Sporthaat

sporthaatHet is al een tijdje stil, het writer’s block heerste, en aangezien ik niet blog om het bloggen neem ik voor zoiets de tijd. Maar nu dient daar een eind aan te komen door uiting te geven aan een knagende kwaal waar ik al mijn hele leven aan lijd: ik haat sport. In alles. De kiem is al heel lang geleden gelegd, in mijn kindertijd, in het kleine zonovergoten gymzaaltje van de Prinses Beatrix basisschool in Overveen, die natuurlijk gesloopt is zoals ongeveer alle schoolgebouwen waar ik nadien ooit nog heb vertoefd.

Dáár viel al op dat ik een prutser was, een sukkeltje, en ik werd dan ook – als er gekozen moest worden – altijd als laatste toegevoegd, onder de misprijzende blikken van de teamgenoten die hun gedroomde overwinning in rook zagen opgaan omdat ze weer eens met Wauwel opgescheept zaten. Het kiessysteem bij de gymles op de basisschool legt mijns inziens de kiem voor toekomstige zelfmoordenaars, eenzamen, maniakale gekken of excentrieke dwarsliggers, tot welke laatste groep ik mij graag een heel klein beetje zou willen rekenen. Niet dat ik er erg mee zat trouwens, ik leefde in een droomwereldje waarin ik voldoende heldenrollen kon spelen om het gemis aan erkenning en echte vriendjes ruimschoots te kunnen compenseren. Thuis liet ik op mijn kamertje tientallen speelgoedsoldaatjes elkaar vermoorden, of deed ik Lego-kabelbanen tegen de muur boven de trap te pletter slaan. Fijn jongetje.
De gymzaal was een soort martelkamer met naar kinderzweet stinkende horror-attributen als de bok, het paard, de ringen, vieze spring- of valkussens en sm-wandrekken. Paalklimmen, dat ging dan nog, tot op beslist niet meer dan een meter of drie, waarna ik mij in doodsangst weer ongeveer in de paal geklemd omlaag liet glijden, met daarbij de ongekende en onbekende sensatie van een beginnend klaarkomen; wist ik veel als ventje van een jaar of tien. Ook slagbal was te doen, want dan was je buiten in het grasveldje met de paardenbloemen en de madeliefjes ( kom daar tegenwoordig nog eens om ), en wie de bal over het dak van de school heen sloeg kreeg van Meester Adams een reep chocola. Een probaat middel. Ik durf hier te beweren dat je veel hedendaagse middelbare school-leerlingen nog alles kunt laten doen voor een stempeltje of een dropje.

Op de middelbare school werden de gymnastieklessen een nog veel grotere bezoeking. Een oud-marinier, omhoog gedegradeerd tot gymleraar, liet ons op het ritmisch bonken van zijn stok eindeloos rondjes hollen vóórdat het martelen aan de ringen begon. Als ik het trof, wist ik tijdens mijn beurt nét zo lang te klungelen met mijn voeten in de ringen steken tot de man het zuchtend opgaf. Soms ook niet, dan moest ik alleen verder, voor het oog van de wachtende klas. Gymleraren zijn sadisten, soms.
Zwemmen, ook zo wat. Het Sportfondsenbad in de Haarlemmerhout, waar in het midden van het diepe gedeelte een dreigend zwart rooster je zou opzuigen als je er overheen zwom. De badmeester die je met een soort haak aan een lange stok om je nek onverbiddelijk richting rooster duwde. Duiken, terwijl ik toen al ongeveer hoogtevrees had wanneer ik op een krant stond. In de kleedkamer – het “schapenhok” –  je doorweekte sokken over je voeten stropen, door de lange tegelgangen naar buiten, een rillende vlucht uit de hel.

Mijn ouders hebben er ook alles aan gedaan om mij nog wat sportiviteit bij te brengen. Maar dan is een lidmaatschap van een korfbalclub een redelijk heilloze weg. Korfbal: op een koud en winderig modderveld een bal in een mandje proberen te werpen. Honkbal, dat ging een tijdje goed. De afkeer is verder gebleven. Dammen, dat vind ik dan wel veilig. Autoracen, maar ja, ik rij in een Zafira Tourer. Sport is lallende voetbal-tokkies, mannen die elkaar op de schouders slaan onder het genot van een krat bier, steeds luider commentaar leverend op de scheids en de trainer. Sport is de hysterische deun die onvermijdelijk aan programma’s op radio en tv vooraf gaat, sport is die typerende manier van interviewen van sportverslaggevers die nooit een vraag stellen maar altijd een half afgemaakt antwoord in de kauwgum kauwende of fluimen speeksel spuwende mond van een plat pratende foeballer leggen.

Het is zondag. Dat is zappen dus van zender naar zender. Ik kijk eens naar mijn lichaam. “Je moet eens wat meer gaan bewegen!” wordt mij geregeld gemaand. Ja hoor eens, ik heb al een muisarm van het bewegen. Die heeft rust nodig. En ik laat de hond toch ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat – op het plantsoentje – uit. En er staat toch ook een roeimachine op zolder? Ik kijk daar geregeld naar. Die trap op, kijken naar dat ding. Dat doe ik dan gewoon wat vaker. Het is gewoon allemaal de schuld van die gymleraar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

9 − een =