Hoeveel feestelijke maaltijden en bijeenkomsten zijn er al verknald door dat eeuwige getuur op hun telefoontje of tablet of door de bliepjes die de Snapchat- of Whatsapp-berichtjes veroorzaakten? Kinderen ontwikkelen tegenwoordig ook een soort mobiel-bochel, we groeien dus langzaam weer terug naar de voorovergebogen lichaamsvorm van de Neanderthaler.
Ik denk aan de bijna twee weken zonder internet dat mijn dochters chagrijnig beneden op de bank zaten, zomaar in de woonkamer, de plek waar mensen vroeger wel eens een leuk gesprek met elkaar plachten te hebben in real life. De kreten waarmee zij opsprongen en de kamer uit stormden toen zij ineens gelijktijdig een “Nieuw-bericht-bliepje” op hun apparaat binnenkregen. Er was weer verbinding met het leven!

Wat deed u eigenlijk in de jaren dat u nog geen verbinding met de wereld via internet had, en u nog gewoon gesprekken op de bank moest voeren met uw partner; keek u toen de hele dag door tv, of las u het ene na het andere boek uit de bibliotheek ( daar leende je vroeger boeken ), maakte u een legpuzzel van de bollenvelden met strakblauwe lucht of ging u een kathedraal van luciferhoutjes in schaal 1: 2 nabouwen? Hoe vreselijk moet dit geweest zijn, zoiets als de tijd van de crisis in 1929 of de aanvallen van de Gothen, Hunnen, hordes van Djengiz Kan of de uitroeiing van de mensheid door de Zwarte Dood in de Middeleeuwen.

Een paar jaren geleden doorkruiste ik de woestijn van Wadi Rum in Jordanië. Het landschap was buitenaards, roodachtig van tint, miljoenen jaren geleden ontstaan uit een grote zee, en de surrealistische rots-structuren  gaven je het gevoel op Mars te zijn. Geen wind, ’s nachts miljoenen sterren aan de hemel en absolute stilte; zó stil dat je in je oren het bloed door je aderen hoorde ruisen. Een ander universum. En toch: verdwalen kon niet meer. Op je mobieltje zag je tot op een paar meter nauwkeurig waar je je bevond, en wanneer je een tijdje rondreed op het hotsende schip der woestijn, zag je altijd wel ergens in de verte een GSM-mast.  Nergens kun je meer verdwalen, ook al zou je dat heel romantisch willen. Je bent altijd bereikbaar, vindbaar, traceerbaar, op misschien een paar plekken in de Stille of de Atlantische Oceaan na.

Na de jaren 80 van de vorige eeuw brak dan eindelijk de nieuwe Verlichting aan, het zegenende Tijdperk van Internet. Daar passen natuurlijk geen zonderlingen zonder internet in. Er is geen plek meer voor kluizenaars en mensen die de wereld buiten willen sluiten, wat hun redenen ook mogen zijn. Je plakt ze ook gelijk een etiket op: boomknuffelaars, geitenwollen sokken-types, reli-gekkies, stel je er maar iets aparterigs bij voor. De enige plek waar je je nu nog een klein beetje kunt afzonderen is je eigen hersenpan.

Is leven zonder internet geen leven? Ondraaglijk lijden, om in overtrokken pubertermen te blijven? Zelf denk ik wel de nodige afkickverschijnselen te ervaren. Twitter opzeggen, Facebook stoppen, digitale zelfmoord, de computer ongeveer de deur uit en geheel afhankelijk zijn van stokoude media als krant, televisie en Radio Bandoeng. Nog even zoeken tussen de oude rommeldozen of daar nog ergens een gewone telefoon ligt, en of er überhaupt nog wel een aansluiting aan de wand zit waar ik dat ding in kan pluggen. Vakanties plannen via een reisbureau in een straat met echte winkels, wachten op de papieren bankafschrijvingen in de brievenbus. De grote Bos-Atlas maar weer eens uit de kast trekken en kijken welke landen er allemaal verdwenen of bijgekomen zijn. Een avond vakantie-dia’s van 30 jaar geleden er doorheen jagen. Je leven uit de steentijd terugkijken: toen je nog niet bestond uit nullen en enen. Toen je nog offline was.

