Goede vaart


nacht
Ik was op een begrafenis. De derde alweer in een half jaar tijd. Dat krijg je als je wat ouder wordt. Nu zijn begrafenissen nooit prettig, zelfs niet als je niet direct betrokken bent bij degene die daar op zijn of haar laatste reis wordt begeleid. Het zijn vaak de emoties van de mensen er om heen, die een gevoelige snaar kunnen raken. Een jankfilm op tv kan ik meestal nog wel hebben. Zien lachen doet lachen, zien huilen doet meestal ook huilen, hoewel mannen altijd geacht worden daar niet aan toe te geven. Lachen mag wel, huilen niet, want niet mannelijk en zo. Dat is eigenlijk wel vreemd. Waarom mogen vrouwen wel in hevig snikken uitbarsten en mannen niet. Misschien zijn mannen wel een stuk ongevoeliger. In dat geval komt het met ons niet goed, vrees ik.

Een begrafenis kan ik meestal ook met redelijk droge ogen bijwonen. Gisteren was dat lastig. Een neef van mij, een favoriete neef. Waarom favoriet? Omdat hij zich vanuit een underdog-positie omhoog had geknokt; geboren met een lage levensverwachting, gediagnosticeerd met epilepsie, dat allemaal glansrijk overwonnen en het nu zelfs geschopt tot stuurman op de grote vaart, een baan die niet aan teerhartigen is besteed. Een baan  waar ik altijd een beetje jaloers op ben geweest, rusteloos als ik ben: wegvaren naar het andere einde van de wereld, vanaf de stille, schemerige brug verre sterrenstelsels aanschouwen, weg van alles, zwervend over de altijd veranderende zee, starend en denkend in de nacht.

Maar, er was toch iets blijven hangen, van die geboorte die niet liep zoals gewenst, en ergens was er kans op kortsluiting. Op zeldzame momenten ging het mis, in kleine kring, en sloeg de stop soms door; nooit gevaarlijk voor anderen, maar op zulke momenten niet te remmen, een stuurloos schip in een kolkende tyfoon. Was dat voorbij, dan stuurde hij het schip weer verder, over kalme zee, de zwarte wolken in de verte achterlatend. De vriendelijkheid zelve, correct, altijd klaar om te helpen, maar toch: een eenzame stuurman op de brug.

En afgelopen week dan stak de storm in zijn hoofd weer op. Plotseling, hard en vernietigend. Zonder waarschuwing was hij daar, en overweldigd door gevoelens die hij niet meer kon controleren gooide hij voor de laatste maal zijn roer om, volle kracht vooruit, recht op een fatale klif in de vorm van een onwrikbare boom op een kaarsrechte autoweg..

Begrafenissen van kinderen en jongeren, 30 jaar in dit geval, zijn hard en wreed, want onnatuurlijk. Een moeder, die gebroken tegen de muur zakt wanneer zij de grijze wagen die zijn lichaam op de laatste reis zal gaan vervoeren, de straat in ziet draaien. Dat hakt er in. Het blijft altijd je kind, hoe oud ook. De laatste plek waar volwassenen nog echt kind zijn. En troosten kun je niet. Op sommige momenten bestaat troost voor een mens alleen nog uit een muur om even kort tegen te leunen.

Het graf. De zon schijnt, merels zingen. Een prachtige dag. Ruisende bomen, in frisgroen blad, in een kleur die je elke lente weer raakt in je ziel, tenminste, als je daar voor open staat. Ik hou mijzelf groot, want ik heb vier snikkende vrouwen aan mijn zijde. Daar zakt de kist. De reis begint.

Het geluid van de eerste schep zand op de kist, dat geluid dat ieder die dit heeft meegemaakt herkent. Vele mokerslagen kan een mens hebben, we leren klappen incasseren. Maar die klap, dát geluid dat ons leert dat dit afscheid definitief is, breekt het verzet, en daar zijn dan toch die tranen, niet veel, maar zilt als de zee, die nu een stuurman mist.

Goede vaart neef, over woelige baren, je hoeft niet meer te sturen. Ik wens je mooie kalme nachten met schitterende sterren boven een lichtende zee, vaar naar verre, voor ons onbereikbare en mysterieuze havens. Vaar wél.

#FuckdeKoning

willemtattooVerstand komt met de jaren, maar bij mij niet altijd. Bepaalde puberale trekjes heb ik altijd meegedragen en zelfs gekoesterd. Een daarvan is mijn moeite met “hen die over mij gesteld zijn”. Besturen, directeuren, “direct leidinggevenden”, kortom, alles wat de baas over mij dreigt te spelen.  Dan gaan de hakken in het zand, heel kinderachtig allemaal, onvolwassen ook. Behept met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, of mogelijk daardoor nog meer voor onrechtvaardigheid en dingen als ‘oneerlijk’ beschouwen.

