Wauwel in Thailand, deel 1

Trouwe lezertjes zullen inmiddels wel weten dat uw Wauwel een reislustig typje is. Nooit rust, altijd weg willen, elders willen vertoeven, het liefst zo ver mogelijk. U kent dat wel. Of niet natuurlijk, maar dan bent u óf een saai persoon óf u kunt het eenvoudig niet om financiële redenen, en dat is ernstig lijkt mij.
Nu ben ik nogal een Azië-ganger, waar Thailand nog op mijn lijstje ontbrak. Aangezien ik in het onderwijs werk, en tegenwoordig voornamelijk alleen de kost moet verdienen omdat de partner zo ongeveer is murw gebeukt door alle vernieuwingen en regeltjes – we gaan net zo lang door zieken tot alle oudjes eruit gewerkt zijn, denkt zo’n omhoog gevallen onderwijsbestuur dan – werd er bij het boeken van de reis op de kleintjes gelet. De keus viel dit keer op Stip Reizen, de organisatie die ons elke dag in de kranten plat bombardeert. Ik heb daar altijd wat twijfels bij gehad, want ik vermoedde massaal en zo, grote groepen, en goedkoop blijkt uiteindelijk vaak duurkoop. Bodemprijzen, die in het hoogseizoen vele malen hoger liggen, en wie laat boekt, zoals mijn dochter die ook besloot mee te gaan, betaalt zó maar €500 meer voor dezelfde reis.
Die angst werd dus bewaarheid, zoals uit het vervolg van dit verhaal zal blijken.
Het begon eigenlijk al enkele weken eerder, toen we een mailtje ontvingen waarin ons gemeld werd dat alle data één dag opschoven door ‘een technische fout’, wat ik me daar dan ook bij voor moet stellen. We mochten kosteloos annuleren en kregen in eerste instantie een tegoedbon van €50 euro voor een volgende Stip-reis, die na wat mopperen via de mail en Twitter werd omgezet in het terugstorten van dat bedrag. Annuleren was eigenlijk geen optie, want waar vind je op korte termijn nog wat anders?
We vlogen met Etihad, zo werd ons juichend in de reisadvertentie meegedeeld. Een nachtvlucht naar Abu Dhabi, en daarna een aansluitende vlucht naar Bangkok in de vroege ochtend. In het vliegtuig bleken de meeste stoelen niet achteruit te verstellen, zodat uw Wauwel gedwongen was als een soort slangenmens in diverse hoogst ongelukkige houdingen de ene na de andere speelfilm te bekijken, want slapen lukt niet als de stoelen ongeveer in een sta-op-stoel-positie gefixeerd zijn.
In Abu Dhabi, waar vanuit de lucht nog niets veranderd leek sinds een eerdere stop aldaar – nog steeds een verzameling vaak gebouwloze straten in een grijsbruine enorme bak zand, wachtte ons een volgende onaangename verrassing. De aansluitende vlucht naar Bangkok die om 10:10 uuimager zou vertrekken was vertraagd tot 15:15 uur. Er werd wel een hotel geregeld door Etihad, maar die paar uurtjes slaap waren onvoldoende om je weer een beetje normaal mens te voelen, waarbij je ook nog eens voortdurend bang was om je aansluitende vlucht te missen. Buiten was het 41 graden, of er een verfafbrander over je lijf werd gestuurd. Ik heb groot medelijden met al die vrouwen daar die geheel in het zwart de dag in een verschroeiende hitte moeten doorbrengen, waar de heren aanmerkelijker luchtiger gekleed en in wit gehuld hun ding kunnen doen.
De vlucht werd verder vertraagd tot uiteindelijk om 19:30 uur het luchtruim gekozen werd. Bijna 10 uur vertraging dus, en opnieuw een slapeloze nacht in het vooruitzicht, een nacht die we eerst ontspannen in een hotel in Bangkok hoopten door te brengen. De reactie van Stip Reizen was: “Regel het maar met Etihad”.
Uiteindelijk, volkomen geradbraakt, kwamen wij tegen zeven uur ’s ochtends in Bangkok aan, na een slapeloze reis van bijna 30 klokuren. De aldaar aanwezige gids was de avond daarvoor al rond 20:00 uur aanwezig om ons op te pikken, en had niets van Stip doorgekregen. We kregen 2 uurtjes slaap want om 10:00 uur lokale tijd begon het geheel in de war gestuurde en uitgeklede dagprogramma, dat wij als een soort zombies beleefden.

