Wauwel in Jordanië, deel 5

“Door Israël naar Egypte”

Je hoeft geen al te kritische toeschouwer te zijn om te constateren dat het in veel Arabische landen enigszins “rommelig”  is, om  het maar zwak uit te drukken. Overal zwerft straatvuil rond, langs de wegen op de meest onverwachte plekken liggen grote stapels afval, waar dan weer gezellig een kudde geiten of schapen in staat te sprokkelen, zodat een en ander nog meer wordt verspreid.  Waar je bij ons op een dakterras een tuinset en een mini-barbeque zou aantreffen, kom je daar bijvoorbeeld een grote verzameling vuilnis tegen, en, zoals ik in Egypte eens zag, een ezel die op die wonderbaarlijke hoogte zijn kostje bij elkaar scharrelde.
Toch zie je ook veel straatvegers, die blijkbaar hun hoopje rommel van A naar B vegen en vervolgens weer terug. Stoepen houden plotseling op,  vallen volledig uit elkaar of worden onderbroken door allerlei roestige uitsteeksels die ooit toebehoorden aan misschien een lantaarnpaal, een hekje of die bestaan uit achtergelaten metselgereedschap. Elke winkel lijkt ook zijn eigen stoepje te hebben geconstrueerd, daarbij geen rekening houdend met mogelijke hoogteverschillen met het plaveisel bij de buren voor de deur.
Iets dergelijks geldt ook voor de gewone weg, waar je ’s avonds beter niet in stevige vaart in een je stokoude Peugeot 304 of nòg oudere Mercedes door heen kunt jagen. Toch doet men dat, voorzien van geen, halfwerkende, gekleurde of knipperende verlichting of een combinatie van dat alles. Vanuit de opgeblazen luidsprekers in de autodeuren overstemt schallende Arabische muziek het gerammel van het voertuig, en losjes stuurt men, al rokend en telefonerend, het vehikel om de meest verraderlijke obstakels en tegenliggers heen, daarbij niet gehinderd door enige verkeersregels.

Waarom die puinhoop eigenlijk? Ik weet het niet. De enige verklaring die ik tot nu toe heb, is misschien  het klimaat. Het slijt sneller, het ontbindt sneller, en ik kan me voorstellen dat je met die hitte niet altijd zin hebt om eens fijn je stoepje te gaan tegelen en vegen. Of misschien vergelijk ik teveel met onze over-georganiseerde westerse wereld, een wereld waar godsdienst geen duidelijk merkbare invloed meer heeft op het dagelijkse leven, in tegenstelling tot de middeleeuwen, een periode waar je onbewust aan moet denken als je door een kashbah ergens in Caïro dwaalt.  Is er in een wereld waarin godsdienst de dienst uit maakt, meer oog voor het innerlijk dan voor het uiterlijk? Ik denk dat men in Islamitische landen meer bezig is met het gevoel, het gevoel en het innerlijk in elk geval meer laten spreken.

Het hoort er allemaal bij, en het maakt het tot wat het is: en ogenschijnlijk chaotisch georganiseerde, rommelige, maar toch prettig aanvoelende wereld waarin je je als westerse toerist graag een tijdje in onderdompelt. Je kunt er met Engels redelijk uit  de voeten, en de gewone moslim-man is geen gevaarlijke terrorist maar net zo’n Jan met de Pet-figuur als je buurman in Nederland. Bovendien, en dat is niet onbelangrijk, is men er een stuk vriendelijker in de omgang met wildvreemden. Vóórdat je met je ogen kunt knipperen word je al bij iemand thuis uitgenodigd, waar de hele familie wordt opgetrommeld om het pronkstuk te komen bewonderen en te verwennen met lekkere hapjes.  Zo is het in Jordanië, in Egypte, in Tunesië en vermoedelijk in veel andere landen daar in het Midden-Oosten ook.  Het verschil met dat ene buurland is enorm: Israël. Gehaat, verguisd, en overal de schuld van krijgend.

Onze groep zou het tweede deel van de vakantie in Egypte doorbrengen. Daarvoor moest in Zuid-Jordanië bij Aqaba de Israëlische grens worden gepasseerd, waarna je vijftien kilometer  door Israëlisch grondgebied dient te reizen om vervolgens in Egypte aan te komen. De reisleidster drukte ons al ruim van te voren van alles op het hart: let goed op je koffers, geen foto’s maken, geen bom-grapjes maken, bedenk of je wel of geen stempel in je paspoort wilt, want wanneer er eentje in staat kom je Syrië niet meer in.