Dat heeft me geregeld in de problemen gebracht. Nu ben ik nooit door agenten gevankelijk opgebracht wegens insubordinatie, belediging van een ambtenaar in functie of dronken pissen tegen een standbeeld van van een onzer Oranjes, daar ben ik veel te schijterig voor, dus pleeg ik mijn daden van burgerlijke ongehoorzaamheid en heldhaftig verzet met behulp van woorden. Het machtigste wapen dat er bestaat. Mijn strafrechtelijk contact met de politie bestaat uit een enkele (!) bekeuring wegens een paar kilometer snelheidsovertreding of het op de fiets negeren van een éénrichtingsverbod. En één keer, dat was de kiem voor mijn ontzag voor de politie, het als klein kind fikkie stoken tegen de muur van mijn basisschool. Hup, de auto in jij! Kom jij maar eens mee naar het bureau!  Nooit zo in doodsnood gekrijst als toen, en door de wetsdienaren halverwege mijn huis ( want daar reden ze daadwerkelijk naar toe ) uit de auto gezet, hen met een gehoorbeschadiging achterlatend. Broekpoepertje. Elk klein kind zou als peuter één keer  door agenten achterin een politiewagen moeten worden gepropt.Daarna gegarandeerd nooit overlast door loslopende jeugd. De politie is dus mijn beste vriend.

De rest dus niet. Waren er gevangenissen geweest waar directeuren en besturen hun hinderlijk aanwezige werknemers hadden kunnen opsluiten, dan had ik niet ondergedaan voor Willem Holleeder. Een leven in en uit de bak. Wanneer je goed bent met woorden, en dat ben ik denk ik, kun je iemand subtiel met de grond gelijkmaken. In het onderwijs, waar ik werk, is dat een valkuil voor elke (beginnende) docent. De grootste etterbak kun je laten verschrompelen door met zorg gekozen zinnen, gewoon, omdat je nog een voorsprong hebt op hen qua taalontwikkeling en intelligentie. Dat trekt naderhand bij, en op enig moment kom je iemand tegen die je als je meerdere moet erkennen, maar dan zit je op een niveau waarop er geen ordeproblemen meer zijn. Dan wordt het meer een prettig subtiel spel van prikken en ontvangen. Wie is de sterkste.
Het vervelende is nu dat ik niet veel sterke tegenstanders heb gehad. Ik nam voortdurend het management op de hak in woord en geschrift, verpakt in humor, maar daar binnenin zat het venijn.Humor kan snel ontaarden in sarcasme, lachen ten koste van anderen die zich niet kunnen verdedigen. Daarom heb ik bijvoorbeeld een gru-we-lij-ke hekel aan Youp van ’t Hek en aan die andere lange kerel met z’n ongeschoren boevenkop. Met deze vorige zin schop ik al weer een hoop lezers hopeloos tegen de schenen, daar is mijn puberale trekje weer: dwars tegen wat gevestigd, wat als politiek correct ervaren wordt in. Wat iedereen leuk vind, vind ik niet leuk. “De wereld draait door”; vreselijk programma, vreselijke vent, die Matthijs. Eén grote Ster-spot van voortdurend dezelfde zich correct links gedragende lieden die elkaar dikke veren in de kont steken. Terwijl ik zelf ook links ben, correct links zelfs, dus ook een hekel aan Wilders en Rutte is een nare, groteske clown. Contradictio in Terminis dus, puberaal gedrag. Ben jij voor, ben ik tegen.

Twitter is een ideaal middel om opstandig te zijn en om anderen aan de digitale schandpaal te nagelen als je het in het echt niet durft. Ik schreef daar al eens over. Kijk ons eens lachen, je vele volgers lachen met je mee. In die zin ben ik dus toch een soort Youp van ’t Hek, maar dan in een voorstelling van 140 tekentjes. Gisteren ontstond dus ophef over de vervolging die het OM wil instellen tegen een opstandig persoon wegens het roepen van “Fuck de Koning”. Ha! Wanneer het koningshuis doelwit van spot is, sta ik natuurlijk direct vooraan. Driftig mee getwitterd dus, en bijgedragen aan het trending topic maken van #FuckdeKoning.  En dat is makkelijk, want de koning fuckt niet terug. Het land zou te klein zijn wanneer Willem eens even zijn koninklijke zelfbeheersing zou verliezen en mij en al die anderen ineens met “Fuck je zelf, domme lul! #fuckjullietwitteraars” van repliek gaf. Hij is de leerling in je klas die uiteindelijk op hetzelfde geestelijk niveau zit als jij, met dezelfde taalvaardigheid en dus dezelfde verdedigingswapens in de hand. Alleen: hij mág niks terugzeggen, want hij is koning. En dan is, inderdaad, voor mij de lol er wel weer een beetje af, besefte ik. En daarom is #fuckdekoning ook strafbaar, heb ik uit een tweet van een advocaat die mij volgt begrepen. Een klein kind kan zich tegen woorden niet verdedigen. De koning echter ook niet. Of je hem nou aardig vindt of niet, hij kan niks terug doen. Dus hou ik mij maar in, voortaan.