Tijdmachine

Ik lig in de zon in mijn tuin, het is een zaterdagmiddag, en toch ook weer niet. Het is niet afgelopen zaterdag, het is niet mijn tuin; het is lang geleden, ik was zeventien of zo, mijn tuin is het strand, of het duin, of een tuin uit mijn jeugd.
De zon zindert op mijn huid, die ruikt zoals een huid in de zon hoort te ruiken. Hoog boven mij wat drijvend, zwevend dons, wanneer ik mijn ogen wijder open doe, gekaderd en omlijnd door rechte strepen van een vliegtuig, dat ook diverse tijdzones overschrijdt. In mijn oog kleine kronkeldraadjes als door een elektronenmicroscoop, ik draai naar links en rechts, zij deinen mee, tollen rond  en glijden opzij, maken plaats voor nieuwe. Door mijn wimpers waaiergordijnen van licht. Ik voel mij wegzakken in het verleden, onmerkbaar, met kleine schokjes door de jaren terug, naar toen alles nog open, ongewis, en verder dan ooit en ongrijpbaar in de toekomst leek.
De zee ruist in de verte, wordt een aanzwellend en weer wegstervend gemurmel. Een lauwe wind beweegt plukjes haar, als strelende vingers van mijn jeugdvriendinnetje, kleine stroomstootjes ook, die aanrakingen. Zand, eerst warm, dieper verkoelend, glijdt door mijn vingers. Zeventien, examentijd, zomertijd, eeuwigheid. Wat komt en wacht is ongewis, maar lokkend, wenkend. Tijd besef je niet, of pas te laat, als eeuwigheid geen eeuwigheid meer is, maar tien, twintig, dertig jaar misschien, voor je wegzakt in een plek waar ook geen tijd meer is.
Ik schakel tussen heden en verleden, schicht heen en weer, als de ijl zoemende zweefvlieg die mijn hoofd vluchtig verkent. Kinderen spelen in de verte, een sportvliegtuig passeert, ergens slaat een deur en klinkt een flard muziek. Schaduw van de bladeren in de boom penseelt mijn gezicht. Ik voel mijn voeten en mijn benen niet meer, gewichtloos zijn mijn armen en mijn borst. Enkel het gewicht van mijn geest draag ik nog met mij mee. Op en neer in het ruisen van die verre glinsterende zee in dat zonnige verleden.

Dit ben ik geworden sinds die tijd. Een man in een stoel in de zon in de tuin op een lome zaterdagnamiddag in mei. Vele zijn er geweest, zaterdagmiddagen, reizen in de tijd, jaar na jaar. Elke keer een stukje herinnering erbij, steeds meer bestemmingen en jaren om uit te kiezen, als bladeren in een album met foto’s die steeds fletser kleuren naarmate ze eerder genomen zijn. Zachter ook worden de omtrekken van allen in beeld, het harde licht verdwijnt, de scherpe randen vervloeien. Wat overblijft is een steeds draaiende kaleidoscoop, die af en toe te voorschijn komt, achter mijn half gesloten ogen, goudkleurig, op een warme middag in mei. wolk

Paus

pausOnlangs werd hier besloten om naar Rome te gaan. Voor iemand die al een aantal jaren in het zwaar reformatorische Barneveld woont, is dat zoiets als een reis naar de hel, want paaps en zo, maar juist dan gooi ik de kont tegen de krib en doe het toch. Het ging overigens bijna mis, want toen we ons ontspannen bij de security-balie op vliegveld Weeze meldden, wist de mevrouw ons te vertellen dat we op het verkeerde vliegveld stonden en dat we 89 kilometer verderop in Düsseldorf moesten zijn. Nu schijn ik niet de enige te zijn, die dat is overkomen, dat was een schrale troost. We scheerden – beslist door Hogerhand geleid – met 150 kilometer per uur over de snelweg met nog een half uurtje te gaan, Porsches en dikke Mercedessen inhalend.
In Düsseldorf stond een rij van ongeveer 1000 man voor de controle-poortjes. Daar ren je dus hijgend als een paars aangelopen stoompaard geheel a-sociaal aan voorbij en je wringt je helemaal vooraan richting poortje. Bij de boarding bleek overigens een vertraging van een half uur, maar de rest van de dag was wel nodig om het hartritme weer op een normaal niveau te krijgen.

