Nazi?

baby2015 zal in alle lijstjes wel het jaar van de vluchtelingen worden, daar kan haast geen twijfel over bestaan. 2015 zal ook het jaar worden van de uitersten als het gaat om polarisatie, en misschien wordt ook u wel, net als ik, heen en weer geslingerd tussen de keuze voor het juiste kamp. Ergens tussenin mag en kan blijkbaar niet meer, en je kunt alleen nog maar door het leven gaan als ultra-rechtse Nazi of als uiterst linkse Gutmensch en bomenknuffelaar, waarbij je je ook nog geheel aan de Islam hebt overgeleverd. We slaan elkaar om de oren met foto’s van verdronken peuters en zielige baby’s tegenover een grote politiemacht bij een grenshek. Of de peuter en de baby er iets aan kunnen doen

Dat was ik dus niet van plan. Wie mij volgt op Twitter, weet dat ik nogal – zacht uitgedrukt – maatschappijkritisch ben, en dat dan vooral vanuit een links perspectief. Zodra het ook maar over rechtse politiek gaat, over bankiers met een riante vertrekbonus, over zwaar zorg-behoevenden die nog verder door de regering aangepakt worden, zit ik boven op de kast. Gaat het over maatregelen die ons lijdende milieu nóg verder aantasten, dan ben ik in alle staten.  Overal waar ik onrecht meen te bespeuren, ben ik er als de kippen bij.

Tot nu toe hou ik mij in het algemeen verre van de ordinaire scheldpartijen waartoe links en rechts zich op Twitter laten verleiden als het gaat om het momenteel meest heikele gespreksonderwerp: de vluchtelingen en de Islam. Over milieu en over het wel of niet grote graaien wordt gekibbeld, maar nergens gaan men zo fel te keer als wanneer het dus over Islam en vluchtelingen gaat. Het fanatisme waarmee dit gebeurt, heeft tot gevolg dat ik op zulke momenten steeds verder de hakken in het zand ga zetten en daardoor in een richting geduwd word die oorspronkelijk helemaal niet de mijne is. U wordt misschien steeds linkser of steeds rechtser, en ik merk dat ik tot mijn verbijstering de rechtse kant op ga bij het hoofdgerecht van de Twitter-discussie en dus ook in mijn verdere denken.

Er is echter ook geen politieke partij die je volgens mij klakkeloos en kritiekloos kunt ondersteunen. Overal zijn punten waar je het flink mee oneens kunt zijn. En wat doe je dan? Dan keer je je maar helemaal van de politiek af. Lijkt me ook geen optie, maar het gebeurt dus massaal. Ik ben een hevig voorstander van het SP-gedachtengoed, maar ik ben het volledig oneens met hun standpunten ten opzichte van Israël, een land dat ik dan weer een warm hart toedraag, zoals mijn ouders dat er met de paplepel hebben ingegoten. Meestal hoor je je af te zetten tegen je ouders, maar in dit geval doe ik dat niet, terwijl het zich-ergens-tegen- afzetten-want-de-meerderheid-is-voor  mij ongeveer in de genen zit. Ik zou volgens mijn linkse gedachtengoed elke dag De Wereld Draait Door moeten adoreren, en moeten dwepen met Youp van ’t Hek, maar de daar omheen hangende door mij ervaren dwang om toch maar vooral correct links te moeten zijn en je suf te moeten lachen om Youp, Claudia, Halina en al die anderen die elkaar daar voortdurend dikke veren in wederzijdse konten prikken, nee, dan krijg ik bijna braakneigingen. U merkt , ik raak al weer op dreef.  Ik zit nog tot april vast aan de Volkskrant, waarvan ik dan weer vind dat die de Telegraaf rechts aan het inhalen is met hun gejuich over alles wat dit kabinet doet en hun snobistische grachtengordelyuppen Volkskrant magazine, dus ook dat is een redelijke bezoeking. Denk niet dat ik hierna de Telegraaf neem, of dat ik nu op de VVD of de PVV ga stemmen, beide ongeveer de verpersoonlijking van alles wat ik moreel verwerp.

