Doe mij maar een trapharmonium

In dorpje B. op de Veluwe zijn de gemoederen de laatste dagen ernstig verhit. We leven in een tijd die gekenmerkt is door ik-gerichtheid. Dat wordt natuurlijk ook wel een beetje gestimuleerd door het over ons gesteld gezag, waaraan we ons natuurlijk dienen te onderwerpen, en wat we ook enigszins zelf over ons hebben afgeroepen. Ook de Veluwe ontkomt daar niet aan: we moeten steeds meer zelf ons hoofd boven water houden wanneer we niet in de gelukkige positie van VVD , CDA of PVV-stemmer ( “Ingrid, doe mij nog drie blikkies bier!” ) zijn. Er wacht ons dan de dreiging van uitzetting ( wanneer we bijvoorbeeld voor het milieu opkomen of anders denken dan rechts ) of van het totaal inhouden van subsidie of geldelijke steun ( wanneer we iets voor de medemens in onderontwikkelde landen willen doen  ). Heb je zoals ik ook nog de pech om in het onderwijs te werken, dan mag je ook nog de opvoedkundige taak van ouders overnemen en de verzorgende taak van instanties die zich tot voor kort met “rugzakleerlingen” bezig hielden.
Van dit kabinet mogen vrijwilligers allerlei taken overnemen. En zijn die er niet, dan is dat jammer, maar er is helaas geen geld meer om dat soort economisch niet interessante zaken te ondersteunen. Bedrijven en banken hebben dat geld tenslotte méér nodig, want anders komt volgens de logica van onze regeerders onze economische positie in gevaar. Dat gezeur van die chronisch zieken, dementerende bejaarden, psychische gestoorden en andere niet-winstgevende types ook. Die zijn hinderlijk aanwezig. Typisch gevalletje van mandje met aandelen verkeerd beleggen en te eerlijk zijn om zwart geld bij elkaar te sprokkelen.

Toch zijn er nog lieden die zich het lot van de ander aantrekken en zonder eigenbelang anderen helpen. Ook in dorpje B. op de Veluwe. Zulke mensen zouden dus wel eens een aardigheidje verdienen, dacht men daar. Geen geld naturlijk, maar wanneer je ze nou eens allemaal tracteerde op een leuke circusvoorstelling in het plaatselijke theater; zoiets schept toch een band en houdt de sjeu er een beetje in. Men zocht en vond, en kwam uit bij het Wintercircus van ene meneer Martin Hanson: goochelaars, gedresseerde honden, wat mensen die op elkaars schouders leuke dingen doen, en tamme eenden die een aardige act opvoeren vóórdat ze met de kerst in een driedubbele salto achterwaarts gehoekt geheel zelfstandig in de braadpan springen. Muziekje erbij, beetje feestverlichting, een avondje gezelligheid voor jong en oud. Geen sex, geen gevloek, het hoogtepunt van erotiek mogelijk een juffrouw in een strak glitterpakje die met kegels jongleert. De avond raakte al snel vol geboekt, want gratis en cultuur, en ook nog eens iets met elkaar en voor elkaar doen, dat zijn begrippen die tegenwoordig nog maar moeilijk samen gaan.

Hoe sneu nou toch dat in dorpje B. er lieden zijn, die in een gezellig ongedwongen avondje genieten de hand van de duivel himself zien. De lokale SGP maakt bezwaar tegen dergelijk werelds vermaak, want de muziek en het licht roepen een uitbundige sfeer op, en dat mag natuurlijk niet wanneer je in God gelooft. Stel je voor zeg, een beetje lachen om iets leuks, klappen om iets moois en dat ook nog eens onder een verlichting die als “feestelijk” te omschrijven is, dat kan onze lieve Heer nooit bedoeld hebben.  Of je al met één been in de hel beland bent. Tot overmaat van ramp treden er ook acrobaten op, die daarmee “hun leven in de waagschaal stellen”. ”Acrobaat dodelijk getroffen door neervallende gekleurde sjaal”, zou wel eens de sensationele krantenkop de day after kunnen zijn. Zo moet het dus niet. Wanneer er in dorpje B. al überhaupt iets te vieren valt, dan doen we dat met stemmige samenzang bijvoorbeeld, onder begeleiding van een amechtig trapharmonium op hele noten. Dat vinden alle vrijwilligers vast leuk. Het is vét uit je dak gaan tegenwoordig, daar in dorpje B. op de Veluwe. Komt allen!

Noot: Volg de discussie in de lokale krant hier.

Share

 


Hond, deel 1

We krijgen dus een hond. Een puppy nog wel. Wauwel is nogal een impuls-aankoper, maar hond staat al langer op het menu en nu één van onze stokoude katten het tijdige voor het eeuwige heeft verwisseld en geen uiting meer kan geven aan zijn enorme aversie jegens honden ( diverse argeloos passerende viervoeters zijn door hem aangevlogen en geestelijk ernstig beschadigd ), is de tijd rijp voor een nieuw kind in het gezin. Jarenlang heb ik meewarig geschud bij de aanblik van een kleumende baas, die stond toe te kijken tot het moment waarop de hond het plantsoen had volgekakt was afgelopen en nu wacht mij zelf een dergelijk troosteloos lot: met mijn duur aangeschafte poepschepje de dampende brij zo voordelig mogelijk opscheppen in een plastic zakje wat je vervolgens in de dichtstbijzijnde vuilnisbak kunt deponeren. In een slecht geval dien je nog een half uur met zo’n lauwe massa in je jaszak rond te scharrelen.
De hond komt vrijdag, dus het huis moet worden ingericht en aangepast. Loshangende kabels wegwerken, gitaar van de vloer, de overgebleven kat geestelijk voorbereiden op een rampzalige oude dag en heel veel spullen in huis halen. Een bench bijvoorbeeld, een draagbare en vooral lelijke gevangenis waar het arme dier volgens de adviezen van allerlei deskundigen het beste voorlopig ‘s nachts in kan worden opgesloten. Wanneer de hond gaat huilen direct opstaan en buiten laten plassen of poepen. Wanneer de hond niet plast of poept dit negeren, maar dan ben je dus wel voor niets om drie uur ‘s nachts in je kleren geschoten en heb je dus klaarwakker door de druilregen of motsneeuw gewandeld, met groot risico op het tegen het lijf lopen van allerlei ongure types die op dat moment gewoonlijk bij de straat plegen te hangen. En het wordt ook al geen pitbull die subversieve elementen wel eens eventjes van een of meerdere ledematen kan beroven.

Naast de bench moesten ook duur voer, borstels, “beloningssnoepjes” en diverse speeltjes worden aangeschaft. Een ernstig kijkend winkelmeisje met verstand van zaken probeerde ons nog veel meer dure spullen te verkopen, maar eerst maar eens zien. Mijn katten hebbben hun hele leven nooit anders dan Rodi-hondenworst gegeten, met zó veel enthousiasme dat ze zich geregeld door doos en plastic verpakking heen vraten. We zullen dus even afwachten hoe kieskeurig onze aanstaande huisgenoot zich ontwikkelt.
We zijn ook al verblijd met een welkomst-pakket voor de kleine. Oude tijden herleven, hoewel de inhoud anders is en je de opvoeding nu uit een Eukanuba puppy-boekje moet leren, wat ons bezweert toch maar uitsluitend spul van Eukanuba te kopen, want van alle andere rotzooi gaat de hond ongeveer dood.
We hebben al eens een hond gehad, eentje van zeven jaar oud, bij wijze van proef. Dat was geen succes: de hond was nurks en de hondenhaterkat nog veel nurkser, en die had tenslotte de oudste rechten. Een korte kennismaking die een huis en een auto met een enorme hoeveelheid hondenharen opleverde en een opgelucht gevoel na afloop bij zowel de haatkat als wij zelf.  Maar, zoiets blijft toch knagen, en dus volgt nu een herkansing. De overgebleven kat interesseert zich totaal niet voor dieren, voor niemand eigenlijk, behalve voor op gezette tijden de vloer vol kotsen waar je dan ‘s ochtends in het schemerduister met je sokken vól in stapt.
De nieuwe hond, die ik eigenlijk Wim wil noemen naar een goede vriend van mij ( “Ga liggen Wim, af! In je hok! Niet op het gras kakken!”) maar wat van de rest van het gezin niet mag, gaat ook naar een puppy-cursus, die in diepe duisternis ergens op een zompig veldje hier de komende 10 weken ‘s avonds gegeven zal worden. Weer €80,- van de rekening. Dat zal hem leren een brave lobbes, allemans- en kattenvriend te worden, eentje die niet verhaart en genoegen neemt met Aldi-voer of Rodi-hondenworst. Zo komt Wauwel weer eens in beweging: minstens drie drollen per dag tussen de graspollen vandaan schrapen is toch een behoorlijk inspannende bezigheid, en ondertussen voer je nog een leuk sociaal gesprek met een wildvreemde collega-hondenbezitter die op dat moment hetzelfde doet.

