Lichaam

kanaalBegin december door de Flevopolders rijden, dat heeft iets diep neerslachtigs. Lange, kaarsrechte wegen, zompige akkers, een bits grijze rechtlijnigheid die wegkwijnt in de de nevel. Het lijkt de hele dag niet licht te willen worden en het voorjaar is mijlenver weg. Ik nader Dronten, waar ik moet stoppen op een brug over een kale vaart, want er is een opstopping en veel politie. Bootjes in het water, gehengel met touwen. Daar wordt een lijk uit opgevist, zo’n vijftig meter verderop.  Groepjes mensen staan langs de kant te kijken, men is met schermen in de weer.

Nu ben ik wel een sensatiemens, ik spoed mij graag naar een flinke brand of zo, maar alleen als het niet om mensen gaat, als het geen woonhuis is, geen zwaargewonde in een verfrommelde auto. Doorrijden dan, tenminste als er hulp is. Je laven aan persoonlijke narigheid, ik kan dat niet. Soms word je er toch mee geconfronteerd, zoals van de week dus.

Nu heb ik in mijn leven diverse lijken gezien: naaste familie, bekenden, vrienden, en dan maak je zoiets meestal ook bewust mee. Je gaat ergens condoleren, of het moment dat velen zullen herkennen: de dood van bijvoorbeeld je vader of je moeder, of honderd maal erger nog, de dood van je kind. Dat laatste heb ik gelukkig nooit meegemaakt. Bij je ouders wil je zo’n moment niet missen denk ik, al gebeurt het maar al te vaak. Toen mijn vader overleed was ik te laat. “Als ons iets overkomt, nooit laten reanimeren hoor! Wij zijn al te oud.”, werd ons altijd op het hart gedrukt. Ik hoor nog het geluid van de defibrillator door het gevreesde telefoontje heen. Het mocht niet meer baten. Op het bed lag een kouder wordend omhulsel, een met recht stoffelijk overschot. Het leven was uit mijn vader, de grijze ogen voorgoed gesloten.

Bij mijn moeder was ik er wel bij; adem die steeds vaker stokte, steeds zachter klonk, in die laatste ogenblikken waar steeds meer vitale lichaamsfuncties zichzelf onherroepelijk uitschakelden, pulsjes die eens sidderend door het lichaam schoten kwamen niet meer door. Als het uitschakelen van een wonderlijke machine met duizenden knoppen en hendels. De allerlaatste ademtocht, die ook echt klonk als de allerlaatste zucht van leven brengende lucht. Je wist het ogenblikkelijk, intuïtief. De laatste band was doorgesneden, en als je je dat zou kunnen voorstellen, zou je een ziel zien opstijgen naar onbestemde hoogten.

Die momenten had ik niet willen missen. Andere misschien wel, of in elk geval anders: in een bootje op de Ganges in Varanasi, India. Een traag stromende brede rivier vol met langs drijvende rommel, takken en dode dieren, want er was een zware overstroming geweest.  Daar kwam weer wat aan, een biggetje leek het. Maar nee, op nog geen meter afstand dreef een naakte baby langs, armpjes en beentjes gespreid, het hoofdje achterover geknikt. Versteend zaten wij in de boot, die onverstoorbaar door onze gids werd voort geroeid. Nog geen vijf minuten later een nieuw naakt lichaam, sterk ontbonden, waarop al planten en mossen groeiden. De geur was met niets te vergelijken. En kort daarop alwéér een lijk, een vrouw, in fleurige kleding, vastzittend in een berg takken en snoeren, blijkbaar verdronken. Niemand die ervan op of om keek, zwemmende en spelende kinderen vlakbij, alles deel van dit leven als in een schilderij van Jeroen Bosch. De lichamen op de altijd rokende brandstapels langs de rivier, de handen, voeten en hoofden die je tussen de vlammende takken uit zag steken, het is daar normaal. Niemand lijkt geschokt te zijn in die overvolle krioelende mensenmassa.

