Kerk

Ik kom nog graag in kerken, hoewel ik niet meer in de kerk kom. Een beetje een heiden dus nu. Vroeger niet, vroeger was ik behoorlijk gelovig, en dat is eigenlijk iedereen: de een gelooft dat er iets is, de ander dat er niets is, maar geloven doen we allemaal. Omdat we het eigenlijk niet meer weten, althans, niet zéker weten. We leven in een wereld van bewijzen, zijn die er niet, dan geloven we het wel. Tegenwoordig is dat lastig. Er zijn veel bewijzen, misschien wel te veel.

Voor een kind ligt dat radicaal anders: een kind gelooft heilig in sprookjes, gelooft heilig in Sinterklaas. eigenlijk een heel prettig wereldje: behapbaar, klein, vol verbazing, alles nieuw, een reis naar oma, 80 kilometer verderop, is een wereldreis. Met mijn ouders ging ik op vakantie, van Haarlem naar Den Helder, met de boot naar Texel. Een expeditie gelijk. Voor dag en dauw ( om zeven uur ) op, en volgepakt in de Fiat 500, mijn vader verbeten sturend, mijn moeder allerlei controlevragen snauwend, ‘Weet je wel zeker dat je het gas uit hebt gedaan?’ De stemming vaak te snijden, maar dat merkte je niet als kind. Na uren, leek het, was je in Den Helder, waar een enorm schip ons gezin, de hysterie nabij door het de halve dag wachten in de lange rij in de brandende zon, ons naar de overkant bracht, een oceaanreis was het. Wel twee weken bleven wij, de dagen leken eindeloos en regen zich loom aaneen. Daarna weer voor een jaar naar huis. En dan weer naar Texel, en nog vele jaren het zelfde ritueel. Er was niet anders, geloofde je. Je geloofde in een toekomst, je geloofde dat alles nooit meer zou veranderen, dat je altijd kind zou zijn, ook later als je groot was.

Mijn ouders gingen naar de kerk, zochten er bevestiging. Ik moest dus ook. Meestal een bezoeking. Er lag een boekje: “Psalmen en gezangen uit de Nederlands Hervormde Kerk”. Een creatieve, blijkbaar minder gelovige geest had daar tijdens die verveelde uren letters in weg gekrast, wat resulteerde.in “Palmen en gezagen van de Nederlandse Hoer” . Daaruit werd ik dus gesticht, bezong de lof van de Nederlandse hoer. Puber werd ik, en nog steeds op zondag naar de kerk, want daar ontmoette ik tenslotte ook mijn eerste grote liefde, die de toepasselijke naam Gloria droeg. Dat was fijn zingen toen, want die naam kwam in allerlei liederen voor, dus bulkte je luidkeels mee op het moment suprême.
Ik belandde in een koffiebar, bij een organisatie die Youth for Christ heette. Bestaat nog steeds, de koffiebar in Haarlem is echter niet meer. Er kwam daarna een sexclub in, de duivel in eigen persoon. In die koffiebar, daar ging het mis: vanuit het raam op de bovenverdieping, keken wij, na een avond mede-jongeren bekeren onder het genot van een flesje chocomel, neer in de kamer van de overbuurman. Een typisch figuur volgens ons, want altijd vage blauwe of rode verlichting daarbinnen. Zo eentje die duidelijk niet te bekeren was en wel aan de drugs zou zitten. Daar waren wij – gekluisterd aan het raam – gretige getuige van grote zonde: “Kijk nou, het lijkt wel of daar ook een vrouw op bed ligt. Ja hoor, naakt, en hij trekt z’n broek uit!” Opwinding alom. Ook ernstig gelovige jongeren blijken dus gevoelig te zijn voor de verleidingen des vlezes, en dan maar de hel riskerend.
Toch was het een mooie tijd; je hebt als puber toch enig houvast nodig, en veel slechter ben ik er niet van geworden. Ik bleef ook christelijk, kwam niet in de hel. Het heeft iets prettigs, geeft zekerheid, jarenlang geloofde ik dat die aarde echt in zeven dagen geschapen was, compleet met fossielen en al. Je bent tenslotte God of niet, dan is zoiets een peuleschil.

