Sporthaat

sporthaatHet is al een tijdje stil, het writer’s block heerste, en aangezien ik niet blog om het bloggen neem ik voor zoiets de tijd. Maar nu dient daar een eind aan te komen door uiting te geven aan een knagende kwaal waar ik al mijn hele leven aan lijd: ik haat sport. In alles. De kiem is al heel lang geleden gelegd, in mijn kindertijd, in het kleine zonovergoten gymzaaltje van de Prinses Beatrix basisschool in Overveen, die natuurlijk gesloopt is zoals ongeveer alle schoolgebouwen waar ik nadien ooit nog heb vertoefd.

Dáár viel al op dat ik een prutser was, een sukkeltje, en ik werd dan ook – als er gekozen moest worden – altijd als laatste toegevoegd, onder de misprijzende blikken van de teamgenoten die hun gedroomde overwinning in rook zagen opgaan omdat ze weer eens met Wauwel opgescheept zaten. Het kiessysteem bij de gymles op de basisschool legt mijns inziens de kiem voor toekomstige zelfmoordenaars, eenzamen, maniakale gekken of excentrieke dwarsliggers, tot welke laatste groep ik mij graag een heel klein beetje zou willen rekenen. Niet dat ik er erg mee zat trouwens, ik leefde in een droomwereldje waarin ik voldoende heldenrollen kon spelen om het gemis aan erkenning en echte vriendjes ruimschoots te kunnen compenseren. Thuis liet ik op mijn kamertje tientallen speelgoedsoldaatjes elkaar vermoorden, of deed ik Lego-kabelbanen tegen de muur boven de trap te pletter slaan. Fijn jongetje.
De gymzaal was een soort martelkamer met naar kinderzweet stinkende horror-attributen als de bok, het paard, de ringen, vieze spring- of valkussens en sm-wandrekken. Paalklimmen, dat ging dan nog, tot op beslist niet meer dan een meter of drie, waarna ik mij in doodsangst weer ongeveer in de paal geklemd omlaag liet glijden, met daarbij de ongekende en onbekende sensatie van een beginnend klaarkomen; wist ik veel als ventje van een jaar of tien. Ook slagbal was te doen, want dan was je buiten in het grasveldje met de paardenbloemen en de madeliefjes ( kom daar tegenwoordig nog eens om ), en wie de bal over het dak van de school heen sloeg kreeg van Meester Adams een reep chocola. Een probaat middel. Ik durf hier te beweren dat je veel hedendaagse middelbare school-leerlingen nog alles kunt laten doen voor een stempeltje of een dropje.

Op de middelbare school werden de gymnastieklessen een nog veel grotere bezoeking. Een oud-marinier, omhoog gedegradeerd tot gymleraar, liet ons op het ritmisch bonken van zijn stok eindeloos rondjes hollen vóórdat het martelen aan de ringen begon. Als ik het trof, wist ik tijdens mijn beurt nét zo lang te klungelen met mijn voeten in de ringen steken tot de man het zuchtend opgaf. Soms ook niet, dan moest ik alleen verder, voor het oog van de wachtende klas. Gymleraren zijn sadisten, soms.
Zwemmen, ook zo wat. Het Sportfondsenbad in de Haarlemmerhout, waar in het midden van het diepe gedeelte een dreigend zwart rooster je zou opzuigen als je er overheen zwom. De badmeester die je met een soort haak aan een lange stok om je nek onverbiddelijk richting rooster duwde. Duiken, terwijl ik toen al ongeveer hoogtevrees had wanneer ik op een krant stond. In de kleedkamer – het “schapenhok” –  je doorweekte sokken over je voeten stropen, door de lange tegelgangen naar buiten, een rillende vlucht uit de hel.

Mijn ouders hebben er ook alles aan gedaan om mij nog wat sportiviteit bij te brengen. Maar dan is een lidmaatschap van een korfbalclub een redelijk heilloze weg. Korfbal: op een koud en winderig modderveld een bal in een mandje proberen te werpen. Honkbal, dat ging een tijdje goed. De afkeer is verder gebleven. Dammen, dat vind ik dan wel veilig. Autoracen, maar ja, ik rij in een Zafira Tourer. Sport is lallende voetbal-tokkies, mannen die elkaar op de schouders slaan onder het genot van een krat bier, steeds luider commentaar leverend op de scheids en de trainer. Sport is de hysterische deun die onvermijdelijk aan programma’s op radio en tv vooraf gaat, sport is die typerende manier van interviewen van sportverslaggevers die nooit een vraag stellen maar altijd een half afgemaakt antwoord in de kauwgum kauwende of fluimen speeksel spuwende mond van een plat pratende foeballer leggen.

Het is zondag. Dat is zappen dus van zender naar zender. Ik kijk eens naar mijn lichaam. “Je moet eens wat meer gaan bewegen!” wordt mij geregeld gemaand. Ja hoor eens, ik heb al een muisarm van het bewegen. Die heeft rust nodig. En ik laat de hond toch ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat – op het plantsoentje – uit. En er staat toch ook een roeimachine op zolder? Ik kijk daar geregeld naar. Die trap op, kijken naar dat ding. Dat doe ik dan gewoon wat vaker. Het is gewoon allemaal de schuld van die gymleraar.

Dááág, meester!

otensienAmbieert u altijd al een loopbaan in het onderwijs? Nou, schei er maar mee uit. Het wordt niks meer. Vergeet het. Een docent, een schoolmeester of -juf voor de klas, het is allemaal zóóó 2014. Daar zitten de stakeholders ( voor de onderwijsleek: de leerlingen ) niet op te wachten, want je stoort ze in hun bezigheden op het mobieltje.