Een machteloze koning dus, dat stelt dan weer tevreden. Nou ja, hij kan toch wel macht tonen. Door de man die #FuckdeKoning roept, bijvoorbeeld koninklijk gratie te verlenen. Willem, die op twitter reageert: “Jongen, ik snap je frustratie, maar  doe even dimmen. Ik zal kijken wat ik voor je kan doen”.  Dan heeft -ie het geheid gemaakt. Zelfs bij mij.

fuckdekoning2a

Tijd

klokIk heb vakantie. Nu zit ik in het onderwijs, dan heb je dat wel vaker. Vakantie is om uit te rusten, al is het maar een week in dit geval, maar ook op zo’n week zouden sommige mensen al jaloers zijn. Door de jaren heen ben ik echter niet bepaald gezegend met een optimistische inslag, en dan druk ik mij nog zwak uit. Zo kan het voorkomen dat op de eerste dag, in de eerste uren van dat goddelijk gevoel van vrijheid, aan mij al de volgende enthousiaste woorden ontlokt kunnen worden: “Volgende week om deze tijd is het al weer voorbij!”. Dit tot wanhoop van sommige van mijn volgers. Tijd vliegt.

Ik las vandaag een aardig blog op MericulusDat eindigde met de woorden: “Tijd is een paradox. Door minder te doen doe je juist meer en met meer plezier.” Dat is voor mij best wel een opgave, zeker als je vakanties, weekenden en vrije uren eigenlijk als te kort ervaart, en wanneer je het slapen een hinderlijke onderbreking van je dagelijkse bezigheden en gedachtespinsels vindt. Ik wil altijd maar door. Een trein van over elkaar heen buitelende gedachten. Altijd plannen, altijd dingen willen, en daardoor vaak dus hele periodes niets doen. In dromen: altijd op reis, altijd in hotels, bijna altijd alleen, altijd in vliegtuigen en op verre luchthavens in de nacht. Nooit eens thuis, met de benen op de bank, nooit eens helemaal niets doen.

Ik zou yoga kunnen overwegen. Zulks zou echter leiden tot gruwelijke ongelukken, mijn postuur en conditie zullen nogal gaan tegenstribbelen bij pogingen om via  de wand een wereldbeschouwende positie op het hoofd in te nemen; ambulance-ploegen en trauma-artsen zullen uren nodig hebben om mijn in elkaar verstrikkelde benen te ontwarren. Ik zal ’s avonds, dubbelgevouwen op een brancard, in Hart van Nederland te zien zijn.
Sauna dan. Het hoogtepunt van tijd nemen en ontspanning toch. Daar lopen tenslotte ook de meest afzichtelijke figuren in rond, ik val daar niet in op. Nu heb ik geen tepelpiercings voor mannen of zakringen, want die kom je daar ook geregeld tegen, maar het aanschouwen van de doorsnee-mens in al zijn naaktheid is niet altijd een ontspannende bezigheid. Zo kwam ik ooit eens in de sauna een leerlinge van mij tegen, waardoor de rest van de dag ongeveer bestond uit het zenuwachtig en schuw van pilaar naar pilaar hippen en andere ontwijkmanoeuvres om het arme wicht traumatische beelden bij het volgen van de Nederlandse les te besparen. Doodmoe thuis toen.

Thuis de tijd nemen in mijn eigen infrarood is een redelijk veilige optie. Maar daar zit ik weer 25 minuten lang te denken over wat ik straks allemaal wil doen. Bovendien zendt het apparaat verschroeiende stralen uit, want in mijn haastige koopdrang wilde ik natuurlijk weer een cabine die het meeste rendement en de diepst intrekkende straling in de kortst mogelijke tijd kon bieden. Zet je de temperatuur lager, dan stopt even het verbranden maar dans je de rest van de dag mogelijk niet met soepele spieren door het pand.

Waar kun je dan nog wel tijd van niets doen, niets denken, tot je nemen? Ik weet het niet. Op twitter waar ik geregeld woon, starend naar het scherm, is zelden tijd. Links boven in mijn beeld, na twee zinnen typen, zie ik 67 nieuwe tweets, die ik mogelijk zou willen lezen. En wat meldingen, die ik zeker niet wil missen. Misschien ligt het nemen van tijd in het rustig schrijven van een blog als dit, waar je toch geregeld zinnen weegt, en woorden proeft. Of rustig luisteren naar een ander die in 140 tekens duizend gedachten weet te sturen en te temmen tot een traag stromende rivier, met slechts hier en daar nog een intense en diepe stroomversnelling.  Misschien de stroom er wel even helemaal af. Offline.

Het zit niet in de genen. De wereld is er niet meer naar. Omringd door schermen, regels, opflitsende waarschuwingen en aftellende klokken. Er zijn nu 86 nieuwe tweets voor u, of u maar even wilt reageren. En snel een beetje.
Ik maak eerst maar eens koffie. Dat is een begin. Tijd vliegt. Koester die tijd.

Peiling: Wie herdenkt u op 4 mei?