Op dag 1 naar het Colosseum. Je staat er niet bij stil, maar eigenlijk bezoek je dan een kolossaal martel- en executieoord, waar volgens schattingen tussen de 300.000 en 500.000 mensen een afschuwelijke dood zijn gestorven. Voeg daarbij nog ongeveer gelijke aantallen wilde dieren uit de hele wereld en het beeld van de Romein als ultieme barbaar is wel compleet. Schone schijn, in de vorm van schitterende en indrukwekkende bouwwerken die op de boerenpummel uit het noorden in die tijd een verpletterende indruk moeten hebben gemaakt, bedriegt dus.

Een voor mij hinderlijke bijkomstigheid  is dat er in Italië vrij veel Italianen wonen – ik maak waar ook ter wereld overal ruzie met ze – maar dit keer had ik zowaar nergens last van. Je zag overigens voornamelijk toeristen uit de hele wereld, die zich bij de Trevi-fontein minutenlang met hun selfie-sticks voor het nageslacht bewaarden. Naar mensen kijken is vaak nog veel leuker dan naar mooie monumenten kijken, want je kijkt in feite in de spiegel naar jezelf.

Midden in de week dan naar het Vaticaan; de omgeving een circus van winkeltjes waar je ansichten, sneeuwbollen, t-shirts, theelepeltjes, onderbroeken en biermokken van de eerste tot en met de laatste paus kon kopen, maar ook waar je je compleet tot bisschop kon omkleden in diverse kledingzaken, met gouden en zilveren versierselen in allerlei soorten, maten en prijzen.
Het enorme plein voor de Sint Pieter, badend in de zon, stroomde langzaam vol met tienduizenden bezoekers uit werkelijk de hele wereld, die vaak uitgedost in hun nationale vlag of in speciale “We gaan de Paus bezoeken”-kleding hun aanwezigheid met gejoel en gezwaai kenbaar maakten wanneer hun naam vanaf het bordes in de eigen taal werd omgeroepen.
Voor ons bevond zich een grote groep Polen met geel-witte petjes op, die voortdurend gingen staan  en grote spandoeken ontrolden. De dag van hun leven blijkbaar. Na een half uurtje barstte feestelijke fanfare-muziek los en verwachtte ik de paus ergens hoog op een balkon als een klein wit stipje te zien verschijnen. Het gejuich van het hele plein zwol aan en zoiets doet je wonder boven wonder toch wat.
Tot mijn verbazing bleek de plaatsbekleder van Jezus Christus op aarde zich in een open auto kriskras over het hele plein te bewegen, en geregeld stil te houden om ook weer met uitzinnige fans of een baby op de foto te gaan; laagdrempeliger kon het niet. De Polen voor mij waren inmiddels op de grens van een hysterische aanval en vlogen voortdurend heen en weer naar de richting waar de heer Franciscus zich op dat moment bevond. Zou ik er wat van gezegd hebben, dan waren mij vermoedelijk ter plekke de ogen uitgekrabd.
Er zijn dus mensen die van het andere eind van de wereld, van piepkleine eilandjes in de Stille Oceaan, van de uithoeken van Zuid-Amerika tot de binnenlanden van Afrika naar Rome komen, er alles voor over hebben uitsluitend om eenmaal in hun leven de Paus te zien en waar mogelijk door hem aangeraakt te worden. Onzin, belachelijk, sprookjes? Nee, blijkbaar hebben ze er iets aan, worden ze er gelukkiger door, leven ze intenser, vinden ze troost. Je zag het in de vele kerken die Rome rijk is, en je ziet het in ( katholieke ) kerken waar ook ter wereld: in de drukte van een wereldstad knielen in een oase van stille rust mensen uit de hele wereld voor wat je kunt beschouwen als niets meer dan een beeld, en bidden daar voor verlichting van wat hun gemoed bezwaart.

Het heeft iets, ik vind het wel mooi, ook al ben ik zelf inmiddels té ver van de kudde afgedwaald om er mogelijk nog iets aan te hebben. Waar denken ze aan, wat baart hun zorgen, voordat ze weer hun weg in de wereld gaan? Ik ben daar altijd benieuwd naar, en hoe gaat het dan verder met hen wanneer ze weer terug in hun land zijn. Geloof veroorzaakt een hoop gedoe en narigheid in de wereld, maar biedt toch ook zekerheden, troost en houvast wanneer het teveel lijkt te worden.