Waar overal beroepen als bosjes verdwijnen om nooit meer terug te keren, kan het beroep van docent, leerkracht niet achterblijven. De docent die nu nog dingen uitlegt voor de klas, schrijvend op het bord of smartboard, die dat doet van half negen tot vier aan een klas vol aandachtig luisterende kindertjes, die is te vergelijken met het beroep van turfsteker of molenaar. Tijdens het bezoek aan het museum voor oude ambachten kunnen we naast de klompenmaker en de rieten mandenvlechter straks ook een echte docent aan het werk zien, eentje die in de weekenden van achter de geraniums wordt weggehaald om te demonstreren hoe het ouderwetsch degelijke onderwijs er in 2015 aan toe ging, compleet met ordeproblemen, leerlingen met dyscalculie en dyslexie, met ADD, PDD-NOS, hoogbegaafdheid, Gilles de la Tourette, overspannen en onwetend management, dat alles samen in een echt nagebouwd schoolgebouw met echte computerlokalen en leerwerkruimtes en een schoolbel en noem het hele scala waar een gemiddelde leerkracht mee te maken kreeg maar op. De school oude stijl is als een eeuwen geleden bedolven mammoet, waar hier en daar nog een goed geconserveerd plukje haar boven het ontdooiende permafrost uitsteekt. Ga je verder graven en ontdooien, dan wordt het toch wel schrikken.

Niemand zit in de nieuwe tijd, we spreken 2032, meer op deze barre middeleeuwse toestanden te wachten. Een beetje een diploma halen en dingen leren die je later niet gaat toepassen, je zou wel gek zijn. Een beetje in een overvolle klas zitten op vaste tijden op een vaste plek en moeten luisteren naar een docent waar je niks mee hebt en waarvan je vindt dat die vent of dat wijf voor geen meter uit kan leggen, dat doe je toch zeker niet? Eentje die ook nog eens zegt dat je niet op je mobieltje of je smartwatch mag kijken, ja doeg! Docent worden? U bent echt knettergek.

Waarom zeg ik allemaal van deze nare dingen? Diverse trouwe lezers van mijn blog hebben mogelijk inmiddels het pand in totaal overspannen toestand verlaten. Wel, ik ben tot inzicht gekomen. Nu is dat op mijn leeftijd – ik ben 61 dus stokoud – een kunst op zich, zeker met mijn dwarsige en opstandige karaktertrekjes. Het werd dus hoog tijd, want het moment naakt dat het kabinet mij wegens te oud, en dus hinderlijk aanwezig en niet meer arbeidsproductief ten dienste van onze uit het dal opklimmende economie naar de jaarlijkse verplichte ouderenkeuring gaat sturen, om te kijken of ik al aan de pil van Drion toe bent ( direct na de uitslag van het keuringsrapport ter plekke toe te dienen ) of dat ik nog een jaartje uitstel krijg.

Onlangs was ik op de bijeenkomst Apps en Educatie bij een vestiging van Seats2Meet in Utrecht. Sommigen beginnen al gelijk te gruwelen bij die ‘2’ in plaats van ‘to’; het is niet meer te stoppen. ‘To’ staat voor van klas naar klas volgens een van te voren bepaald traject een bepaalde schoolloopbaan doorlopen die opleidt voor een bepaald beroep op een bepaald niveau. ‘2’ staat voor: dat kan veel sneller en handiger. En zo gaat het ook worden. Bij één van de workshops werd aan de deelnmers gevraagd met welke verwachting of welk doel men naar de bijeenkomst was gekomen ( een voorstelrondje werd ons dit keer bespaard, dat kun je tenslotte ook ’s nachts om drie uur op iemands Facebook- of LinkedIn-profiel bekijken). Toen bedacht ik: “Ik kom hier voor contemplatie en bezinning”. Dat gaf wat gegniffel. Ik was dan ook een van de oudsten. Je komt ’s ochtends bij zoiets binnen waarbij je met grote vreze vreest niet hip of jong genoeg te zijn, want hier waren de app-ontwikkelaars, de game-makers en de whizzkids bijeen, allemaal driftig tikkend op hun MacBooks, knabbelend aan superfood-bagels, lurkend aan slowjuice, lepelend in bottenbouillon of nippend aan latte macchiato. Lange baarden, hoog dichtgeknoopte overhemden, dikke brilmonturen, skinny jeans en enorme tatoo’s. Hi guys! Het bleek mee te vallen. Er waren wel whizzkids, zéér whizz trouwens. Wanneer je als Nederlands knulletje van 12 wordt uitgenodigd om naar dé Apple-ontwikkelaarsconferentie in San Francisco te komen en daar met grote Apple-baas Tim Cook op de foto te mogen en nu al weten dat je straks ongeveer een beurs voor Stanford op zak hebt, dan heb je het aardig gedaan. Eén van deze kinderen, ik geloof 11 jaar oud, merkte tijdens de plenaire sessie op dat zijn leraar helemaal niets met mobieltjes en apps in de klas had en dat de lessen dus saai en vervelend waren. Applaus en gelach in de zaal. En gelijk hád de zaal overigens. Althans, grotendeels gelijk.