Terug naar die grijze, stille vaart in Dronten, die niet de Ganges is. Geen overstromingen en lijkverbrandingen, geen rituelen hier. Een lichaam drijft daar in het water. Het bleek een dertigjarige man, las ik gisteren. Men gaat uit van zelfmoord. Vermist sinds half november, weggelopen uit het ziekenhuis in Lelystad. Weggelopen. Bij het opsporingsbericht een foto. Een foto van een jongeman, die in het niets lijkt te staren. Ik zocht op internet. Niets, geen Facebook, geen Twitter, niets. Alleen die politiefoto. Besta je niet op internet, dan besta je eigenlijk niet, zo’n maatschappij is het tegenwoordig.
Weggelopen uit het ziekenhuis. Waarom doe je zoiets. Misschien gehoord dat je ongeneeslijk ziek bent, denk ik dan. Of geestelijk volledig ontredderd, zó ontredderd, zó zonder vrienden, zonder naasten, dat je kiest voor het zwarte, kalme, alles toedekkende en alles afsluitende koude water van een grijze vaart in de polder. Half november, de feestmaand bij uitstek in het vooruitzicht. Een rampmaand voor sommigen, die niets te vieren hebben.

En weken later word je dan gevonden, dan zijn er tóch nog mensen die zich over jou ontfermen, die jou rustig en professioneel met respect uit het water halen, in een wereld die jou teveel werd. Geen fijne kerstdagen of gelukkig nieuwjaar voor jou, maar wel rust. Zo zonde dat het niet anders had kunnen zijn.

Alles gaat verder. Ik tuig straks de kerstboom op, nog anderhalve week werken, dan is het vakantie. Een ander soort rust. Vrienden, familie en kennissen om je heen. Feest. Een luxe waar we ons maar eens goed bewust van moeten zijn. Die niet iedereen gegund is. Kies niet voor die vaart, als het ook maar even kan. Er zijn altijd mensen die proberen zich in jou gevoel te verplaatsen. Blijf hopen dat ze jou vinden, dat jij ze vindt. Ergens.

Goede vaart


nacht
Ik was op een begrafenis. De derde alweer in een half jaar tijd. Dat krijg je als je wat ouder wordt. Nu zijn begrafenissen nooit prettig, zelfs niet als je niet direct betrokken bent bij degene die daar op zijn of haar laatste reis wordt begeleid. Het zijn vaak de emoties van de mensen er om heen, die een gevoelige snaar kunnen raken. Een jankfilm op tv kan ik meestal nog wel hebben. Zien lachen doet lachen, zien huilen doet meestal ook huilen, hoewel mannen altijd geacht worden daar niet aan toe te geven. Lachen mag wel, huilen niet, want niet mannelijk en zo. Dat is eigenlijk wel vreemd. Waarom mogen vrouwen wel in hevig snikken uitbarsten en mannen niet. Misschien zijn mannen wel een stuk ongevoeliger. In dat geval komt het met ons niet goed, vrees ik.

Een begrafenis kan ik meestal ook met redelijk droge ogen bijwonen. Gisteren was dat lastig. Een neef van mij, een favoriete neef. Waarom favoriet? Omdat hij zich vanuit een underdog-positie omhoog had geknokt; geboren met een lage levensverwachting, gediagnosticeerd met epilepsie, dat allemaal glansrijk overwonnen en het nu zelfs geschopt tot stuurman op de grote vaart, een baan die niet aan teerhartigen is besteed. Een baan  waar ik altijd een beetje jaloers op ben geweest, rusteloos als ik ben: wegvaren naar het andere einde van de wereld, vanaf de stille, schemerige brug verre sterrenstelsels aanschouwen, weg van alles, zwervend over de altijd veranderende zee, starend en denkend in de nacht.

Maar, er was toch iets blijven hangen, van die geboorte die niet liep zoals gewenst, en ergens was er kans op kortsluiting. Op zeldzame momenten ging het mis, in kleine kring, en sloeg de stop soms door; nooit gevaarlijk voor anderen, maar op zulke momenten niet te remmen, een stuurloos schip in een kolkende tyfoon. Was dat voorbij, dan stuurde hij het schip weer verder, over kalme zee, de zwarte wolken in de verte achterlatend. De vriendelijkheid zelve, correct, altijd klaar om te helpen, maar toch: een eenzame stuurman op de brug.