Dan maar even terug naar het begin van dit stukje, naar de vluchtelingen en de Islam. Die zijn in dit geval wel onlosmakelijk met elkaar verbonden denk ik. Ben je dus voor de vluchtelingen, dan ben je voor de islam, heb je een hekel aan de Islam, dan haat je dus die vluchtelingen en moeten ze allemaal teruggestuurd worden. Zo liggen de standpunten ongeveer. Ik vind vluchtelingen prima, laat maar komen, mits je je zo snel mogelijk aanpast – o wat zeg ik nu weer voor reactionairs – en je probeert te leven naar de westerse normen en waarden – o nu ben ik helemaal een nazi en een Wilders-bewonderaar.  Het is fijn dat mensen begrip hebben voor vluchtelingen en de Islam, en dat er hulp geboden wordt. Dat moet. Maar ik heb de indruk dat dit nu gebeurt om toch maar vooral zo correct mogelijk over te komen, zonder na te denken over hoe het verder moet, over een half jaar, als de leuk er weer een beetje af is en als je weer naar iets anders moet zoeken om in je persoonlijke behoefte aan geestelijke aflaten te voorzien. Wanneer je ‘Ja maar’ zegt, zoals ik nu doe, ben je gelijk een Nazi en heb je geen recht van spreken.
Ik heb echter wél recht van spreken, want ik woon hier. Al heel lang. Ik ben geregeld in het midden-oosten geweest, en mij daar verbaasd over de enorme puinzooi die het daar op straat altijd is. Maar ik kom er graag, het zijn boeiende landen, met enorm gastvrije inwoners.
Ik heb jarenlang een Turkse buurman gehad, en jarenlang konden we daar heel  goed mee overweg, uiterst vriendelijke mensen, maar jarenlang werden we tegelijkertijd ook gek van de herrie en de troep die hij produceerde en waren we dolblij dat we uiteindelijk konden verhuizen. Gek van het cultuurverschil dus. Je kunt hoog en laag springen, maar je kunt een cultuurverschil niet ontkennen, zeker niet als die andere cultuur qua gedachtegoed er nog behoorlijk middeleeuwse denkbeelden op na houdt: de positie van de vrouw, de rechtspraak, de mensenrechten, de manier van straffen. Cultuurverschillen overbruggen is prima, moet, daar moet je je voor inzetten. Maar niet naar een cultuur die de klok honderden jaren terugzet. Er mogen een miljoen vluchtelingen komen, of 2 miljoen, het kan me niet schelen. Ze vluchten niet voor niets. Ik zou het ook doen. naar een cultuur die volledig verschilt van de mijne. Zo hoog is de nood dus blijkbaar, dat je dat doet. Maar pas je aan, anders red je het niet. Welkom Islamitische vluchteling in mijn huis. Maar het zijn wél mijn huisregels.

Ben ik nu een fascist, een PVV-er, een nazi omdat ik de islam niet hoog meer heb zitten en kritisch naar vluchtelingen kijk? En omdat ik Israël steun?  En ben ik nu een uiterst linkse activist, omdat ik het milieu hoog in het vaandel heb, ageer tegen het grote graaien in de top van het bedrijfsleven, tegen de enorme inkomensongelijkheid in de wereld, tegen het onrecht dat zieken, ouderen en werklozen wordt aangedaan door dit kabinet?  Ik dacht het niet. Ik heb een pesthekel aan De Wereld Draait Door én ik heb een pesthekel aan  Holland zingt. Ik zie de Volkskrant én de Telegraaf niet zitten. Mag dat alsjeblieft ook nog?
Wat nu gebeurt, is dat mensen de hoek van de extremen ingejaagd worden door het handelen van een andere groep mensen. Er is geen ruimte meer voor een tussenpositie, maar dat wil ik nu juist wel.

2015 wordt, misschien nog wel veel meer dan het Jaar van de Vluchteling, het Jaar van de Grote Verwarring

Gered door de denktank

hannibalZoals u ongetwijfeld weet is er de afgelopen vijftig jaar helemaal niets veranderd in het onderwijs. Die tig onderwijsvernieuwingen, die steevast over ons uitgestort zijn als “de verbetering aller verbeteringen”, die hebben nooit plaats gevonden; dat was allemaal maar verbeelding, dat weet u natuurlijk. Die vaag tegensputterende leerkrachten, dat hebben we gedroomd. Leerkrachten zijn sowieso hinderlijk aanwezig op school, want die lui denken zomaar de wijsheid in pacht te hebben, en dat is natuurlijk niet zo. Die lui weten helemaal niets, hebben totaal geen verstand van wat zich allemaal in het hogere afspeelt en zijn zo stom alles maar te slikken wat hun wordt voorgeschoteld. Hoe dóm ben je dan!

Wie het wel weet? Welnu, dat is een nieuwe denktank (ik ben even de tel kwijt, maar ik ben dan ook maar een simpele docent), die wordt gevormd door een groep nét afgestudeerde academici, “excellente masterstudenten en promovendi”. Nu is het tegenwoordig zo – ook bedacht door lieden met visie op het hogere – dat je ook op het vmbo al “afstudeert” en dat je op de havo ‘cum laude’ kunt slagen, dus zo’n groep telt ongetwijfeld ook verlichte zielen uit die categorie. De categorie die niet geïnteresseerd is in het onderwijs, die geen uitdaging vindt, voor wie het onderwijs “niet leuk” is, die lijdt onder saaie ouderwetse en uitgebluste docenten en die klaagt over te trage internetverbindingen voor hun communicatieve vaardigheden via WhatsApp tijdens de zelfstudie-uren of tijdens het werken aan hun POP of PAP.