In Barneveld, na het Vaticaan de plek waar je volgens mij meer kerken en meer gelovigen ( procentueel gezien ) dan waar ook ter wereld bij elkaar vindt, begon de kentering. Een nieuw kerkgebouw, en een dominee die- en dat was al iets vreselijks – vrouwelijk was. Daar komt mijn ouderwetse aard en opvoeding door mijn ouders om de hoek kijken: een dominee mot mannelijk zijn, liefst ouder, rijzig van postuur, en gezag uitstralen. Niks geen modern gedoe. Deze dominee nu was wel eh…vrouwelijk, liep als een marktkoopman die een kar met appelen voortduwde, had de stem van een dokwerker en haalde tijdens de preek voortdurend snorkend haar neus op. Een gruwel was het voor mijn aangezicht. Had Jacobine Geel nu op de preekstoel gestaan, dan had ik nog steeds ademloos en diep gelovig aan haar lippen gehangen, ook als zij het katheder al lang verlaten had; dan was ik nu dus beslist geen heiden geweest. Een dominee op pijlers, in strakke rubberen toga en naad-netkousen, zoiets moet toch kunnen wanneer je als kerk de gelovigen bij de leest wil houden.

Ik dwaalde dus af, doolde letterlijk en figuurlijk door de wereld, zag geloven die al eeuwen geleden waren uitgestorven en die alleen hun stoffelijke resten aan ons na lieten: piramides, godentempels in China, India, Nepal, Bali, Jordanië, Afrika, en de failliete Crystal Cathedral in het wereldse Los Angeles.. Het was alles vergeefs dus, er bleek uiteindelijk niets te zijn. Geloven doen we in tijden van nood. Want dan willen we eigenlijk wel, dan stromen kerken en tempels vol en bieden steun en veiligheid. Of we doen het alleen, in stilte in eenzaamheid, als niemand het ziet, in onze eigen persoonlijke nood, en we ons een beetje schamen.

En dat is nou het mooie, wanneer je als toerist weer zo’n kerk bezoekt in een grote stad te midden van razend verkeer of ergens op een weitje hoog in de Alpen: je komt in een soort hemel van rust en stilte terecht, waardoor je automatisch weer een beetje gaat geloven, waardoor je automatisch weer een beetje kind wordt, verlangend naar het rotsvast vertrouwen van toen. Een zo’n enorme kathedraal, daar zie je mensen uit alle windstreken van de wereld, in de eenzaamheid van hun drukke leven, kortstondig knielend in een kort moment vóórdat ze weer verder reizen, biddend tot hun god, voor mensen ergens op diezelfde wereld die zo heel erg hard en harteloos is geworden. En bij het licht van flakkerende kaarsen lees je de teksten in het gebedenboek, zoals deze intrigerende wanhoopskreet, laatst gezien, ergens in een kerk, waar het soms nog heel goed toeven is:

Deze zin: “Ik was weer erg overstuur en in de war. Het duurde urenlang, en nu ben ik er ziek van geworden”. Waar een kerk en geloof soms toch al niet goed voor zijn. Wie weet keer ik weer eens terug.

gebedenboek

 

Drive-in geloof

Wauwel mocht zich de afgelopen week laven aan het immer zonnige Beach Boys-klimaat  van Los Angeles, Californie. Ik was daar verzeild geraakt vanwege een presentatie over Twitter, die verkozen werd tot beste van een groot onderwijscongres. De prijs bestond uit een studiereis, en deze week was het dan zo ver.

Een week in het Sheraton Park Hotel was mijn mijn deel, het congrescentrum en Disneyland binnen loopafstand, en, zoals dat gaat in Amerika, alles wordt daar groot aangepakt; voerdadig is mogelijk een passender woord. De straten zijn vijf-baans breed voor elke rijrichting, het plakje ham op je sandwich bestaat uit toch wel een heel Nederlands pakje, de scrambled eggs worden nog eens met suiker bestrooid en de Starbucks wordt je me liters tegelijk aangeboden.

Vlak bij – nou ja, op drie kwartier lopen – het hotel bleek zich nog een overdadig gebeuren te bevinden, eentje die zich presenteert als een regelrechte poort naar de hemel, namelijk de Crystal Cathedral die ook elke zondagmorgen in Nederland op tv tot ons komt.