En afgelopen week dan stak de storm in zijn hoofd weer op. Plotseling, hard en vernietigend. Zonder waarschuwing was hij daar, en overweldigd door gevoelens die hij niet meer kon controleren gooide hij voor de laatste maal zijn roer om, volle kracht vooruit, recht op een fatale klif in de vorm van een onwrikbare boom op een kaarsrechte autoweg..

Begrafenissen van kinderen en jongeren, 30 jaar in dit geval, zijn hard en wreed, want onnatuurlijk. Een moeder, die gebroken tegen de muur zakt wanneer zij de grijze wagen die zijn lichaam op de laatste reis zal gaan vervoeren, de straat in ziet draaien. Dat hakt er in. Het blijft altijd je kind, hoe oud ook. De laatste plek waar volwassenen nog echt kind zijn. En troosten kun je niet. Op sommige momenten bestaat troost voor een mens alleen nog uit een muur om even kort tegen te leunen.

Het graf. De zon schijnt, merels zingen. Een prachtige dag. Ruisende bomen, in frisgroen blad, in een kleur die je elke lente weer raakt in je ziel, tenminste, als je daar voor open staat. Ik hou mijzelf groot, want ik heb vier snikkende vrouwen aan mijn zijde. Daar zakt de kist. De reis begint.

Het geluid van de eerste schep zand op de kist, dat geluid dat ieder die dit heeft meegemaakt herkent. Vele mokerslagen kan een mens hebben, we leren klappen incasseren. Maar die klap, dát geluid dat ons leert dat dit afscheid definitief is, breekt het verzet, en daar zijn dan toch die tranen, niet veel, maar zilt als de zee, die nu een stuurman mist.

Goede vaart neef, over woelige baren, je hoeft niet meer te sturen. Ik wens je mooie kalme nachten met schitterende sterren boven een lichtende zee, vaar naar verre, voor ons onbereikbare en mysterieuze havens. Vaar wél.

The End

hippie-hippies-30622484-427-432Terwijl op de Radio de Top 2000 het nummer “The End” van The Doors klinkt, lees ik ineens in de krant – kopje thee, beschuitje – dat mijn eerste grote liefde dood is. De grootste zit nog gewoon naast mij aan tafel, maar dit is wel raar. Ik kijk eigenlijk zelden naar overlijdensberichten, maar nu staat daar ineens haar naam. ‘Na een intens ziekbed overleden’. Dezelfde naam als toen, een opvallende naam waarvan er maar eentje kan bestaan in Nederland. Het kan niet missen. De plaats klopt ook. Haar voornaam kwam terug in diverse liedjes, en die zongen we dus altijd uit volle borst mee. We zongen ook mee met “The End”… Bizar is dit.

De jaren eind ’60,’70, een eeuwigheid geleden. Ik was een lelijk jongetje, vond ik zelf. Nu vinden alle pubers zichzelf lelijk, dus dat was geheel in stijl. Brilletje met redelijke jampotglazen ( een gruwelijk druppelmodel ), lang haar natuurlijk, broek met wijde pijpen en een zwaar opgevoerde paars met roze vlammen geschilderde Mobylette met een enorm stuur, geheel in de steil van Easy Rider. Maar ja, wél een Mobylette, en geen Puch. Altijd hopeloos verliefd op onbereikbare en ernstig mooie meisjes. Ik durfde nooit wat.
En toen op een middag was zij daar ineens, we liepen met een groep vrienden op een koud winters strand, en de bliksem sloeg in en het werd dertig graden en ik kreeg een hartstilstand. Zij had ook een bril met best wel jampotglazen, maar op dat moment voor mij wél de mooiste van de hele wereld. Sproetjes, donkerblond haar, lichte, grijsblauwe slaapogen ( met zo’n randje eronder ), een brede mond, die naar mij lachte en mij ongeveer de benen onder mij vandaan sloeg in dat ene onvergetelijke moment. Het allereerste fotootje, klein, een pasfoto, dat heb ik nog. Ik weet nog dat ik het kreeg; tijdens het door de sneeuw naar huis lopen stopte ik telkens om er even naar te kijken in het licht van de lantaarns.