Meneer Rinnooy Kan, de man die overal wat van af weet, gaat de groep adviseren, dus dan komt het goed. Ik lees dat een eerdere denktank in 2007 na lang in een tank denken tot de conclusie is gekomen dat de docent ook een PAL, een Persoonlijk assistent voor de Leraar ) nodig heeft, dus het komende jaar zal ik maar eens nuttig gaan besteden aan het vinden van mijn PAL, waar die dan ook ter wereld mag bestaan. Om alvast verder vooruit te lopen op de bevindingen van de denktank ga ik ook eens kijken of mijn onderwijs wel aansluit bij de veranderende wereld, want u begrijpt wel dat ik nog steeds met griffel en lei les geef over onze koloniën in Indië en dat ik dat allemaal met een krijtje op het bord noteer, en dat ik er ernstig over nadenk om eens heel progressief een Commodore 64 aan te schaffen, want dat is vrij hip.

Ik verwacht ook een overvloed aan nieuwe bij- en nascholingen die ik mag gaan volgen, zoals de keer dat ik op commando van twee ernstig kijkende cursusleiders een sprongetje moest maken en daarbij “Piep!” moest roepen naar mijn partner die tegenover mij stond en die hetzelfde moest doen, waarna beide leiders ijverig een aantekening op hun notitiebordje maakten. Een en ander geschiedde in het kader van de nascholing “Competentiegericht Assessor”, een prijzige cursus van in totaal 4 weken. U begrijpt hoe enthousiast en vól nieuwe ideeën ik na elke cursusdag thuis kwam, en dat ik geheel de neiging wist te onderdrukken mijn gade met een hakbijl in tienduizend stukjes te verdelen om daarna mijn huis én de aanpalende percelen middels een atoombom tot as te reduceren.
Ik herinner mij nog de duurbetaalde bobo, die vanuit zijn onmetelijke visie met droge ogen voor de volle zaal nog maar een paar jaar geleden verkondigde dat er na het competentiegerichte onderwijs nooit meer iets beters zou komen, want dit was het absolute summum.

Gelukkig is daar nu de Denktank, die het allemaal anders gaat aanpakken, en die ons eenvoudige docenten tot hemelse extase gaat leiden. Het mag ongetwijfeld wat kosten, de leider zal ongetwijfeld een leuke bonus krijgen, onze onderwijsminister zal van blijdschap compleet uit zijn dak gaan en tot grote hoogte spuitend klaarkomen; het is het allemaal waard. Vanaf nu breken gouden tijden aan, docenten en leerlingen krijgen weer echt onderwijs, de denktank ( net van de geheel mislukte schoolbanken af ) zal alles voor ons heruitvinden: het vuur, het wiel, het ijzer, de iPad, Maurice de Hond, het komt allemaal goed.

Alleen: ik zal het niet meer meemaken. Tegen de tijd dat de Denktank aan een kwijlend uitverkoren deskundigen-publiek de bevindingen presenteert, ben ik schuimbekkend van woede in een dwangbuis geheel platgespoten afgevoerd naar een zwaar gesloten krankzinnigengesticht voor dol geworden onderwijzers, waar ik de rest van mijn vruchteloos – want onderwijs – leven zal verpozen met het voeren van de eendjes in de inrichtingsvijver, waarna de zuster mij, geassisteerd door twee potige broeders ( ex-onderwijsstaatssecretarissen) nog wat pap tussen de opeengeklemde kaken wringt.

Dat is dan wel weer jammer. Ik kom ook overal te laat achter. Had ik maar beter onderwijs gehad.

Wauwel in Thailand, deel 2

Vijf dagen decadentie

image
Ik doe al twee dagen eigenlijk helemaal niets, met nog drie te gaan. Dat niets bestaat eerst uit op mijn gemak opstaan, de gordijnen opentrekken, een blijk werpen op het zwembad met daarachter een uitloper van de Zuid Chinese Zee, en denken: Wat voor niets ga ik vandaag eens doen.
Het is vakantie, ik ben in Thailand. De laatste dagen vóór de terugreis worden doorgebracht in een blinkend witgeschilderd 5-sterren complex, in een oord waar de meeste huizen en hutjes door de klamme vochtigheid groen en zwart worden aangevreten, waar de bewoners van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat met hard werken voor een habbekrats de kost moeten verdienen.
Loop je ’s ochtends vroeg langs het water, dan staat daar al het gammele kraampje met wat eitjes en visjes, ‘vacuüm’ verpakt in opgeblazen plastic zakjes, de hele dag in de brandende zon. Kom je er ’s avonds laat weer langs, dan staat het er nóg, met een schijnbaar ongewijzigde hoeveelheid koopwaar.
Azië is een gebied van mini-economieën. Miljoenen kraampjes die allemaal ongeveer hetzelfde verkopen, in Shanghai, Hongkong, Kathmandu, Denpasar; het lijkt nergens zoden aan de dijk te zetten, en tóch draait het op de een of andere manier. Mini-orde in een mega-chaos.
Daar loop je dan tussendoor met een camera van €1000 om je nek, en je maakt -hopelijk besmuikt- wat foto’s want o hoe pittoresk is dit. Je avonturen tik je, zittend langs de rand van het zwembad, op je iPad naar het thuisfront door, onder het genot van een cocktail die een buigende Thai geruisloos voor je neerzet.
Nog steeds word je eigenlijk in een dit keer niet fysiek meer aanwezige draagstoel tussen de koelies doorgereden, maar heel veel verschil met vroeger is er niet.
Ik kijk naar dikke witte Nederlanders die ’s ochtends om half tien met hun handdoeken vier bedjes bij het zwembad reserveren, en die dan om half twee op komen dagen om te ontdekken dat er een handdoek is verdwenen – die nu onder mijn kont ligt- en die zich druk maken over de hufterigheid van mensen om zomaar een handdoek weg te halen.
We zijn trots op het afdingen met maar liefst 30 bath ( €0,80 ) bij de aankoop van een schelpenkettinkje, dat we als trofee mee naar huis nemen, om na een paar jaar te denken: Waar in de wereld hebben we dat rommelding ook al weer gekocht?