Binnenkort meer belevenissen én natuurlijk een foto van Wauwel met hond ( of diens uitwerpselen )

Share

 


Bescheidenheid siert de mens

Het is vandaag de Dag van de Leraar, een dag na Dierendag en net zoals er ook een Dag van de Leerplicht is, een Dag van de Huismeester, een Dag van de Wol en – niet te vergeten – hier in dorpje B. op de Veluwe de Wereldeidagen, maar bij die laatste wil je niet wezen, gezien de enerverende activiteiten die daar ontwikkeld worden. Zo heeft elk mens, beest of produkt wel zijn eigen dag, en hebben we elke dag van het jaar iets lolligs te doen of iets naars te gedenken. De Dag van de Leraar wordt elk jaar toch wel grootser gevierd, en zelfs de TV heeft ons afgelopen maandagavond in het zonnetje gezet door ons tijdens de  Avond van het Onderwijs en plekje te gunnen. Op de andere zender was concurrentie van Fort Boyard, waarin bekende Nederlanders stompzinnige opdrachten moeten uitvoeren en zoiets trekt natuurlijk het grootste deel van bij onderwijs betrokken kijkers weg. Onze grootste doelgroep, de leerlingen, verpoosde vermoedelijk massaal bij Holland’s Nex Top Model of bij een film met de aansprekende titel “Runaway Vacation”. De achtergebleven diehards onder de ouders, docenten en deskundigen kregen een kommervolle voorstelling voorgeschoteld, waarbij de optredens van enkele leerlingen zelf nog een lichtpunt vormden.

Toch was er wel iets opmerkelijks te constateren, en dat betrof het gebruik en het nut van ICT. Daarover waren wat onderzoekjes gepleegd en werden ook enkele leerlingen bevraagd. Hieruit kwam een beeld naar voren wat een groot deel van de onderwijscomputernerds – en daar reken ik mijzelf ook toe – eigenlijk liever helemaal niet wil zien, en wat op Twitter -waar je ze toch allemaal vindt – tot opvallend weinig reacties leidde: het gros van de gebruikers is helemaal niet zo gecharmeerd van ICT als wij denken! Slechts een schamele 23 procent ziet in ICT de sleutel naar beter onderwijs  en een MBO-klas verkoos in koor het boek boven het internet. Dat is dus wel even schrikken voor ons voorlopers op ICT-gebied. Barre tijden van het krijtje en beduimelde boekjes liggen in het verschiet.

Zijn we dan zó verblind? Een beetje wel, denk ik. We bezoeken prachtige onderwijsbeurzen, waar de nieuwste ontwikkelingen op informaticagebied ons vanaf snelle touchscreens toelachen, we gebruiken de nieuwste stemkastjes, tablets, smartphones, we maken Wiki’s, Prezi’s en Slideshares. We hangen als docenten de halve dag verglaasd achter ons beeldscherm en kijken uit naar het volgende congres waar we – en dat is een beetje de kern denk ik – weer dezelfde dingen in iets nieuwere vorm, en dezelfde collega’s in iets oudere vorm aantreffen, en we praten over steeds dezelfde dingen als mobieltjes en educatieve software in de klas. We zijn  een behoorlijk groepje selecte nerds aan het worden, een behoorlijk incrowd met een hoog ons-kent-ons-gehalte in ons veilige kringetje, dat we op Twitter ook weer terugvinden: dezelfde volgers en gevolgden twitteren over dezelfde onderwerpen.

We kunnen het maar nauwelijks bevatten dat er collega’s, ouders en leerlingen bestaan die heel anders tegen al onze mooie speeltjes en ideeën aankijken dan wij. Dat zij niet denken zoals wij dat doen. Dat zij niet door beeldschermen verblind zijn zoals wij dat zijn. Dat zij bijna in een andere realiteit leven dan wij. Offline. Hoe vreselijk, hoe onbegrijpelijk.   Natuurlijk, waar wij op kicken en waar wij van genieten biedt ongekende kansen en mogelijkheden voor het onderwijs. Maar ja, door ons enthousiasme vergeten we wel eens dat er ook nog eens een behoorlijk kostenplaatje aan hangt, dat er soms totaal nieuwe dingen aangeleerd moeten worden, dat er op onbegrijpelijke knopjes geklikt moet worden en dat er  meer is dan de wereld van Social Media, waar wij ook in onze vrije tijd  heel wat uurtjes doorbrengen om vaak nog meer onze honger naar ICT te bevredigen.

Een school volstoppen met materiaal en daar enthousiast naar wijzen en zeggen hoe eenvoudig het allemaal is gaat dus niet werken. Misschien moeten we eens even tot bezinning komen, en eens kijken hoe we wat bescheidener de wondere wereld van ICT aan de man kunnen brengen. Niet elke digibeet is een inboorling die verblind door hightech spiegeltjes en kraaltjes de digitale zendeling en diens geloof omarmt.

Share

 


Lost in space…school zonder internet.


Het is een zonnige dag, leerlingen braaf aan het werk in de electronische leeromgeving, want een beetje school kan niet meer zonder en de docent kan op die momenten even amechtig onderuit hangend de beurskoersen of vakantieveilingen.nl doornemen, waarbij hij of zij er wèl op moet letten dat de beamer niet aan staat. Het is niet de eerste keer dat een collega in den lande werd geschorst vanwege niet-lesgerelateerde activiteiten op internet, en dan ook nog ten aanschouwe van een groep ineens ernstig geïnteresseerde pubers.

Gescheld en getier in de klas. De ELO ligt er uit. Daar gaat je zorgvuldig voorbereide les. Zoeken op twitter levert een ware kanonnade op van radeloze scholieren, een enkele ontheemde en ontredderde docent en pas later ook wat mededelingen van de fabrikant zelf. Ik citeer even ene @Mirpiee, die roept: “Aaaaah ITSLEARNING DOET HET NIET!!! Ik space ‘m zo hard hier he”.
Een ander, reeds het kookpunt genaderd ( ik zal de vloeken en de schuttingtaal even door sterretjes vervangen ): “G*D, K*T ITSLEARNING! Ik moet een verslag maken , moet duits leren en nog NA leren! En nu doe je het niet? ! F**K YOU!!!”.
Of: “Shiiiit, itslearning doet k*t en ik moet die ckvpoep nog inleveren!!!”  en : “tering itslearning als ik hem te laat inleveren heb ik een 1″.
Gelukkig zien sommigen ook de zonnige kant van een leven zonder internet: “Itlearning doet het niet….chill! :-)

Tja, wat moet je als vooruitstrevende Onderwijs 2.0-school nog zonder internet? Docenten zitten verweesd achter hun gestorven laptopjes, leerlingen hangen lui en “chill” achterover of grijpen radeloos en vloekend naar de Ritalin. De geoliede machine is krakend tot stilstand gekomen, men stroomt het pand uit, genietend van het prachtige nazomerweer wat zo verpest werd door het feit dat je achter zo’n stom beeldscherm een beetje opdrachten voor een stom ckv-poepvak moest maken, bedacht door zo’n moderne computernerd-docent die zelf niet eens een eigen Hyves of Facebook-profiel heeft.
Onderwijs 2.0 is voor de doorsnee-leerling vaak niet meer dan rondneuzen op Facebook, chatten op MSN, je verslag vullen met Google en je opdrachten inleveren via de ELO. Werkt één van die dingen niet, dan volgt totale ontreddering. We zijn offline.