4_mei4 mei. Dodenherdenking. Ik heb daar een mening over, die u na enig zoeken wel op dit blog kunt vinden. Maar dan beïnvloed ik u, dus stem eerst, en zoek eventueel dan. Op Twitter zijn de gemoederen al weer aardig verhit over het wel, wie of niet herdenken om 20:00 uur. Om je mening in 140 tekens toe te lichten is echter nogal een kunst, dus daarom hierbij ook de oproep om dat via de reactiemogelijkheid alsnog te doen. Hoe meer stemmen, hoe meer beeld, dus verspreid dit bericht als u wilt.

[poll id=”2″]

 

Sporthaat

sporthaatHet is al een tijdje stil, het writer’s block heerste, en aangezien ik niet blog om het bloggen neem ik voor zoiets de tijd. Maar nu dient daar een eind aan te komen door uiting te geven aan een knagende kwaal waar ik al mijn hele leven aan lijd: ik haat sport. In alles. De kiem is al heel lang geleden gelegd, in mijn kindertijd, in het kleine zonovergoten gymzaaltje van de Prinses Beatrix basisschool in Overveen, die natuurlijk gesloopt is zoals ongeveer alle schoolgebouwen waar ik nadien ooit nog heb vertoefd.

Dáár viel al op dat ik een prutser was, een sukkeltje, en ik werd dan ook – als er gekozen moest worden – altijd als laatste toegevoegd, onder de misprijzende blikken van de teamgenoten die hun gedroomde overwinning in rook zagen opgaan omdat ze weer eens met Wauwel opgescheept zaten. Het kiessysteem bij de gymles op de basisschool legt mijns inziens de kiem voor toekomstige zelfmoordenaars, eenzamen, maniakale gekken of excentrieke dwarsliggers, tot welke laatste groep ik mij graag een heel klein beetje zou willen rekenen. Niet dat ik er erg mee zat trouwens, ik leefde in een droomwereldje waarin ik voldoende heldenrollen kon spelen om het gemis aan erkenning en echte vriendjes ruimschoots te kunnen compenseren. Thuis liet ik op mijn kamertje tientallen speelgoedsoldaatjes elkaar vermoorden, of deed ik Lego-kabelbanen tegen de muur boven de trap te pletter slaan. Fijn jongetje.
De gymzaal was een soort martelkamer met naar kinderzweet stinkende horror-attributen als de bok, het paard, de ringen, vieze spring- of valkussens en sm-wandrekken. Paalklimmen, dat ging dan nog, tot op beslist niet meer dan een meter of drie, waarna ik mij in doodsangst weer ongeveer in de paal geklemd omlaag liet glijden, met daarbij de ongekende en onbekende sensatie van een beginnend klaarkomen; wist ik veel als ventje van een jaar of tien. Ook slagbal was te doen, want dan was je buiten in het grasveldje met de paardenbloemen en de madeliefjes ( kom daar tegenwoordig nog eens om ), en wie de bal over het dak van de school heen sloeg kreeg van Meester Adams een reep chocola. Een probaat middel. Ik durf hier te beweren dat je veel hedendaagse middelbare school-leerlingen nog alles kunt laten doen voor een stempeltje of een dropje.

Op de middelbare school werden de gymnastieklessen een nog veel grotere bezoeking. Een oud-marinier, omhoog gedegradeerd tot gymleraar, liet ons op het ritmisch bonken van zijn stok eindeloos rondjes hollen vóórdat het martelen aan de ringen begon. Als ik het trof, wist ik tijdens mijn beurt nét zo lang te klungelen met mijn voeten in de ringen steken tot de man het zuchtend opgaf. Soms ook niet, dan moest ik alleen verder, voor het oog van de wachtende klas. Gymleraren zijn sadisten, soms.
Zwemmen, ook zo wat. Het Sportfondsenbad in de Haarlemmerhout, waar in het midden van het diepe gedeelte een dreigend zwart rooster je zou opzuigen als je er overheen zwom. De badmeester die je met een soort haak aan een lange stok om je nek onverbiddelijk richting rooster duwde. Duiken, terwijl ik toen al ongeveer hoogtevrees had wanneer ik op een krant stond. In de kleedkamer – het “schapenhok” –  je doorweekte sokken over je voeten stropen, door de lange tegelgangen naar buiten, een rillende vlucht uit de hel.

Mijn ouders hebben er ook alles aan gedaan om mij nog wat sportiviteit bij te brengen. Maar dan is een lidmaatschap van een korfbalclub een redelijk heilloze weg. Korfbal: op een koud en winderig modderveld een bal in een mandje proberen te werpen. Honkbal, dat ging een tijdje goed. De afkeer is verder gebleven. Dammen, dat vind ik dan wel veilig. Autoracen, maar ja, ik rij in een Zafira Tourer. Sport is lallende voetbal-tokkies, mannen die elkaar op de schouders slaan onder het genot van een krat bier, steeds luider commentaar leverend op de scheids en de trainer. Sport is de hysterische deun die onvermijdelijk aan programma’s op radio en tv vooraf gaat, sport is die typerende manier van interviewen van sportverslaggevers die nooit een vraag stellen maar altijd een half afgemaakt antwoord in de kauwgum kauwende of fluimen speeksel spuwende mond van een plat pratende foeballer leggen.