De nabije aanwezigheid van de Paus heeft mij niet verlicht, mij geen ander mens gemaakt. Maar het lijkt me geen verkeerde kerel, vergeleken met zijn voorgangers, en blijkbaar vervult hij een belangrijke rol in deze woelige wereld. Een blik op de fantastische beschilderde plafonds in de Sixtijnse Kapel die middag, natuurlijk stiekem gefilmd en gefotografeerd omdat dat niet mocht, leert dat je als mens, ook als je Michelangelo heet, altijd geïnspireerd kunt worden tot fantastische daden wanneer je maar een zingeving in je bestaan hebt, of dat nou de Paus, religie in het algemeen of gewoon vertrouwen in jezelf is. Dat was toen zo, en dat is nu nog steeds. Stug volhouden dus maar.

Dag Aapjes-automaat

aapjesautomaatDit wordt een ouwe lullen-stukje, dus jeugdige lezertjes kunnen nú nog afhaken.

Ik kom er al ongeveer sinds mensenheugenis niet meer, en de laatste jaren dat ik er kwam vond ik V&D een redelijk suffe zaak met een suffige uitstraling, maar aan het personeel heeft het niet gelegen. Vandaag is V&D dan overleden.

Op internet ontstaan bij het heengaan van geliefden meestal in no-time oproepen tot stille tochten, noemen we ons in collectief rouwbeklag #JeSuisZus of #Je SuisZo, maar #JeSuisV&D zal er denk ik niet komen. Met een bedrijf, daar heb je niet zo snel wat mee. Mogelijk zal ik bij het verdwijnen van Cool Cat overigens wél juichend door de straten dansen want ik vind het daar altijd een tering-herrie ( die je zelfs in ruim verderop gelegen winkels nog hoort bonken ) met ongeïnteresseerd kauwgumkauwend en op mobieltjes starend personeel. Ik ben dan ook niet de doelgroep van een dergelijke club. Nee, ik ben van de V&D-tijd, en dan bedoel ik vooral de tijd als kind.

In mijn jeugd, in de steentijd, waren er volgens mijn moeder eigenlijk maar twee winkels die er toe deden: C&A en V&D. Alleen dáár mocht ik kleren kopen, want in alle andere winkels kocht je “vodden voor nozems!”
Vooral C&A, daar moest ik het van hebben, V&D was nét iets duurder. De kledingkoop-expedities zijn mij eeuwig bijgebleven. Ik was een dwarse 12-jarige, en wilde dus óók nozem-kleding, en ja, die had je bij C&A niet. Letterlijk tandenknersend sjouwde mijn moeder van rek naar rek vol monsterlijke terlenka broeken, mij ongeveer achter zich aanslepend, want ik vertikte het ook maar iéts leuk te vinden. Was er dan eindelijk iets gevonden, een aubergine kleurige “sportieve en nette” broek, dan ging mijn moeder tot mijn grote schaamte ook nog tegen de verkoper zeggen dat ze het toch eigenlijk wel heel erg duur vond, en of de verkoper dat ook niet vond. Ik moet haar met mijn grillig consumentengedrag járen van haar leven gekost hebben.