Ik lig langs het zwembad, de koptelefoon in het oor, een playlist van Buddha Bar op Spotify. Ik heb een paar duizend euro uitgegeven aan deze 3 weken met indrukken. Een doorsnee inwoner van een Aziatisch of Afrikaans land kan daar een jaar mee vooruit. En ook thuis, in ons geordende, van alle gemakken voorziene westerse en geordende wereld, heb ik genoeg volgers op Twitter die van dit soort reizen alleen maar kunnen dromen. Die zeker weten dat dit nooit, maar dan ook nooit tot hun mogelijkheden zal behoren.
Je hebt geluk, of je hebt pech, in allerlei gradaties, en daar heb je eigenlijk geen enkele invloed op. Het overkomt je, met als de Tsunami of de verwoestende aardbevingen en tyfoons die je in deze streken voor de kiezen krijgt. De goden, die hier aan alle kanten op allerlei manieren geëerd worden, hebben het zo gewild.
In onze eigen wereld is geen plek meer voor goden. Het zou misschien een optie zijn, om daar weer eens wat plaats voor in te ruimen. Voor verlichting bij onze eigen rampen, die, hoe anders of in verhouding veel kleiner ook, er toch net zo goed in kunnen hakken. ‘Elders op de wereld is het veel slechter, dus wat zeuren we nu?’, daar heb je niet altijd boodschap aan als je moet rondkomen van een bijstandsuitkering die aan alle kanten nog veel verder afgeknepen wordt.

Of ik me nu moet schamen, hier aan de rand van dit zwembad. Nee. Ik kijk omhoog, zie tropische zwaar geurende Plumeria-bloemen, die af en toe tussen mij neervallen, zie witte wolken in een stralend blauwe lucht weerspiegelen in het warme zwembad. Ik ben even multimiljonair, even jetset, eigenaar van een blinkend jacht, een zakenjet, morgen vlieg ik maar eens naar Hawaii of Saint Tropez, en daarna naar Hollywood. Ik koester dit moment, ik fantaseer er nog een paar dagen op los.
Over een week om deze tijd shop ik weer bij de Lidl, en wachtend bij de kassa sta ik dan weer bij dat kraampje langs de weg, en is mijn douche thuis weer dat zwembad bij de Zuid Chinese Zee.