Nu moet je als verwende westerling eigenlijk helemaal niet klagen, en eigenlijk zou ons kabinet elke Nederlander een keertje op kosten van de staat een paar weken naar een land moeten sturen waar de gemiddelde inwoner een jaarsalaris heeft dat wij in een week of een maand bij elkaar grabbelen onder aanzienlijk minder zware omstandigheden. Je gaat dan toch weer heel anders tegen dingen aankijken, ook al leert de ervaring dat je na een aantal weken weer op Nederlandse bodem heel snel in het oude patroon van luxe en comfortabel consumeren terugvalt.
Wordt vervolgd

Hypochonder

Mr.-Bean-at-the-hospitalOnderuitgezakt op de bank kijk ik op zondag, na een lange hete dag in de zon, naar de televisie. Bak chips, afstandsbediening, meer stereotype kan niet. Dat schijnt het typerende beeld van de man van de 21e eeuw te zijn, dus wie ben ik om mij daarin anders te gedragen? Dan flikkert even het beeld, en verdwijnt de bovenste helft van het scherm achter grote slordige vegen lichtgrijze muurverf. Een ramp, de tv kapot. Een mannenleven stort dan ineen, waar een vrouw opgewekt denkt van ha, nu kan ik eindelijk iets leuks of gezelligs gaan doen. Maar als ik opzij kijk, is de muurverf er nog steeds, en alleen bij mijn rechteroog.
“Zien jullie dat ook?” vraag ik nog aan de andere aanwezigen in de kamer, en dan wordt duidelijk dat ik ineens in één oog half blind ben geworden. Ik zit recht overeind nu en lichte paniek maakt zich van mij meester. Ik heb al baggerogen; op foto’s van mij ben ik altijd te zien met een mobieltje ongeveer in één oog gedrukt, en daar drijft het gezin dan altijd de spot mee. Een groot verschil tussen links en rechts, dus het ene oog gebruik ik om te lezen en het andere om ver weg te kijken, daar komt het ongeveer op neer. Stel je voor dat daar nu ook nog blindheid bij komt, ook mijn hond is daar niet op voorbereid en ik ben enorm visueel ingesteld. Doofheid lijkt me te verdragen, maar blindheid, nee, hoewel je wel hoort dat doven liever blind zouden zijn dan doof.

Dan vallen gaten in het grijze vlak, de tv komt weer tot leven – o heerlijkheid – en na een minuut of vijf  is alles weer normaal. De chips, de afstandsbediening, mijn in mijn hand verkleefde mobieltje. Meer kan een man niet wensen.  Toch knaagt er wat twijfel; op dinsdagmiddag toch maar even de huisarts gebeld, en die wil mij toch wel even zien. Dan wordt het eng. Waarom wil zij mij zien, het is toch over.