Nee, dan V&D, daar kwam ik dan als heel klein kind. Op de hoek van de Gedempte Oude Gracht en de Grote Houtstraat ( “Koop ik!!”) rees daar kolossaal het reuzenwarenhuis boven mij uit, met op de top een torentje, liften met glanzend bruin hout betimmerd, marmeren trappen met prachtig glas in lood, waar soms een gaatje in zat waardoor je een blik op de Botermarkt diep beneden je kon werpen.
De roltrappen, wonder van techniek, die je in de hemel leken te brengen, met griezelige vergezichten recht omlaag over de rand, hoger en hoger. Die hemel bestond vaak uit een automaat, ik meen boven om de hoek bij het restaurant, waar ik dan een dubbeltje in mocht gooien om mij vervolgens te vergapen aan hysterisch bewegende aapjes die op hun muziekinstrumenten een minuut lang een rumba van het orkest van Edmundo Ross ten gehore brachten. Tegen het einde maakte een toenemende treurnis zich van de aapjes meester, en verstarden zij in groteske houdingen, tot het volgende dubbeltje.  Een wonder was het. Kom daar tegenwoordig eens om. Woedende ouders zouden hun beklag uitbrengen over het ontbreken van enige interactiviteit en het racistisch uiterlijk van de aapjes.
Over racisme gesproken: rond Sinterklaas vergaapte je je buiten al aan de schitterende etalages, waar van alles bewoog, waar je één groot speelgoedpaleis binnen stapte en waar roetzwarte Pieten met enorme rode lippen en ringen in hun oren aan touwen omhoog en omlaag zweefden.  Helemaal boven at ik dan met mijn moeder wel eens een gebakje bij een glaasje chocomel; dat werd nog bezorgd door een keurige heer of dame in ober- of dienster-outfit, terwijl je ademloos over de stad naar de Bavo staarde. IJsjes in een zware, zilverkleurige en door het vele gebruik dof geworden coupe.
Later, in de zomer, met je eerste jeugdliefde rondstruinen op de schoolafdeling, de nieuwe Rijam-agenda scoren, duur, maar een onmisbaar status-attribuut voor een scholier uit de tijd dat we nog nooit van iPads en mobieltjes gehoord hadden. We staarden eindeloos in onze volgeplakte en volgetekende agenda, wie had hem het meest toegetakeld. Het WhatsAppen anno 1970 bestond uit boodschappen en teksten in elkaars agenda kalken, zo veel en zo vol mogelijk.

Als ik straks kijk naar het stille, grote en lang niet meer zo indrukwekkende gebouw van V&D , dan kijk ik naar een stukje verstilde jeugd, dan kijk ik naar een tijdmachine. Kon ik nog maar even een dubbeltje in de automaat gooien, nog één keer met mijn jeugdlief hand in hand langs de bakken met 45 toeren-singeltjes slenteren, nog één keer met mijn moeder kind zijn, met een rietje en een glaasje chocomel aan het tafeltje bij het raam.

Het is voorbij. We doen geen stille tocht voor een warenhuis. Geen stille tocht voor al die duizenden werknemers, die tot het laatste toe gehoopt hadden. We zouden wél eens kunnen overwegen op enig moment een stille tocht te houden voor het heengaan van een stukje menselijkheid in het algemeen, in een steeds harder wordende tijd waarin bijvoorbeeld in dit geval een multimiljonair enkel nog denkt: hoe kan ik er zoveel mogelijk trouwe medewerkers uitknikkeren en voor een dubbeltje de aapjes-automaat zo lang mogelijk op gang houden. Maar die dubbeltjes bestaan niet meer, de aapjes zijn gestopt met spelen.

[youtube]https://www.youtube.com/watch?v=91Jd57PdbAc[/youtube]

Ga toch dood!

Neanderthaler_mensIk ben iemand met een ernstig kort lontje. Zou ik bij de politie werken, dan zou ik in een doodseskader zitten. Zou ik een patjepeeër zijn, dan liep ik rond met een pitbull aan zo’n stekelketting, en trainde ik dagelijks op de vechtsportschool. Zou ik een tokkie zijn, dan had ik elke dag mot met de buren, schalde ik Zanger Rinus op maximum volume uit de boxen, en reed ik bumperklevend rond in een ordi-bak met een sticker “Pas op! Ik rem voor lekkere wijven!” op de bumper. “KOM VECHTEN DAN!” zou mijn eerste reactie zijn wanneer iemand in de wachtrij bij de kassa mij per ongeluk aanstootte.

In gedachten doe ik het soms allemaal. Ik word geïnspireerd door cabaretiers, waar kwetsen en afzeiken nu de norm is geworden, door tv-programma’s ( “Durf jij voor 50 euries een scheet in het gezicht van die bejaarde te laten, hahahahaha! Ja inzoomen jongens!”) en ik moet volgens correct links op social media volledig losgaan op nazi Wilders en volgens uiterst rechts op links-nazi Harry van Bommel en consorten.

Het leven is ingewikkeld geworden. De Volkskrant, ooit het linkse bolwerk voor de weldenkende socialistische arbeider, houvast in bange dagen van kapitalistische onderdrukking, heeft de Telegraaf ongeveer rechts ingehaald in zijn haat tegen Rusland, waarbij dan tegelijkertijd weer de lof wordt gestoken op ons uiterst rechtse regeringsbeleid en alles wat maar enigszins Israël in een kwaad daglicht kan stellen, en de Telegraaf zelf lijkt nu de spreekbuis geworden voor verontruste SP-ers en mensen die naar de PVV neigen.

