#JesuisWauwel

charlie

Het zijn barre tijden, onzekere tijden. De wereld is nog nooit zo oorlogszuchtig geweest, lijkt wel, en dat geldt ook voor Twitter. We vlogen elkaar al enthousiast in de haren, maar sinds de aanslagen in Parijs lijkt dit enthousiasme geen grenzen meer te kennen. We zijn ineens allemaal Charlie, of Ahmed, of Juif, en waar je eerst duidelijk stelling kon nemen vóór of tegen Moslims, Joden, links, rechts, vegetarische en vleesetend, noem maar op, is dat er nu niet makkelijker op geworden.

Ik volg op Twitter een breed scala aan accounts, en dat probeer ik een beetje eerlijk te verdelen tussen bijvoorbeeld bovengenoemde groepen. Wilders volg ik niet, maar ik zou dat eigenlijk toch maar eens moeten doen, even een note-to-self. Ik word ook door een breed scala aan accounts gevolgd, en de mensen die mij nieuw volgen, volg ik als het enigszins kan ook weer terug, enkele volslagen idioten daargelaten. Zo trekt er dagelijks dus een zeer gevarieerd aanbod aan tweets aan mij voorbij, en ik denk dat dit een redelijke afspiegeling is van de wereld om mij heen. Anders dan in de echte wereld, kun je sommige lieden ook geheel blokkeren, wanneer ze het naar je mening te bont maken. Klik op ‘blokkeer’, en je hoort en ziet er in principe nooit meer wat van. Zelf heb ik het blijkbaar ook te bont gemaakt voor anderen, want ik denk dat ik door een stuk of tien personen geblokkeerd ben: misschien wegens beledigend, te grof, niet christelijk of islamitisch genoeg, te christelijk of te islamitisch, te veel frikandellen op Twitter gepropageerd, te links of te rechts, het kan van alles wezen.  Ideaal eigenlijk, want zo ben je elkaar niet tot last. Zo’n knop zouden we in het echte leven ook moeten hebben: geen zin meer in links of rechts gebral? Hup, weg! Nooit meer ergernis. De wereld een stuk simpeler.

Nu zit ik geregeld boven op de kast, wanneer ik iets op Twitter lees, dat gaat volgens mijn gade nogal makkelijk. Zij heeft niets met Twitter, leeft dan ook een stuk rustiger volgens mij. Is ook geen nieuwsjunk zoals ik, die alles wat maar te lezen en te zien is in grote bergen tot ongeveer kokhalzen aan toe naar binnen slurpt. Ik wil alles weten, alles zien, terwijl het eigenlijk welbeschouwd geen ruk toevoegt aan je dagelijkse leven. Nieuwsverslaafd, twitterverslaafd, overal een mening over, en die dan gelijk spuien in 140 tekens, al dan niet met ( bewerkt) plaatje erbij. Dat brengt risico’s mee. Waar we vroeger ’s ochtends en ’s avonds het nieuws tot ons namen uit de krant of via de radio of tv, wordt het nu 24 uur per dag over ons uitgestort. Waar we vroeger eerst iemand op moesten zoeken om ons beklag te doen of onze frustraties te uiten, doen we dat nu direct en zo luid mogelijk op internet. We hebben een onstuitbare uitingsdrang op zoek naar zelfbevestiging van onze oordelen. Maar bij wie hoor je nou eigenlijk nog? Waar tot voor kort in Nederland het gros van de bevolking nooit van Charlie Hebdo gehoord had, willen we nu allemaal daarbij horen, ongeacht onze belabberde beheersing van de Franse taal. Maar het staat nu eenmaal even ongelooflijk hip wanneer je tijdens het werken op je MacBook in het internet-café een Charlie Hebdo naast je Latte Machiato hebt liggen. Je hoort dan tot de schaarse groep intelligentsia die pretendeert politiek correct  te zijn én de Franse taal te beheersen én met een MacBook in een internet-café te werken. Daar zijn er maar 500 van in Nederland, van dat blad dan. Heb je pech, dan print je de voorpagina op ware grootte uit en plakt hem over de Metro. Heb je daarna stiekem tenminste nog iets te lezen, ook als niemand kijkt.

Wie netjes in de leer links is, is natuurlijk vóór de Islam en tegen de vuile Joden die door de PVV in het zadel worden gehouden. Wie netjes rechts is stemt natuurlijk VVD ( in zijn of haar hart eigenlijk PVV maar dat is voor Tokkies ) en trekt ten strijde tegen middeleeuwse en barbaarse Moslims en alles wat maar enigszins naar communistische milieufreaks neigt, en verdedigt het voortbestaan van Israël te vuur en te zwaard. Nu wordt het even lastig: die aanslag op Charlie Hebdo was door Moslims die de profeet verdedigden, maar de aanslag op de Joodse supermarkt ook, terwijl je toch eigenlijk voor moslims en tegen Israël was of omgekeerd, en wat voor hashtag moet je nou achter je tweets zetten?  Is even een lastige spagaat als je ergens uitgesproken bij wilt horen. Je gaat dus ’s ochtends om 5:00 uur in de rij staan bij de boekwinkel om een blad te kopen waar je tot voor kort volslagen niks mee had, maar ja, je wilt tenslotte ook een statement maken.