Ik loop in mijn omgeving jarenlang denk ik redelijk voorop wanneer het gaat om het onderzoeken en evalueren van alle mogelijke trends en ontwikkelingen op het gebied van social media en ict; dingen aangeschaft, uitgeprobeerd en gekeken wat je daar op scholen mee zou kunnen doen. Er zijn een miljard mogelijkheden. Er ligt een goudmijn voor het oprapen. Ik ben overal gelijk razend enthousiast over, en dat kan ik overbrengen. Heel goed zelfs. Als het maar ‘bliep’ zegt, of beweegt, of er knippert een lampje, dan ben ik er al voor te porren. Ik ben nét een inboorling uit de vijftiende eeuw die zijn eerste kraaltje of spiegeltje voorgehouden krijgt. Maar ik kan ook relativeren, en ik moet geregeld een flinke emmer azijn te pissen hebben, want anders leid ik geen vrolijk leven. Ik loop nog steeds ijverig te hoop tegen de iPadschool van Maurice de Hond  Ik word obstinaat van drammerige oproepen van allerlei instanties en duur betaalde clubs die ons vanaf de zijlijn toebrullen dat ICT het wondermiddel is en dat we ongeveer allemaal achterlijk zijn als we daar niet hard in meehollen. Ik ben allergisch voor adviseurs.

De pleitbezorgers van ICT en alles wat daarmee samenhangt, jaag ik geregeld boven op de kast, en ik mag graag in discussies op Twitter nog wat extra olie op het vuur gooien. Pubergedrag misschien. Waar het mij echter om gaat is dat we uit onze vaste ideeën en loopgraven vandaan komen. Relativeren. Uitproberen, weggooien en bewaren. De school zoals we die kennen is niet meer te handhaven. De school is één van de vele tv-zenders in ons Ziggo Royaal pakket waar de leerling ( want die blijft ) tijdens het zappen langskomt. Heeft hij er iets aan, dan blijft hij kijken, is het saai, dan zapt hij weg. Er is immers meer te doen, veel interessanter, of veel leuker (voor de voorstanders van leuk onderwijs).

Op het moment dat ik de vorige regels schreef, kwam er een appje op mijn mobiel binnen: “Meester S. is overleden”. U zou nu eigenlijk even een pauze in dit stuk moeten inlassen. Ik kende Meester S. Ben op de ouderspreekmomenten geweest. Hij was een Meester. Een collega, van mijn leeftijd, denk ik. Eentje die vertelde, eentje die dingen op het bord liet zien, met een luisterende klas. Een Meester in zijn vak. Eentje van de oude stempel, eigenlijk. Zo’n meester die je je later als je zelf oud bent, nog zult herinneren. Iedereen kent wel zo’n meester S, die voor een stukje van je leven, groot of klein, vormend en bepalend is geweest. Zo zijn er velen in onderwijsland.

Gaan wij deze meesters dan niet meer gebruiken, niet meer nodig hebben? Het antwoord is – en nu kom ik weer bij het begin van mijn betoog- : Nee, integendeel, wij gaan ze nog zéker nodig hebben. Niet meer allemaal in dezelfde hoedanigheid. Een klein gedeelte nog. Meesters in hun vak: spannende verhalen vertellen, kinderen kluisteren aan je lippen. Doceren, uitleggen, strafwerk geven, voorbeelden geven, dingen ontwikkelen en dingen laten zien. Maar er komen andere meesters bij: meesters die geen echte meester zijn, omdat ze geen opleiding in die richting hebben gehad. Of meesters die wel die opleiding hebben gehad, en alles kunnen met ICT, als ware tovenaars. Welk kind luistert en kijkt daar niet graag naar, of wil zélf een ware ICT-tovenaar nadoen? Er komen meesters bij, die zelfs niet meer menselijk zijn, of die ingeblikt zijn. Hadden we Meester S. nog maar tijdens zijn lessen gefilmd, en op YouTube gezet, zoals bij vele andere meesters nu gebeurt. Eindeloos luisteren naar je meester, eindeloos terugspoelen, eindeloos herhalen, pauzeren, nog eens luisteren, waar je ook ter wereld bent en hoe oud je ook bent. Omdat dat bij jou past, omdat jij daarvoor het juiste type leerling bent, met dié specifieke zorgvraag of geestelijke rugzak of beperking of juist voorsprong op alle anderen.

De school van de platen van Ot en Sien is weg, is alleen nog maar na moeizaam zoeken op het internet als klein plaatje te vinden. Nu moet ook de school waar geen platen meer van zijn er aan geloven. Ik en vele anderen  kunnen azijn plassen tot we erbij neervallen, maar het huidige systeem is voorbij. Diploma’s halen? Voorbij. Een vaste lijst met vakken? Gaat het niet meer worden. De rest van je leven een vast beroep trouwens ook niet meer. De leerling loopt met zijn mandje door de supermarkt: hij koopt wat hier, hij koopt wat daar, en is het produkt niet leverbaar, dan gaat hij naar een andere supermarkt. Je hele leven lang, al naar wat het recept van de dag voorschrijft. Zó stil je je honger. De ene keer met een kant en klaar pakket, de andere keer moet je stevig kokkerellen. En je eet het vaker als iets lekker is, en wat je niet lust gebruik je nooit meer.

Nu richt ik mij even specifiek tot de Sander Dekkers, de Bussemakers, de Colleges van Bestuur en de directies, want van jullie moeten tenslotte de uren en de centen komen: Stap eens even uit jullie starre denkpatronen. Focus je eens even niet op rendementsdenken, op de inspectie, op wat Kennisnet zegt, op wat de BON zegt, denk eens even niet aan dure gebouwen, smartboards, excellente leraren en leerlingen, handelingsplannen, dure adviesbureaus, zwakke scholen, zwakke leerlingen, hoge en lage niveaus. Er zijn geen zwakke scholen en er zijn geen beste leerlingen. Alles en ieder is uniek in zijn soort: de vervallen school in de achterstandswijk, Ot en Sien, Meester S, de iPadschool, de Whizzkid die straks naar Stanford gaat, het kind met een zware achterstand door PDD-NOS en het pubermeisje dat in mijn kantoor hartverscheurend zit te huilen omdat er thuis écht geen geld meer is voor boeken en voor doorleren op een ander niveau.