Daar schuilt hem gelijk het gevaar van het o zo prachtige en verleidelijke intertnet: dat je je als school er te veel van afhankelijk maakt, dat je soms vergeet dat je ook nog met een krijtje op een ouderwetsch degelijk donkergroen schoolbord kunt schrijven, en dat je voor de afwisseling eens met een stapel nakijkschriftjes in je tas naar huis fietst. Je wordt ‘s avonds niet gestoord door mailtjes, bliepjes, je hoeft niet elk lesuur een vaak krakkemikkig werkend absentieregistratie-systeem bij te houden, je loopt niet met schele hoofdpijn van het in verkeerde houding turen naar je laptop door het pand en je hoeft je niet te storen aan Powerpoint-presentatie nummer zoveel waar je duizelig wordt van de op het scherm rondstuiterende teksten, plaatjes en geluidjes die de maker in zijn enthousiasme voor al dat moois wat dit programma biedt, heeft toegepast. “Killed by powerpoint” is een gevleugelde kreet bij de Amerikaanse troepen in Afghanistan.

Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd van griffels en leien, naar wolken krijtstof en grauwe docenten die met een afgebeten potloodje stapels volgekladderd proefwerkpapier doorworstelen. Onderwijs 2.0 is een zegen en biedt ongekende mogelijkheden. Ik kan niet wachten tot alle lokalen vol staan met touchscreens, webcams, tablets, en wat er meer voor prachtigs op de markt is. Zolang het ‘blieb”zegt en licht geeft, blijkt het voor leerlingen op de een of andere manier soms een stuk boeiender dan alle ouderwetse lesmethodes en docenten bij elkaar. Wel hard en onverbiddelijk trouwens, dat digitale lesgeven: “wanneer ik ‘m niet inlever heb ik een 1″.

Onderwijs 2.0  is prachtig, fantastisch! Zo lang we maar niet verleren om terug te vallen op beproefde middelen wanneer we eens een keertje digitaal offline zijn.In dat soort situaties bewijst zich de professionele schoolorganisatie.

Share

 


Ouderavond

‘t Is ouderavond. De school vult zich al ruim voor tijd met vaders en moeders, die allemaal wat onwennig aan hun bekertje koffie nippen en nu eindelijk de omgeving te zien krijgen waarover zoon- of dochterlief meestal niet anders weet te reageren dan met “O, wel goed, niks bijzonders gedaan!” wanneer gevraagd wordt wat er vandaag allemaal op school is gebeurd. Ik spreek nu over pubers, die op die leeftijd nu eenmaal altijd A moet zeggen als de ouders B beweren.  Aan de andere kant zijn ze de volgende ochtend allemaal wel weer vreselijk nieuwsgierig naar wat de leraar “over mij te zeuren had”. En als je ze dan een pluimpje geeft, dan zwellen ze van trots. Het blijven kinderen, tenslotte. Die ouders eigenlijk ook wel een beetje. Ook hier zijn er die te laat komen, gedoemd tot ongemakkelijke bankjes aan de zijkant, want de zaal is mudvol. Men heeft gelukkig nog interesse in wat het kind te wachten staat, ook al is het maar aan het begin van de schoolloopbaan dat je ze allemaal zo bij elkaar hebt. De volgende keer dat de zaal weer zo vol zit, zal zijn bij de diploma-uitreiking, over een aantal jaren, met daartussen nog wat tien-minutengesprekken, zo hoop je.

De docenten staan langs de zijkant van de aula, zien de volle zaal, lichting nummer zoveel van de vele die zijn gepasseerd, en zoeken naar gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. “Ah, dat is vast de vader van Pietje, en die mevrouw zit er net zo bij als haar dochter. De directie spreekt. Het gaat over missie, visie, plannen, de onderwijsinspectie. De aanwezigen laten alles gelaten over zich heen komen. Stapels vaktermen, exameneisen, normeringen; het is lang geleden.

Heel braaf loopt men na de algemene toespraak met de mentoren mee naar de lokalen, en neemt afwachtend plaats achter de tafeltjes. Het is buiten al donker, de beamer zoemt, en bijna wordt het knus. Ouderavonden hebben altijd iets rustgevends vind ik. Zeker de individuele gesprekken, in de stilte van het bijna verlaten schoolgebouw, de leerruis verstorven, de boel aan kant, waar je hoort van huiselijke narigheid, echtscheiding, onhandelbare pubers, en gelukkig ook van ideale gezinnen vol pais en vree, die helaas steeds meer een zeldzaamheid beginnen te worden.
Dit keer heb ik ze allemaal. Een klas vol, dertig stuks zijn er op komen dagen, je geeft ze allemaal een hand. Je bent ineens weer een beetje de Meester. Soms zegt een leerling dat nog tegen je: “Meester!” en heel soms, waar ze dan gelijk van schrikken: “Papa!”. Ze voelen zich dan blijkbaar thuis. Da’s het belangrijkste, de rest komt vanzelf.
Die school moet een veilige plek zijn, een plek waar je alle leerlingen dat kunt bieden wat ze nodig hebben, of ze nou lijden aan ADHD, PDD-NOS, Asperger, dyslexie,dyscalculie,schizofrenie,Borderline, zelfmutilatie, NLD of noem maar op lijden, of dat ze doodnormaal of juist hoogbegaafd zijn: je krijgt ze allemaal bij elkaar en je dient er wat van te maken. De ouders zien soms net zuilke beren en bergen als hun kinderen. Wat gaat er allemaal gebeuren, gaat mijn kind straks wéér gepest worden, krijgt mijn kind wel de juiste aandacht, op de specifieke manier die bij zijn of haar stoornis hoort?  Je probeert een sfeer te creëren die je ook in de les hebt. Gezellig, een grap en toch aandacht.

Het gaat over mobieltjes. We moeten ons kind toch bereiken meneer. De herkenning wanneer het gaat over het eindeloze getuur op dat kreng tijdens de maaltijd. Eeuwig met dat mobieltje in de weer. Het gaat over huiswerk: er staat nooit niks meer wat in hun agenda meneer, hoe kan dat nu. Het gaat over reizen: mijn dochter moet al om vijf uur op voor die-en-die les. Over schoolfeesten: ik heb gehoord dat daar nogal gedronken wordt, houden jullie dat een beetje in de gaten. Worden er bij jullie ook drugs gebruikt. Hoe zit het met het pesten. Kunnen wij ook een bericht krijgen telkens wanneer er huiswerk wordt opgegeven. Die schoolboeken zijn zo duur, wat als ze nog geen boeken hebben. Moeten ze persé mee naar Barcelona, mogen ze op buitenlandstage als ze 15 zijn.