Misschien moeten we eens even terug naar nul, even niet voortdurend statements willen maken, even liever gewoon #JesuisMoi-Même zijn. Op alle gebied. De hijg er uit. En dan eens rustig met mekaar in gesprek. Leren luisteren in plaats van roepen. De meeste Moslims zijn aardig, de meeste Joden ook, de meeste linkse en rechtse mensen ook.

Voornemen

dikzakIk ben al enige jaren 9 maanden zwanger, en wat eerst een eenling was lijkt nu de proporties van een drie- of vierling te hebben aangenomen. Althans, dat is wat ik bij voortduring van mijn gezinsleden te horen krijg, of bewoordingen in die strekking. Je bouwt daardoor als man een bepaalde olifantenhuid op en trekt nog maar eens een familiepak Lays open. Paprika geribbeld, dat is wel het summum.

Toch knaagt het. Ik word bij voortduring herinnerd aan allerlei klussen die op de meeste momenten heel hinderlijk uitkomen en mij in belangrijke bezigheden zoals zappen voor de buis of twitteren op mijn mobiel niet schikken. Ik heb meer te doen, ja! Zo word ik een aantal malen per jaar gemaand om de plint achter de bank eens vast te zetten. Die ligt al los sinds ik (!) een jaar of vijf geleden een nieuwe vloer gelegd heb, maar dat ding zit tenslotte voor het grootste deel achter de bank en dat kleine stukje dat uitsteekt ziet toch haast niemand. Ik denk trouwens dat wereldwijd losliggende plinten op nummer 1 van de top-5 onafgemaakte klussen staan. Vrouwen kunnen in het gezeur over dat soort rotwerkjes soms toch zó hinderlijk aanwezig zijn.

Rond Oud en Nieuw pleeg ik altijd in een peinzende stemming te verkeren, met soms wat goede voornemens en zo, en daar twitter ik dan wel eens over, bijvoorbeeld dat ik die plint dit jaar ga vastzetten. Dat had vervelende gevolgen, want prompt hing er een journaliste van het Algemeen Dagblad aan de lijn die daar wel eens wat meer over wilde weten. De dag daarop stond ik in de afdeling neuzelnieuws met mijn plint-plan. Zoiets schept dus verplichtingen. Nu ben ik een paar dagen vóór de jaarwisseling ook begonnen met minder snoepen. Een documentaire van een Belgische journalist, mij veelbetekenend doorgestuurd door mijn gade, gaf de doorslag. Het blijkt namelijk dat de gemiddelde westerling per jaar zo’n 45 kg aan toegevoegde suikers naar binnen werkt. Mijn buik heeft ongeveer ook het formaat van 45 van die pakken, en de feestdagen dragen ernstig aan zoiets bij.

We zijn dus nu  bijna twee weken verder, en ik kan u de blijde mededeling doen dat ik nog geen snoep, koekje of toetje heb aangeraakt. Sterker nog, ik ben op allerlei manieren ongewoon fit bezig. Ik eet dadels en vijgen ( gruwelijk ). Bij de Aldi heb ik een gymnastiekbal gehaald om die op mijn werk in het onderwijs als bureaustoel te gebruiken.Het gewiebel op zo’n ding schijnt ook iets aan je spier- en vetvolume te doen. Het oppompen was een bezoeking op zich en genoeg om voor de rest van het jaar voldoende lichaamsbeweging te hebben gehad. Een en ander moest ook nog steels verdekt in een hoekje van mijn kantoor gebeuren, want anders stond ik daar door de glazen deur vól in het gezicht van de leerlingen. Een dergelijk stuitende aanblik wil je de tere puberziel toch besparen. Terwijl  ik badend in het zweet en hijgend als een stoompaard met de schoolfietspomp de bal te lijf ging, werd er op de deur geklopt en trad direct een meisje binnen.

“Wat bent u nou aan het doen???”
“Ik pomp mijn bal op, dat zie je” hijgde ik met een haast ontploffend hoofd, terwijl ik buiten adem steun zocht bij het bureau. “Op mijn leeftijd moet dat, het is beter voor je”, voegde ik er om het nog erger te maken aan toe, nog steeds niet beseffend hoe verkeerd deze opmerkingen zouden kunnen worden uitgelegd om vervolgens op Facebook en Twitter te worden verspreid, vergezeld van een haastige mobieltjesfoto waarop Wauwel, paars aangelopen, ernstige pogingen deed zijn bal op te blazen.

