Rekentoets: want met alleen tongzoenen kom je er niet

FX7.jpg FILM TITLE I, RobotRekenen was – en is – nooit mijn sterkste kant. Op de middelbare school, die toen nog HBS heette, wist ik nooit hoger te scoren dan een 3, en de leraren die mij dit vak vergeefs probeerden bij te brengen, hadden in mijn optiek allemaal een hekel aan mij, en dat gevoel was wederzijds. Uren besteedde ik aan het smachtend naar buiten staren over de skyline van Haarlem, vanuit mijn plekje naast het raam op het Marnix College. De school waar ik later uiteindelijk van af getrapt ben wegens vechten met de aardrijkskundeleraar, die óók al een hekel aan mij had. Ook de rector mocht mij  niet, dus dit was een mooie gelegenheid om deze irritante puber te lozen. zoiets ging toen nog vrij makkelijk. Ik kwam toen op een akelig strenge MULO in Bloemendaal, eentje van het Bint-soort, en dat was precies wat ik nodig had. Ook daar bleek het rekenen in de vorm van afschuwelijke dingen als goniometrie en de stelling van Pythagoras niet aan mij besteed, maar op de een of andere manier wist ik toch met een voldoende van school te gaan. De school waar ik gevormd werd op alle gebied, want dáár was het bijvoorbeeld dat ik mijn eerste tongzoen mocht ondergaan. Nu heeft een tongzoen niet heel veel met rekenen te maken, hoewel klasgenote Margreet ( ik zal haar achternaam hier nu even niet vermelden ), die hem mij toediende, volgens mij uiterst berekenend te werk ging.
Die zoen betekende mogelijk een enorme stimulans in mijn kwakkelende schoolloopbaan en deed mij besluiten mijn uiterste best te blijven doen, want je wilt natuurlijk niet weer blijven zitten en haar zodoende uit het oog verliezen. Zij was namelijk wél erg goed in rekenen, en al tongzoenend hulp ontvangen is nooit weg, als je puber bent. Helaas bleek de liefde ná het weekend al weer over, waaruit haar berekenend karakter bleek. Vermoedelijk had ze een weddenschapje met een vriendin afgesloten, om het grootste ei uit de klas nog aan het lebberen te krijgen.
Op de havo bleef rekenen ook een moeizaam geploeter, en toen ik daarna – mogelijk uit wraak voor mijn tragische schoolloopbaan – besloot het onderwijs in te gaan was wiskunde op de Pedagogische Academie óók niet mijn sterkste kant.
Uiteindelijk werd het dus taal, en tekenen en handvaardigheid. Vakken die tenminste leuk zijn, en waar je je gevoel in kwijt kunt. Tegenwoordig zitten die een beetje in het verdomhoekje. D’r mot geprestéérd worden, en wat nu telt, zijn scores, toetsen en examens, en wel zo hoog mogelijk. Dat betekent, dat alles nu getoetst moet worden, en wat je niet in harde cijfers uit kunt drukken en meten is niet meer interessant.

Gisteren mocht ik dan – als volslagen alfa-man – bijzitten bij een rekentoets die door het Cito, zeg maar de opperste Sovjet uit de tijd van de Koude Oorlog, wordt afgenomen op de computer. Allemaal tegelijk starten, allemaal achter een vaste genummerde computer, allemaal stipt op tijd om één uur beginnen en stipt op tijd om drie uur eindigen, leerlingen met dyscalculie mogen een half uurtje langer doorploeteren. Alsof dat uit maakt, een half uur extra op een beeldscherm staren.
Rekenen moet gegeven worden zoals het in het echte leven voorkomt. Ik heb dat natuurlijk nooit geleerd blijkbaar, dat echte leven, maar op de een of andere manier ben ik niet tot een mislukkeling verworden. Zelfs een drie voor rekenen heeft mij gemaakt tot wat ik ben: iemand die al bijna veertig jaar voor de klas staat en die daar af en toe een stukje over schrijft of twittert. Iemand die ook het niveau van taal en rekenen heeft zien wegzakken tot een situatie waarin een moderne leerling bij het uitvallen van internet, stroom en mobieltje een enigszins reddeloos verloren persoon wordt. Want hoe moet je dit nu spellen, vinden of berekenen wanneer niets het meer doet en wanneer je enkel nog moet hopen op je hersens? Die hersens heb ik gisteren samen met mijn leerlingen, allemaal meiden die er niet er met de pet naar gooiden en die allemaal serieus keihard hun best deden, zitten pijnigen bij het proberen te begrijpen van de vraag. Om een toets rekenen te kunnen maken, moet je tegenwoordig namelijk behalve dat je over bionische ogen beschikt ( wie kan er twee uur onder tijdsdruk onafgebroken naar een beeldscherm staren? ) ook nog een belezen Neerlandicus zijn; heel veel vragen bleken voor meerdere uitleg en redenatie vatbaar, helemaal als je er over na ging denken. De helft van de tijd gaat dus bij het moderne rekenen op aan het proberen te begrijpen van wat er nu eigenlijk stáát, laat staan dat je überhaupt aan het eigenlijke rekenen toe komt. Rekenen moet tegenwoordig voor een mbo-scholier worden afgetoetst op havo-niveau, want dát is wat het hbo vraagt.

Hallo overheid en onderwijs-inspectie, waar zijn wij helemaal mee bezig? Mag een leerling niet gewoon mbo meer doen, daar een vak leren en dan gewoon klaar en een baan zoeken? Nee, we moeten scoren, scoren en nog eens scoren, want anders heeft de economie niets aan ons. Allemaal meedoen in het keurslijf van de rat-race, die geen afvallers en uitvallers mag kennen, en die geen ruimte biedt aan andersdenkenden, dromers, zwakkeren of creatieve geesten. Onderwijs is niet alleen maar rekenen, taal en toetsen. Onderwijs is vooral mens leren zijn, fouten durven maken, zwak mogen zijn, kwetsbaar maar gelukkig leren zijn. Ik heb geen zin om machines op te leiden. Dan had ik wel een ander vak gekozen. Waar je geen rekenen voor nodig hebt.

O ja, ik roep alle mbo-leerlingen op om eens gezamenlijk een Facebook-pagina te starten waarin je pleit voor een normale manier van toetsen, en waarbij we niet worden afgerekend op onze mate van volgzame robot-in-een-keurslijf-zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

elf − acht =