Het is zondag. Dat is zappen dus van zender naar zender. Ik kijk eens naar mijn lichaam. “Je moet eens wat meer gaan bewegen!” wordt mij geregeld gemaand. Ja hoor eens, ik heb al een muisarm van het bewegen. Die heeft rust nodig. En ik laat de hond toch ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat – op het plantsoentje – uit. En er staat toch ook een roeimachine op zolder? Ik kijk daar geregeld naar. Die trap op, kijken naar dat ding. Dat doe ik dan gewoon wat vaker. Het is gewoon allemaal de schuld van die gymleraar.

Dááág, meester!

otensienAmbieert u altijd al een loopbaan in het onderwijs? Nou, schei er maar mee uit. Het wordt niks meer. Vergeet het. Een docent, een schoolmeester of -juf voor de klas, het is allemaal zóóó 2014. Daar zitten de stakeholders ( voor de onderwijsleek: de leerlingen ) niet op te wachten, want je stoort ze in hun bezigheden op het mobieltje.

Waar overal beroepen als bosjes verdwijnen om nooit meer terug te keren, kan het beroep van docent, leerkracht niet achterblijven. De docent die nu nog dingen uitlegt voor de klas, schrijvend op het bord of smartboard, die dat doet van half negen tot vier aan een klas vol aandachtig luisterende kindertjes, die is te vergelijken met het beroep van turfsteker of molenaar. Tijdens het bezoek aan het museum voor oude ambachten kunnen we naast de klompenmaker en de rieten mandenvlechter straks ook een echte docent aan het werk zien, eentje die in de weekenden van achter de geraniums wordt weggehaald om te demonstreren hoe het ouderwetsch degelijke onderwijs er in 2015 aan toe ging, compleet met ordeproblemen, leerlingen met dyscalculie en dyslexie, met ADD, PDD-NOS, hoogbegaafdheid, Gilles de la Tourette, overspannen en onwetend management, dat alles samen in een echt nagebouwd schoolgebouw met echte computerlokalen en leerwerkruimtes en een schoolbel en noem het hele scala waar een gemiddelde leerkracht mee te maken kreeg maar op. De school oude stijl is als een eeuwen geleden bedolven mammoet, waar hier en daar nog een goed geconserveerd plukje haar boven het ontdooiende permafrost uitsteekt. Ga je verder graven en ontdooien, dan wordt het toch wel schrikken.

Niemand zit in de nieuwe tijd, we spreken 2032, meer op deze barre middeleeuwse toestanden te wachten. Een beetje een diploma halen en dingen leren die je later niet gaat toepassen, je zou wel gek zijn. Een beetje in een overvolle klas zitten op vaste tijden op een vaste plek en moeten luisteren naar een docent waar je niks mee hebt en waarvan je vindt dat die vent of dat wijf voor geen meter uit kan leggen, dat doe je toch zeker niet? Eentje die ook nog eens zegt dat je niet op je mobieltje of je smartwatch mag kijken, ja doeg! Docent worden? U bent echt knettergek.

Waarom zeg ik allemaal van deze nare dingen? Diverse trouwe lezers van mijn blog hebben mogelijk inmiddels het pand in totaal overspannen toestand verlaten. Wel, ik ben tot inzicht gekomen. Nu is dat op mijn leeftijd – ik ben 61 dus stokoud – een kunst op zich, zeker met mijn dwarsige en opstandige karaktertrekjes. Het werd dus hoog tijd, want het moment naakt dat het kabinet mij wegens te oud, en dus hinderlijk aanwezig en niet meer arbeidsproductief ten dienste van onze uit het dal opklimmende economie naar de jaarlijkse verplichte ouderenkeuring gaat sturen, om te kijken of ik al aan de pil van Drion toe bent ( direct na de uitslag van het keuringsrapport ter plekke toe te dienen ) of dat ik nog een jaartje uitstel krijg.