Maar goed, dit stukje wordt dus al wiebelend en verend voor u geschreven ( ik heb er nu ook eentje voor thuis), en er inmiddels flinke pijn in mijn rug van. Van voorovergebogen een plint weer aan de muur vastzetten kan voorlopig dus geen sprake zijn. Ik smácht trouwens naar een zak Kruidvat-drop.

The End

hippie-hippies-30622484-427-432Terwijl op de Radio de Top 2000 het nummer “The End” van The Doors klinkt, lees ik ineens in de krant – kopje thee, beschuitje – dat mijn eerste grote liefde dood is. De grootste zit nog gewoon naast mij aan tafel, maar dit is wel raar. Ik kijk eigenlijk zelden naar overlijdensberichten, maar nu staat daar ineens haar naam. ‘Na een intens ziekbed overleden’. Dezelfde naam als toen, een opvallende naam waarvan er maar eentje kan bestaan in Nederland. Het kan niet missen. De plaats klopt ook. Haar voornaam kwam terug in diverse liedjes, en die zongen we dus altijd uit volle borst mee. We zongen ook mee met “The End”… Bizar is dit.

De jaren eind ’60,’70, een eeuwigheid geleden. Ik was een lelijk jongetje, vond ik zelf. Nu vinden alle pubers zichzelf lelijk, dus dat was geheel in stijl. Brilletje met redelijke jampotglazen ( een gruwelijk druppelmodel ), lang haar natuurlijk, broek met wijde pijpen en een zwaar opgevoerde paars met roze vlammen geschilderde Mobylette met een enorm stuur, geheel in de steil van Easy Rider. Maar ja, wél een Mobylette, en geen Puch. Altijd hopeloos verliefd op onbereikbare en ernstig mooie meisjes. Ik durfde nooit wat.
En toen op een middag was zij daar ineens, we liepen met een groep vrienden op een koud winters strand, en de bliksem sloeg in en het werd dertig graden en ik kreeg een hartstilstand. Zij had ook een bril met best wel jampotglazen, maar op dat moment voor mij wél de mooiste van de hele wereld. Sproetjes, donkerblond haar, lichte, grijsblauwe slaapogen ( met zo’n randje eronder ), een brede mond, die naar mij lachte en mij ongeveer de benen onder mij vandaan sloeg in dat ene onvergetelijke moment. Het allereerste fotootje, klein, een pasfoto, dat heb ik nog. Ik weet nog dat ik het kreeg; tijdens het door de sneeuw naar huis lopen stopte ik telkens om er even naar te kijken in het licht van de lantaarns.

Het was een gouden tijd, een zoete tijd, die volgde: de vrije jaren ’70, de eerste keer in de bosjes bij het pontje van Buitenhuizen, de zon scheen op haar lijf, het staat op mijn netvlies gegrift. Ik was een puber, ik leefde in een droom. Die eerste onbeholpen verkenningen, die er wel inhakken, waar je nog wel eens aan terug denkt. Het vrijen tijdens het inpakken van de Sinterklaas-surprises op haar kamer. Groot voordeel van een dergelijke activiteit is dat de ouders niet onverwacht binnen konden stappen. Er werd die middag niet veel ingepakt, wel uitgepakt. Alleen daarom al zou het sinterklaasfeest niet verloren moeten gaan. Pubers van nu weten namelijk niet wat ze dan missen. De bosjes bij het Kopje, ze waren van ons. Het meertje in de duinen op een lome zomerdag.

Ik dacht dat het eeuwig zou duren, die verkering. Zag mijzelf later samen oud worden. En dan mijn ouders die ons niet serieus namen, een kwelling, waar we ons nu zelf-  blijkbaar niets geleerd – ook vaak schuldig aan maken.
De twee weken logeren in het verre Rotterdam, en zij nog thuis, het leek een jaren durende marteling. Er was geen e-mail, er was geen WhatsApp, het was de steentijd. Stapels brieven heen en weer. De PTT had een groot deel van haar bestaan te danken aan het bezorgen van smachtende liefdesbrieven, met geurtjes, plukjes haar, beduimelde fotootjes. Hilarisch gezwollen taalgebruik, als je ze nu nog weer eens terugleest. Ik heb ze niet meer, jaren geleden gooide ik het beduimelde sigarendoosje, volgetekend met Flower Power-spul, weg.
De liefde – je mag van volwassenen zoiets natuurlijk geen verliefdheid noemen – ging toch voorbij. Er kwam gekibbel, er kwamen ruzies, we zaten niet meer op dezelfde school. Op Luilaknacht, in de Kennemer Sporthal ging het mis. Ik was daar niet bij, maar daar was wel een andere jongen. Alles werd naderhand keurig opgebiecht, maar het onbevangene was weg. De verkering brokkelde in de maanden daarna steeds verder af. Dood wilde ik, met veel gevoel voor drama natuurlijk. Een beetje jongere met liefdesverdriet denkt daar in zijn of haar jeugd een paar keer aan. Niet serieus natuurlijk, maar ook het zwelgen in verdriet, met bijbehorende muziek kan een heerlijk verslavend gevoel zijn. Wij zijn dat op onze leeftijd een beetje verleerd.