Ik ben de laatste patiënt. In de wachtkamer vertelt Nico de Haan – ja die met die sik – over vogels in het waddengebied. Dat doet hij daar al jaren. Naar lucht happend, lijkt het, want er klinkt andere muziek uit de luidsprekers. Rustgevende space-muziek, waardoor je als patiënt mijns inziens nóg meer in de stress schiet. Daar is juffrouw de dokter. Een jong meisje nog. Vertelt u maar eens, wat is er gebeurd. Ze komt er niet uit. Ze belt de oogarts en die zegt dat dit meer iets voor een neuroloog is. Dan valt het woord ‘tia’, en zakt de stoel ongeveer onder mij weg. Dát had ik niet verwacht. Dus tóch de langverwachte straf voor mijn zondig leven. Een tia, een licht herseninfarct, voorbode van een beroerte die mij met 60% kans in het eerste jaar in een rolstoel gaat doen belanden, vegeterend als een plant. Ineens voel ik mij honderd, en alle horror die ik vervolgens thuis op internet lees doet daar nog wat flinke scheppen bovenop. Het is iets voor oude mannetjes, lijkt mij.
Oxazepam leidt mij rimpelloos door de nacht. Als ik lijd, moet dat ook gelijk goed gebeuren. De volgende ochtend al hangt het ziekenhuis aan de lijn, om de ernst van de situatie nog eens even te onderstrepen. Of ik morgenochtend om 8 uur mij wil melden bij de tia-poli, voor een serie onderzoeken, en vooral nuchter zijn. Ik en nuchter. Mijn werk gaat niet. Ik staar naar het beeldscherm, wachtend op de volgende aanval, ik zit zelfs niet op twitter, en meld mij halverwege de dag geheel ontredderd af. De ochtend van het onderzoek wandel ik, hypochonder als ik ben, nog één keer met de hond over een grijze sombere akker, het miezert, alles zit mee in mijn zwartgallige stemming. De laatste onbezorgde ochtend, wat rest is een angstig leven met een naderende beroerte, hangend als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Hoe snel kunnen alle zekerheden waar je je aan vastklampt onder je weg getrokken worden.

In het ziekenhuis krijg ik een grote map mee met het dagprogramma, waarbij ik langs diverse afdelingen moet. Ik mag eerst bloed prikken, dan CT-scan, echo’s, verdere onderzoeken; tot 12 uur ben ik zoet, waarna de specialist met het vonnis zal komen. Met het bloed prikken heb ik traumatische herinneringen aan de locatie in Barneveld, waar ik dat ooit een aantal jaren heb moeten ondergaan. Een kamer waarvan de deur altijd open staat, en waar buiten een hele verzameling kromme oude boeren en krakkemikkige bejaarden zit of hangt, die elkaar allemaal al jaren lijken te kennen en die allemaal aandachtig naar binnen kijken wie er nu weer een naald in de arm gestoken krijgt. Alle kwalen worden besproken, van loopoor tot anale ongemakken. Ik zat daar altijd tussen waarbij ik mijn uiterste best deed om zoveel mogelijk op een buitenaards wezen te lijken om elk contact te vermijden. Ik deed ook altijd de deur dicht als ik naar binnen ging, en die moest van de zuster – o, heks!  – dan altijd weer open. Mijn onvermijdelijk voorland weer, vrees ik.

Gelukkig mag ik na het bloedprikken eten. Een kleffe witte bol met veel boter en een droge plak koek. Je zou van een ziekenhuis, waar men je gezond wil houden, toch anders verwachten. De ene na de andere oorzaak wordt uitgesloten. Ik schuif in een scanner van een miljoen, voel me de astronaut uit Space Odyssey, en aanschouw later bij de specialist mijn hersenen in plakjes. Er is niets aan de hand, geen tia, hooguit een klein voorbijgaand gesprongen adertje in het oog, ik schijn een lichaam en een gezondheid als een jonge god te hebben. Nou ja, die gezondheid dan, dat lichaam is uiterlijk aan het nodige verval onderhevig.
Ik sta weer buiten. Het is koud en grauw, er vallen spatjes, maar de zon schijnt in mijn hoofd. Hoe kwetsbaar ben je eigenlijk, dat dingen zómaar, plóp, het kunnen begeven. En ik heb geluk gehad; anderen, die ik vandaag in het ziekenhuis  zag, niet. Een jongetje van een jaar of 8 in een rolstoel, dat er uitzag als een geest. Een baby van 3 maanden voor een echo. Een meisje van een jaar of 20, broodmager, grijs gelaat, voorbij wankelend als een skelet.

Leven is een kostbaar bezit, en ook heel breekbaar. Door zo’n week sta je daar weer eens bij stil. En dat is goed. Stilstaan ook bij al die anderen, die dat niet hebben, die in al hun narigheid nóg verder worden uitgekleed door een harteloze overheid. Die veel meer recht hebben zich hypochonder te voelen dan ik. Ik volg velen van hen op Twitter. Die hebben heel veel reden tot klagen. Vaak gekluisterd aan een bed, of met een hulphond, lees je dan in hun bio, en dan toch altijd – ogenschijnlijk misschien – opgewekt, genietend van de dag. Ik bof, zij niet. En dat is soms redelijk onverdraaglijk. Ik kan van hen nog heel veel leren.