Onlangs was ik op de bijeenkomst Apps en Educatie bij een vestiging van Seats2Meet in Utrecht. Sommigen beginnen al gelijk te gruwelen bij die ‘2’ in plaats van ‘to’; het is niet meer te stoppen. ‘To’ staat voor van klas naar klas volgens een van te voren bepaald traject een bepaalde schoolloopbaan doorlopen die opleidt voor een bepaald beroep op een bepaald niveau. ‘2’ staat voor: dat kan veel sneller en handiger. En zo gaat het ook worden. Bij één van de workshops werd aan de deelnmers gevraagd met welke verwachting of welk doel men naar de bijeenkomst was gekomen ( een voorstelrondje werd ons dit keer bespaard, dat kun je tenslotte ook ’s nachts om drie uur op iemands Facebook- of LinkedIn-profiel bekijken). Toen bedacht ik: “Ik kom hier voor contemplatie en bezinning”. Dat gaf wat gegniffel. Ik was dan ook een van de oudsten. Je komt ’s ochtends bij zoiets binnen waarbij je met grote vreze vreest niet hip of jong genoeg te zijn, want hier waren de app-ontwikkelaars, de game-makers en de whizzkids bijeen, allemaal driftig tikkend op hun MacBooks, knabbelend aan superfood-bagels, lurkend aan slowjuice, lepelend in bottenbouillon of nippend aan latte macchiato. Lange baarden, hoog dichtgeknoopte overhemden, dikke brilmonturen, skinny jeans en enorme tatoo’s. Hi guys! Het bleek mee te vallen. Er waren wel whizzkids, zéér whizz trouwens. Wanneer je als Nederlands knulletje van 12 wordt uitgenodigd om naar dé Apple-ontwikkelaarsconferentie in San Francisco te komen en daar met grote Apple-baas Tim Cook op de foto te mogen en nu al weten dat je straks ongeveer een beurs voor Stanford op zak hebt, dan heb je het aardig gedaan. Eén van deze kinderen, ik geloof 11 jaar oud, merkte tijdens de plenaire sessie op dat zijn leraar helemaal niets met mobieltjes en apps in de klas had en dat de lessen dus saai en vervelend waren. Applaus en gelach in de zaal. En gelijk hád de zaal overigens. Althans, grotendeels gelijk.

Ik loop in mijn omgeving jarenlang denk ik redelijk voorop wanneer het gaat om het onderzoeken en evalueren van alle mogelijke trends en ontwikkelingen op het gebied van social media en ict; dingen aangeschaft, uitgeprobeerd en gekeken wat je daar op scholen mee zou kunnen doen. Er zijn een miljard mogelijkheden. Er ligt een goudmijn voor het oprapen. Ik ben overal gelijk razend enthousiast over, en dat kan ik overbrengen. Heel goed zelfs. Als het maar ‘bliep’ zegt, of beweegt, of er knippert een lampje, dan ben ik er al voor te porren. Ik ben nét een inboorling uit de vijftiende eeuw die zijn eerste kraaltje of spiegeltje voorgehouden krijgt. Maar ik kan ook relativeren, en ik moet geregeld een flinke emmer azijn te pissen hebben, want anders leid ik geen vrolijk leven. Ik loop nog steeds ijverig te hoop tegen de iPadschool van Maurice de Hond  Ik word obstinaat van drammerige oproepen van allerlei instanties en duur betaalde clubs die ons vanaf de zijlijn toebrullen dat ICT het wondermiddel is en dat we ongeveer allemaal achterlijk zijn als we daar niet hard in meehollen. Ik ben allergisch voor adviseurs.

De pleitbezorgers van ICT en alles wat daarmee samenhangt, jaag ik geregeld boven op de kast, en ik mag graag in discussies op Twitter nog wat extra olie op het vuur gooien. Pubergedrag misschien. Waar het mij echter om gaat is dat we uit onze vaste ideeën en loopgraven vandaan komen. Relativeren. Uitproberen, weggooien en bewaren. De school zoals we die kennen is niet meer te handhaven. De school is één van de vele tv-zenders in ons Ziggo Royaal pakket waar de leerling ( want die blijft ) tijdens het zappen langskomt. Heeft hij er iets aan, dan blijft hij kijken, is het saai, dan zapt hij weg. Er is immers meer te doen, veel interessanter, of veel leuker (voor de voorstanders van leuk onderwijs).

Op het moment dat ik de vorige regels schreef, kwam er een appje op mijn mobiel binnen: “Meester S. is overleden”. U zou nu eigenlijk even een pauze in dit stuk moeten inlassen. Ik kende Meester S. Ben op de ouderspreekmomenten geweest. Hij was een Meester. Een collega, van mijn leeftijd, denk ik. Eentje die vertelde, eentje die dingen op het bord liet zien, met een luisterende klas. Een Meester in zijn vak. Eentje van de oude stempel, eigenlijk. Zo’n meester die je je later als je zelf oud bent, nog zult herinneren. Iedereen kent wel zo’n meester S, die voor een stukje van je leven, groot of klein, vormend en bepalend is geweest. Zo zijn er velen in onderwijsland.

Gaan wij deze meesters dan niet meer gebruiken, niet meer nodig hebben? Het antwoord is – en nu kom ik weer bij het begin van mijn betoog- : Nee, integendeel, wij gaan ze nog zéker nodig hebben. Niet meer allemaal in dezelfde hoedanigheid. Een klein gedeelte nog. Meesters in hun vak: spannende verhalen vertellen, kinderen kluisteren aan je lippen. Doceren, uitleggen, strafwerk geven, voorbeelden geven, dingen ontwikkelen en dingen laten zien. Maar er komen andere meesters bij: meesters die geen echte meester zijn, omdat ze geen opleiding in die richting hebben gehad. Of meesters die wel die opleiding hebben gehad, en alles kunnen met ICT, als ware tovenaars. Welk kind luistert en kijkt daar niet graag naar, of wil zélf een ware ICT-tovenaar nadoen? Er komen meesters bij, die zelfs niet meer menselijk zijn, of die ingeblikt zijn. Hadden we Meester S. nog maar tijdens zijn lessen gefilmd, en op YouTube gezet, zoals bij vele andere meesters nu gebeurt. Eindeloos luisteren naar je meester, eindeloos terugspoelen, eindeloos herhalen, pauzeren, nog eens luisteren, waar je ook ter wereld bent en hoe oud je ook bent. Omdat dat bij jou past, omdat jij daarvoor het juiste type leerling bent, met dié specifieke zorgvraag of geestelijke rugzak of beperking of juist voorsprong op alle anderen.