Ga eens zoeken naar die individuen en kijk wat hun vaardigheden zijn. Geef de ouderwetse docent die niks met ict heeft een ouderwets klaslokaal met leerlingen die ook niks met ICT hebben. Geef de zieners in elke school, en die zijn er, de ruimte in tijd, plaats en geld om dingen te onderzoeken, uit te proberen en weer weg te gooien als het niks blijkt te zijn. Laat ze vér vooruit kijken. Geef leerlingen die een enorme behoefte hebben aan individuele begeleiding ook daadwerkelijk die begeleiding in de vorm van docenten die je vrij kunt maken doordat andere specialisten binnen je school klussen kunnen overnemen. Blik je topdocenten in op het web. Sluit lokalen, of stel ze juist open buiten de reguliere schooltijden om. Geef een docent en zijn leerlingen eens overdag of buiten de vakanties om vrij, en laat ze ’s avonds maar vanuit hun eigen omgeving en in hun eigen tempo elkaar ontmoeten op allerlei gratis initiatieven op social media. Schuif met geld, met vakken, met lestijden, met diploma’s, met docenten, leerlingen en locaties. Laat je school een ongekende bron van creativiteit en flexibiliteit worden. Want die potentie heeft elke school in zich. Laat los, laat los. Laat groeien en bloeien. En laat dat snoeien nu eens achterwege. Koester nieuwe technieken, social media, apps en smatphones. Maar koester ook je Meester S.

 

 

Koud

Trevi Fountain - Rome, ItalyIk behoor tot de categorie mensen die het geregeld koud heeft; wat dat betreft lijk ik wel een vrouw ( fluistermodus: “Net een kikker, want altijd grote bek en koude poten” ).  Ik loop nu het risico dat dit mij op woedende reacties van vrouwelijke volgers komt te staan, maar dat is dan maar zo. Thuis, in de auto en op vakantieadressen stook ik de kachel dus geregeld tot astronomische hoogtes. Toch kon ik tot voor kort thuis stoken tot ik er bij neer viel, het hielp niet echt. Lieden die ons huis naderden zagen altijd grote rookwolken uit de schoorsteen komen, waar omliggende huizen slechts af en toe een kringeltje de lucht inbliezen. Kieren en gaten werden dicht gestopt, met als gevolg – naar onlangs bleek – optrekkend vocht langs de muren. Vóórdat het pand nu helemaal in een door zwammen en schimmels overwoekerde koude en tochtige ruïne veranderde, moest er dan toch maar worden ingegrepen.

Allereerst werd ander dubbel glas besteld en daar zaten ook roostertjes in die zorgden voor de ventilatie. De oude roosters had ik zó hard dicht gedraaid, dat die ook met grof geweld nooit meer open gingen. Daarnaast besloot ik de stoute klusschoenen maar weer eens aan te trekken door het vervangen van enkele radiatoren. Eentje gekocht op internet bij een vaag bedrijf in Engeland, en later nog eentje op Marktplaats, want die dingen bleken nog schrikbarend duur, en zwaar bovendien. Er volgden weer dagen gevuld met constant heen en weer rijden naar de Karwei, want ik maak nooit een plan en bereken altijd alles verkeerd. Zo’n bouwmarkt maakt er altijd een halszaak van om in de beschrijving van aangeschafte dubbele knietjes, knelkoppelingen, haakse aftapkranen termen te gebruiken die het voor de leek nog veel onbegrijpelijker maken, dus ik koop overal altijd maar veel te veel van, er is altijd wel iets dat wél past en de rest breng je gewoon terug. Als je dat tenminste niet laat verslonzen of dat je de bonnetjes kwijtraakt, wat mij ook geregeld gebeurt.

Je rekent een dag voor het vervangen van zo’n radiator. Da’s ruim, maar dan heb je ook wat. Op de oude bleek echter geen aftapkraan te zitten, dus ben ik in de vrieskou ongeveer de hele dag bezig geweest met het opendraaien van het ontluchtingskraantje, daar een klein leeg bakje van Hertogh IJs onder te wurmen en dat vervolgens weer leeg te kieperen in een hele serie om mij heen gedrapeerde grotere emmers en bakken. Na drie dagen bivakkeren in pooltemperatuur hingen de radiatoren dan eindelijk, waarbij ik ook nog een halve dag moest uittrekken om alle knelkoppelingen nóg knellender aan te draaien, want die dingen hebben een hekel aan mij. Her en der deden de nieuwe verbindingen ernstige pogingen om op de Treviaanse Fonteinen te lijken, en ook de aansluiting van de vulkraan bij de oude cv-ketel liet zich niet onbetuigd. Ook daar lag ik als een slangenmens in het halfduister in een plas water te klungelen met tangen en slangen die niet wilden passen.

Ik kan veel, maar niet alles, dat blijkt. En aangezien de nieuwe radiatoren groter waren en de 17 jaar oude cv-ketel nu wel heel erg zijn best moest doen om dit allemaal te behappen en enge borrelgeluiden produceerde, werd besloten om dit toestel dan maar uit zijn lijden te verlossen. Nu ben ik een gadgetfreak, dus ik was één van de eersten die een Toon aan de muur hadden hangen – voor de leek: een hippe thermostaat die elk aan/uit-lampje registreert en elk kuubje teveel aan gasverbruik haarfijn in grafiekjes laat zien. Een tablet aan de muur, die echter niet met alle kachels naadloos samen ging, ook niet met mijn oude Nefit. Dat moest de nieuwe ketel dus wel, en daar ik in het onderwijs zit en dus armlastig ben ging ik op internet op zoek naar een niet al te duur alternatief.

