X-y positioning indicator for a display system

Bovenstaande titel is niets anders dan de oorspronkelijk benaming voor onze computermuis, die vandaag op de kop af veertig jaar bestaat. Tijdens negentig minuten durende demonstratie gaf Douglas Engelbart  veertig jaar geleden op de Universiteit van Stanford de mogelijkheden weer van een houten blokje met een wieltje eronder, een knop er op en een stroomdraadje verbonden met een flinke mainframe-computer en een twaalftal terminals. Alles bij elkaar mag je je toch wel iets ter grootte van een huiskamer voorstellen.

De muis maakt het leven makkelijker, maar is ook een bron van narigheid en zorg. Op een vierkante centimeter muis leven gemiddeld zo’n 20 bacteriën ( plaats dertig in de bacteriën-top-honderd), en de muisarm heeft de maatschappij inmiddels op miljardenkosten gejaagd. Zo zit ik op mijn werk op een bureaustoel, die zo’n 900 euro heeft gekost vanwege het feit dat mijn pink verdacht begon te tintelen met uitstralingen naar mijn elleboog.
De muis blijkt echter ook een gezellige gesprekspartner te zijn, want een flink percentage computergebruikers neemt de muis middels een goed gesprek in vertrouwen. Zo’n muis geeft steun en vertrouwen, geeft houvast.
Even een korte test: houdt u momenteel de muis vast tijdens het lezen van dit artikeltje? En hoe voelt het zonder? Onwennig, een leeg gevoel? Zit u nu wat bevreemd uw vingers te strekken, waar ze net nog de vertrouwde warme bolling van de x-y positioning indicator omvatten?
Als je van een paar miljoen muisgebuikers de rechterhand zou meten, en de resultaten daarvan vervolgens naast de meting van een paar miljoen niet-muisgebruikers zou leggen, zouden er dan al evolutionaire verschillen te constateren zijn?
We zijn op weg naar een bionische mens. Straks krijgen we naast het hielprikje als baby gelijk ook wat sensoren ingebouwd in onze muisarm of bijvoorbeeld een HUD in een van onze ogen. Een knip van de vingers en je computer start op, een snelle wenk en je schuift een scherm verder. De muis heeft zijn langste tijd gehad.

Over neuspeuteren en zo

Men heeft iets moois bedacht op mijn werk. Ik geef les, iets met computers. Er zijn ook collega’s, die geven les over iets met beesten. Die lessen geven wij het liefst aan één bepaalde afdeling. Ik niet, want mijn lessen zijn blijkbaar zó interessant, dat ik ze her en der in de school aanbiedt.

Als ik geen les geef, zit ik in een kantoortje, vaak alleen, en soms zit daar ook een andere collega. Ideaal, geen storing, als ik de dunne scheidingswandjes even vergeet waardoor je van elke oprisping uit het naastgelegen kantoortje kunt meegenieten. Een enkele keer komt er een leerling binnen ( meestal zonder kloppen, maar daar kijk ik al lang niet meer van op ), die de deur open werpt en verwacht dat je direct opspringt en klaar staat.
Blijkbaar doe ik dat te weinig, want het over mij gestelde gezag heeft besloten dat het beter is als ik met een stuk of tien, twaalf andere collega’s in één kantoor ga zitten. Wij kunnen zo onze afdeling nòg beter bedienen, een warme wolle deken om de ontredderde leerling vormen. Gezellig in één kantoor, met per dag zo’n 60 leerlingen die knus binnen komen vallen, een honderdtal telefoontjes en telefoongesprekken ( en ook nog gelijktijdig ), aangevuld met onderlinge gesprekjes en discussies van vakcollega’s, met geluidjes en bliepjes van computers, met muziekjes uit diverse radio’s en mp3-spelers, en met allerlei leuke beltonen van mobieltjes.

Onderzoek heeft uitgewezen – zo was van de week op het nieuws – dat 90% van de Nederlanders zich schuldig maakt aan neuspeuteren, waarbij van de mannelijke collega’s 70% die bezigheid benut om balletjes te produceren die vervolgens weggeschoten worden in uiteenlopende richtingen, mogelijk ook mijn richting uit. Ikzelf doe dat natuurlijk niet, ik hoor vanzelfsprekend bij de resterende 10%, want het schijnt ook nog eens levensgevaarlijk te zijn in verband met streptokokken of zoiets. De MRSA-bacterie werd zelfs genoemd. Ik geloof dat ik dan gek word, met z’n allen in één kantoor. Ik denk niet dat ik dat ga doen, laat staan kan opbrengen. Ik doe een beroep op levensgevaarlijke werkomstandigheden, gevaar voor die kokken en zo. Ik denk dat ik maar boswachter word op Rottumerplaat, die schijnt weer aan te groeien; af en toe een goed en diepzinnig gesprek met een meeuw, die beesten kunnen je zo begrijpend aanstaren. Of ik trek mij terug in een klein afgelegen stenen huisje, met zicht op een eeuwenoud kerkhofje, onafzienbare heidevelden. Ja, dat ga ik doen. U hoort nog van mij.