Grote zorgen, enorme zorgen, en voor iedereen terecht. Ouders geven tenslotte hun kostbaarste bezit in jouw handen. “U mag mij bellen als er problemen thuis met uw kind zijn”. Hilariteit alom. Dat moet ik dus even nuanceren, want voordat je het weet staat de hele week de telefoon roodgloeiend. Na afloop , om tien uur, de tijd vliegt, blijft er nog iemand dralen. Dan weet je: daar komt een groter thuisprobleem dan alle andere die je vanavond gehoord hebt. En ja, je hoort van plotseling geconstateerde kanker bij een ouder, een zware operatie in het verschiet met ongewisse afloop, en of we alsjeblieft rekening willen houden met het kind waarvan jij de mentor bent. Dat kind wat thuis al een paar weken zo vreselijk veel heeft gehuild en wat op school stoer en ogenschijnlijk onaangedaan door de gangen liep, waar het dolgraag thuis bij de zieke op schoot zou kruipen en roepen van “laat me nu niet in de steek, ik zit hier net op school en ik wil zo graag dat je weet hoe ik het hier doe”.

Het hoort er allemaal bij. School, een maatschappijtje in het klein, waar onze toekomstige bloem der natie wordt klaargestoomd voor de grote wereld straks. Een zwaar beroep, maar die leerlingen zelf, die willen allemaal wel. Er zitten etterbakken tussen, dictators, onderdrukte volkeren, politici, bankiers, minder bedeelden, criminelen, brave burgers, sporters en wereldverbeteraars. En het is heerlijk om daar samen met die ouders aan te schaven en te vormen. Dat er nog maar vele ouderavonden mogen komen.

YouTube Preview Image

Share

 


Tel soms uw zegeningen ( van de ICT )

Een beetje school kan in deze barre tijden niet meer zonder overvloedig gebruik van ICT. De argeloze bezoeker die langs de diverse docentenwerkplekken – meestal gekenmerkt door chaotische bergen correctie- en registratieformulieren, oekazes uit Den Haag, stapels onderwijsvernieuwingen, een sanseveria op sterven, rondslingerende kartonnen koffiebekertjes, een kapstok met wat groezelige kleding, een bureau bezaaid met gummetjes, paperclips, afgepakte rommel, een stapeltje boterhammen in een plastic zakje, een merkstift die niet meer schrijft, een beduimelde CAO, een potje witsel, veertjes uit de balpen en een blokje Post It – wandelt, ontwaart daar de bewoner in slechtzittende houding achter een reutelende desktop-pc of een wat aftandse laptop, moedeloos starend naar Nu.nl, Vakantieveilingen.nl of een teletekstpagina met de aandelenkoersen. Soms ziet men op het beeldscherm ook een grote variëteit aan roosterprogramma’s, abesentieregistratieprogramma’s, leerlingvolgsystemen, elektronische leeromgevingen, schoolwebsites of andere didactisch verantwoorde applicaties, die er allemaal op gemaakt lijken te zijn om totaal niet, of op zijn minst slecht samen te werken.
Amechtig hollen lieden met verstand van de technische kant van ICT door het pand om hulpeloze gebruikers weer op de digitale snelweg te zetten, een snelweg vol files, opbrekingen en wegversmallingen, die gevuld lijken te zijn met rollators, scootmobielen, autowrakken en spookrijders.Wanneer we de vergelijking met auto’s nog even voortzetten,  worden scholen voortdurend gelokt door de ene na de andere autoshow, waar wulps geklede dames kronkelend over de motorkap van de nieuwste types de gapende toeschouwers kirrend uitnodigen om toch vooral niet achter te blijven met de aanschaf van een nieuw model. Het mag, het moet wat kosten.

Nu wordt er in onderwijsland nogal stevig bezuinigd, wat zich onder andere vertaalt in het massaal wegsturen van docenten, grotere klassen, gevuld met lastiger leerlingen en ook op ict-gebied vallen steeds grotere klappen. We moeten het dus steeds vaker met opgelapte Trabantjes doen.

Ook mijn eigen eerbiedwaardige college ontkomt niet aan het bezuinigingsspook. Waar vroeger een uitleenbalie was voor laptops, u weet wel, die onhandige dingen uit de tijd dat er nog geen tablets waren, is deze balie nu gesloten en vervangen door drie kasten gevuld met wat versteende apparatuur. Elke afdeling heeft zijn eigen kast, die voorzien is van wieltjes en een stevig slot. De sleutel te bevragen bij uw teamleider of bij die-en-die, zo heeft het management in zijn onuitsprekelijke wijsheid besloten.
Maar ja, hoe gaat zoiets. Je kunt geen duur lesboek meer openslaan zonder dat daarin verwezen wordt naar een bijbehorend duur computerprogramma waar de leerling met wéér een andere gebruikersnaam en wéér een ander wachtwoord moet inloggen, en wie als school in de vaart der volkeren wil meegaan, dient eigenlijk het gehele pand vol te stouwen met computerapparatuur.
Tien collega’s – ingeroosterd in lokalen zonder ict-voorzieningen –  slaan dus op het zelfde moment hun dure lesboeken open en worden daar onverbiddelijk gewezen op het noodzakelijke computergebruik. Er ontstaat een wedren in de gangen op zoek naar kasten en sleutels bij teamleiders of personen die-en-die, en die zijn op dat moment natuurlijk in vergadering of niet aanwezig. Ook blijkt de sleutel van de lift niet aanwezig te zijn, en wanneer alles toch nog mocht meezitten, blijken de laptops al in andere klassen te zijn uitgeleend, of is de accu leeg, of heeft een humoristisch type ijverig alle toetsjes een andere plek op het toetsenbord gegeven tijdens een saaie les Nederlands. Het kan natuurlijk ook zijn dat de laptopkast – vanwege de hinderlijk aanwezige wieltjes – volkomen in het luchtledige is opgelost.

Tegen de tijd dat iedereen van de schrik bekomen is, de computers eindelijk zijn opgestart en iedereen zijn of haar kwijtgeraakte of vergeten inloggegevens ( daar zijn ze wanneer dat zo uitkomt heel sterk in ) weer bij elkaar gesprokkeld heeft, kun je langzamerhand weer beginnen met afmelden omdat de les bijna voorbij is en er weer andere klassen en collega’s vol ongeduld staan te trappelen vcoor een herhaling van deze cyclus.

De lesgevende docent hangt tegen die tijd aan de zuurstof en dient zichzelf nog maar eens een flinke shot heroïne toe, vertwijfeld zoekend naar een moker of een kettingzaag om schuimbekkend de apparatuur te lijf te gaan of in machteloze woede stukken uit het tapijt te bijten ( Hitler deed dat tenslotte ook ) .

Wij als fanatieke ICT-voorhoedelopers willen in ons enthousiasme nog wel eens vergeten dat een flinke groep docenten iets minder warme gevoelens voor de zegeningen van de ICT kan opbrengen, en dat veel dingen – ook voor onze leerlingen! – lang niet zo vanzelfsprekend en fijn werkend zijn als wij denken. Moet er dan toch bezuinigd worden, gooi dan als eerste al die computers en laptops de school uit, ook die kasten, en laat leerlingen zelf een tablet ( geen toetsjes meer om te verwisselen!) of iets kleins en lichts aanschaffen, en zet al je lesmateriaal en leerboeken op het netwerk.  Geef de docent ook zo’n mooie iPad of Galaxy Tablet – met een mooi rustgevend en hypnotiserend achtergrondje – en de hele schoolbevolking schrijdt met een hemelse blik door het pand, niet meer gehinderd door zware tassen gevuld met boeken en andere ballast.

Tot slot: u bent niet de enige bij wie de ICT niet altijd mee werkt. Als alles werkt is het leuk, zaligmakend, uitdagend ( beetje eng woord ) en kan het behoorlijk toegevoegde waarde hebben aan ons kommervol onderwijskundig bestaan. Maar zaligmakend is het niet, en het mag ook niet te veel kosten. Letterlijk en figuurlijk.