 

Verloren dromen

hairPubers hebben een enorm grote mond en dito stoerdoenerig gedrag, maar vaak zijn het heel kwetsbare wezens met een klein hartje. Er lopen er 1700 rond op de school waar ik werk. En er willen er ook nog velen bij, want in tegenstelling tot veel andere scholen doen wij het heel aardig. Ze moeten er wel wat voor doen, er moeten hindernissen overwonnen worden. Eén van die hindernissen ben ik soms. De luxe – of de last – van een school in de groei is dat je streng kunt zijn bij wie je toe laat. De luxe is dan dat je alleen de besten inschrijft. Geheel naar de wens van onze geachte onderwijsminister.  De last is dat je anderen soms moet weigeren. En die anderen, die vormen een heel gevarieerd gezelschap. Van leerling tot ouders en zorgbegeleiders. Van jong tot oud.

Een  telefoontje van een vrouw van mijn leeftijd, ruim boven de vijftig, met een mooie baan. Of wij een plekje hebben voor haar, als leerling. ‘Ik wil een andere invulling aan mijn leven geven’. Eigenlijk vind ik dat heel treurig; niet dat zij dat wil, maar dat ik haar dan teleur moet stellen, wat ik dan ook direct doe, want je moet mensen geen mooie verhalen die je niet waar kunt maken, voorschotelen. “Mevrouw, u bent te oud. U komt nergens meer aan een baan.” En dan zegt zij dat zij dat eigenlijk ook wel weet, maar dan weet ik weer dat daar vermoedelijk een heel verhaal achter schuil gaat, van verloren dromen , gemiste laatste kansen en schaamte dat je om een gunst moet bedelen. En dan praten we door, en we tutoyeren elkaar, en dan blijkt dat het allemaal klopt. Dan kun je zo’n gesprek toch nog een beetje met een goed gevoel voor beide partijen afsluiten, maar toch knaagt het. Waarom kun je zo iemand niet helpen.

Een meisje aan mijn tafel, haar begeleidster komt mee. Deze geeft haar pupil de ruimte, en dat is een verademing. Vaak zit de leerling er maar een beetje verloren bij, en voeren de ouders of begeleiders het hoogste woord. Het meisje heeft een verleden van mislukte opleidingen en verkeerde beslissingen, haar uiterlijk is ook niet dat van de doorsnee pubermeid. Uiterlijk speelt – helaas – een grote rol bij de kansen van leerlingen straks. Ik had eens een gesprek met een andere leerling, die voortdurend haar gezicht wat weggedraaid hield. Een schoonheid om te zien, maar draaide zij haar hele gezicht naar je toe, dan zag je dat de andere kant misvormd was: een wat verwrongen zijkant van haar mond, er zaten dingen scheef. Eén oog blind. En toch, op haar manier uniek en juist die combinatie maakte haar toch mooi om te zien: schoonheid en het onvolmaakte, zoiets intrigeert. “Schaam je je daarvoor?” vroeg ik. En, zo triest, dat deed zij. Zij had geleerd voortdurend haar gezicht te verbergen, lopend dicht langs de muur, slierten haar erover heen.  Ga er maar eens aan staan. “Dat moet je niet doen, want dát maakt jou juist apart. En dat kan ook in positieve zin”. Ik denk niet dat zij er wat aan had, maar ik zeg zoiets toch. En het was een fijn gesprek, en ze had zakdoekjes nodig. Maar ze ging blij weg. En misschien herinnert ze het zich later nog eens.
Terug naar het eerste meisje en haar begeleidster. Een volkomen verkeerd beeld van onze school, honderduit praten van de zenuwen, en daardoor fout op fout stapelen. Ik wissel een blik met de begeleidster, en ook zij weet: dit gaat het niet worden. Maar ik wil niet opgeven: “Weet je wat, je geeft je eerst eens op voor een meeloopdag, dan kijken we hoe het bevalt en dan praten we daarna nog even na”. Inmiddels is dat gebeurd, en we gaan het tóch proberen, op een wat lager niveau, want niveau’s zijn niét zaligmakend, en je veilig en prettig voelen is dat wél.