“Zoek haar eens op” zei mijn vrouw wel eens. “Ach nee, wat voegt het toe?” was dan steevast mijn antwoord. Ik ben nog wel eens door de straat gelopen waar zij woonde, ik weet het nummer nog precies. Nummer 18, en daarboven, schuin boven de deur, het lichtje van haar kamer, de gordijnen dicht, een vreemde die daar nu woonde. De tijd staat dan even stil, en de klok draait weer steeds sneller achteruit om een moment in het verleden tot rust te komen. Santana speelt weer ‘Samba Pa Ti’. Even was ik dan weer zestien, zeventien, achttien, negentien, de jaren tellen met de heerlijk lang durende traagheid van de jeugd, en even had ik mijn hele leven en zonnige toekomst weer voor mij.
Maar alles gaat door. We hebben geen tijdmachine die we naar believen kunnen gebruiken. Ik heb haar nog eens een vriendelijk weet-je-nog-berichtje gestuurd op LinkedIn, kreeg een vriendelijke weet-je-nog-reactie terug: “Natuurlijk herinner ik me mijn jeugdvriendje nog!”. “Jeugdvriendje”, dat zet alles weer in perspectief. En zo hoort het ook. Ik heb haar nooit meer gezien. Misschien zou ik haar niet meer herkend hebben. Misschien heeft het ooit gemaakt tot wat ik nu ben. Daar moet je niet te lang bij stil staan, het heeft geen zin. En nu helemaal niet meer. Ook al zou ik willen, het is geweest. Geen “Memories” voor mij. Waarom die mensen die elkaar in geen tientallen jaren gezien hebben, soms in tranen uitbarsten, na toch een heel ander en gelukkig leven te hebben gehad, ik snap dat nu.

“The End” zingen The Doors. Alles gaat voorbij. Definitief. We zouden toen altijd bij elkaar blijven, tot de dood. Nu is ze dood, koud, niet meer op deze aarde. Ik was er niet bij, wist er niet van, deed vermoedelijk iets onbenulligs. Er kwam geen signaal binnen, geen roep. Telepathie bestaat niet, gedachten overbruggen niet de tijd. De dood is een plek waar je nooit meer bij elkaar kunt komen voor een laatste blik, een kort gesprek, van hoe gaat het nou met jou na al die jaren en goh, je lijkt nog nét als toen.

Het is de laatste dag van het jaar. Definitief. Ik kijk naar mijn vrouw en denk: het nieuwe jaar wordt een goed jaar. Straks is het 2015. Geen jaren ’70.


Naschrift 4-01-14

Dat bericht in de krant van haar werk; het bleef knagen. De laatste week van mijn vakantie verliep anders dan ik dacht, het verleden leefde ineens zo maar mee. Een wervelwind van herinneringen. Een mailtje naar haar bedrijf, wanneer is de begrafenis. En gisteren was dan het moment dat ik, na ruim 40 jaar, haar nog één keer zag. Liggend in een kist, verborgen onder hout en bloemen en een fotolijst. Haar leven kwam voorbij in foto’s, en zij was niets veranderd, leek wel. Diezelfde lach. Ik had mij wel eens voorgesteld van hoe zij er nu uit zou zien. Want zo gaat dat, je houdt vast aan het beeld uit je herinnering. Een foto vervaagt, ons uiterlijk verandert, maar sommige herinneringen trekken zich daar niets van aan. In dit geval leek het gelijk op gegaan. Er waren toespraken, lief, en hartverscheurend soms.
Men draaide haar muziek, ‘hun muziek’, moet ik zeggen. Het was niet ‘onze’ muziek. Want ik hoorde daar niet bij, ben geen deel van hun leven geweest en zo moet het ook en zo is het ook goed. Het allereerste begin, daar was ik, en daar had ik een kortdurend plekje, wat ik meedraag in een klein stukje van mijn hart. Als laatste ging ik het zaaltje uit, op weg naar het graf. Nog één keer bleef ik heel even staan bij haar foto, geprojecteerd op de muur. Dag, hoe gaat het nu met jou na al die jaren, met mij gaat het goed, vaarwel. Vaarwel.