Het werd een Remeha. Eigenlijk zelden van gehoord, alleen bekend van een tv-reclame waarin een irritant koortje die naam door de kamer liet schallen. Maar, zoals dat op internet gaat, je leest ook ervaringen van gebruikers, en die waren allemaal positief. Dat is al vrij uniek, want meestal zoekt men het internet op om zijn gal te spuwen, iets waar ik ook nogal een handje van heb. Het bleek ook dat de firma Remeha al 80 jaar bestond en dus een soort van verjaardag vierde: bij aanschaf van een ketel kreeg je €80 terug. Verder zoeken en een bedrijf gevonden dat de boel vakkundig kon installeren.
Zo verschenen afgelopen week in de vroege ochtend, begeleid door een stalende zon, twee opgewekte types met een zwaar Twents accent die in een mum van tijd de oude loodzware ketel omlaag zeulden en de nieuwe lichtgewicht installeerden, die pijpen bogen zonder dat ze totaal scheef zaten of ergens binnen ‘krak’ zeiden, die klemkoppelingen in één keer losjes aandraaiden waarna geen druppeltje water te voorschijn kwam, en die géén koekje bij de koffie hoefden. Koffie die ze pas wilden nadat de klus geklaard was.

Heel zachtjes zoemt nu, een bescheiden plekje innemend, mijn nieuwe Remeha; de Toon laat nu al een sterk dalend verbruik zien. Ik krijg straks €80 euro terug. Dat mág ook wel, want afgelopen week deed ik – ook zo’n vreselijke tegen-op-zie-klus – mijn belastingopgave. Waar ik eerst altijd iets van €500 terugkreeg, mag ik nu plotseling €1700 bijbetalen. En die ketel was toen al besteld. Maar er is nog hoop. Wanneer ik de ketelfabrikant maar op een aardige manier feliciteer met de 80-ste verjaardag, maak ik kans om het aankoopbedrag weer terug te krijgen. Bij deze dus: heb meelij met mij, Remeha, en gefeliciteerd met uw verjaardag.

Piloot

pilootWie dagelijks met wreedheden en horror-beelden geconfronteerd wil worden, moet eens op Twitter of YouTube of Facebook kijken. Die horror-beelden waren er natuurlijk vroeger ook al, we hebben niets geleerd van de geschiedenis en het laagje beschaving is maar flinterdun, maar toen kwamen ze wat lastiger tot ons. Vaak werd er ook nog een soort censuur toegepast of iets van een filter, delen van foto’s en filmpjes werden geblurd, maar nu kan iedereen met een mobieltje die ergens met zijn neus bovenop staat de narigheid direct de wereld in slingeren. En dat zien we dan gelijk, ook nog eens vele malen herhaald door eenieder die wij op de een of andere manier volgen. 18-plus bestaat niet meer, er wordt niet meer gewaarschuwd, pats, het staat gelijk op je netvlies, of je nou zes of zestig bent.

Wat doet dat met je? Of doet dat überhaupt nog iets met je. Mogelijk zijn we al zó gehard, dat we alles zonder blikken of blozen tot ons nemen en opslaan in de gruwelhoek van onze hersenen. Ooit zag ik, vermoedelijk zal ik rond de veertien jaar zijn geweest, een filmopname uit de Vietnam-oorlog, waarbij een Zuid-Vietnamese generaal een Vietcong-strijder op straat eigenlijk zonder waarschuwing door het hoofd schoot. De foto’s kent iedereen wel, het filmpje is wat minder bekend maar zonder twijfel overal op YouTube te vinden. De man viel als een lappenpop op straat, er spoot van alles uit z’n hoofd. In zwart-wit, ik zie het nog in detail voor me en word weer naar als ik er aan denk. Het heeft heel lang door mijn hoofd gespookt, samen met een ander naar beeld, een stuk onschuldiger, maar voor mij toen niet minder schokkend: een merel die onder het wiel van een langsrijdende bus werd verpletterd. Een jongen van 14 raakt overstuur door het doodschieten van een mens en het platrijden van een merel. Zo zat ik als kind in elkaar, en zo zitten kinderen volgens mij nog steeds in elkaar. Doet het ze helemaal niks, dan is er volgens mij iets heel ernstig mis.

In mijn lessen heb ik het geregeld meegemaakt: een groepje leerlingen gebiologeerd en opgewonden achter het computerscherm of het mobieltje. “Meneer, kijk eens!”; en daar wordt dan iemand z’n keel doorgesneden door een groep Jihad-strijders. Op zulke momenten kan ik woedend worden. Ik verbied ze te kijken, ik kijk zelf ook niet, ik zeg dat ik met de beste wereld niet snap hoe ze naar zulke beelden kunnen kijken. “Ach meneer, je ziet het overal!”, en ze gaan weer vrolijk bezig met andere zaken. Ze zijn nauwelijks ouder dan ik met mijn doodgereden merel toen.

Wat is er met deze wereld en met ons aan de hand? We zijn langzamerhand knettergek aan het worden, en we lijken het niet in de gaten te hebben. Wie er wat van zegt is een softe sukkel, moet niet zo zeuren, want zoiets is toch deel van de wereld tegenwoordig en ongeveer normaal? Ik ben dan maar zo’n softe sukkel. Ik wil het niet zien, ik steek mijn kop dan maar even in het zand, hoewel het meestal al te laat is.

Ook ik zag deze week ongewild en ongevraagd de Jordaanse piloot in vlammen opgaan; de filmpjes klikte ik in de eerste seconden weg, voor de foto’s is zoiets niet mogelijk. Je ziet ze toch. Je ziet de nieuwe niveau’s en hoogten van onmenselijkheid weer langs komen en slaat ze onbewust op, terwijl je dat juist niet wilt. Ik wíl niet harder worden, gehard worden, onverschillig voor geweld in welke vorm dan ook. Dit geestelijk geweld, want dat vormen die beelden, gaat mijn bevattingsvermogen te boven en dreigt mijn geloof in het laatste restje menselijkheid wat we nog zouden kunnen bezitten, te ondergraven. En dat laat ik mij niet afnemen. Ik heb geen beelden nodig, ik kan mij er zó al voorstelling genoeg bij maken.