Het was een gouden tijd, een zoete tijd, die volgde: de vrije jaren ’70, de eerste keer in de bosjes bij het pontje van Buitenhuizen, de zon scheen op haar lijf, het staat op mijn netvlies gegrift. Ik was een puber, ik leefde in een droom. Die eerste onbeholpen verkenningen, die er wel inhakken, waar je nog wel eens aan terug denkt. Het vrijen tijdens het inpakken van de Sinterklaas-surprises op haar kamer. Groot voordeel van een dergelijke activiteit is dat de ouders niet onverwacht binnen konden stappen. Er werd die middag niet veel ingepakt, wel uitgepakt. Alleen daarom al zou het sinterklaasfeest niet verloren moeten gaan. Pubers van nu weten namelijk niet wat ze dan missen. De bosjes bij het Kopje, ze waren van ons. Het meertje in de duinen op een lome zomerdag.

Ik dacht dat het eeuwig zou duren, die verkering. Zag mijzelf later samen oud worden. En dan mijn ouders die ons niet serieus namen, een kwelling, waar we ons nu zelf-  blijkbaar niets geleerd – ook vaak schuldig aan maken.
De twee weken logeren in het verre Rotterdam, en zij nog thuis, het leek een jaren durende marteling. Er was geen e-mail, er was geen WhatsApp, het was de steentijd. Stapels brieven heen en weer. De PTT had een groot deel van haar bestaan te danken aan het bezorgen van smachtende liefdesbrieven, met geurtjes, plukjes haar, beduimelde fotootjes. Hilarisch gezwollen taalgebruik, als je ze nu nog weer eens terugleest. Ik heb ze niet meer, jaren geleden gooide ik het beduimelde sigarendoosje, volgetekend met Flower Power-spul, weg.
De liefde – je mag van volwassenen zoiets natuurlijk geen verliefdheid noemen – ging toch voorbij. Er kwam gekibbel, er kwamen ruzies, we zaten niet meer op dezelfde school. Op Luilaknacht, in de Kennemer Sporthal ging het mis. Ik was daar niet bij, maar daar was wel een andere jongen. Alles werd naderhand keurig opgebiecht, maar het onbevangene was weg. De verkering brokkelde in de maanden daarna steeds verder af. Dood wilde ik, met veel gevoel voor drama natuurlijk. Een beetje jongere met liefdesverdriet denkt daar in zijn of haar jeugd een paar keer aan. Niet serieus natuurlijk, maar ook het zwelgen in verdriet, met bijbehorende muziek kan een heerlijk verslavend gevoel zijn. Wij zijn dat op onze leeftijd een beetje verleerd.

“Zoek haar eens op” zei mijn vrouw wel eens. “Ach nee, wat voegt het toe?” was dan steevast mijn antwoord. Ik ben nog wel eens door de straat gelopen waar zij woonde, ik weet het nummer nog precies. Nummer 18, en daarboven, schuin boven de deur, het lichtje van haar kamer, de gordijnen dicht, een vreemde die daar nu woonde. De tijd staat dan even stil, en de klok draait weer steeds sneller achteruit om een moment in het verleden tot rust te komen. Santana speelt weer ‘Samba Pa Ti’. Even was ik dan weer zestien, zeventien, achttien, negentien, de jaren tellen met de heerlijk lang durende traagheid van de jeugd, en even had ik mijn hele leven en zonnige toekomst weer voor mij.
Maar alles gaat door. We hebben geen tijdmachine die we naar believen kunnen gebruiken. Ik heb haar nog eens een vriendelijk weet-je-nog-berichtje gestuurd op LinkedIn, kreeg een vriendelijke weet-je-nog-reactie terug: “Natuurlijk herinner ik me mijn jeugdvriendje nog!”. “Jeugdvriendje”, dat zet alles weer in perspectief. En zo hoort het ook. Ik heb haar nooit meer gezien. Misschien zou ik haar niet meer herkend hebben. Misschien heeft het ooit gemaakt tot wat ik nu ben. Daar moet je niet te lang bij stil staan, het heeft geen zin. En nu helemaal niet meer. Ook al zou ik willen, het is geweest. Geen “Memories” voor mij. Waarom die mensen die elkaar in geen tientallen jaren gezien hebben, soms in tranen uitbarsten, na toch een heel ander en gelukkig leven te hebben gehad, ik snap dat nu.