Nu ben ik veel te schijterig qua bumperkleven, pitbulls, fysiek geweld en doodseskaders, dus ik doe al dit soort zaken alleen in gedachten, in de duistere krochten van mijn ziel. Daar ga ik los op crimineel tuig, op links-gekkies, op neo-nazi’s, op moslims en refo-christenen, op gelovigen en ongelovigen, op iedereen die mij stoort, en scheld ik nog veel harder dan Theo Maassen of Youp van ’t Hek.
Maar ik hou het wel binnen. Meestal dan. Thuis, in de veilige omgeving van de woonkamer en bij het met groeiende afschuw kijken naar het Correspondent’s Dinner op tv, ontsnapt er nog wel eens wat. Ik aanschouw het schaterlachen van hen die mijn gedachten in een paar jaar tijd zomaar naar dit niveau hebben kunnen sturen. Het kruiperige applaus, de staande ovatie voor en door lieden die alle remmingen schijnbaar overboord hebben gezet, ten koste van het zwakke, zieke en arme deel van onze samenleving. Ook de geestelijk verarmden, de afgestompten, de murw gemaakten, die hun onvrede enkel nog kunnen uiten door straks te stemmen op uitersten, áls ze al nog gaan stemmen. En dan als regering verbaasd zijn dat je voor nepparlement wordt uitgemaakt, dat de samenleving zo verhardt, dat er zoveel mensen op de PVV-stemmen en dat je dan serieus denkt dat dat allemaal racisten zijn. Dat je dan wanneer je jezelf zo correct vindt, nog meer verheven boven hen gaat voelen, waardoor je nóg meer afstand creëert en nóg meer mensen de uiterste hoeken van de gordijnen injaagt, terwijl ze dat zelf van nature niet eens zouden willen, omdat het voor het grootste deel allemaal net zulke brave burgers zijn als ik: grote mond, maar vooral in gedachten.

We lijken eigenlijk weer hard hollend op de weg terug naar onze voorouders uit het Neanderthaler-tijdperk. De conversatie bestaat uit loze kreten, de fysieke ontmoetingen uit een mep met een knots op andermans kop. Het opgebouwde laagje beschaving lijkt wel heel erg dun te zijn, en we schillen het met graagte af. Gelukkig zijn er nog wel wat uitzonderingen waar we ons een beetje aan vast kunnen klampen. Die hebben helaas alleen geen macht, of, om in eigentijds jargon te blijven: “Die hebben niet zo’n grote bek”.  En dat baart me wel een beetje zorgen.

Overlevingsdrang

auschwitzNadat je Auschwitz hebt overleefd vervolgens de oudste nog levende man op aarde worden. Dat kan dus. Yisrael Kristal leeft na de bevrijding van het kamp, in 1945, en na het verliezen door de oorlog van zijn vrouw en twee kinderen, nog rustig 71 jaar verder. De ultieme overwinning op het ultieme kwaad, op de hel, zou je kunnen zeggen. Wraak misschien, ook al zijn er nog maar weinigen over om je op te wreken.