Wauwel in Thailand, deel 1

Trouwe lezertjes zullen inmiddels wel weten dat uw Wauwel een reislustig typje is. Nooit rust, altijd weg willen, elders willen vertoeven, het liefst zo ver mogelijk. U kent dat wel. Of niet natuurlijk, maar dan bent u óf een saai persoon óf u kunt het eenvoudig niet om financiële redenen, en dat is ernstig lijkt mij.
Nu ben ik nogal een Azië-ganger, waar Thailand nog op mijn lijstje ontbrak. Aangezien ik in het onderwijs werk, en tegenwoordig voornamelijk alleen de kost moet verdienen omdat de partner zo ongeveer is murw gebeukt door alle vernieuwingen en regeltjes – we gaan net zo lang door zieken tot alle oudjes eruit gewerkt zijn, denkt zo’n omhoog gevallen onderwijsbestuur dan – werd er bij het boeken van de reis op de kleintjes gelet. De keus viel dit keer op Stip Reizen, de organisatie die ons elke dag in de kranten plat bombardeert. Ik heb daar altijd wat twijfels bij gehad, want ik vermoedde massaal en zo, grote groepen, en goedkoop blijkt uiteindelijk vaak duurkoop. Bodemprijzen, die in het hoogseizoen vele malen hoger liggen, en wie laat boekt, zoals mijn dochter die ook besloot mee te gaan, betaalt zó maar €500 meer voor dezelfde reis.
Die angst werd dus bewaarheid, zoals uit het vervolg van dit verhaal zal blijken.
Het begon eigenlijk al enkele weken eerder, toen we een mailtje ontvingen waarin ons gemeld werd dat alle data één dag opschoven door ‘een technische fout’, wat ik me daar dan ook bij voor moet stellen. We mochten kosteloos annuleren en kregen in eerste instantie een tegoedbon van €50 euro voor een volgende Stip-reis, die na wat mopperen via de mail en Twitter werd omgezet in het terugstorten van dat bedrag. Annuleren was eigenlijk geen optie, want waar vind je op korte termijn nog wat anders?
We vlogen met Etihad, zo werd ons juichend in de reisadvertentie meegedeeld. Een nachtvlucht naar Abu Dhabi, en daarna een aansluitende vlucht naar Bangkok in de vroege ochtend. In het vliegtuig bleken de meeste stoelen niet achteruit te verstellen, zodat uw Wauwel gedwongen was als een soort slangenmens in diverse hoogst ongelukkige houdingen de ene na de andere speelfilm te bekijken, want slapen lukt niet als de stoelen ongeveer in een sta-op-stoel-positie gefixeerd zijn.
In Abu Dhabi, waar vanuit de lucht nog niets veranderd leek sinds een eerdere stop aldaar – nog steeds een verzameling vaak gebouwloze straten in een grijsbruine enorme bak zand, wachtte ons een volgende onaangename verrassing. De aansluitende vlucht naar Bangkok die om 10:10 uuimager zou vertrekken was vertraagd tot 15:15 uur. Er werd wel een hotel geregeld door Etihad, maar die paar uurtjes slaap waren onvoldoende om je weer een beetje normaal mens te voelen, waarbij je ook nog eens voortdurend bang was om je aansluitende vlucht te missen. Buiten was het 41 graden, of er een verfafbrander over je lijf werd gestuurd. Ik heb groot medelijden met al die vrouwen daar die geheel in het zwart de dag in een verschroeiende hitte moeten doorbrengen, waar de heren aanmerkelijker luchtiger gekleed en in wit gehuld hun ding kunnen doen.
De vlucht werd verder vertraagd tot uiteindelijk om 19:30 uur het luchtruim gekozen werd. Bijna 10 uur vertraging dus, en opnieuw een slapeloze nacht in het vooruitzicht, een nacht die we eerst ontspannen in een hotel in Bangkok hoopten door te brengen. De reactie van Stip Reizen was: “Regel het maar met Etihad”.
Uiteindelijk, volkomen geradbraakt, kwamen wij tegen zeven uur ’s ochtends in Bangkok aan, na een slapeloze reis van bijna 30 klokuren. De aldaar aanwezige gids was de avond daarvoor al rond 20:00 uur aanwezig om ons op te pikken, en had niets van Stip doorgekregen. We kregen 2 uurtjes slaap want om 10:00 uur lokale tijd begon het geheel in de war gestuurde en uitgeklede dagprogramma, dat wij als een soort zombies beleefden.

Nu moet je als verwende westerling eigenlijk helemaal niet klagen, en eigenlijk zou ons kabinet elke Nederlander een keertje op kosten van de staat een paar weken naar een land moeten sturen waar de gemiddelde inwoner een jaarsalaris heeft dat wij in een week of een maand bij elkaar grabbelen onder aanzienlijk minder zware omstandigheden. Je gaat dan toch weer heel anders tegen dingen aankijken, ook al leert de ervaring dat je na een aantal weken weer op Nederlandse bodem heel snel in het oude patroon van luxe en comfortabel consumeren terugvalt.
Wordt vervolgd

Hypochonder

Mr.-Bean-at-the-hospitalOnderuitgezakt op de bank kijk ik op zondag, na een lange hete dag in de zon, naar de televisie. Bak chips, afstandsbediening, meer stereotype kan niet. Dat schijnt het typerende beeld van de man van de 21e eeuw te zijn, dus wie ben ik om mij daarin anders te gedragen? Dan flikkert even het beeld, en verdwijnt de bovenste helft van het scherm achter grote slordige vegen lichtgrijze muurverf. Een ramp, de tv kapot. Een mannenleven stort dan ineen, waar een vrouw opgewekt denkt van ha, nu kan ik eindelijk iets leuks of gezelligs gaan doen. Maar als ik opzij kijk, is de muurverf er nog steeds, en alleen bij mijn rechteroog.
“Zien jullie dat ook?” vraag ik nog aan de andere aanwezigen in de kamer, en dan wordt duidelijk dat ik ineens in één oog half blind ben geworden. Ik zit recht overeind nu en lichte paniek maakt zich van mij meester. Ik heb al baggerogen; op foto’s van mij ben ik altijd te zien met een mobieltje ongeveer in één oog gedrukt, en daar drijft het gezin dan altijd de spot mee. Een groot verschil tussen links en rechts, dus het ene oog gebruik ik om te lezen en het andere om ver weg te kijken, daar komt het ongeveer op neer. Stel je voor dat daar nu ook nog blindheid bij komt, ook mijn hond is daar niet op voorbereid en ik ben enorm visueel ingesteld. Doofheid lijkt me te verdragen, maar blindheid, nee, hoewel je wel hoort dat doven liever blind zouden zijn dan doof.