“The End” zingen The Doors. Alles gaat voorbij. Definitief. We zouden toen altijd bij elkaar blijven, tot de dood. Nu is ze dood, koud, niet meer op deze aarde. Ik was er niet bij, wist er niet van, deed vermoedelijk iets onbenulligs. Er kwam geen signaal binnen, geen roep. Telepathie bestaat niet, gedachten overbruggen niet de tijd. De dood is een plek waar je nooit meer bij elkaar kunt komen voor een laatste blik, een kort gesprek, van hoe gaat het nou met jou na al die jaren en goh, je lijkt nog nét als toen.

Het is de laatste dag van het jaar. Definitief. Ik kijk naar mijn vrouw en denk: het nieuwe jaar wordt een goed jaar. Straks is het 2015. Geen jaren ’70.


Naschrift 4-01-14

Dat bericht in de krant van haar werk; het bleef knagen. De laatste week van mijn vakantie verliep anders dan ik dacht, het verleden leefde ineens zo maar mee. Een wervelwind van herinneringen. Een mailtje naar haar bedrijf, wanneer is de begrafenis. En gisteren was dan het moment dat ik, na ruim 40 jaar, haar nog één keer zag. Liggend in een kist, verborgen onder hout en bloemen en een fotolijst. Haar leven kwam voorbij in foto’s, en zij was niets veranderd, leek wel. Diezelfde lach. Ik had mij wel eens voorgesteld van hoe zij er nu uit zou zien. Want zo gaat dat, je houdt vast aan het beeld uit je herinnering. Een foto vervaagt, ons uiterlijk verandert, maar sommige herinneringen trekken zich daar niets van aan. In dit geval leek het gelijk op gegaan. Er waren toespraken, lief, en hartverscheurend soms.
Men draaide haar muziek, ‘hun muziek’, moet ik zeggen. Het was niet ‘onze’ muziek. Want ik hoorde daar niet bij, ben geen deel van hun leven geweest en zo moet het ook en zo is het ook goed. Het allereerste begin, daar was ik, en daar had ik een kortdurend plekje, wat ik meedraag in een klein stukje van mijn hart. Als laatste ging ik het zaaltje uit, op weg naar het graf. Nog één keer bleef ik heel even staan bij haar foto, geprojecteerd op de muur. Dag, hoe gaat het nu met jou na al die jaren, met mij gaat het goed, vaarwel. Vaarwel.

[youtube]http://youtu.be/JSUIQgEVDM4[/youtube]