De school van de platen van Ot en Sien is weg, is alleen nog maar na moeizaam zoeken op het internet als klein plaatje te vinden. Nu moet ook de school waar geen platen meer van zijn er aan geloven. Ik en vele anderen  kunnen azijn plassen tot we erbij neervallen, maar het huidige systeem is voorbij. Diploma’s halen? Voorbij. Een vaste lijst met vakken? Gaat het niet meer worden. De rest van je leven een vast beroep trouwens ook niet meer. De leerling loopt met zijn mandje door de supermarkt: hij koopt wat hier, hij koopt wat daar, en is het produkt niet leverbaar, dan gaat hij naar een andere supermarkt. Je hele leven lang, al naar wat het recept van de dag voorschrijft. Zó stil je je honger. De ene keer met een kant en klaar pakket, de andere keer moet je stevig kokkerellen. En je eet het vaker als iets lekker is, en wat je niet lust gebruik je nooit meer.

Nu richt ik mij even specifiek tot de Sander Dekkers, de Bussemakers, de Colleges van Bestuur en de directies, want van jullie moeten tenslotte de uren en de centen komen: Stap eens even uit jullie starre denkpatronen. Focus je eens even niet op rendementsdenken, op de inspectie, op wat Kennisnet zegt, op wat de BON zegt, denk eens even niet aan dure gebouwen, smartboards, excellente leraren en leerlingen, handelingsplannen, dure adviesbureaus, zwakke scholen, zwakke leerlingen, hoge en lage niveaus. Er zijn geen zwakke scholen en er zijn geen beste leerlingen. Alles en ieder is uniek in zijn soort: de vervallen school in de achterstandswijk, Ot en Sien, Meester S, de iPadschool, de Whizzkid die straks naar Stanford gaat, het kind met een zware achterstand door PDD-NOS en het pubermeisje dat in mijn kantoor hartverscheurend zit te huilen omdat er thuis écht geen geld meer is voor boeken en voor doorleren op een ander niveau.

Ga eens zoeken naar die individuen en kijk wat hun vaardigheden zijn. Geef de ouderwetse docent die niks met ict heeft een ouderwets klaslokaal met leerlingen die ook niks met ICT hebben. Geef de zieners in elke school, en die zijn er, de ruimte in tijd, plaats en geld om dingen te onderzoeken, uit te proberen en weer weg te gooien als het niks blijkt te zijn. Laat ze vér vooruit kijken. Geef leerlingen die een enorme behoefte hebben aan individuele begeleiding ook daadwerkelijk die begeleiding in de vorm van docenten die je vrij kunt maken doordat andere specialisten binnen je school klussen kunnen overnemen. Blik je topdocenten in op het web. Sluit lokalen, of stel ze juist open buiten de reguliere schooltijden om. Geef een docent en zijn leerlingen eens overdag of buiten de vakanties om vrij, en laat ze ’s avonds maar vanuit hun eigen omgeving en in hun eigen tempo elkaar ontmoeten op allerlei gratis initiatieven op social media. Schuif met geld, met vakken, met lestijden, met diploma’s, met docenten, leerlingen en locaties. Laat je school een ongekende bron van creativiteit en flexibiliteit worden. Want die potentie heeft elke school in zich. Laat los, laat los. Laat groeien en bloeien. En laat dat snoeien nu eens achterwege. Koester nieuwe technieken, social media, apps en smatphones. Maar koester ook je Meester S.

 

 

Koud

Trevi Fountain - Rome, ItalyIk behoor tot de categorie mensen die het geregeld koud heeft; wat dat betreft lijk ik wel een vrouw ( fluistermodus: “Net een kikker, want altijd grote bek en koude poten” ).  Ik loop nu het risico dat dit mij op woedende reacties van vrouwelijke volgers komt te staan, maar dat is dan maar zo. Thuis, in de auto en op vakantieadressen stook ik de kachel dus geregeld tot astronomische hoogtes. Toch kon ik tot voor kort thuis stoken tot ik er bij neer viel, het hielp niet echt. Lieden die ons huis naderden zagen altijd grote rookwolken uit de schoorsteen komen, waar omliggende huizen slechts af en toe een kringeltje de lucht inbliezen. Kieren en gaten werden dicht gestopt, met als gevolg – naar onlangs bleek – optrekkend vocht langs de muren. Vóórdat het pand nu helemaal in een door zwammen en schimmels overwoekerde koude en tochtige ruïne veranderde, moest er dan toch maar worden ingegrepen.