Zijn leven lang maakt hij snoepjes, eerst in Polen, later in Israël. Alleen in het getto van Lodz, en in Auschwitz, daar was geen plek voor het maken van snoepjes. Daar was geen kleur. Enkel het zwart van de modder, het grijsgrauw van barakken en het zwart van de rook uit het crematorium.
In Auschwitz ben ik diverse malen geweest, in zomer en winter, tijdens een alles verkillende stuifsneeuwjacht. Op de een of andere manier is het daar ook nu nog ’s zomers altijd winter. Een winter die neerdaalt in je hart en die bezit van je neemt, en die me heel af en toe in mijn dromen achtervolgt met gruwelbeelden en worgende doodsangst. En ik ben van ná de oorlog.
Hoe leef je dan verder, 71 jaar lang, wanneer je het écht hebt meegemaakt en je je vrouw en je kinderen moest achterlaten in die winter. Eeuwige sneeuw en ijs, permafrost in je hart. Elke nacht het gegil, het geschreeuw, de vuurgloed uit de schoorstenen, de stank van verbrand mensenvlees. Wanneer je er niet geweest bent, kun je je het niet voorstellen. De hel valt niet te beschrijven, lijkt mij, elk beeld lijkt nog te gekleurd. Blijkbaar zijn er dus mensen die dit 71 jaar lang kunnen volhouden, die nog iets zinnigs van hun leven hebben gemaakt, die de moed hadden om te hertrouwen en opnieuw snoepjes te gaan maken, terwijl je zou verwachten dat elk vertrouwen in de medemens voorgoed verdwenen zou zijn.
Je zou haast zeggen dat hier een bedoeling achter zit; een hogere macht die zegt: geef nooit op, en ik laat je zo lang mogelijk leven om dit uit te dragen. Maar die misschien wél heeft toegelaten alles wat Yisrael in die oorlog is overkomen. Kun je dan nog een geloof behouden? Yisrael wel; hij draagt een keppeltje. Zou hij toen, kijkend naar het vuur en de rook uit het crematorium, waar de as van zijn vrouw de lucht in werd geblazen, hebben gedacht: ik hoop dat ik 112 word, de oudste man op aarde eens, en ik dank mijn god daarvoor? Op een plek waar de levensverwachting vanaf het moment van binnenkomst  varieerde van een uur tot enkele maanden? Het illustreert de waanzin van deze wereld, de waanzin die Auschwitz was. De knik bij de selectie op de perrons, naar links, naar de dood of naar rechts, waarmee je de oudste man op aarde zou worden en Auschwitz zou overleven. Degene die de knik gaf, illustreerde daarmee zijn eigen plek in de hel, en bepaalde daarmee dat wij nu dit nieuwsbericht kunnen lezen en dat ik dit stukje daarover kan schrijven. Hij droeg ook bij aan het ontstaan van Israël, waar de oudste man op aarde nu woont. Israël, of je het nu met de daar gevoerde politiek eens bent of niet, is gebouwd op overlevingsdrang, op de overwinning op de Nazi’s, net zoals de Verenigde Staten gebouwd zijn op en gegroeid zijn door vluchtelingen, dezelfde soort vluchtelingen die wij nu met argusogen Europa zien binnenkomen. Op beide landen is genoeg aan te merken, maar overlevers hebben hen opgebouwd, met vallen en opstaan, maar vooral met hopen op een beter leven. In leven blijven, bijvoorbeeld als snoepjesfabrikant in Israël of als fietsenmaker in een vluchtelingenproject in Zaandam levert uiteindelijk het meeste op. Een leermomentje.

Lichaam

kanaalBegin december door de Flevopolders rijden, dat heeft iets diep neerslachtigs. Lange, kaarsrechte wegen, zompige akkers, een bits grijze rechtlijnigheid die wegkwijnt in de de nevel. Het lijkt de hele dag niet licht te willen worden en het voorjaar is mijlenver weg. Ik nader Dronten, waar ik moet stoppen op een brug over een kale vaart, want er is een opstopping en veel politie. Bootjes in het water, gehengel met touwen. Daar wordt een lijk uit opgevist, zo’n vijftig meter verderop.  Groepjes mensen staan langs de kant te kijken, men is met schermen in de weer.

Nu ben ik wel een sensatiemens, ik spoed mij graag naar een flinke brand of zo, maar alleen als het niet om mensen gaat, als het geen woonhuis is, geen zwaargewonde in een verfrommelde auto. Doorrijden dan, tenminste als er hulp is. Je laven aan persoonlijke narigheid, ik kan dat niet. Soms word je er toch mee geconfronteerd, zoals van de week dus.

Nu heb ik in mijn leven diverse lijken gezien: naaste familie, bekenden, vrienden, en dan maak je zoiets meestal ook bewust mee. Je gaat ergens condoleren, of het moment dat velen zullen herkennen: de dood van bijvoorbeeld je vader of je moeder, of honderd maal erger nog, de dood van je kind. Dat laatste heb ik gelukkig nooit meegemaakt. Bij je ouders wil je zo’n moment niet missen denk ik, al gebeurt het maar al te vaak. Toen mijn vader overleed was ik te laat. “Als ons iets overkomt, nooit laten reanimeren hoor! Wij zijn al te oud.”, werd ons altijd op het hart gedrukt. Ik hoor nog het geluid van de defibrillator door het gevreesde telefoontje heen. Het mocht niet meer baten. Op het bed lag een kouder wordend omhulsel, een met recht stoffelijk overschot. Het leven was uit mijn vader, de grijze ogen voorgoed gesloten.

