Lichaam

kanaalBegin december door de Flevopolders rijden, dat heeft iets diep neerslachtigs. Lange, kaarsrechte wegen, zompige akkers, een bits grijze rechtlijnigheid die wegkwijnt in de de nevel. Het lijkt de hele dag niet licht te willen worden en het voorjaar is mijlenver weg. Ik nader Dronten, waar ik moet stoppen op een brug over een kale vaart, want er is een opstopping en veel politie. Bootjes in het water, gehengel met touwen. Daar wordt een lijk uit opgevist, zo’n vijftig meter verderop.  Groepjes mensen staan langs de kant te kijken, men is met schermen in de weer.

Nu ben ik wel een sensatiemens, ik spoed mij graag naar een flinke brand of zo, maar alleen als het niet om mensen gaat, als het geen woonhuis is, geen zwaargewonde in een verfrommelde auto. Doorrijden dan, tenminste als er hulp is. Je laven aan persoonlijke narigheid, ik kan dat niet. Soms word je er toch mee geconfronteerd, zoals van de week dus.

Nu heb ik in mijn leven diverse lijken gezien: naaste familie, bekenden, vrienden, en dan maak je zoiets meestal ook bewust mee. Je gaat ergens condoleren, of het moment dat velen zullen herkennen: de dood van bijvoorbeeld je vader of je moeder, of honderd maal erger nog, de dood van je kind. Dat laatste heb ik gelukkig nooit meegemaakt. Bij je ouders wil je zo’n moment niet missen denk ik, al gebeurt het maar al te vaak. Toen mijn vader overleed was ik te laat. “Als ons iets overkomt, nooit laten reanimeren hoor! Wij zijn al te oud.”, werd ons altijd op het hart gedrukt. Ik hoor nog het geluid van de defibrillator door het gevreesde telefoontje heen. Het mocht niet meer baten. Op het bed lag een kouder wordend omhulsel, een met recht stoffelijk overschot. Het leven was uit mijn vader, de grijze ogen voorgoed gesloten.

Bij mijn moeder was ik er wel bij; adem die steeds vaker stokte, steeds zachter klonk, in die laatste ogenblikken waar steeds meer vitale lichaamsfuncties zichzelf onherroepelijk uitschakelden, pulsjes die eens sidderend door het lichaam schoten kwamen niet meer door. Als het uitschakelen van een wonderlijke machine met duizenden knoppen en hendels. De allerlaatste ademtocht, die ook echt klonk als de allerlaatste zucht van leven brengende lucht. Je wist het ogenblikkelijk, intuïtief. De laatste band was doorgesneden, en als je je dat zou kunnen voorstellen, zou je een ziel zien opstijgen naar onbestemde hoogten.

Die momenten had ik niet willen missen. Andere misschien wel, of in elk geval anders: in een bootje op de Ganges in Varanasi, India. Een traag stromende brede rivier vol met langs drijvende rommel, takken en dode dieren, want er was een zware overstroming geweest.  Daar kwam weer wat aan, een biggetje leek het. Maar nee, op nog geen meter afstand dreef een naakte baby langs, armpjes en beentjes gespreid, het hoofdje achterover geknikt. Versteend zaten wij in de boot, die onverstoorbaar door onze gids werd voort geroeid. Nog geen vijf minuten later een nieuw naakt lichaam, sterk ontbonden, waarop al planten en mossen groeiden. De geur was met niets te vergelijken. En kort daarop alwéér een lijk, een vrouw, in fleurige kleding, vastzittend in een berg takken en snoeren, blijkbaar verdronken. Niemand die ervan op of om keek, zwemmende en spelende kinderen vlakbij, alles deel van dit leven als in een schilderij van Jeroen Bosch. De lichamen op de altijd rokende brandstapels langs de rivier, de handen, voeten en hoofden die je tussen de vlammende takken uit zag steken, het is daar normaal. Niemand lijkt geschokt te zijn in die overvolle krioelende mensenmassa.