Straks een nieuw gesprek. Een hoogbegaafd meisje met vwo-diploma, wil terug naar één van de lagere niveau’s bij ons op het mbo, want is niet gelukkig met haar mogelijkheden straks. Ik leg de zakdoekjes klaar. Ik heb een fijne baan, en dat meen ik. Maar de maatschappij zit wreed in elkaar.

Goede vaart


nacht
Ik was op een begrafenis. De derde alweer in een half jaar tijd. Dat krijg je als je wat ouder wordt. Nu zijn begrafenissen nooit prettig, zelfs niet als je niet direct betrokken bent bij degene die daar op zijn of haar laatste reis wordt begeleid. Het zijn vaak de emoties van de mensen er om heen, die een gevoelige snaar kunnen raken. Een jankfilm op tv kan ik meestal nog wel hebben. Zien lachen doet lachen, zien huilen doet meestal ook huilen, hoewel mannen altijd geacht worden daar niet aan toe te geven. Lachen mag wel, huilen niet, want niet mannelijk en zo. Dat is eigenlijk wel vreemd. Waarom mogen vrouwen wel in hevig snikken uitbarsten en mannen niet. Misschien zijn mannen wel een stuk ongevoeliger. In dat geval komt het met ons niet goed, vrees ik.

Een begrafenis kan ik meestal ook met redelijk droge ogen bijwonen. Gisteren was dat lastig. Een neef van mij, een favoriete neef. Waarom favoriet? Omdat hij zich vanuit een underdog-positie omhoog had geknokt; geboren met een lage levensverwachting, gediagnosticeerd met epilepsie, dat allemaal glansrijk overwonnen en het nu zelfs geschopt tot stuurman op de grote vaart, een baan die niet aan teerhartigen is besteed. Een baan  waar ik altijd een beetje jaloers op ben geweest, rusteloos als ik ben: wegvaren naar het andere einde van de wereld, vanaf de stille, schemerige brug verre sterrenstelsels aanschouwen, weg van alles, zwervend over de altijd veranderende zee, starend en denkend in de nacht.

Maar, er was toch iets blijven hangen, van die geboorte die niet liep zoals gewenst, en ergens was er kans op kortsluiting. Op zeldzame momenten ging het mis, in kleine kring, en sloeg de stop soms door; nooit gevaarlijk voor anderen, maar op zulke momenten niet te remmen, een stuurloos schip in een kolkende tyfoon. Was dat voorbij, dan stuurde hij het schip weer verder, over kalme zee, de zwarte wolken in de verte achterlatend. De vriendelijkheid zelve, correct, altijd klaar om te helpen, maar toch: een eenzame stuurman op de brug.

En afgelopen week dan stak de storm in zijn hoofd weer op. Plotseling, hard en vernietigend. Zonder waarschuwing was hij daar, en overweldigd door gevoelens die hij niet meer kon controleren gooide hij voor de laatste maal zijn roer om, volle kracht vooruit, recht op een fatale klif in de vorm van een onwrikbare boom op een kaarsrechte autoweg..

Begrafenissen van kinderen en jongeren, 30 jaar in dit geval, zijn hard en wreed, want onnatuurlijk. Een moeder, die gebroken tegen de muur zakt wanneer zij de grijze wagen die zijn lichaam op de laatste reis zal gaan vervoeren, de straat in ziet draaien. Dat hakt er in. Het blijft altijd je kind, hoe oud ook. De laatste plek waar volwassenen nog echt kind zijn. En troosten kun je niet. Op sommige momenten bestaat troost voor een mens alleen nog uit een muur om even kort tegen te leunen.