Nee, het internet hoeft niet gevuld te zijn met bloemetjes en bijtjes en foto’s van lieflijke landschapjes. Maar er zit langzamerhand zoveel rotzooi in onze geest dat zelfs daar haast geen klein beetje ruimte meer voor is. En dat zou zoveel schelen.

Het breken van Tarik


journaalDonderdagavond, half Nederland zit amechtig bij te komen van de ADHD-explosie van Mathijs van Nieuwkerk en zijn altijd maar weer dezelfde en zichzelf promotende gasten; we zijn klaar voor het journaal. Maar dat komt er niet. We moeten even geduld a.u.b. hebben, “wegens omstandigheden”, en dat geduld is behoorlijk even, want nog nooit is met zoveel intense spanning en zó lang naar een even geduld-scherm gekeken. Hadden we geen twitter en geen andere zenders, dan hadden we de tv uitgezet en waren we gaan mens-erger-je-nieten of iets anders zinnigs gaan doen.

Maar nee, een gewapende man is de journaal-studio binnen gedrongen, en we wachten dus op live beelden van slachtpartijen in de trend van Charlie Hebdo. Het Wilders-kamp hoopt op een moslim, het anti-Wilders hoopt ernstig van niet, want de verkiezingen zijn nabij en dan kun je scoren. Er was deze week eigenlijk nog geen wereldschokkende sensatie, inmiddels verwend als wij zijn, dus het werd langzamerhand wel weer eens tijd. Via de social media komt nu meer nieuws tot ons, alsmede een brief, waarvan bij lezing opvalt dat er nauwelijks taalfouten inzitten en die wanneer je op de inhoud afgaat doet vermoeden dat we hier met een gestoorde gek te maken hebben.

En dan komt het bizarre filmpje: we zien een keurig geknipte en geklede jongeman, een beetje type computer-nerd, die wat zenuwachtig heen en weer loopt maar zeer beschaafd en rustig sprekend een gesprek voert met een ander persoon die ook al zeer beschaafd en rustig spreekt, maar die buiten beeld blijft. Geen terrorist, geen brullende in het zwart geklede jihadist met een band om zijn hoofd en een kalashnikov. We zien een jongen, naar nu blijkt een veelbelovende student aan de TU-Delft, toch niet de minste opleiding, die op zijn Facebook-pagina getuigt van een normale interesse voor iemand van die leeftijd, die behoorlijk wat vrienden heeft en keurig in pak poseert op diverse plaatjes maar die wél een redelijk bizarre achtergrondfoto op zijn profiel heeft staan. Hij heeft er een briljant zelfgemaakt filmpje van de Icebucket Challenge geplaatst; elk zichzelf respecterend mediabedrijf zou zo’n knaap aannemen. De ideale schoonzoon ook.

Maar ergens is er bij hem iets geknakt. Dit filmpje werd niet zijn meest bekeken filmpje; dat werd het filmpje dat inmiddels de hele wereld over is gegaan, het filmpje waarin we een tragische jongen zien die een nog veel tragischer vergissing beging op het moment dat hij daadwerkelijk z’n neppistool te voorschijn haalde en daarmee een weg insloeg waarbij hij niet meer terug kon. De fout van iemands leven, bijna live in beeld, voor miljoenen in de hele wereld getoond. Ergens in zijn hersenen is een knop omgegaan, en tegenwoordig blijft dat niet zonder gevolgen. We zagen een filmpje waarin iemand geestelijk brak onder de druk van de ratrace die het leven dit jaar in steeds heftiger vorm schijnt te zijn. Die jongen is voor altijd, waar hij later ook solliciteert, die Tarik Z. van die actie in de studio. Een hoofdrol in een onwerkelijk slecht gespeelde scene uit Flikken Mediapark. Met het licht van de studio, het haarscherpe beeld, het kartonnen decor, het typische studiogeluid en dan een stuk of wat agenten die uit dokter Deen leken te zijn weggelopen. Onecht, onwerkelijk, en daardoor misschien ook de oorzaak dat niemand in paniek leek te raken, dat iedereen zorgvuldig articulerend zijn rol leek op te lezen en dat de media zich massaal, maar dan ook massaal op de held van de week stortten, de portier van de studio, die met zijn houding ongeveer de hele wereld van de ondergang gered leek te hebben. Vermoedelijk wacht hem een ontvangst op het bordes, een hand van Rutte, een schouderklopje van Opstelten en een horloge met inscriptie. We kunnen blijkbaar niet meer zonder held, en ook niet meer zonder schurken.

Tarik wacht massale vernedering, schande, en straf, die hij overigens wel heeft verdiend. Toch heeft hij iets theelichtjes-gooierigs, een eenling die het probeert op te nemen tegen een in zijn ogen verwerpelijk systeem, waarna het systeem hem met bloedkolder in de ogen wil vernietigen. Ik heb medelijden met hem, ik hoop op een korte straf, meer nog op psychische hulp om hem weer uit dat geestelijke gat te trekken om hem een nieuwe kans te geven, met een andere identiteit desnoods. Was ik directeur van een bedrijf in de media-wereld, ik zou hem na het uitzitten van zijn straf zéker aannemen. Het lijkt me een jongen die nadenkt over deze wereld, over wat er mis is en hoe dat anders kan. Alleen, zijn oplossing pakte volledig verkeerd uit, hij draaide door, “wegens omstandigheden”. Die wereld pakt hem nu nog veel harder terug. En dan win je niet. Treurig, maar waar.