[youtube]http://youtu.be/JSUIQgEVDM4[/youtube]

’t Is vijf uur

imageWanneer je vroeger in een moment van eindeloos wakker liggen iets zinnigs wilde gaan doen, waren er diverse alternatieven: de lamp aan en gaan lezen, uit het raam staren naar de verlaten straten, een kop warme melk gaan drinken ( sommige vrouwen schijnen dat te doen, lijkt me gruwelijk ) of een Duitse tv-zender aanzetten, waar je uren mee kon kijken in de cabine van een treinmachinist die het ene na het andere station passeerde. Toen dat programma na jaren stopte, schijnt half Duitsland in opstand te zijn gekomen.

Nu pakken we onze iPhone en gaan op zoek naar wereldnieuws, spelletjes, of gelijkgestemden in de nachtkroeg van de grote stad die Twitter heet. Daar is het stil. De buitenlandse volgers en gevolgden komen voorbij, de tijdzones vormen de lege krukken naast je aan de bar. Je staart voor je uit en draait je virtuele glas rond. ’s Nachts is Twitter het beroemde schilderij van Dennis Hopper. Het kán ook niet anders dan een grote stad zijn. Er is geen plek waar een mens ’s nachts – en ook vaak overdag – eenzamer kan zijn. Zoiets brengt wél mooie dingen voort: literatuur die je opzuigt, schilderijen dus, foto’s van verlaten natte straten, spiegelend in het harde natriumlicht, waar de eenzaamheid van afspat. Jazz, bij een grote stad hoort jazz. Een desolate trompet, een traag ritme, de drum-brushes de sissende banden op glimmend asfalt. Je kunt je wentelen in eenzaamheid.

Midden in de nacht kwam er een tweet voorbij. Een foto van uitzicht over een nachtelijk Amsterdam, van iemand die daarbij moest denken aan dat schitterend melancholieke nummer van Ramses Shaffy: “Het is vijf uur”. In mijn optiek z’n beste nummer, je zou er spontaan van aan de drank of aan de sigaretten of aan een combinatie van beide raken. Het stráált de verlatenheid in de nacht uit. In Amsterdam heb ik trouwens ’s nachts nooit voor het raam naar buiten staan staren, wél in steden als New York, Los Angeles, Brisbane, Shanghai of Hong Kong. Geplaagd door jetlag, blikkend in de verlaten straten, elke stad slaapt toch op enig moment, behalve dan die enkele inwoners die daar eenzaam beneden je voorbij lopen of rijden, of die net als ik peinzend voor zich uit blikken, staand in dat enkele verlichte raam in de zwarte steenkolossen, als een soort kortstondig oplichtende verre sterren in de nacht van het bestaan. We seinen onze gedachten de wereld in, naar een kust die onbereikbaar is.
In de nachtkroeg van Twitter hangen de nachtbrakers aan de bar, hun leven overdenkend in zo af en toe een enkele tweet, die niet beantwoord wordt. Er is niemand die luistert, en hun geluid verwaait in het geraas van de stad die langzaam ontwaakt.
[youtube]http://youtu.be/iFYNZ2F8Xa8[/youtube]

 

Tider skal komme, tider skal henrulle

imageHet is de ochtend na de langste nacht van het jaar, die maar voort lijkt te duren. Bovendien zit ik hier dan ook nog eens in Noorwegen, waar alles nog donkerder, desolater en triestiger lijkt. Het weer werkt er ijverig aan mee; het mottert, met af en toe een flard natte sneeuw, en grauwe mistslierten drijven direct boven de met zwart water gevulde inhammen van de fjord. En dan is het hier nog zuid-Noorwegen. Echt licht lijkt het niet te worden, niet als de zon niet schijnt.