Begrafenis

Stralend weer, een zon-overgoten landschap, en ik was op een begrafenis. Geen begrafenisweer: nevelig, regen, guur, ergens in november. Een collega was gestorven, na tweeëneenhalf jaar vechten tegen de kanker die onoverwinnelijk bleek. Terugkomend van vakantie, was daar een mailtje. Afgelopen vrijdag was hij gestorven. Op dat moment wandelde ik ergens over een stil strand langs de Golf van Aqaba, genoot van de vakantie, van de onmogelijk blauwe zee, de warme woestijnwind die over het water vanuit Saoudie Arabië kwam aanwaaien. Weg van alles, of je in een andere wereld was. En thuis overleed op die dag een collega, met wie je jarenlang had samengewerkt, en waar je tijdens je vakantie helemaal niet aan dacht.
Die eerste maandag op school merkte je het bij het binnenkomen: er was iets gebeurd, en je wist eigenlijk al direct: hij is dan toch overleden. Aan de meeste leerlingen gaat zoiets voorbij. Slechts een enkeling kende hem nog, had nog les van hem gehad. Ze speelden met hun mobieltje, hadden lol en maakten grappen. Toetsen hielden hen bezig, het einde van het schooljaar is een hectische tijd voor leerlingen die niet weten hoe te plannen en die alles uitstellen tot het laatste moment. Voorjaar, hormonen in de lucht. Wie is er dood? O, die ken ik niet. Hebben wij dan vrij, meneer, als de begrafenis is? Dood en pubertijd, dat is een slechte combinatie.  Jongeren en dood ook. Ooit had ik een leerling, zestien jaar was hij, die had leukemie. Daar lag hij in het ziekenhuis in Amsterdam, op een afdeling waar je achter de ramen allerlei jongeren zag liggen, in kamers die zij nooit meer zouden verlaten. Het hoofd kaal, de eens zo stoere knapen en meiden omgeven door kinderknuffels en tientallen kaarten aan de wand, groeten uit een andere wereld die nooit meer de hunne zou worden.

Ik kan daar heel slecht tegen: kinderen in een ziekenhuis. Zoiets hoort niet, zoiets is onnatuurlijk. Je betrekt het altijd op je eigen kinderen. Jongeren maken vaak morbide en groffe grappen over de dood. Het is  iets wat niet bij hun doen en laten past, dan kun je er om spotten. Tot het hen zelf raakt.  Op die momenten leer je wie je echte vrienden zijn. Dat zijn uiteindelijk niet je Hyves-vrienden, die honderden vluchtige contacten. Hyves is ineens niet zo belangrijk meer; toch vind je op dergelijke netwerken soms intrigerende uitingen die alles te maken hebben met de dood, met het overlijden van een vriend op Hyves of Facebook. Sommigen leven door op Hyves, zelfs een jaar na hun dood zijn hun profielen nog te bekijken, kun je nog krabbels achterlaten, heb je ‘contact’. Leven na de dood op Hyves of Facebook, hoe bizar.  Hyves als het hiernamaals.

Die leerling van toen, die is al jaren dood. Je zult niets van hem op internet vinden, er was toen zelfs nog geen internet. Ik moest daar aan denken tijdens de begrafenisdienst, in dat zonnige kerkje in Bennekom, waar een koor opwekkingsliederen zong en waar een zee van bloemen op de kist lag. Voor die collega geen hiernamaals op Hyves, maar een echte hemel na dit aardse bestaan.

Wonderkind

wonder

Een goede collega van mijn heeft afgelopen week zijn kind verloren. Een bijzonder kind. Gehandicapt. Geest en tegenstribbelend lichaam in een jarenlange omstrengeling, de een lijkt  niet te weten wat de ander doet.  Wat  kun je doen als je dit soort berichten hoort. In feite sta je met je mond vol tanden en met ongelooflijk lege handen, en alles wat je zegt dat lijkt een schrale troost.
Kinderen en dood, zoiets gaat niet samen, het is een enorme contradictio in terminis. Als ik op tv kinderen in ziekenhuizen zie, verloren in zo’n groot bed, met zoemende en klikkende  apparaten die op boze monsters lijken, dan hou ik het maar met moeite droog.  Ik had ooit eens een knaap in de klas, een jongen van een jaar of vijftien, een rauwdauw, totdat een tumor hem in het Anthonie van Leeuwenhoek-ziekenhuis deed belanden. Daar ga je dan als mentor naar toe, en je loopt door die gangen en achter die ramen ligt onnoemlijk leed, een plek waar geregeld toekomstdromen en fantaseren over later met één klap worden weggevaagd. Veel knuffels op de bedden daar, ook als ze zestien, zeventien en ouder zijn. Houvast. Zachtheid.