Schouderklopje

zakdoekjeHuilende meisjes, ik kan er niet tegen. Huilende jongens, ook zo wat. Maar wel zielig. Ik werk in het middelbaar onderwijs, en in tegenstelling tot alle blije en hippe reclame van leuke scholen en bij ons is het vèt kicken is die schooltijd voor bepaalde leerlingen niet altijd even ‘onwijs gaaf’ . Meestal wel, hoewel ik koude rillingen krijg van het tenenkrommend enthousiasme waarmee veel scholen hun marktwaar aan de man brengen en ronkend snuiven dat het met de begeleiding wel snor zit. Een leerling die flierefluitend en blij op zijn mobieltje turend door de school heen fietst, heeft een gouden tijd, en een veilige tijd.

Er zijn dus leerlingen voor wie de schooltijd een complete hel is, een tijd die je verplicht tot aan je achttiende moet ondergaan. Vanaf de kleuterschool tot ver in het middelbaar onderwijs een regelrechte marteling, als je pech hebt. Sommige mensen hebben altijd pech. En soms krijg ik er zo eentje in mijn kantoor. Een onschuldig kantoor, gewoon van de decaan, waar je als leerling rustig aan kunt kloppen zonder dat anderen denken van o, die zit psychisch in de knel. Want zulke kantoren hebben veel scholen ook; daar zit de leerlingbegeleider voor leerlingen met privé-problemen. Of er een sirene loeit en een zwaailicht aangaat en of er een grote vinger uit het plafond neerdaalt en een stem die brult: HIER STAAT EEN ZIELEPIET!

Wanneer ik terugkijk naar mijn eigen schooltijd, mag ik denk ik niet al te veel klagen. Ik had niet veel vriendjes. Een binnenvettertje, een stil watertje met diepe gronden, en altijd zo gebleven trouwens. Maar ik werd niet gepest, dat scheelt. Ik had een meester die soms sloeg. Dat was toen geen probleem, maar mij sloeg hij nooit. Je had toen ook geen ouders die in schuimbekkende razernij die meester voor het oog van een ijverig met de mobieltjes filmende en fotograferende klas wel eens eventjes in mekaar kwamen rossen. Ik pestte zelf wel: Iris, Iris, stinkende kalk, huilebalk, en daar gíng ze weer. In koor riepen we dat…Wat een naar jongetje was ik dan eigenlijk, misschien had ik daarom wel niet veel vriendjes. Je had toen nog geen Facebook en Whatsapp; was dat wel het geval geweest, dan had ik misschien vijf namen in mijn lijstje staan.

Zulke kinderen – het blijven kinderen gedurende hun hele schooltijd – met vijf of minder namen in hun vriendenlijstje, bestaan nu wel. Of met helemaal geen Facebook, omdat je niemand hebt om toe te voegen, en als je dan toch een account aanmaakt, en een berichtje plaatst, dan is er niemand die het leest… Misschien is gepest worden tegenwoordig wel dubbel zo erg: geen vrienden in het echt, en geen vrienden op social media. Helemaal niet social dus. Het heeft iets van in je eentje dineren in een restaurant en dan om je een houding te geven maar een telefoontje te plegen of te Whatsappen met een niet bestaand figuur.
Op school pik je ze er eigenlijk vrij snel uit. Niet omdat ze er anders uitzien of zo, het pesten is vaak gebaseerd op nauwelijks te onderscheiden subtiele vormen van ‘anders zijn’, de hele schoolloopbaan door. Vlucht je daarom van de ene school, dan is het na een week op de andere school al weer raak.

En zo krijg ik dus af een toe een leerling in mijn kantoor waarvan je bij binnenkomst direct weet: er is meer aan de hand dan alleen maar een gesprekje over een vervolgstudie of wat voor baan moet ik nou zoeken. Het is een instinct, zeg maar. Leuke meiden om te zien, aardige jongens met een hipsterbaard en na wat doorvragen valt dan ineens het masker af en komen de tranen, komt het eigenlijke probleem. Een snotterende grote knul, een meisje dat haar make-up hevig verpest. “Neem even een zakdoekje, want je maakt vlekken op mijn bureau, maar droog je tranen niet te snel, want de voorraad zakdoekjes is beperkt”.
Gelukkig komen ze niet dagelijks. Ik werk op een school waar heel weinig gepest wordt, waar geen bewakingspoortjes staan, waar nauwelijks vernield wordt en waar ik mijn kantoortje niet hoef af te sluiten. Een veilige school dus, een warm bad voor naar verhouding vrij veel leerlingen die ergens in hun leven in hun vertrouwen in mensen een flinke knak hebben opgelopen maar die dat hier eindelijk een beetje kunnen herstellen. Hier bloeien ze op, maar een enkeling bloeit niet, die kwijnt verder weg. En dat is frustrerend. Alle mooie protocollen ten spijt, soms lukt het gewoon niet. “Geef jij jezelf wel eens een schouderklopje voor de spiegel?”, vraag ik vaak. Maar nee, dat durven ze niet, want waarom zou je jezelf een schouderklopje geven als niemand in je gelooft en je daardoor jezelf ook niet meer gelooft? Een schouderklopje wordt zo een gemene slag in het gelaat.