Terug naar die grijze, stille vaart in Dronten, die niet de Ganges is. Geen overstromingen en lijkverbrandingen, geen rituelen hier. Een lichaam drijft daar in het water. Het bleek een dertigjarige man, las ik gisteren. Men gaat uit van zelfmoord. Vermist sinds half november, weggelopen uit het ziekenhuis in Lelystad. Weggelopen. Bij het opsporingsbericht een foto. Een foto van een jongeman, die in het niets lijkt te staren. Ik zocht op internet. Niets, geen Facebook, geen Twitter, niets. Alleen die politiefoto. Besta je niet op internet, dan besta je eigenlijk niet, zo’n maatschappij is het tegenwoordig.
Weggelopen uit het ziekenhuis. Waarom doe je zoiets. Misschien gehoord dat je ongeneeslijk ziek bent, denk ik dan. Of geestelijk volledig ontredderd, zó ontredderd, zó zonder vrienden, zonder naasten, dat je kiest voor het zwarte, kalme, alles toedekkende en alles afsluitende koude water van een grijze vaart in de polder. Half november, de feestmaand bij uitstek in het vooruitzicht. Een rampmaand voor sommigen, die niets te vieren hebben.

En weken later word je dan gevonden, dan zijn er tóch nog mensen die zich over jou ontfermen, die jou rustig en professioneel met respect uit het water halen, in een wereld die jou teveel werd. Geen fijne kerstdagen of gelukkig nieuwjaar voor jou, maar wel rust. Zo zonde dat het niet anders had kunnen zijn.

Alles gaat verder. Ik tuig straks de kerstboom op, nog anderhalve week werken, dan is het vakantie. Een ander soort rust. Vrienden, familie en kennissen om je heen. Feest. Een luxe waar we ons maar eens goed bewust van moeten zijn. Die niet iedereen gegund is. Kies niet voor die vaart, als het ook maar even kan. Er zijn altijd mensen die proberen zich in jou gevoel te verplaatsen. Blijf hopen dat ze jou vinden, dat jij ze vindt. Ergens.

’t Is vijf uur

imageWanneer je vroeger in een moment van eindeloos wakker liggen iets zinnigs wilde gaan doen, waren er diverse alternatieven: de lamp aan en gaan lezen, uit het raam staren naar de verlaten straten, een kop warme melk gaan drinken ( sommige vrouwen schijnen dat te doen, lijkt me gruwelijk ) of een Duitse tv-zender aanzetten, waar je uren mee kon kijken in de cabine van een treinmachinist die het ene na het andere station passeerde. Toen dat programma na jaren stopte, schijnt half Duitsland in opstand te zijn gekomen.

Nu pakken we onze iPhone en gaan op zoek naar wereldnieuws, spelletjes, of gelijkgestemden in de nachtkroeg van de grote stad die Twitter heet. Daar is het stil. De buitenlandse volgers en gevolgden komen voorbij, de tijdzones vormen de lege krukken naast je aan de bar. Je staart voor je uit en draait je virtuele glas rond. ’s Nachts is Twitter het beroemde schilderij van Dennis Hopper. Het kán ook niet anders dan een grote stad zijn. Er is geen plek waar een mens ’s nachts – en ook vaak overdag – eenzamer kan zijn. Zoiets brengt wél mooie dingen voort: literatuur die je opzuigt, schilderijen dus, foto’s van verlaten natte straten, spiegelend in het harde natriumlicht, waar de eenzaamheid van afspat. Jazz, bij een grote stad hoort jazz. Een desolate trompet, een traag ritme, de drum-brushes de sissende banden op glimmend asfalt. Je kunt je wentelen in eenzaamheid.

Midden in de nacht kwam er een tweet voorbij. Een foto van uitzicht over een nachtelijk Amsterdam, van iemand die daarbij moest denken aan dat schitterend melancholieke nummer van Ramses Shaffy: “Het is vijf uur”. In mijn optiek z’n beste nummer, je zou er spontaan van aan de drank of aan de sigaretten of aan een combinatie van beide raken. Het stráált de verlatenheid in de nacht uit. In Amsterdam heb ik trouwens ’s nachts nooit voor het raam naar buiten staan staren, wél in steden als New York, Los Angeles, Brisbane, Shanghai of Hong Kong. Geplaagd door jetlag, blikkend in de verlaten straten, elke stad slaapt toch op enig moment, behalve dan die enkele inwoners die daar eenzaam beneden je voorbij lopen of rijden, of die net als ik peinzend voor zich uit blikken, staand in dat enkele verlichte raam in de zwarte steenkolossen, als een soort kortstondig oplichtende verre sterren in de nacht van het bestaan. We seinen onze gedachten de wereld in, naar een kust die onbereikbaar is.
In de nachtkroeg van Twitter hangen de nachtbrakers aan de bar, hun leven overdenkend in zo af en toe een enkele tweet, die niet beantwoord wordt. Er is niemand die luistert, en hun geluid verwaait in het geraas van de stad die langzaam ontwaakt.
[youtube]http://youtu.be/iFYNZ2F8Xa8[/youtube]