Ik kom hier geregeld; grauwe, verlaten oorden hebben een magnetische werking op wat grauwe, desolate personen zoals ik. Je vliegt er in een uurtje naar toe, opgestegen uit een nog redelijk fris groen ogend keurig aangelegd landschap, doorsneden met rechte lijnen en vierkante weilanden, een overvloed aan snelwegen met razend verkeer, en je landt in een zwart-bruine woestenij, aan donker water, bespikkeld met een triljard kleine eilandjes, een enkele auto op een kronkelende verlaten weg flitst onder je voorbij, en tussen de uitgestrekte dennenbossen ontwaar je hier en daar een huisje en wat lichtjes. Enige ordening valt er niet te ontdekken.
Het vriest hier ’s nachts, en de klimmende en dalende straten – er loopt niets recht – zijn veranderd in een ijsbaan waarop uw scribent zich met de moed der wanhoop naar een winkel begeeft waar ze naast vishaken, hengels, kloofbijlen, kachels, veel kachels, reusachtige mutsen en wanten ook van spijkers voorziene stukken rubber verkopen, die je onder je schoen moet bevestigen. Dat niet iedereen hier volslagen doodvalt is een raadsel. Het liefst zou ik hier mij op handen en knieën door de straten begeven, maar mogelijk valt dat wat op. Men blijft er nuchter onder, het hele jaar door, en gedurende de lange winters gaat de voltallige bevolking zich volgens mij enthousiast te buiten aan het snijden van honderden trollen en andere typisch Noorse huisvlijtuitingen uit knoestig hout.
Trollen leven hier. Dat moet gewoon. Het is er de plek voor. De bossen, die vanzelfsprekend eeuwig zingen, zijn gevuld met geritsel, steelse bewegingen, kleine oogjes die je vanonder kronkelende wortels aanstaren. Er is geen land ter wereld meer geschikt. Nederland zou niks zijn. Trollen, kabouters en elfjes, grote boze wolven, beren, feeën en heksen vinden bij ons geen plek, zouden worden uitgezet als ongewenste vreemdelingen en zouden bovendien ook geen plek vinden om te kunnen wonen. Alles bij ons is aangelegd, voorbestemd,vast ingedeeld, tot in ons systematische denken toe.
Je moet dus als sprookjesfiguur en als gelover van sprookjes een plek vinden waar je goed samen kunt, en dat is bijvoorbeeld in Noorwegen. Je krijgt dan wel een tik mee, dat is onvermijdelijk. Je gaat truien dragen die zich al een eeuw niets van modetrends lijken aan te trekken, je krijgt het typerend knoestige uiterlijk wat iedereen boven de 25 hier lijkt te ontwikkelen, ook al ben je nóg zo jong en mooi: die samengeknepen ogen bijvoorbeeld komen natuurlijk van het loeren tussen de donkere boomstammen of daar niet ergens een wolf of een beer ( en die zijn er ) verborgen zit of van het turen over de fjord op zoek naar een verdwaalde walvis die je in stukjes kunt hakken en tot de meest onsmakelijke delen geheel kunt verorberen. Vis koop je hier ook als koekjes, cake en pudding. ‘Fiskepudding’: glazige, grijswitte in plastic verpakte bollen. Het water loopt u nu ongetwijfeld uit de mond. Men heeft hier meer eh… wat afwijkende eetpatronen waarover ik niet in detail zal treden, want mogelijk wacht het kerstdiner tijdens het lezen van dit blog.
Kerst is hier een hoogtepunt in het jaar. Hier in het dorp staat een klein wit kerkje, waar op midwinter een ‘Vi singer Julen Inn’ ( ‘Wij zingen de kerst in’), gehouden wordt. Nu ben ik al jaren een afvallige op geloofsgebied, dus een stichtelijk woord en bijbehorend gezang is aan deze door al zijn verkeerde daden misschien wel reddeloos verloren ziel mogelijk niet besteed, maar je weet tenslotte nooit. De geluidsinstallatie binnen was van een erbarmelijke kwaliteit, dus ik verstond vrijwel niets van wat gesproken en gezongen werd, hoewel ik me normaliter wel redelijk kan redden hier. Zoiets heeft echter op zo’n moment een voordeel: je bent puur afhankelijk van klanken; mogelijk zong het meisje over een een stoere Noorse visser op zee of over een wilde nacht stijf van de drugs, maar op mij kwam alles een beetje over als een buitenaardse hypnotiserende klankensymfonie, die een beetje deed denken aan de slotgezang uit “As it is in Heaven”; lezers die deze schitterende film hebben gezien zullen ongetwijfeld weten wat ik bedoel. Niet gezien? Beslist kijken, zéker in deze tijd van het jaar.
Zo raakte ik in dat donkere kerkje in een tijdloze stemming, alsof ik daar de enige aanwezige nog was, nét zwevend boven dat afschuwelijk zittende rechte kerkbankje, zonder begrip van tijd en plaats; ‘Tider skal komme, tider skall henrulle’ , de klank is voldoende voor de vertaling. Weer buiten in de knisperende vrieslucht – het was zowaar even droog- schitterden de lichtjes van het dorp in het spiegelende water van de fjord.
Ik breng mijn dagen hier dus in een mijmerende stemming door, starend naar de regen en de natte sneeuw, de witte huisjes in het dorp, de grijze fjord tussen de daken door, mijn dromen bevolkt met wezentjes uit mythen en sagen. Genoeg tijd om te denken, en om weer een beetje te geloven in iets wat we een beetje verloren zijn, namelijk verbazing over de wereld om ons heen.