En tóch geef ik die schouderklopjes. Er is altijd wel iets waarvoor je dat kunt doen. In een tijd waarin scholen steeds verder gekort worden op de gelden en mogelijkheden voor leerlingbegeleiding is zoiets gratis, alleen we doen het veel te weinig. Verlies aan zelfvertrouwen is op die manier voor een behoorlijk deel te compenseren. O, kun jij zo mooi tekenen? Zet ze eens op  Facebook, plaats ze eens op Twitter of op Instagram. Dan ga ik ze liken, en ik heb veel volgers, dan gaan meer mensen dat liken. Een gruwelijke verbastering, dat ‘liken’, maar in een tijd waarin je sociale geaccepteerdheid voor veel pubers afhangt van het aantal virtuele vrienden, kan zoiets belangrijk zijn. Een virtuele vriend is soms beter dan helemaal geen vrienden in het echt. Die komen dan, als het een beetje loopt, en als die leerling ook zichzelf weer op de schouder durft te slaan, vanzelf wel weer.

Dus ik luister, ik geef mondelinge schouderklopjes én ik zorg voor voldoende voorraad zakdoekjes. En ik like. Het is niet veel, maar alle beetjes helpen.

Ode aan de Frikandel

frikandel“O, frikandel, als ik uw gerimpeld uiterlijk aanschouw,

wijl u daar zo wulps onder het rode warmhoudlicht uw geuren spreidt,

dan word ik hulpeloos verscheurd door innerlijke strijd,

of ik wel nou wel of niet van uw verrukkingen proeven zou”

Ja, ik weet, het rijmelt voor geen meter, maar voortdurend knagende honger ontneemt een mens lichtelijk de zinnen. Ruim drie weken ben ik bezig nu met lijnen, en dat lukt tot op heden redelijk.

Het geval wil echter, dat mijn gade een week  lang, geheel opgaand in eigenbelang, is afgereisd naar de wintersport. Dat gebeurt elk jaar, ik ervaar dat voor mijzelf als een soort mengsel van Guantanamo Bay en Hemel op aarde. Je kunt namelijk dingen doen waarbij je je anders altijd schuldig voelt en schichtig om je heen moet kijken. Razendsnel een zak chips – paprika geribbeld – leegvreten of zo. Het is dus wisselend al naar gelang het moment en de stemming van de dag. Tot het gevangenisdeel behoren het eeuwige opruimen en de rommel die zich als een soort razendsnel woekerende zwam om je heen verzamelt. Vanochtend bij het karige ontbijt ontdekte ik het eerste vliegje, dat zich in hinderlijke rondjes om mijn hoofd bewoog. ’t Is ook opvallend hoe snel zo’n gootsteen z’n roestvrijstalen glans verliest, en hoe lang het duurt voordat je de afwasmachine aan kunt zetten omdat hij dan eindelijk vol is. De hond doet daarnaast ijverig en enthousiast zijn best om zijn vacht in negen dagen geheel te vervangen, en wil dan ook nog eens minimaal drie keer per dag worden uitgelaten. Het beroep van huisvrouw is dus een hoogst irritant beroep, omdat je daarnaast ook nog leuke dingen van het hemelse gedeelte van zo’n week wilt doen: in elk geval één keer de Chinees laten aanrukken; daar eet je dan weer twee dagen van, en de overgebleven mini-loempiasaus kun je later in de week weer ergens anders over knikkeren.

Maar het allerergste, en nu beland ik weer volledig in een wereld van kwellende marteling, is toch wel het nu geheel ontbreken van controle op het niet snoepen, iets wat ik mij aan het einde van 2014 driftig had voorgenomen. Je gaat er van hallucineren, lijkt wel, frikandellen in het schoolrestaurant lijken ineens op zachtjes schommelende vrouwenborsten. Onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer een man een kwartier per dag naar deze lichaamsdelen in ontblote staat staart, hij ruim tweeëneenhalf jaar langer leeft. Alle reden dus om toe te happen. Bij gebrek aan boezems deze week staar ik me dus helemaal suf naar o.a. bitterballen, kroketten, smulrollen en broodjes bapao. Dat wordt later zeker vijf jaar extra. Ik leef dus nu in een wereld vol verlokkingen, gevuld met Sirenen op eilanden en overal een Lorelei op dreigende rotsen.
Ik was vanmiddag, na al het heen en weer gevlieg tussen school, thuis, hond uitlaten door, even voor de hoogstnoodzakelijke boodschappen bij Albert Heijn. De Mona-toetjes zijn in de aanbieding; of je over de Wallen loopt. Grote zakken hoestmelange op de kop van de schappen, bonusaanbieding. Mijn oog glijdt langs koekjes, suikerbrood, geile zakken chips, hitsige brokken taart 35% afgeprijsd. De super is een poel van zonde die ik bevend achter mij laat. Ik moet niet omkijken, want ik woon in Barneveld, door de Heere uitverkoren dorp, en daar verander je snel in een zoutpilaar. Abraham rijdt bevend in zijn Zafira naar huis, een tas vol karige, goor smakende dingen en een zak hondenvoer ( ja dat is dan voor de hond ).

Zometeen moet ik dus aardappels schillen ( twee stuks ) en een zak hermetisch verpakte bietjes ( houdbaar tot het einde der tijden ) open trekken ( schaar of zaag nodig ). Maar ik ben niet helemaal gek: ik heb er een speklapje bij gedaan, als een soort verzetsdaad tegen al dit onrecht. En als alles gaar is en pruttelt en spettert, ga ik eenzaam en verlaten met mijn bordje op schoot ( er is er nog eentje schoon ) zappend voor de buis zitten, onder- zo voelt het aan – kil en koud gevangenislicht. “Ping!” spreekt mijn mobieltje tot mij: mijn vrouw stuurt via Whatsapp foto’s van fraai besneeuwde landschapjes en van een uitgebreid Frans diner: “We vermaken ons hier prima en het eten is weer heerlijk!”

De hond zucht en kijkt mij aan, nadat hij binnen één minuut zijn brokken, jaar in jaar uit dezelfde, naar binnen heeft geschrokt. Wij begrijpen elkaar.