 

Kerstverhaal

Het was kerstavond. In haar kamertje, bij het licht van de monitor, tuurde zij naar buiten in de nacht. Het was gezelig gemaakt binnen, vond zij. Bij de Action had zij mooi gekleurde kerstverlichting gekocht, die kon knipperen op de maat van de muziek. Zij had een stel kerst-cd’s gedownload en wiegde haar hoofd zachtjes heen en weer, terwijl ze naar het schermpje van Messenger staarde. Haar mobieltje was tot nu toe stil gebleven, zodat ze vergeefs wachtte op haar Jingle Bells-beltoon. Iedereen zat zeker al aan het kerstmaal, of keek naar een kerstfilm. Op internet had ze wel gezocht naar een toepasselijke film, maar die waren allemaal niet ondertiteld, dus begreep ze er niet veel van.

Ze had al heel wat kerstkaarten binnen gehad van vrienden op Hyves. Zeker een stuk of acht, de meeste met muziek. ” FW, FW, FW, stond er telkens bij. Dat las ze wel vaker; ze wist niet wat het betekende. Dat moest ze toch eens vragen aan haar vrienden. Zelf had ze heel veel kaarten verstuurd , zeer zestig, alles digitaal, dat was handig, want postzegels waren toch eigenlijk best wel duur. Op de schoorsteenmantel boven het kacheltje stonden ook een paar echte kaarten: eentje van de Scapino, voor alle medewerkers, en nog een mooie van de bezorger van het weekkrantje, met een kalendertje er op.
Straks zou ze zichzelf verwennen met een lekker Chinees menu, menu A, in de aanbieding, en ze wachtte nu op de bezorger, die waarschijnlijk wel een nieuwjaarskalender zou meenemen. Zo eentje met een mooi Chinees berglandschap er op en een waterval. Dan had ze er al twee. Kon ze mooi al haar afspraken met haar vrienden noteren.

Ha! Daar meldde zich iemand aan, op MSN. Het was Manus, een man die ze nu al weer een maandje kende. Vierentwintig was hij, zei hij, en zijn foto leek heel erg op Leonardo di Caprio. Hij was weduwnaar, zei hij. Zelf had ze niet zo’n mooie foto, dus had ze maar een plaatje van een hertje genomen. Hij vroeg altijd of zij haar camera aan wilde zetten, dat had ze nu een paar keer gedaan en toen had hij gevraagd of hij haar borsten mocht zien, want hij was zo eenzaam, zei hij. Zijn eigen camera was al heel lang stuk, zei hij. Ze had het nog niet gedaan, aarzelde nog. Misschien hield hij wel van haar, misschien zou hij het haar vanavond wel weer vragen.Misschien zou ze het dan wel doen, het was tenslotte maar een keer per jaar kerstavond.

“Vrolijk kerstfeest”, typte ze. “Heb je mijn kaart nog ontvangen? ” Het bleef een tijdje stil, en ze staarde naar het schermpje. Toen ging zijn status op bezet. Hij had het zeker druk. Hij deed belangrijk werk, zei hij, iets met computers ook. Ze zou het straks nog eens proberen.

Daar werd gebeld. Dat moest de Chinees zijn. ” Wilt u niet even binnenkomen, het is zo koud buiten!” Dan kon de bezorger haar knipperende kunstkerstboompje even zien, en ervaren hoe knus zij het had gemaakt. Nee, hij moest snel verder, hij had het druk. Maar hij gaf wel de kalender.

Bij het eten had zij een kaars aangestoken, en de screensaver van haar monitor toonde een arreslee die door de lucht hee en weer vloog. De kalender was prachtig, inderdaad, bergen met een waterval, en grote vogels.
Straks zou ze nog even op Hyves gaan kijken, misschien was er nog iemand de haar had toegevoegd. Misschien wel een mooie man. Misschien kwam Manus nog wel weer online. Het zou vast wel een gezellig kerstfeest worden.