Vrouwen en computers

mouse_womenIk moet nu heel voorzichtig zijn met wat ik allemaal ga zeggen, zeker met de titel van dit blog. Er zijn dingen in het leven die niet goed samen gaan. In het algemeen hebben vrouwen denk ik minder met computers dan mannen. Dénk ik dus, hè? Mannen functioneren op een vrij rudimentair niveau, en zijn snel onder de indruk van díngen waar zij iets mee kunnen dóen. Op drukken, aan knopjes draaien, besturen, macht over kunnen uitoefenen. Wanneer het gaat vervelen, zetten ze het úit. Mannen bedienen de radio, de tv, kiezen en besturen de auto, schieten met geweren, zijn  heerser over alle afstandsbedieningen en spelen urenlang stompzinnige oorlogs- of vliegspellen achter de computer. Mannen zijn als een kind zo blij met cadeaus die minimaal “bliep” zeggen, waar licht uitkomt en waar een stekker aan zit. Mannen sturen met hun iPhone een drone met een cameraatje de lucht in en laten hem rondjes vliegen om de Dom, of bij gebrek aan toren, hun eigen auto. Keer op keer. Mannen staren een nacht lang, gehuld in camouflage-kledij, naar een electronische verklikker die aangeeft of er soms een visje aan hun hengels hangt. We staan op een autoshow te gapen naar sportwagens die we van zijn levensdagen niet kunnen betalen.

Mannen slaken oerwoudgeluiden en slaan mekaar met plezier de koppen in op de tribune bij een voetbalwedstrijd. Mannen zijn van “de ideale vrouw verandert ná het wippen in een krat bier en een stel goede vrienden”.

We geven onze verworvenheden op dat gebied dus niet graag uit handen, en als het écht niet anders kan, dan toch met grote tegenzin en groeiende ongerustheid. Wij vinden al die techniek “gewoon”. Vraagt mijn vrouw om uitleg bij één of ander computerprobleem, dan begin ik mijn reactie vaak met “Nou, gewoon, je doet dit of dat”. Kwaaier kan ik haar niet maken. Zij is tevreden met een zwart wit-tv en een transistor radio. Onbegrijpelijk, hoe kan iemand zó leven?

Nu heb ik mijn woning ongeveer zó ingericht dat ik bijna alles wat ook maar enigszins met techniek te maken heeft kan bedienen met mijn mobieltje. De radio, de tv, de verwarming, het gaat op afstand aan en uit. Ik heb een aparte afstandsbediening om al mijn afstandsbedieningen te bedienen.  Wanneer men ( lees: mijn gade ) thuis niet snel genoeg reageert op een WhatsAppje, zou ik de verlichting afwisselend rood of groen kunnen laten knipperen, of zou ik de verwarming op 0 graden kunnen zetten. Nood breekt wet. Het dringt niet altijd snel genoeg tot mijn botte kop door dat mijn vrouw ook wel eens iets anders aan het doen is dan eeuwig op haar mobieltje kijken en dat sommige dingen gewoon niet ‘gewoon’ zijn.

We kregen dus laatst nieuw internet. Een andere provider, nieuwe ( dus betere ) techniek, en dan ben ik al reddeloos gezwicht. Een monteur zou alles aanleggen. Groot probleem: ik zat op die dag voor een congres in Berlijn. Congres afzeggen dan maar? Want ik sta met mijn ik-wil-alles-weten-snufferd overal boven op en geef niets uit handen.  Dat was geen optie, én het was een congres waar ook veel nieuwe gadgets te zien waren. Ik typte dus een heel epistel voor de internet-meneer: dit is verbonden met die en die router, onder de tv zit nog een accesspoint, die een UTP-verbinding heeft met een switch waarvan het wachtwoord zus en zo is. Om alle beeld- en geluidzaken te bedienen hebben zich her en der in mijn huis enorme ondoordringbare kabelkluwens gevormd.
In Berlijn, de hele dag in angst en beven doorgebracht en s avonds gelijk gebeld. U kunt zich -als vrouwelijke lezer – het gelukzalige gevoel niet voorstellen bij de mededeling dat alles werkte als een tierelier, haarscherp beeld, feilloze verbinding. De volgende morgen vroeg een telefoontje: Alle lichtjes zijn uit, de radio doet het niet meer, er is geen internet. Blinde paniek! Rennies! Radeloos op zoek naar de defibrillator. De KPN-webcare getwitterd en overspoeld met noodkreten. Hoogspanning op het kantoor daar. Ik zag een zwarte toekomst zonder internet en alle daarbij horende geneugten des levens voor mij. Alles leek verder zinloos. De hele dag vlogen de suggesties tussen mij, de KPN en mijn gade heen en weer. Een rekening van €1000 aan extra kosten voor internet- en telefoniegebruik in het buitenland lag in het verschiet.

’s Avonds een berichtje op mijn Whatsapp. “Beloof me dat je niet gaat lachen” Mijn vrouw had dus de vorige avond bij het slapen gaan de stekker uit het modem getrokken want op die manier ging ook het spotje boven de tv uit.

Het leven zou een stuk saaier zijn zonder vrouwen en computers.  Was ik maar een vrouw, dan had ik eens rust in mijn kop en was ik eens tevreden met wat ik had.