Dan vallen gaten in het grijze vlak, de tv komt weer tot leven – o heerlijkheid – en na een minuut of vijf  is alles weer normaal. De chips, de afstandsbediening, mijn in mijn hand verkleefde mobieltje. Meer kan een man niet wensen.  Toch knaagt er wat twijfel; op dinsdagmiddag toch maar even de huisarts gebeld, en die wil mij toch wel even zien. Dan wordt het eng. Waarom wil zij mij zien, het is toch over.

Ik ben de laatste patiënt. In de wachtkamer vertelt Nico de Haan – ja die met die sik – over vogels in het waddengebied. Dat doet hij daar al jaren. Naar lucht happend, lijkt het, want er klinkt andere muziek uit de luidsprekers. Rustgevende space-muziek, waardoor je als patiënt mijns inziens nóg meer in de stress schiet. Daar is juffrouw de dokter. Een jong meisje nog. Vertelt u maar eens, wat is er gebeurd. Ze komt er niet uit. Ze belt de oogarts en die zegt dat dit meer iets voor een neuroloog is. Dan valt het woord ‘tia’, en zakt de stoel ongeveer onder mij weg. Dát had ik niet verwacht. Dus tóch de langverwachte straf voor mijn zondig leven. Een tia, een licht herseninfarct, voorbode van een beroerte die mij met 60% kans in het eerste jaar in een rolstoel gaat doen belanden, vegeterend als een plant. Ineens voel ik mij honderd, en alle horror die ik vervolgens thuis op internet lees doet daar nog wat flinke scheppen bovenop. Het is iets voor oude mannetjes, lijkt mij.
Oxazepam leidt mij rimpelloos door de nacht. Als ik lijd, moet dat ook gelijk goed gebeuren. De volgende ochtend al hangt het ziekenhuis aan de lijn, om de ernst van de situatie nog eens even te onderstrepen. Of ik morgenochtend om 8 uur mij wil melden bij de tia-poli, voor een serie onderzoeken, en vooral nuchter zijn. Ik en nuchter. Mijn werk gaat niet. Ik staar naar het beeldscherm, wachtend op de volgende aanval, ik zit zelfs niet op twitter, en meld mij halverwege de dag geheel ontredderd af. De ochtend van het onderzoek wandel ik, hypochonder als ik ben, nog één keer met de hond over een grijze sombere akker, het miezert, alles zit mee in mijn zwartgallige stemming. De laatste onbezorgde ochtend, wat rest is een angstig leven met een naderende beroerte, hangend als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Hoe snel kunnen alle zekerheden waar je je aan vastklampt onder je weg getrokken worden.

In het ziekenhuis krijg ik een grote map mee met het dagprogramma, waarbij ik langs diverse afdelingen moet. Ik mag eerst bloed prikken, dan CT-scan, echo’s, verdere onderzoeken; tot 12 uur ben ik zoet, waarna de specialist met het vonnis zal komen. Met het bloed prikken heb ik traumatische herinneringen aan de locatie in Barneveld, waar ik dat ooit een aantal jaren heb moeten ondergaan. Een kamer waarvan de deur altijd open staat, en waar buiten een hele verzameling kromme oude boeren en krakkemikkige bejaarden zit of hangt, die elkaar allemaal al jaren lijken te kennen en die allemaal aandachtig naar binnen kijken wie er nu weer een naald in de arm gestoken krijgt. Alle kwalen worden besproken, van loopoor tot anale ongemakken. Ik zat daar altijd tussen waarbij ik mijn uiterste best deed om zoveel mogelijk op een buitenaards wezen te lijken om elk contact te vermijden. Ik deed ook altijd de deur dicht als ik naar binnen ging, en die moest van de zuster – o, heks!  – dan altijd weer open. Mijn onvermijdelijk voorland weer, vrees ik.

Gelukkig mag ik na het bloedprikken eten. Een kleffe witte bol met veel boter en een droge plak koek. Je zou van een ziekenhuis, waar men je gezond wil houden, toch anders verwachten. De ene na de andere oorzaak wordt uitgesloten. Ik schuif in een scanner van een miljoen, voel me de astronaut uit Space Odyssey, en aanschouw later bij de specialist mijn hersenen in plakjes. Er is niets aan de hand, geen tia, hooguit een klein voorbijgaand gesprongen adertje in het oog, ik schijn een lichaam en een gezondheid als een jonge god te hebben. Nou ja, die gezondheid dan, dat lichaam is uiterlijk aan het nodige verval onderhevig.
Ik sta weer buiten. Het is koud en grauw, er vallen spatjes, maar de zon schijnt in mijn hoofd. Hoe kwetsbaar ben je eigenlijk, dat dingen zómaar, plóp, het kunnen begeven. En ik heb geluk gehad; anderen, die ik vandaag in het ziekenhuis  zag, niet. Een jongetje van een jaar of 8 in een rolstoel, dat er uitzag als een geest. Een baby van 3 maanden voor een echo. Een meisje van een jaar of 20, broodmager, grijs gelaat, voorbij wankelend als een skelet.