YouTube Preview Image

 

Share

 


Per seconde dommer

Al ongeveer sinds het ontstaan der mensheid draait op de televisie, het medium wat zoveel weldaad maar in toenemende mate zoveel treurigheid over ons uitstort, de quiz “Per seconde wijzer”.  Een intelligent programma met lastige vragen, en de allerlastigste kunnen worden opgezocht. Vroegâh in een degelijke encyclopedie, tegenwoordig natuurlijk vooral op Google. Daarna klinkt het belletje: gevonden! Een prijs van een paar duizend euro als beloning. Daar trek je geen miljoenen kijkers meer mee, want we willen tegenwoordig weer brood ende spelen, zoiets doet het beter bij de massa, die steeds meer massa begint te worden.

Google is stukken van onze hersenen aan het vervangen. We zoeken pas iets op op het moment dat we het nodig hebben, en dan luiden we het belletje. Daarna slaan we die gevonden informatie niet meer op, maar drukken gewoon weer op delete. Tijd is geld. Stop een doorsnee student in Maastricht in een auto, en geef hem opdracht om naar Groningen te rijden. Wanneer de Tomtom ( een nieuw zelfstandig naamwoord ) uitvalt, zal hij of zij mogelijk eindigen in Parijs. Met het uitvallen van de nieuwe media valt onze hersencapaciteit uit. Wanneer Facebook of Hyves door een storing plat liggen, zijn we 500 of meer vrienden kwijt. Eenzaam en verloren. Wat nu?

De mens stamt af van de aap tot de Neanderthaler, of van Adam en Eva, of welke religie of overtuiging wij maar aanhangen, en evolueert in een opgaande lijn qua lengte en kennis. Die kennis krijgen wij op allerlei manieren aangeboden. Een puber krijgt nu op één dag meer informatie te verwerken dan een Middeleeuwer gedurende zijn hele leven; zoiets kan natuurlijk niet altijd goed gaan. Plaats een kind in een kamer tot aan de nok toe gevuld met snoep en het eet zich ongetwijfeld misselijk. Ga je gang. Eet maar, vreet maar. En dat doen we dus ook. De maatschappij is de kamer, wij zijn de kinderen, en het snoep is de wereld om ons heen. Wij graaien zoveel mogelijk bij elkaar, proppen het in onze zakken, rukken verpakkingen half open, nemen overal een hap van en smijten de rest weg, want er is zoveel meer. Wat we niet lusten, spugen we uit. Meer, meer, steeds groter, steeds extremer, want niet genoeg. De kater komt morgen.

Grenzen dienen overschreden te worden, want anders worden we belemmerd in onze ontwikkeling. Regels, dat is iets voor oude mensen. Alles mag, alles kan, alles móet kunnen. Grenzen verleggen. Kennis vergroten.  We kijken met honderdduizenden naar talentenjachten waarin men kok, zanger of musicalster gaat worden. We genieten via infrarood van een programma waarin wildvreemden in een stikdonkere kamer aan elkaar gaan graaien om vervolgens een stel voor het leven te vormen. We schateren mee om puistige pubers, die door een “vakkundige jury” waarin lieden als Gordon zitten, tot de grond toe worden afgefakkeld omdat ze hun uiterlijk en mimiek nog niet mee hebben. Gaat het slachtoffer in kwestie vervolgens publiekelijk zijn beklag doen, dan wacht hem een boete van John de Mol.  We juichen wanneer kandidaten om een geldprijs levende maden verorberen of een wildvreemde een minuut lang vol in de mond zoenen terwijl die een groot stuk schuurpapier aan het gezicht bevestigd heeft.

We gaan de weg op met een honkbalknuppel, een riek of een pistool op de achterbank, en we gaan vól op de rem wanneer een ander te dicht achter ons zit of wanneer we een kist met geld over het asfalt zien waaien. Kwetsen is de nieuwe norm, het korte lontje vormt het nieuwe karakter. We graaien waar we kunnen: op Google, bij elkaar, van elkaar , uit de geldpot, in de kamer gevuld met snoep. Zo zappen we onze dagen door.

In de Volkskrant stond vandaag een artikel over iemand die een nieuwe draai aan zijn carrière had gegeven door loopbaancoach te worden. Nu was ik in mijn huidige werkkring een tijdje ICT-coach, en dat stond ook op mijn twitter-account vermeld. Prompt werd ik gevolgd door een leger coaches, die blijkbaar allemaal hoopten een draai aan mijn loopbaan te geven of een collega te treffen. De nood in coach-land moet hoog zijn. In het boekje “Bullshit Management” las ik dat de ene heft van Nederland door de andere helft van Nederland wordt geadviseerd hoe zich te gedragen, voor een flink honorarium uiteraard.

De loopbaancoach in kwestie organiseert nu “bezinningsreizen” voor mensen ( managers ) die geen voldoening meer vinden in hun werk. Deze slachtoffers kunnen een 9-daagse reis boeken naar Ethiopië, a raison van maar liefst 3000 euro. Doel is om daar tot verhelderende inzichten te komen, te relativeren en – eenmaal thuisgekomen – mogelijk alle luxe overboord te gooien of juist nog meer luxe aan te schaffen, alles in elk geval met nieuw elan.

Negen dagen, 3000 euro, daar kun je jezelf toch goed van fêteren, zeker in een land als Ethiopië, waar het grootste deel van de bevolking ver onder de armoedegrens leeft. De loopbaancoach verdedigt zijn business door te stellen dat men niet naar zielige en arme mensen gaat kijken, maar dat men wel leert dat je ook met minder tevreden kunt zijn. Nu weet ik nog wel meer mensen die aan bezinning toe zijn, maar gezien hun financiële positie zal dat vermoedelijk bij een weekendje op de camping in Bakkum blijven.  Die vormen voor de loopbaancoaches natuurlijk geen interessante -lees lucratieve- markt.

Misschien moeten we allemaal maar eens een tijdje op bezinning, gewoon bij onszelf, in de achtertuin of op het balkon. Even de tijd stop zetten in de Per seconde wijzer quiz.  Echt eens even na gaan denken. Over waar we mee bezig zijn. Ons onderwijs bijvoorbeeld. Men zoekt voortdurend naar nieuwe uitdagingen, naar vernieuwingen, verbeteringen. Ik sprak laatst een collega Nederlands in den lande die notulen van een teamvergadering gevonden had. In anderhalf kantje stonden 52 taalfouten…
Onze regering maakt zich zorgen over de kwaliteit van ons onderwijs, de peiler waar onze maatschappij op rust. Het niveau van Nederlands en rekenen moet dringend omhoog. Kwalificerende toetsen op de computer. Zo stond ik dus in het onlangs weer begonnen schooljaar met een klas van 33 MBO-pubers in een ruimte waar 17 stokoude pc’s en tafeltjes gereed stonden. Geen bord, geen bureau. Ernstig verlangend naar een luchtverversingssysteem waarin ook een Ritalin-vernevelaar was geïntegreerd. Ik neem het mijn school niet kwalijk, want tegelijk met de kwaliteitsverbetering moet er in het onderwijs ook bezuinigd worden, en bijvoorbeeld de aanschaf van de JSF’s, de steun van de grote banken en bedrijven moet toch ergens uit bekostigd worden. Dus halen we dat geld weg bij onderwijs, chronisch zieken, bij zorg, bij cultuur en bij minder draagkrachtigen, bij hen bij wie een staking geen economisch effect heeft. In het onderwijs wordt niet gestaakt, in de zorg niet, en mensen zonder baan of in de WAO en AOW staken ook niet.

We voeren mensen als Wilders en bieden de ontevredenheid, het korte lontje, het kwetsen als norm, de totale geestelijke en intellectuele armoede en daardoor de tweedeling in de wereld een steeds breder platform.

We worden per seconde dommer, lijkt het wel. “Dat is typisch een opmerking voor een ouwe lul”, zullen sommigen denken. En wanneer ik het had gehad over een “oude penis” was ik helemaal voor gek versleten. Wie zegt nou zoiets. Dat hoort niet, in deze tijd.