Het graf. De zon schijnt, merels zingen. Een prachtige dag. Ruisende bomen, in frisgroen blad, in een kleur die je elke lente weer raakt in je ziel, tenminste, als je daar voor open staat. Ik hou mijzelf groot, want ik heb vier snikkende vrouwen aan mijn zijde. Daar zakt de kist. De reis begint.

Het geluid van de eerste schep zand op de kist, dat geluid dat ieder die dit heeft meegemaakt herkent. Vele mokerslagen kan een mens hebben, we leren klappen incasseren. Maar die klap, dát geluid dat ons leert dat dit afscheid definitief is, breekt het verzet, en daar zijn dan toch die tranen, niet veel, maar zilt als de zee, die nu een stuurman mist.

Goede vaart neef, over woelige baren, je hoeft niet meer te sturen. Ik wens je mooie kalme nachten met schitterende sterren boven een lichtende zee, vaar naar verre, voor ons onbereikbare en mysterieuze havens. Vaar wél.

#FuckdeKoning

willemtattooVerstand komt met de jaren, maar bij mij niet altijd. Bepaalde puberale trekjes heb ik altijd meegedragen en zelfs gekoesterd. Een daarvan is mijn moeite met “hen die over mij gesteld zijn”. Besturen, directeuren, “direct leidinggevenden”, kortom, alles wat de baas over mij dreigt te spelen.  Dan gaan de hakken in het zand, heel kinderachtig allemaal, onvolwassen ook. Behept met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, of mogelijk daardoor nog meer voor onrechtvaardigheid en dingen als ‘oneerlijk’ beschouwen.

Dat heeft me geregeld in de problemen gebracht. Nu ben ik nooit door agenten gevankelijk opgebracht wegens insubordinatie, belediging van een ambtenaar in functie of dronken pissen tegen een standbeeld van van een onzer Oranjes, daar ben ik veel te schijterig voor, dus pleeg ik mijn daden van burgerlijke ongehoorzaamheid en heldhaftig verzet met behulp van woorden. Het machtigste wapen dat er bestaat. Mijn strafrechtelijk contact met de politie bestaat uit een enkele (!) bekeuring wegens een paar kilometer snelheidsovertreding of het op de fiets negeren van een éénrichtingsverbod. En één keer, dat was de kiem voor mijn ontzag voor de politie, het als klein kind fikkie stoken tegen de muur van mijn basisschool. Hup, de auto in jij! Kom jij maar eens mee naar het bureau!  Nooit zo in doodsnood gekrijst als toen, en door de wetsdienaren halverwege mijn huis ( want daar reden ze daadwerkelijk naar toe ) uit de auto gezet, hen met een gehoorbeschadiging achterlatend. Broekpoepertje. Elk klein kind zou als peuter één keer  door agenten achterin een politiewagen moeten worden gepropt.Daarna gegarandeerd nooit overlast door loslopende jeugd. De politie is dus mijn beste vriend.

De rest dus niet. Waren er gevangenissen geweest waar directeuren en besturen hun hinderlijk aanwezige werknemers hadden kunnen opsluiten, dan had ik niet ondergedaan voor Willem Holleeder. Een leven in en uit de bak. Wanneer je goed bent met woorden, en dat ben ik denk ik, kun je iemand subtiel met de grond gelijkmaken. In het onderwijs, waar ik werk, is dat een valkuil voor elke (beginnende) docent. De grootste etterbak kun je laten verschrompelen door met zorg gekozen zinnen, gewoon, omdat je nog een voorsprong hebt op hen qua taalontwikkeling en intelligentie. Dat trekt naderhand bij, en op enig moment kom je iemand tegen die je als je meerdere moet erkennen, maar dan zit je op een niveau waarop er geen ordeproblemen meer zijn. Dan wordt het meer een prettig subtiel spel van prikken en ontvangen. Wie is de sterkste.
Het vervelende is nu dat ik niet veel sterke tegenstanders heb gehad. Ik nam voortdurend het management op de hak in woord en geschrift, verpakt in humor, maar daar binnenin zat het venijn.Humor kan snel ontaarden in sarcasme, lachen ten koste van anderen die zich niet kunnen verdedigen. Daarom heb ik bijvoorbeeld een gru-we-lij-ke hekel aan Youp van ’t Hek en aan die andere lange kerel met z’n ongeschoren boevenkop. Met deze vorige zin schop ik al weer een hoop lezers hopeloos tegen de schenen, daar is mijn puberale trekje weer: dwars tegen wat gevestigd, wat als politiek correct ervaren wordt in. Wat iedereen leuk vind, vind ik niet leuk. “De wereld draait door”; vreselijk programma, vreselijke vent, die Matthijs. Eén grote Ster-spot van voortdurend dezelfde zich correct links gedragende lieden die elkaar dikke veren in de kont steken. Terwijl ik zelf ook links ben, correct links zelfs, dus ook een hekel aan Wilders en Rutte is een nare, groteske clown. Contradictio in Terminis dus, puberaal gedrag. Ben jij voor, ben ik tegen.