De hardheid en de onverschilligheid van pubers is maar schijn. Groepsgedrag. Spreek je ze alleen in je kantoor, dan schrompelen ze snel ineen, tranen met tuiten, doodsangst om een zieke moeder,  verdriet om een oma die er ineens niet meer is, wanhoop om een broertje met heel slechte prognose… Pubers hebben heel wat te verstouwen tegenwoordig. Naast de portie ellende die ieder in zijn leven op een gegeven moment onvermijdelijk over zich heen krijgt, komt daar nog de narigheid die via internet en televisie in een 24-uurs bombardement wordt uitgestort. Op YouTube zien ze de meest gruwelijke filmpjes, het lijkt ze allemaal niet te doen. Zeggen ze…. maar ondertussen. Het komt er allemaal bij. Misschien is dat wel een van de oorzaken dat we tegenwoordig zoveel rugzakleerlingen hebben, zoveel afwijkend gedrag.  Je kunt ze proberen te vullen met kennis en allerlei mooie zaken die met opvoeden te maken hebben, maar op een gegeven moment kan er even niet meer verwerkt worden.  Wanneer er eentje uit de vriendenkring komt te overlijden, stromen de Hyves-pagina’s vol met honderden leedbetuigingen, in de vorm van plaatjes van knipperende kaarsen, verwelkende rozen en betraande gezichten. Wij kijken daar als volwassenen wat onwennig tegenaan, nemen het vaak niet serieus. Rouwverwerking à la Web 2.0.

Het kind van mijn collega had geen Hyves. Geen MSN. Het had zijn ouders, die het al hun liefde gaven, en meer dan dat. Je hele leven is er omheen gebouwd, als een beschuttende vallei. Een tegenstribbelende geest in een tegenstribbelend lichaam. Maar vooral een heel bijzonder kind, want een wonderkind. Waar gaan wonderkinderen heen? Of je nu gelovig bent of niet: wonderkinderen gaan naar de hemel. Een hemel speciaal voor hen, waar lichaam en geest  eindelijk tot rust komen en ontspannen.

Alle kinderen zijn eigenlijk altijd wonderkinderen. Maar dit was toch een heel bijzonder kind, want deze week ging het naar de hemel.

Leegruimen

 

Het is een regenachtige zondagnamiddag en ik ben in de flat van mijn moeder, op dezelfde plek waar ik een aantal weken geleden nog indringende gesprekken met haar heb gehad. Het bed is uit elkaar gehaald, de fotootjes en de tekeningen van de kinderen en kleinkinderen worden gewogen, nog niet te licht bevonden en opgeborgen in een doos. Aan de muur de groezelige omtrekken waar eerst de lijstjes hingen. Leek alles eerst schoon en smetteloos, nu valt het oog op lang verborgen stof en verkleuringen. Met haar ziel is ook de glans verdwenen.
Ik laat de luxaflex omlaag, dan herinnert het minder aan vroeger, en de stoelen, te zwaar om alleen in de container te gooien, worden voorlopig anders opgesteld, zodat het lijkt of je bij een vreemde bent, minder vertrouwd. Haar stoel verschuif ik niet, het kussentje onaangeroerd, misschien ligt daaronder nog haar zakdoek. Nog niet.
De kopjes in de kast, daar heeft zij nog uit gedronken, nog niet weggooien maar. Boeken, met Sinterklaas gegeven, het gedicht er nog in, soms ongelezen. Blijkbaar hield zij meer lichamelijke gebreken verborgen dan wij wisten. Hier en daar haar naam voorin. Die bladzijden scheur ik weg, een ander mag dat niet zien. Zij is niet zomaar een naam tenslotte.

In de vensterbank, in de slaapkamer, staan drie potjes bellenblaas. Half leeg. Daarmee stonden mijn dochters op het balkon. Straks wat lekkers van oma, maar eerst bellenblazen.

Als alles leeg is, als alles weg is, dan zijn alleen die potjes daar nog. Voordat we de deur voor de laatste keer in het slot trekken, gaan we nog één keer bellen blazen….voor haar.