De bus sukkelde door het stoffige en zinderende landschap. Aqaba doemde in de verte op: de bekende verzameling geelgrijze blokkendozen, de daken getooid met betonnen palen waar de bewapening nog uit stak. Enorm veel leegstand en nooit afgebouwde flatgebouwen. Daar was de grens. De alom aanwezige Koning Abdullah wenste ons vanaf een groot bord een goede reis verder toe. Steeds meer roadblocks bemoeilijkten de doorgang, en uiteindelijk kwam de bus tot stilstand temidden van wachttorens, prikkeldraad en streng uitziende gebouwen. Alle bagage moest uitgeladen worden en de groep verzamelde zich bij andere groepen die stonden te wachten om de grens over te kunnen. De laatste paar honderd meter niemandsland zou lopend afgelegd moeten worden, maar alleen nadat alles minitieus – op Arabische wijze – was gecontroleerd.
Zo kwam het dat ik als eerste van de groep het niemandsland in liep, zeulend met mijn bagage, in de verlammende hitte, midden over de grijze en gloeiende streep asfalt, de paar honderd meter naar het beloofde land, voorlopig bestaande uit links en rechts waarschuwingsborden, versperringen, schijnwerpers en mijnenvelden, en in de verte de grenspost, trillend in het onbarmhartige zonlicht, met grote traag wapperende Israëlische vlaggen, vóór en achter mij zwaar bewapende lieden die hun machinegeweren koesterden….een scène als uit een onwerkelijke droom, die diepe indruk op mij maakte, eigenlijk wel een hoogtepunt in mijn reis. Ik naderde voor het eerst in mijn leven  Israël, het land waarvan mijn ouders mij altijd met de paplepel hadden ingegoten dat dit ongeveer het meest fantastische land op aarde was, het beloofde land, maar ook het land waar ik de afgelopen jaren steeds kritischer tegenover was komen te staan. Die negatieve gevoelens waren in één klap weer verdwenen.
Mijn lezers zullen het misschien moeilijk begrijpen, maar ik was ernstig aangedaan bij het naderen van deze bar ogende barricade, en ik kon nauwelijks uit mijn woorden komen toen de eerste Israëliër, voorzien van machinegeweer en donkere zonnebril, uit de schaduw van zijn post stapte en mij aansprak. Ik was in Israël.

Werkende airco, onberispelijk geklede en keurig geknipte fris ogende lieden, die door hun manier van doen elke neiging tot lollige opmerkingen en zenuwachtige grapjes de kop in wisten te drukken. Geen geintjes, meneer Wauwel, dit is een streng bewaakte grenspost in – wat leek  – een oorlogsgebied.  Een vloeiend Engels sprekende man sprak mij aan: onze gids gedurende de vijftien kilometer door Israël.  Alles goed in de verf en perfect onderhouden. Een smetteloze bus. Wegen zonder gaten, direct overal groen. Irrigatie, groene en vers gemaaide gazons. Geen rommel te bekennen. Het contrast kon niet groter zijn.  Van de Middeleeuwen in de nieuwe Tijd, en een half uur later weer een paar honderd jaar terug, Egypte in,  als in een hysterische tijdmachine. Hoe kon dit, waar lag dit aan? Is Israël dan echt een uitverkoren land?  Wie het weet mag het zeggen.

Eenmaal aangekomen in de bekende chaos van de Egypte grenspost, kwam ik tot de ontdekking dat ik mijn fototas aan de Israëlische kant had laten staan. Dat leek een ramp. Je kunt bij elke grens ter wereld ( op Noord-Korea na dan )  je spullen vergeten, maar hier moet je zoiets niet doen. Driftig heen en weer getelefoneer tussen allerlei beambten van beide landen. En zo kwam het, dat ik in half uur tijd twee keer de Egyptisch-Israëlische grens passeerde, gladjes heen en weer geloodst door allerlei eerst onopgemerkte poortjes en gangen, met de hartelijke groeten over en weer, voorzien van mijn tas, die aan Israëlische kant natuurlijk direkt was opgemerkt.

Een heerlijk opgelucht gevoel bij terugkomst in de hitte, de rotzooi en de Middeleeuwen. En met hoop voor de toekomst.

Links van het bord Israël, rechts Jordanië. Zoek de verschillen
"Links van het bord Israël, rechts Jordanië. Zoek de verschillen"