Twitter is een ideaal middel om opstandig te zijn en om anderen aan de digitale schandpaal te nagelen als je het in het echt niet durft. Ik schreef daar al eens over. Kijk ons eens lachen, je vele volgers lachen met je mee. In die zin ben ik dus toch een soort Youp van ’t Hek, maar dan in een voorstelling van 140 tekentjes. Gisteren ontstond dus ophef over de vervolging die het OM wil instellen tegen een opstandig persoon wegens het roepen van “Fuck de Koning”. Ha! Wanneer het koningshuis doelwit van spot is, sta ik natuurlijk direct vooraan. Driftig mee getwitterd dus, en bijgedragen aan het trending topic maken van #FuckdeKoning.  En dat is makkelijk, want de koning fuckt niet terug. Het land zou te klein zijn wanneer Willem eens even zijn koninklijke zelfbeheersing zou verliezen en mij en al die anderen ineens met “Fuck je zelf, domme lul! #fuckjullietwitteraars” van repliek gaf. Hij is de leerling in je klas die uiteindelijk op hetzelfde geestelijk niveau zit als jij, met dezelfde taalvaardigheid en dus dezelfde verdedigingswapens in de hand. Alleen: hij mág niks terugzeggen, want hij is koning. En dan is, inderdaad, voor mij de lol er wel weer een beetje af, besefte ik. En daarom is #fuckdekoning ook strafbaar, heb ik uit een tweet van een advocaat die mij volgt begrepen. Een klein kind kan zich tegen woorden niet verdedigen. De koning echter ook niet. Of je hem nou aardig vindt of niet, hij kan niks terug doen. Dus hou ik mij maar in, voortaan.

Een machteloze koning dus, dat stelt dan weer tevreden. Nou ja, hij kan toch wel macht tonen. Door de man die #FuckdeKoning roept, bijvoorbeeld koninklijk gratie te verlenen. Willem, die op twitter reageert: “Jongen, ik snap je frustratie, maar  doe even dimmen. Ik zal kijken wat ik voor je kan doen”.  Dan heeft -ie het geheid gemaakt. Zelfs bij mij.

fuckdekoning2a

Tijd

klokIk heb vakantie. Nu zit ik in het onderwijs, dan heb je dat wel vaker. Vakantie is om uit te rusten, al is het maar een week in dit geval, maar ook op zo’n week zouden sommige mensen al jaloers zijn. Door de jaren heen ben ik echter niet bepaald gezegend met een optimistische inslag, en dan druk ik mij nog zwak uit. Zo kan het voorkomen dat op de eerste dag, in de eerste uren van dat goddelijk gevoel van vrijheid, aan mij al de volgende enthousiaste woorden ontlokt kunnen worden: “Volgende week om deze tijd is het al weer voorbij!”. Dit tot wanhoop van sommige van mijn volgers. Tijd vliegt.