Ik vertrek

SchandpaalEigenlijk zijn  we qua beschavingsniveau de Middeleeuwen nog niet ontgroeid.We gooien nog steeds met rotte tomaten en eieren, en we smeren nog steeds pek met veren, alleen heet de schandpaal nu Twitter. Die schandpaal wordt ons aangeboden door de televisie en wij gaan vervolgens gretig op zoek naar slachtoffers om te bekogelen met narigheid. En we doen er allemaal ijverig aan mee, ik ook, en al jaren. Het duurde alleen even voordat dit tot mij doordrong.
Twitter, en andere vormen van social media, kun je beschouwen als één grote kroeg met miljoenen, duizenden of tientallen bezoekers, afhankelijk van je aantallen volgers en “vrienden”. We kijken met z’n allen naar het grote scherm boven de bar, en we hebben overal luidkeels wat op aan te merken. Wie dat het meest opvallend, hard of leuk doet, kan rekenen op grote bijval in de vorm van retweets en nog meer volgers. Daar doen we het voor, want volkomen in je eentje gaan staan roepen hoe dom of sneu je iemand op de televisie vindt, is een zinloze bezigheid.

Er zijn programma’s waar we ons met genoegen op storten: Ik vertrek, De Rijdende Rechter, Het Familiediner, Utopia ( O, gruwel ), Boer zoekt Vrouw. Ze hebben gemeen dat ze mensen door de middeleeuwse straten voeren die hijgerig op het aanbod van een omroep om zichzelf publiekelijk aan de schandpaal te laten nagelen zijn ingegaan. Duw iemand een camera of een microfoon onder z’n neus en men verandert in een exhibitionist die ongegeneerd de eigen vuile was tentoonspreidt.  Wanneer ze eenmaal zijn aangekomen bij het schavot kan de beul – wij – uit z’n dak. Waar wij op het ene moment zo correct mogelijk onze beschaving en ons geestelijk niveau, beschreven in onze avatars en bio’s, ten tonen pogen te spreiden in onze uitingen op social media, vergeten wij het volgende moment dit alles en doen wij ijverig mee aan de publieke steniging.

Gisteravond: “Ik vertrek”. Een gezin met puberdochter begint een nieuw leven in – hoe verrassend – een Bed & Breakfast op het Franse platteland. De ouders zijn nogal – eh- paardgericht en lijken de dochter te vergeten die het zichtbaar en hoorbaar niet naar de zin heeft. We gaan los op Twitter, en zelf doe ik mee ( lees m’n tweets maar ). Wanneer je zoekt op #ikvertrek komt daar een enorme verzameling commentaar voorbij, waarbij je bij veel opmerkingen de tranen van het lachen over de wangen rollen. Hoe meer er mislukt, hoe leuker het wordt, en er is geen leuker vermaak dan leedvermaak. Buren die mekaar de koppen inslaan over de hoogte van de schutting, een boer die nog nooit een vrouw gezoend heeft, een verzameling eencelligen die al rokend elkaar in Utopia probeert weg te pesten, het is aapjes kijken in de dierentuin.

Gisteravond laat twitterde de dochter van het Ik vertrek-echtpaar dat ze baalde van alle negatieve reacties, dat ze echt topouders had en dat wij in 45 minuten echt geen idee konden vormen van hoe hun hele leven daar nu was. Iets van 85 volgers had ze, dan ben je een roepende in de woestijn, want mensen zoals ik met 2000 volgers of meer overschreeuwen zo’n puber met gemak, waardoor haar noodkreet, want anders kan ik het niet noemen, verloren ging in ons hoongelach.

En ja, ze heeft gelijk. Die tweet van haar die deed het ‘m. Het moet verschrikkelijk zijn om te lezen hoe je ouders belachelijk worden gemaakt of neergezet als harteloze egoïsten. Die mensen hebben een droom, en ze hebben hem waargemaakt. Eigenlijk zijn we gewoon jaloers, want zelf draaien we nog steeds kringetjes in ons eigen veilige vertrouwde wereldje, omdat we niet de lef hebben of de durf om hetzelfde te doen als zij, namelijk gehoor geven aan wat je hart je zegt, en daarmee onafhankelijk van anderen te zijn.

Voortaan dus: geen tweets meer van mij over hoe idioot of verkeerd die mensen bezig zijn, en meisje, je hebt inderdaad echt topouders! Laat dat even gezegd zijn.

Nu dus nooit meer met tomaten en eieren gooien dan? Nee, natuurlijk niet. De wereld is bezaaid met figuren die het wél verdienen: graaiers, harteloze politici. Ik kan nog steeds los, pek en veren in overvloed. Ik moet alleen wat beter en selectiever mikken, want soms raak ik gewoon de verkeerde, zoals gisteren.