Per seconde dommer. Dat is natuurlijk niet zo. Die hersencapaciteit wordt echt niet minder. We zetten hem alleen verkeerd in. En dat levert foute antwoorden op. Dat kost ons de overwinning. Wat meer tijd nemen dus, weer eens even goed nadenken over onze antwoorden op de volgende lastige vraag in Per Seconde Wijzer: “Komt het allemaal nog goed?”

 

Share

 


Lesgeven anno 2011

De onderwijsgemoederen in de media zijn afgelopen week weer danig verhit, onder andere door diverse nieuwe plannen -waarbij de bedenkers op voorhand niet meer over “Vernieuwing” durven te spreken-  en een ingezonden  stuk van collega Anneke Wijma in de Volkskrant, met als titel: “Je moet wel gek zijn om in het voortgezet onderwijs te werken”. Geheel in stijl met de moderne “student” jat ik het even integraal over en plaats ik het hier in dit blogje. Voor hen die nieuwsgierig zijn naar alle reacties: hier is het ook nog eens te lezen, mèt reacties, maar doe dat straks even, want anders komt u hier niet meer terug en dat is ook zo wat.  Verderop in mijn verhaaltje nog wat meer plagiaat trouwens, moet allemaal kunnen tegenwoordig.

Het stuk in kwestie:

U werkt met dertig mensen in een ruimte van amper 10 bij 10 vierkante meter. Zonder adequate zonwering of ventilatie. Onderzoek heeft uitgewezen dat de lucht in uw werkruimte een ongezond gehalte aan micro-organismen, allergenen en fijnstof bevat. U hebt geen eigen bureau of kast en geen eigen computer. In de pauzes probeert u enige tijd vrij te maken om met uw collega’s op een kluitje in de personeelsruimte uw boterhammen weg te werken. De meest uitdagende decoratie in deze ruimte is het prikbord. De theeglazen hebben minstens tienduizend maal het vaatwasprogramma doorlopen en de lepeltjes zijn zo dof als uw beroepsomgeving zelf.

Zuinigheid
Als u dit herkent, is de kans zeer groot, ja is het vrijwel zeker dat u docent bent aan een instelling voor voortgezet onderwijs. Uw salaris ligt ruim onder dat van een vergelijkbare positie in het bedrijfsleven. Het begrip bonus is u onbekend. Zuinigheid is het credo in uw beroep. U leeft immers van belastinggeld. Dat wordt u bij herhaling op niet mis te verstane wijze ingepeperd. Het mooie van uw beroep, de zomervakantie, wordt u maatschappijbreed misgund. Hoewel u die vakantie al dubbel en dwars door uw lage salaris heeft vereffend.

U hebt nauwelijks carrièremogelijkheden. Uw beroep heeft weinig maatschappelijke status. Uw directie vraagt daarentegen veel van u. Termen als commitment, empathie, differentiatie en competentie vliegen u om de oren. U moet handelingsplannen schrijven, leerlinginformatieformulieren invullen en u suf vergaderen in kernteams, vakgroepen, werkgroepen, zorggroepen en noem-maar-opgroepen. En u weet dat het geld- en tijdverspilling is.

De middelen om problemen adequaat op te lossen ontbreken immers, dus worden de belangrijke agendapunten hardnekkig doorgeschoven naar een volgende bijeenkomst. De schoolleiding trekt zich met regelmaat terug voor brainstormsessies in comfortabele onderkomens. Daar komen dan de meest ondoordachte ideetjes vandaan die u vervolgens zonder enige facilitering mag uitvoeren. En waar u, ja u alleen, op afgerekend wordt. Dit alles moet de indruk wekken dat bestuur, directie en teamleiders ernst maken met de kwaliteit van de school. Het is echter slechts papier, nodig voor het bezoek van de inspectie en nuttig voor het cv en persoonlijk ontwikkelingsplan van uw leidinggevenden.

Universitair
In de toekomst mag u alleen nog lesgeven met een masterdiploma. Het is de nieuwste oplossing die voor het onderwijsprobleem in Nederland bedacht is. Welke onderbouwing ervoor is, Joost mag het weten. Wellicht zal een universitair opgeleide zich beter staande weten te houden in een omgeving waarin hij dagelijks geconfronteerd wordt met adhd, add, dyslexie, dyscalculie, asperger, pdd-nos, autisme en faalangst. Met slachtoffers van ruziënde ouders, ziekten, mishandeling en pesten.

Wellicht is het geen kapitaalvernietiging als een jonge academicus zich met zijn dure, door de belastingbetaler gefinancierde opleiding opsluit binnen de muren van een schoolgebouw, zonder wetenschappelijke uitdaging, zonder toekomstperspectief en zonder maatschappelijk respect voor zijn functie.

De ene na de andere onderwijsvernieuwing krijgt u voor de kiezen. Tweede Fase, basisvorming, vmbo, competentiegericht leren, het nieuwe leren, het actieve leren, het interactieve leren, het studiehuis. Het ‘Beter presteren’ mag u binnenkort gaan uitvoeren. De jongens- en meisjesklassen liggen op de loer. Onderwijsgoeroes schrijven voor elke vernieuwing duizenden pagina’s vol over het grote belang van hun eigen visie, hun eigen ideale toekomstbeeldje.

Onderwijsadviesbureaus overspoelen u met pedagogische en psychologische testen. Wetenschappelijk onderbouwde onderzoeken laten al deze lieden echter nooit zien. Recente onderzoeken naar de ontwikkeling van het puberbrein willen zij niet kennen.

Tegenargument
In onderwijsland gaat het er immers enkel om zo fanatiek mogelijk een mening uit te dragen, geen tegenargument te dulden en je opponent weg te honen. ‘Wie niet voor mij is, is tegen de leerling’, lijkt hun adagium te zijn. Het veld mort en slikt. U, die kinderen moet leren mondig te zijn, mag uw mond niet opendoen. U, die leerlingen vol idealisme voorhoudt niet in hokjes te denken, wordt bij uw eigen voorzichtige tegenargumenten zonder pardon in het hok van de vastgeroeste, non-coöperatieve mopperkont geworpen.

Hopelijk hebt u van uw vakantie genoten. Hebt u zin om weer aan de slag te gaan met die klassen van dertig opgroeiende jongeren. Die zo onweerstaanbaar lief zijn en u tegelijkertijd het bloed onder de nagels vandaan kunnen halen. Hopelijk mag u nog lesgeven en bent u niet gedegradeerd tot opzichter in de computerruimte, waar uw leerlingen hun kennis van internet halen. Hopelijk weet u hen uit te dagen tot topprestaties, weet u hen de tranen uit hun ogen te laten lachen om aan het eind van uw lesdag met een goed gevoel en een tas vol nakijkwerk naar huis te gaan. Een goed schooljaar gewenst!

Anneke Wijma

Wijma wordt nogal aangevallen. Het stukje hiernaast is een afdruk van een ingezonden brief van iemand uit Amsterdam naar aanleiding van haar betoog, waarin ons als docenten weer verweten wordt in onze klagerige slachtofferrol te kruipen en likkebaardend vanuit de luie stoel naar het bedrijfsleven te loensen.