Bij mijn moeder was ik er wel bij; adem die steeds vaker stokte, steeds zachter klonk, in die laatste ogenblikken waar steeds meer vitale lichaamsfuncties zichzelf onherroepelijk uitschakelden, pulsjes die eens sidderend door het lichaam schoten kwamen niet meer door. Als het uitschakelen van een wonderlijke machine met duizenden knoppen en hendels. De allerlaatste ademtocht, die ook echt klonk als de allerlaatste zucht van leven brengende lucht. Je wist het ogenblikkelijk, intuïtief. De laatste band was doorgesneden, en als je je dat zou kunnen voorstellen, zou je een ziel zien opstijgen naar onbestemde hoogten.

Die momenten had ik niet willen missen. Andere misschien wel, of in elk geval anders: in een bootje op de Ganges in Varanasi, India. Een traag stromende brede rivier vol met langs drijvende rommel, takken en dode dieren, want er was een zware overstroming geweest.  Daar kwam weer wat aan, een biggetje leek het. Maar nee, op nog geen meter afstand dreef een naakte baby langs, armpjes en beentjes gespreid, het hoofdje achterover geknikt. Versteend zaten wij in de boot, die onverstoorbaar door onze gids werd voort geroeid. Nog geen vijf minuten later een nieuw naakt lichaam, sterk ontbonden, waarop al planten en mossen groeiden. De geur was met niets te vergelijken. En kort daarop alwéér een lijk, een vrouw, in fleurige kleding, vastzittend in een berg takken en snoeren, blijkbaar verdronken. Niemand die ervan op of om keek, zwemmende en spelende kinderen vlakbij, alles deel van dit leven als in een schilderij van Jeroen Bosch. De lichamen op de altijd rokende brandstapels langs de rivier, de handen, voeten en hoofden die je tussen de vlammende takken uit zag steken, het is daar normaal. Niemand lijkt geschokt te zijn in die overvolle krioelende mensenmassa.

Terug naar die grijze, stille vaart in Dronten, die niet de Ganges is. Geen overstromingen en lijkverbrandingen, geen rituelen hier. Een lichaam drijft daar in het water. Het bleek een dertigjarige man, las ik gisteren. Men gaat uit van zelfmoord. Vermist sinds half november, weggelopen uit het ziekenhuis in Lelystad. Weggelopen. Bij het opsporingsbericht een foto. Een foto van een jongeman, die in het niets lijkt te staren. Ik zocht op internet. Niets, geen Facebook, geen Twitter, niets. Alleen die politiefoto. Besta je niet op internet, dan besta je eigenlijk niet, zo’n maatschappij is het tegenwoordig.
Weggelopen uit het ziekenhuis. Waarom doe je zoiets. Misschien gehoord dat je ongeneeslijk ziek bent, denk ik dan. Of geestelijk volledig ontredderd, zó ontredderd, zó zonder vrienden, zonder naasten, dat je kiest voor het zwarte, kalme, alles toedekkende en alles afsluitende koude water van een grijze vaart in de polder. Half november, de feestmaand bij uitstek in het vooruitzicht. Een rampmaand voor sommigen, die niets te vieren hebben.

En weken later word je dan gevonden, dan zijn er tóch nog mensen die zich over jou ontfermen, die jou rustig en professioneel met respect uit het water halen, in een wereld die jou teveel werd. Geen fijne kerstdagen of gelukkig nieuwjaar voor jou, maar wel rust. Zo zonde dat het niet anders had kunnen zijn.

Alles gaat verder. Ik tuig straks de kerstboom op, nog anderhalve week werken, dan is het vakantie. Een ander soort rust. Vrienden, familie en kennissen om je heen. Feest. Een luxe waar we ons maar eens goed bewust van moeten zijn. Die niet iedereen gegund is. Kies niet voor die vaart, als het ook maar even kan. Er zijn altijd mensen die proberen zich in jou gevoel te verplaatsen. Blijf hopen dat ze jou vinden, dat jij ze vindt. Ergens.