Ik las vandaag een aardig blog op MericulusDat eindigde met de woorden: “Tijd is een paradox. Door minder te doen doe je juist meer en met meer plezier.” Dat is voor mij best wel een opgave, zeker als je vakanties, weekenden en vrije uren eigenlijk als te kort ervaart, en wanneer je het slapen een hinderlijke onderbreking van je dagelijkse bezigheden en gedachtespinsels vindt. Ik wil altijd maar door. Een trein van over elkaar heen buitelende gedachten. Altijd plannen, altijd dingen willen, en daardoor vaak dus hele periodes niets doen. In dromen: altijd op reis, altijd in hotels, bijna altijd alleen, altijd in vliegtuigen en op verre luchthavens in de nacht. Nooit eens thuis, met de benen op de bank, nooit eens helemaal niets doen.

Ik zou yoga kunnen overwegen. Zulks zou echter leiden tot gruwelijke ongelukken, mijn postuur en conditie zullen nogal gaan tegenstribbelen bij pogingen om via  de wand een wereldbeschouwende positie op het hoofd in te nemen; ambulance-ploegen en trauma-artsen zullen uren nodig hebben om mijn in elkaar verstrikkelde benen te ontwarren. Ik zal ’s avonds, dubbelgevouwen op een brancard, in Hart van Nederland te zien zijn.
Sauna dan. Het hoogtepunt van tijd nemen en ontspanning toch. Daar lopen tenslotte ook de meest afzichtelijke figuren in rond, ik val daar niet in op. Nu heb ik geen tepelpiercings voor mannen of zakringen, want die kom je daar ook geregeld tegen, maar het aanschouwen van de doorsnee-mens in al zijn naaktheid is niet altijd een ontspannende bezigheid. Zo kwam ik ooit eens in de sauna een leerlinge van mij tegen, waardoor de rest van de dag ongeveer bestond uit het zenuwachtig en schuw van pilaar naar pilaar hippen en andere ontwijkmanoeuvres om het arme wicht traumatische beelden bij het volgen van de Nederlandse les te besparen. Doodmoe thuis toen.

Thuis de tijd nemen in mijn eigen infrarood is een redelijk veilige optie. Maar daar zit ik weer 25 minuten lang te denken over wat ik straks allemaal wil doen. Bovendien zendt het apparaat verschroeiende stralen uit, want in mijn haastige koopdrang wilde ik natuurlijk weer een cabine die het meeste rendement en de diepst intrekkende straling in de kortst mogelijke tijd kon bieden. Zet je de temperatuur lager, dan stopt even het verbranden maar dans je de rest van de dag mogelijk niet met soepele spieren door het pand.

Waar kun je dan nog wel tijd van niets doen, niets denken, tot je nemen? Ik weet het niet. Op twitter waar ik geregeld woon, starend naar het scherm, is zelden tijd. Links boven in mijn beeld, na twee zinnen typen, zie ik 67 nieuwe tweets, die ik mogelijk zou willen lezen. En wat meldingen, die ik zeker niet wil missen. Misschien ligt het nemen van tijd in het rustig schrijven van een blog als dit, waar je toch geregeld zinnen weegt, en woorden proeft. Of rustig luisteren naar een ander die in 140 tekens duizend gedachten weet te sturen en te temmen tot een traag stromende rivier, met slechts hier en daar nog een intense en diepe stroomversnelling.  Misschien de stroom er wel even helemaal af. Offline.

Het zit niet in de genen. De wereld is er niet meer naar. Omringd door schermen, regels, opflitsende waarschuwingen en aftellende klokken. Er zijn nu 86 nieuwe tweets voor u, of u maar even wilt reageren. En snel een beetje.
Ik maak eerst maar eens koffie. Dat is een begin. Tijd vliegt. Koester die tijd.

Peiling: Wie herdenkt u op 4 mei?

4_mei4 mei. Dodenherdenking. Ik heb daar een mening over, die u na enig zoeken wel op dit blog kunt vinden. Maar dan beïnvloed ik u, dus stem eerst, en zoek eventueel dan. Op Twitter zijn de gemoederen al weer aardig verhit over het wel, wie of niet herdenken om 20:00 uur. Om je mening in 140 tekens toe te lichten is echter nogal een kunst, dus daarom hierbij ook de oproep om dat via de reactiemogelijkheid alsnog te doen. Hoe meer stemmen, hoe meer beeld, dus verspreid dit bericht als u wilt.

[poll id=”2″]