In de eerste zin staat echter m.i. gelijk een cruciale fout: niet de leraren, de beroepsbeoefenaars, maken hun beroep met de grond gelijk, maar juist zij die vanuit hun eigen optiek, vèr verheven boven en verwijderd van de werkvloer, telkens weer menen te moeten bepalen hoe er op die werkvloer gewerkt moet worden. Ik doel hier op grote aantallen onderwijsadviesbureau’s die voor astronomische bedragen geld wegzuigen, geld wat voor eigenlijk onderwijs bedoeld zou moeten zijn. Ik doel op ministers en hun ambtenaren in Den Haag, wiens enige drijfveer het bezuinigen on onderwijskosten is.
Alsof je de fundamenten van je woonhuis probeert te vervangen door papier-maché, omdat dat voordeliger is. Ik doel helaas ook op sommige geledingen binnen het management van scholen, een management wat steeds meer de proporties van een waterhoofd aanneemt en niet gehinderd door enig inlevingsgevoel de ene na de andere onderwijsvernieuwing of bezuiniging doorvoert, om zo de inspectie maar tevreden te stellen met overtuigende cijfertjes. Goede uitzonderingen natuurlijk daar gelaten. De docent, èn de leerling, zijn op veel scholen verworden tot cijfertjes, die een kloppende som moeten opleveren. Alleen dát resultaat lijkt te tellen.

De briefschrijver hiernaast zou juist verwonderd moeten zijn over het feit dat wij docenten ondanks alles toch maar doorgaan, ook al hebben wij nog zo veel ( al dan niet terecht ) te klagen. Wij stellen namelijk altijd nog ons beroep centraal, en dat is het overbrengen van kennis aan jonge mensen die nodig hebben. Wáár in het bedrijfsleven draait men zoveel onbetaalde overuren? Als elke docent zijn extra uren, ook in de steeds korter wordende vakanties zou declareren, dan zou de firma onderwijs binnen no time failliet zijn. Ze klagen ook ja, maar daar blijft het eigenlijk wel bij. Ze mopperen nauwelijks over hun salaris. . Ze zeuren niet over het feit dat ze dat bedrag grotendeels op moeten souperen wanneer ze- uitsluitend in het hoogseizoen tegen exorbitante prijzen op vakantie kunnen, waar iemand in het bedrijfsleven op elke ander moment dat voor een fractie van het bedrag zou kunnen doen. Ze laten zich meewarig uitlachen op feesten en partijen. Alle onderwijsveranderingen door de jaren heen hebben ze uiteindelijk, al dan niet met frisse tegenzin, opgepakt en geprobeerd er het beste van te maken om zo de leerlingen zo effectief mogelijk van dienst te kunnen zijn. Ze vullen braaf hun 360 graden-feedbackformulieren in, hun POP-gepsprekken, hun PAP-gesprekken. Vaak tegen beter weten in. Kom daar elders eens om.

Docenten zijn eigenlijk een heel volgzaam volkje, idealer personeel zou je je als werkgever niet kunnen wensen. Ze staken nooit, ze willen de leerlingen nooit de dupe laten worden, en ze voelen zich in het algemeen innig tevreden wanneer ze zich eenmaal met de kern van hun beroep, het lesgeven, kunnen bezighouden. Voor en in de klas hebben ze plezier in hun werk. Werk dat bijvoorbeeld ook steeds meer opvoeden begint te lijken, een taak die de eigenlijke opvoeders steeds meer achterwege laten. Nee, we doen het allemaal. We morren, we klagen, maar we doen het.

Daarom gaan we niet weg.  We zijn een beetje verslaafd aan ons vak. We kicken lastig af, ook al doet men elders nóg zo z’n best. We praten er op Twitter en op andere social Media ongeveer 24 uur per dag over. We houden er blijkbaar van. Onderwijs is nog steeds een prachtig vak. En ja, je moet er inderdaad wèl een beetje gek voor zijn. Anders red je het inderdaad niet. Laat ons dan in elk geval prettig gestoord blijven, en gun ons ons geklaag op z’n tijd, of onze galgenhumor, zoals uit onderstaand hilarisch ingezonden stukje eerder dit jaar blijkt:

Ik ben werkzaam als docent in het MBO. Ik begrijp niet hoe men kan zeggen dat de kwaliteit van docenten alsmaar minder wordt.
Vroeger gaf ik gewoon les. Tegenwoordig ga ik als professional naar het primaire proces, teneinde de door het College van Bestuur en de Sectordirecteur geformuleerde deoelstellingen en targets te realiseren, daarbij rekening houdend met de middelen en tools vastgelegd in het vigerende teamplan, waarbij de focus, binnen de gestelde kaders, gericht dient te zijn op de realisatie en de optimalisatie van de output, zodat er benchmarktechnisch gesproken een win-winsituatie ontstaat tussen enerzijds de leerling en anderzijds het instituut.
Geweldig toch?

H. A.

De naam en locatie van de schrijver heb ik even weggelaten. Niet om zelf met de eer te strijken maar in oude tijden en ook nieuwe tijden wordt de brenger van slecht of – in dit geval – kritisch nieuws niet altijd gewaardeerd door de machten die over hem gesteld zijn. Mocht de auteur mijn blogje lezen : ik zet hem er graag bij, want hij geeft precies aan waar het tegenwoordig in het onderwijs om lijkt te draaien.

Share

 


Het ultieme genot

Er knippert al de hele tijd een dreigend geel lampje, nadat eerst waarschuwend gezoem heeft geklonken. Ook elders op de contraptie op mijn bureau gloeien lichten op, nadat ik zojuist mijn eerste dure Clean en Renew Cartridge in het apparaat heb geschoven. “Highly Flammable”, staat op de verpakking. “Sonic technology!” juicht een ander deel mij toe. Ik ben niet bezig met het bouwen van een tijdbom of zo. Insiders ( mannen ) weten het al: dit is mijn nieuwe scheerapparaat. Jarenlang was dat een Philips, zo eentje met drie koppen, die de hinderlijke haartjes moeiteloos verwijdert. Stekker in het stopcontact, paar minuutjes heen en weer raggen en klaar. In mijn herinnering heeft mijn vader zich ook al zijn hele leven met zo’n ding geschoren, en na afloop een deppertje met Fresh Up aftershave, voor een paar gulden altijd het ideale Sinterklaas- ,  vaderdag- of verjaardagscadeautje wat je als kind aan je pappa kon geven. Een zelfgekleide en met plakkaatverf beschilderde asbak deed het ook altijd goed, maar zoiets is nu uit pedagogische overwegingen natuurlijk niet meer mogelijk, en Fresh Up zal ook al lang niet meer bestaan. Die goedkope maar o zo heerlijke geur van Fresh Up, heel soms afgewisseld door Tabac, dat was je vader: een gevoel van veiligheid en geborgenheid en op schoot zitten.

Die tijden van weleer, die eenvoud, de maatschappij biedt er haast geen mogelijkheid meer toe. Voor een bedrag wat voor mijn vader in de hoogte van een maandsalaris moet hebben gelegen, heb ik de ultieme scheersensatie van Braun in huis gehaald. Mijn oude Philips kreeg steeds meer de onhebbelijke gewoonte de haren met wortel en tak èn brokken kin uit te rukken, en om nou weer € 43 te moeten besteden aan drie nieuwe scheerkoppen die anderhalf jaar mee gaan, nou nee. Wie mij een beetje kent weet dat ik dan weer geen grenzen ken en dat ter vervanging iets high-tech-achtigs moet komen, liefst met touchscreen en twittermogelijkheid. Dat laatste lukt nog niet, maar het zit er ongetwijfeld aan te komen, want we hebben ook al twitterende auto’s en koelkasten.

Maar hoe gaat zo iets. In mijn hebberigheid heb ik dus nu een toestel wat al een kwartier in een speciale schoonmaakhouder staat te knipperen – na één keer scheren direct na het uitpakken gisteren – en wat kostbare reinigingsvloeistof gebruikt, die na 8 weken vervangen moet worden. En over 6 miljoen haartjes moet ik al de folie en het scheerblad vervangen, zo waarschuwt de handleiding mij.  Die reclame, waar scheerapparaten begeleid door pompeuze muziek als ruimteschepen door een oneindig heelal zweven, moet toch ergens van betaald worden. Waar zijn we eigenlijk mee bezig. Was ik maar barbaar, kon ik vanonder mijn borstelige wenkbrauwen, peinzend kriebelend in mijn zware baard maar onbevangen naar mijn zwaar behaarde en bebaarde vrouw en drie dochters kijken, die – in werkelijkheid zijdezacht glad en haarloos – overal hun  Epilady’s en andere haarmartelwerktuigen laten rondslingeren.