Allereerst werd ander dubbel glas besteld en daar zaten ook roostertjes in die zorgden voor de ventilatie. De oude roosters had ik zó hard dicht gedraaid, dat die ook met grof geweld nooit meer open gingen. Daarnaast besloot ik de stoute klusschoenen maar weer eens aan te trekken door het vervangen van enkele radiatoren. Eentje gekocht op internet bij een vaag bedrijf in Engeland, en later nog eentje op Marktplaats, want die dingen bleken nog schrikbarend duur, en zwaar bovendien. Er volgden weer dagen gevuld met constant heen en weer rijden naar de Karwei, want ik maak nooit een plan en bereken altijd alles verkeerd. Zo’n bouwmarkt maakt er altijd een halszaak van om in de beschrijving van aangeschafte dubbele knietjes, knelkoppelingen, haakse aftapkranen termen te gebruiken die het voor de leek nog veel onbegrijpelijker maken, dus ik koop overal altijd maar veel te veel van, er is altijd wel iets dat wél past en de rest breng je gewoon terug. Als je dat tenminste niet laat verslonzen of dat je de bonnetjes kwijtraakt, wat mij ook geregeld gebeurt.

Je rekent een dag voor het vervangen van zo’n radiator. Da’s ruim, maar dan heb je ook wat. Op de oude bleek echter geen aftapkraan te zitten, dus ben ik in de vrieskou ongeveer de hele dag bezig geweest met het opendraaien van het ontluchtingskraantje, daar een klein leeg bakje van Hertogh IJs onder te wurmen en dat vervolgens weer leeg te kieperen in een hele serie om mij heen gedrapeerde grotere emmers en bakken. Na drie dagen bivakkeren in pooltemperatuur hingen de radiatoren dan eindelijk, waarbij ik ook nog een halve dag moest uittrekken om alle knelkoppelingen nóg knellender aan te draaien, want die dingen hebben een hekel aan mij. Her en der deden de nieuwe verbindingen ernstige pogingen om op de Treviaanse Fonteinen te lijken, en ook de aansluiting van de vulkraan bij de oude cv-ketel liet zich niet onbetuigd. Ook daar lag ik als een slangenmens in het halfduister in een plas water te klungelen met tangen en slangen die niet wilden passen.

Ik kan veel, maar niet alles, dat blijkt. En aangezien de nieuwe radiatoren groter waren en de 17 jaar oude cv-ketel nu wel heel erg zijn best moest doen om dit allemaal te behappen en enge borrelgeluiden produceerde, werd besloten om dit toestel dan maar uit zijn lijden te verlossen. Nu ben ik een gadgetfreak, dus ik was één van de eersten die een Toon aan de muur hadden hangen – voor de leek: een hippe thermostaat die elk aan/uit-lampje registreert en elk kuubje teveel aan gasverbruik haarfijn in grafiekjes laat zien. Een tablet aan de muur, die echter niet met alle kachels naadloos samen ging, ook niet met mijn oude Nefit. Dat moest de nieuwe ketel dus wel, en daar ik in het onderwijs zit en dus armlastig ben ging ik op internet op zoek naar een niet al te duur alternatief.

Het werd een Remeha. Eigenlijk zelden van gehoord, alleen bekend van een tv-reclame waarin een irritant koortje die naam door de kamer liet schallen. Maar, zoals dat op internet gaat, je leest ook ervaringen van gebruikers, en die waren allemaal positief. Dat is al vrij uniek, want meestal zoekt men het internet op om zijn gal te spuwen, iets waar ik ook nogal een handje van heb. Het bleek ook dat de firma Remeha al 80 jaar bestond en dus een soort van verjaardag vierde: bij aanschaf van een ketel kreeg je €80 terug. Verder zoeken en een bedrijf gevonden dat de boel vakkundig kon installeren.
Zo verschenen afgelopen week in de vroege ochtend, begeleid door een stalende zon, twee opgewekte types met een zwaar Twents accent die in een mum van tijd de oude loodzware ketel omlaag zeulden en de nieuwe lichtgewicht installeerden, die pijpen bogen zonder dat ze totaal scheef zaten of ergens binnen ‘krak’ zeiden, die klemkoppelingen in één keer losjes aandraaiden waarna geen druppeltje water te voorschijn kwam, en die géén koekje bij de koffie hoefden. Koffie die ze pas wilden nadat de klus geklaard was.

Heel zachtjes zoemt nu, een bescheiden plekje innemend, mijn nieuwe Remeha; de Toon laat nu al een sterk dalend verbruik zien. Ik krijg straks €80 euro terug. Dat mág ook wel, want afgelopen week deed ik – ook zo’n vreselijke tegen-op-zie-klus – mijn belastingopgave. Waar ik eerst altijd iets van €500 terugkreeg, mag ik nu plotseling €1700 bijbetalen. En die ketel was toen al besteld. Maar er is nog hoop. Wanneer ik de ketelfabrikant maar op een aardige manier feliciteer met de 80-ste verjaardag, maak ik kans om het aankoopbedrag weer terug te krijgen. Bij deze dus: heb meelij met mij, Remeha, en gefeliciteerd met uw verjaardag.