Leven na de dood

 

“Meneer, heeft u nog wat leuks meegemaakt in de vakantie?”
“Och, ik heb mijn moeder in mijn armen zien sterven”. Dat zal ik maar niet zeggen als ik weer op school ben. En toch, toen dat unieke moment gisteren dààr was, overviel mij een ongekend gevoel van rust en schoonheid. Je hoopt het eigenlijk niet mee te maken, maar ieder weet dat je een keer je dierbaren zult verliezen. Als je je daar gedurende een aantal maanden op kunt voorbereiden is dat natuurlijk een zegen, het komt niet onverwacht, maar ervoor oefenen kun je niet. En als je het ook nog nooit hebt meegemaakt weet je ook niet hoe dat zal zijn.
Een mens zit werkelijk volmaakt in elkaar op momenten dat het nodig is, en dus voelde ik in die laatste ogenblikken dat nu het moment van definitief op reis gaan was aangebroken. Daar heb je geen sterfscenes in films voor nodig, die lijken werkelijk nergens naar als je het eenmaal zelf hebt meegemaakt. Maar je gevoel laat je op zo’n moment niet in de steek.
Slechts enkele minuten daarvoor was nog een zuster geweest, die de regelmatig toegediende doses morfine en slaapmiddel controleerde, en zij merkte op dat haar doorbloeding nog sterk was. Wij maakten ons op voor weer een lange dag van waken. Als je lichaam al maanden op één glas vocht per dag kan teren, dan gaat je oude hart stug door, en als je geest nog volledig helder is, dan duurt het leven in een lichaam wat eigenlijk niet meer wil en kan wel heel erg lang. Leven tot de dood, waar normaal de tijd steeds sneller gaat naarmate je ouder wordt, lijkt dan een steeds trager verlopende worsteling in een dikke brij van tijd.
Ooit was ik op een onderwijsbeurs, waar twee jonge dames in de kracht van hun leven mij wel even wilde demonstreren hoe het voelt om oud te zijn, in het kader van een lespakket over geriatrie. “Zo voelt het als u zestig bent, meneer”, en zij gespten mij een soort corset om de armen.  
“En zo is het bij zeventig. Til uw hand eens op” en nog meer corsetten werden aangehangen. “Nu uw benen graag, en we leggen nog iets om uw nek”. Zo is het dus als je tachtig bent, en dat, terwijl ik mij nu al soms zo moe voel.
“En nu wat heen en weer lopen graag, u bent nu negentig”. Tientallen jaren verouderen in een paar minuten, en je geest die dat beseft en denkt van “Goh, wat fijn dat het bij mij  nog niet zo is…..”. Bevrijding als je wegloopt, en ook weer het gevoel van even twintig zijn.
Alles went, zegt men.  Maar oud worden met een geest die dat niet wil, dat moet toch moeilijk zijn. Allen die je liefhad om je heen, die zijn verdwenen. Met het licht in je ogen en het geluid in je oor en de geuren in je neus verkleint de wereld zich steeds meer tot een kamer in een verpleegtehuis, tot een engel in het wit -want dat waren de verpleegsters van de instelling waar zij lag- , die met een doekje je oude lippen wat bevochtigt omdat je zelf de kracht daar niet mee voor hebt.
“Ben ik nu al dood?” vroeg zij één dezer dagen aan zo’n engel, toen zij even uit een halfslaap ontwaakte. Maar nee, een aantal uren nog. Leven voor de dood wordt bijna leven na de dood.
Wat moet je zonder geloof? Mijn moeder is nu in de hemel. Met het steeds zachter worden van haar ademteugen, en haar ogen die mij, ongekend helder nu, als alleen een moeder haar kind kan bezien, gevangen hielden, was ik getuige van één van die niet te missen wonderlijke momenten in een mensenleven: geboorte, en nu dan dood. Ik kan het iedereen aanraden.

En nu weer terug naar het begin van dit verhaal. Ik weet dat er leerlingen zullen zijn, die dat gaan vragen. Vaak blijven ze napraten, over de dingen die zij hebben meegemaakt. Meestal leuk, koetjes en kalfjes. Maar soms is het anders. Zestien, zeventien zijn ze, nog helemaal aan het begin. En sommigen hebben alles al meegemaakt wat ik nu beschrijf. Je weet het van een aantal. En die zal ik het zeggen. Alleen aan hen. Want zo’n vakantie maak je niet vaak mee.