Leven is een kostbaar bezit, en ook heel breekbaar. Door zo’n week sta je daar weer eens bij stil. En dat is goed. Stilstaan ook bij al die anderen, die dat niet hebben, die in al hun narigheid nóg verder worden uitgekleed door een harteloze overheid. Die veel meer recht hebben zich hypochonder te voelen dan ik. Ik volg velen van hen op Twitter. Die hebben heel veel reden tot klagen. Vaak gekluisterd aan een bed, of met een hulphond, lees je dan in hun bio, en dan toch altijd – ogenschijnlijk misschien – opgewekt, genietend van de dag. Ik bof, zij niet. En dat is soms redelijk onverdraaglijk. Ik kan van hen nog heel veel leren.

 

Verloren dromen

hairPubers hebben een enorm grote mond en dito stoerdoenerig gedrag, maar vaak zijn het heel kwetsbare wezens met een klein hartje. Er lopen er 1700 rond op de school waar ik werk. En er willen er ook nog velen bij, want in tegenstelling tot veel andere scholen doen wij het heel aardig. Ze moeten er wel wat voor doen, er moeten hindernissen overwonnen worden. Eén van die hindernissen ben ik soms. De luxe – of de last – van een school in de groei is dat je streng kunt zijn bij wie je toe laat. De luxe is dan dat je alleen de besten inschrijft. Geheel naar de wens van onze geachte onderwijsminister.  De last is dat je anderen soms moet weigeren. En die anderen, die vormen een heel gevarieerd gezelschap. Van leerling tot ouders en zorgbegeleiders. Van jong tot oud.

Een  telefoontje van een vrouw van mijn leeftijd, ruim boven de vijftig, met een mooie baan. Of wij een plekje hebben voor haar, als leerling. ‘Ik wil een andere invulling aan mijn leven geven’. Eigenlijk vind ik dat heel treurig; niet dat zij dat wil, maar dat ik haar dan teleur moet stellen, wat ik dan ook direct doe, want je moet mensen geen mooie verhalen die je niet waar kunt maken, voorschotelen. “Mevrouw, u bent te oud. U komt nergens meer aan een baan.” En dan zegt zij dat zij dat eigenlijk ook wel weet, maar dan weet ik weer dat daar vermoedelijk een heel verhaal achter schuil gaat, van verloren dromen , gemiste laatste kansen en schaamte dat je om een gunst moet bedelen. En dan praten we door, en we tutoyeren elkaar, en dan blijkt dat het allemaal klopt. Dan kun je zo’n gesprek toch nog een beetje met een goed gevoel voor beide partijen afsluiten, maar toch knaagt het. Waarom kun je zo iemand niet helpen.

Een meisje aan mijn tafel, haar begeleidster komt mee. Deze geeft haar pupil de ruimte, en dat is een verademing. Vaak zit de leerling er maar een beetje verloren bij, en voeren de ouders of begeleiders het hoogste woord. Het meisje heeft een verleden van mislukte opleidingen en verkeerde beslissingen, haar uiterlijk is ook niet dat van de doorsnee pubermeid. Uiterlijk speelt – helaas – een grote rol bij de kansen van leerlingen straks. Ik had eens een gesprek met een andere leerling, die voortdurend haar gezicht wat weggedraaid hield. Een schoonheid om te zien, maar draaide zij haar hele gezicht naar je toe, dan zag je dat de andere kant misvormd was: een wat verwrongen zijkant van haar mond, er zaten dingen scheef. Eén oog blind. En toch, op haar manier uniek en juist die combinatie maakte haar toch mooi om te zien: schoonheid en het onvolmaakte, zoiets intrigeert. “Schaam je je daarvoor?” vroeg ik. En, zo triest, dat deed zij. Zij had geleerd voortdurend haar gezicht te verbergen, lopend dicht langs de muur, slierten haar erover heen.  Ga er maar eens aan staan. “Dat moet je niet doen, want dát maakt jou juist apart. En dat kan ook in positieve zin”. Ik denk niet dat zij er wat aan had, maar ik zeg zoiets toch. En het was een fijn gesprek, en ze had zakdoekjes nodig. Maar ze ging blij weg. En misschien herinnert ze het zich later nog eens.
Terug naar het eerste meisje en haar begeleidster. Een volkomen verkeerd beeld van onze school, honderduit praten van de zenuwen, en daardoor fout op fout stapelen. Ik wissel een blik met de begeleidster, en ook zij weet: dit gaat het niet worden. Maar ik wil niet opgeven: “Weet je wat, je geeft je eerst eens op voor een meeloopdag, dan kijken we hoe het bevalt en dan praten we daarna nog even na”. Inmiddels is dat gebeurd, en we gaan het tóch proberen, op een wat lager niveau, want niveau’s zijn niét zaligmakend, en je veilig en prettig voelen is dat wél.