Ah! Het waarschuwingslampje is uit, er brandt nu een vredig blauw lichtje, ten teken dat ik na 32 minuten wachten kan beginnen met scheren.  Zo heeft zo’n reinigingscyclus toch nog nut: anders was dit blogje nooit geschreven. Het ultieme scheergenot kan beginnen.

Share

 


Tijd

Een leuk vakantiekiekje zo op het eerste gezicht. Wauwel ( in opzichtig blauw overhemd ), na zware longontsteking toch nog voldoende opgeknapt om de laatste vakantieweek nog even richting buitenland af te reizen, staand op een balkon en uitkijkend over een groot sportveld. Een vakantie moet in mijn optiek altijd meer zijn dan amechtig liggend in een strandstoel je zelf all inclusive vol proppen, waarbij je ook nog eens niet je plek durft te verlaten omdat dan een of andere dronken Rus of Duitser je zetel in pikt.  Strand is leuk, maar voor één dag. In het onderwijs heb je – in de ogen van de buitenstaander – nog steeds riant lange vakanties, hoewel ook daar ernstig op bezuinigd wordt. Naar Duitsland en Oostenrijk dus, daarbij enigszins gehinderd door het feit dat ega bij het wegrijden tot de ontdekking kwam dat haar rijbeijs reeds ruim een half jaar verlopen was. Dat werd dus alleen rijden, van Bau-arbeiten naar Stau naar Unfallsstelle naar Bau-arbeiten, om tenslotte bij de eerste stop in Neurenberg uit te komen, voor 95 % in de oorlog platgegooid, maar weer helemaal hersteld. Een mooie stad, met heel veel torens en kastelen en kerken, hoewel je in feite door een soort uitvergroot themapark loopt, want vrijwel niets is nog origineel. Het zou ook ergens in China nagebouwd kunnen zijn. De tijd heelt echter de meeste wonden

Ik heb iets met tijd en met verleden. Melancholie ligt altijd op de loer. Wat dat betreft, is Duitsland een ideale vakantiebestemming. Voor wie er gevoelig voor is, klinkt overal de echo van de tijd door, en zie je sporen van het duistere verleden, tot – recent – de restanten van de Muur aan toe. Lezers die nog enige fatsoenlijke opleiding waarin geschiedenis werd gegeven,  hebben genoten, herkennen natuurlijk de plek waar schrijver dezes zich bevindt: de tribune van het Zeppelinveld op het voormalig Reichsparteitag-gelände. Vanaf dit balkon brulde Hitler de hysterische menigte toe, uitkijkend over duizenden fakkels en de kathedraal van licht die werd gevormd door de stralen van een groot aantal zoeklichten, als een waarschuwing aan ieder in de nacht die volgen zou.
Vlak naast dit veld staat nu een groot voetbalstadion en – heel unheimisch – daaruit klonk tijdens vermoedelijk een luidsprekertest massaal traag gezang. ‘t Zal ongetwijfeld een of ander clublied zijn geweest in de trend van “FC Nurnberg gaat nooit verloren”, maar op deze plek kreeg het de proporties van een of ander Nazi-lied, wat vroeger de menigtes in vervoering en extase bracht. Het versterkte de indruk die deze plek gaf. Hier was het dus allemaal begonnen. Op deze plek waar nu langs de tribune een soort autoracebaan was gebouwd, en waar nog geregeld grote manifestaties werden gehouden.
Achter mij ploeterde een Nederlandse vader met zijn zoontje in de hitte de tribune op. Het was “Führerweer”. Stralend en heet. “Ik wil kijken of ik nog ergens een steentje van deze tribune los kan krijgen”, verkondigde de man, “voor in de verzameling.” Dergelijke plekken trekken nogal eens neo-nazi achtige types aan. Ooit zag ik bij de restanten van Hitlers Berghof een groepje van dat soort, een Duitse oorlogsvlag uitspreidend, snel op de foto en dan weer weg. Geen haan die daar naar kraaide, maar je lokt het ook wel uit als je dat soort plekken met duidelijke bewegwijzering en grote borden aan gaat kondigen.
Deze man bleek echter bij een groep enthousiastelingen te horen die oude legervoertuigen rijdend hield, en daarbij was ook een soort museum. Straks dus in de aandachtig in elkaar geknutselde vitrine  weer een nieuw pronkstuk: “Onderdeel van het Reichsparteitag-Gelände. Niet aanraken s.v.p.”.  Veel van Hitlers pompeuze bouwwerken waren bedoeld om het duizend jaar uit te houden, en ik schat dat die tijd ook nodig is vóórdat ook deze uiting van grootheidswaanzin door de verzamelwoede van eigenaren van kleine oorlogsmuseumpjes is opgeconsumeerd. Armando schrijft over “schuldige landschappen”, wanneer hij het over dit soort plaatsen heeft. Een treffende vergelijking.

Nu is mijn  vrouw niet zo van mijn dweperij met alles wat met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft, dus we wandelden verder. Het leven bestaat uit het voortdurend sluiten van compromissen. Een eindje verderop, met toch weer mooi uitzicht op de nooit afgebouwde congreshal, bedoeld voor  50.000 griezels, stond een Imbiss, met – natuurlijk  – Bratwurst in de aanbieding. Een vriendelijke dikke uitbater ( als kind vroeg ik me altijd of of die soms ook een Nazi was geweest ). Broodje worst, bekertje koffie, voor € 3.  Joggers, moeders met kinderwagens, eendjes in de vijver, een vredig onschuldig tafereel in een schuldig landschap.

In de middag toch nog naar een ander schuldig landschap. Een groot, typisch Duits gebouw, vlaggen, en zaal 600. Hier eindigde na zo’n 12 jaar wat een paar kilometer verderop en 1000 jaar geleden begon. Het Duizendjarige Rijk, ingehaald en afgebroken door de tijd, op wat pompeuze restanten en brokjes steen in een lokaal oorlogsmuseum na. De rechtszaal is bijna onveranderd gebleven, de getuigenbankjes staan er nog. “Nicht schuldig!”, hoor je snauwen.  In het gebouw een indrukwekkend museum. En dan, weer eenmaal buiten, weer eens soortgelijke griezelige ervaring als die ochtend, waar ik op het Zeppelinveld in de verte een gezang uit duizenden kelen hoorde schallen. Ditmaal vliegt laag over de stad, zwaar ronkend, een gerestaureerd transportvliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog: een Junkers 52, waaruit de Duitse parachutisten boven Nederland sprongen, en waarmee Hitler zich door zijn eindige rjik liet vervoeren. Haast een soort waarschuwing, want eigenlijk lijkt de tijd niets te veranderen. We hebben opnieuw hordes ontevreden lieden in Europa, en we hebben opnieuw griezels naar wie aandachtig geluisterd wordt.  Hoe dit afloopt, de tijd zal het leren.

Share

 


Onderwerpen:

Laatste reacties

    • Rein Bijlsma: Uhm..Barry en Cesar, dat gaat. Ik neem mijn woorden deel terug ;-)
    • EarringTweets: “Aanschouwe daar vier stramme heren, de jongste 64, de oudste bijna 66, die daar enigszins...
    • Paul: Goed verhaal, kan me heel goed voorstellen hoe lastig het is om over zo een onderwerp te schrijven.
    • Rein Bijlsma: @Hartger: Haha, het feit dat je als vertegenwoordiger van een door veel docenten verfoeide beroepsgroep...
    • Hartger Wassink: Dank voor de doorverwijzing. Interessant artikel, omdat het zo schaamteloos eenzijdig is. Dat kun je...

Archief