Straks een nieuw gesprek. Een hoogbegaafd meisje met vwo-diploma, wil terug naar één van de lagere niveau’s bij ons op het mbo, want is niet gelukkig met haar mogelijkheden straks. Ik leg de zakdoekjes klaar. Ik heb een fijne baan, en dat meen ik. Maar de maatschappij zit wreed in elkaar.

Goede vaart


nacht
Ik was op een begrafenis. De derde alweer in een half jaar tijd. Dat krijg je als je wat ouder wordt. Nu zijn begrafenissen nooit prettig, zelfs niet als je niet direct betrokken bent bij degene die daar op zijn of haar laatste reis wordt begeleid. Het zijn vaak de emoties van de mensen er om heen, die een gevoelige snaar kunnen raken. Een jankfilm op tv kan ik meestal nog wel hebben. Zien lachen doet lachen, zien huilen doet meestal ook huilen, hoewel mannen altijd geacht worden daar niet aan toe te geven. Lachen mag wel, huilen niet, want niet mannelijk en zo. Dat is eigenlijk wel vreemd. Waarom mogen vrouwen wel in hevig snikken uitbarsten en mannen niet. Misschien zijn mannen wel een stuk ongevoeliger. In dat geval komt het met ons niet goed, vrees ik.

Een begrafenis kan ik meestal ook met redelijk droge ogen bijwonen. Gisteren was dat lastig. Een neef van mij, een favoriete neef. Waarom favoriet? Omdat hij zich vanuit een underdog-positie omhoog had geknokt; geboren met een lage levensverwachting, gediagnosticeerd met epilepsie, dat allemaal glansrijk overwonnen en het nu zelfs geschopt tot stuurman op de grote vaart, een baan die niet aan teerhartigen is besteed. Een baan  waar ik altijd een beetje jaloers op ben geweest, rusteloos als ik ben: wegvaren naar het andere einde van de wereld, vanaf de stille, schemerige brug verre sterrenstelsels aanschouwen, weg van alles, zwervend over de altijd veranderende zee, starend en denkend in de nacht.

Maar, er was toch iets blijven hangen, van die geboorte die niet liep zoals gewenst, en ergens was er kans op kortsluiting. Op zeldzame momenten ging het mis, in kleine kring, en sloeg de stop soms door; nooit gevaarlijk voor anderen, maar op zulke momenten niet te remmen, een stuurloos schip in een kolkende tyfoon. Was dat voorbij, dan stuurde hij het schip weer verder, over kalme zee, de zwarte wolken in de verte achterlatend. De vriendelijkheid zelve, correct, altijd klaar om te helpen, maar toch: een eenzame stuurman op de brug.

En afgelopen week dan stak de storm in zijn hoofd weer op. Plotseling, hard en vernietigend. Zonder waarschuwing was hij daar, en overweldigd door gevoelens die hij niet meer kon controleren gooide hij voor de laatste maal zijn roer om, volle kracht vooruit, recht op een fatale klif in de vorm van een onwrikbare boom op een kaarsrechte autoweg..

Begrafenissen van kinderen en jongeren, 30 jaar in dit geval, zijn hard en wreed, want onnatuurlijk. Een moeder, die gebroken tegen de muur zakt wanneer zij de grijze wagen die zijn lichaam op de laatste reis zal gaan vervoeren, de straat in ziet draaien. Dat hakt er in. Het blijft altijd je kind, hoe oud ook. De laatste plek waar volwassenen nog echt kind zijn. En troosten kun je niet. Op sommige momenten bestaat troost voor een mens alleen nog uit een muur om even kort tegen te leunen.

Het graf. De zon schijnt, merels zingen. Een prachtige dag. Ruisende bomen, in frisgroen blad, in een kleur die je elke lente weer raakt in je ziel, tenminste, als je daar voor open staat. Ik hou mijzelf groot, want ik heb vier snikkende vrouwen aan mijn zijde. Daar zakt de kist. De reis begint.

Het geluid van de eerste schep zand op de kist, dat geluid dat ieder die dit heeft meegemaakt herkent. Vele mokerslagen kan een mens hebben, we leren klappen incasseren. Maar die klap, dát geluid dat ons leert dat dit afscheid definitief is, breekt het verzet, en daar zijn dan toch die tranen, niet veel, maar zilt als de zee, die nu een stuurman mist.

Goede vaart neef, over woelige baren, je hoeft niet meer te sturen. Ik wens je mooie kalme nachten met schitterende sterren boven een lichtende zee, vaar naar verre, voor ons onbereikbare en mysterieuze havens. Vaar wél.