Als bewoner van dorpje B. op de Veluwe, met uitzicht op twee enorme refo-domes waar een geloof van kommer, kwel, hel en verdoemenis over de arme gelovige wordt uitgestort, wilde ik deze uitgelezen kans op een ander uiterste natuurlijk niet missen, dus zo toog ik van de week richting aards paradijs, een enorm bouwwerk van – naar het inderdaad lijkt – kristal en spiegelglas. Nu met ik wel toegeven, dat het doel van mijn wandeling aanzienlijk minder verheven was, namelijk het aanschaffen van een iPad, wat inmiddels is gelukt.  Een bezoekje aan de Crystal Cathedral zou dus mogelijk voor het nodige tegenwicht voor het zojuist aangeschafte aardse slijk kunnen zorgen.

Nu, van aards slijk weet de kerk van Dominee Schuller mee te praten. De argeloze bezoeker betreedt een soort arcadisch landschap, waar je het verkeersgeraas dient te vergeten om je te vergapen aan het science-fiction-achtige bouwwerk, waar tonen uit een inmens orgel je tegemoet komen. De toegangen leiden over een soort christelijke hall of fame, marmeren tegels die allemaal voorzien zijn van een stichtelijke tekst en vooral van de namen van de gevers, die bijna zonder uitzondering gestudeerd hebben en meestal een gelukkig getrouwd gezin vormen: Dr. John F. Barrett and Karen Barrett. Je ziet ze voor je: een versteende tandpastagrijns voor de foto, goed in een pak met te brede schouders, blauwgrijs haar, wonend in een welgestelde buurt met een fiks inkomen.

Naast de kerk een groot aantal gebouwen, waarbij de dames-wc werd bewaakt door een meer dan levensgroot beeld, voorstellende de terugkeer van de verloren zoon, en een eindje verderop een tafereeltje dat de heiige familie op een ezel uitbeeldde, waarbij het kindje Jezus was voorzien van een verzilverd hoofd. Of je naar een plaatje uit Readers Digest in de jaren ’60 stond te kijken. Natuurlijk kon ook de heilige familie niet zonder sponsoring, en wanneer je van jezelf kunt zeggen dat je de heilige familie een plekje op het terrein van Dominee Schuller  hebt bezorgd, dan lijkt me je toekomst in het Hiernamaals toch wel verzekerd.

Er was ook nog een groot bezoekerscentrum, waar je plaatjes en koffiemokken met daarop diverse heiligen, bijbelteksten of hoofden van de Chrystal Cathedral voorgangers kon kopen, maar daar verwachtte ik niet al te veel geestelijk heil van. Dan had ik misschien nog meer  aan het bord bij de immense parkeerplaats, waar je voor het uitstorten van het geloof je auto niet meer hoeft uit te komen:

Wauwel in Jordanië, deel 3

Wanneer je vanuit het onder Amman gelegen Madaba naar het westen rijdt, kom je eerst langs bloeiende velden. Bijna of je ergens in de Achterhoek vertoeft, met zacht glooiende heuvels en verrassend groen. On-Arabisch. Na enige tijd echter verandert dit beeld; de weg gaat steeds meer kronkelen, je komt geen rotondes meer tegen met wanstaltige beelden waar ze in het Midden-Oosten patent op lijken te hebben, en  de glooiende velden maken plaats voor dor en droog gebergte, geblakerd door de schroeiende zon. Hier en daar zie je een Bedoeïnen-tent met daarom heen wat plastic vaten, een stapel rotzooi  en een kudde schapen, geiten of kamelen. Op landweggetjes die naar niets lijken te leiden, rijdt een aftandse pickup-truck in een wolk van stof, midden op een berghelling vol bleek verkleurd zanderig puin ontwaar je een geitenhoeder met zijn kudde. Blijkbaar eten die beesten rots en steen.

Hoger en hoger kronkelt en klimt onze bus, tot we op een parkeerplaats halt houden. Er staan nog meer bussen, er hangt een besnorde oppasser rond die ons met een verveeld gebaar door stuurt. De zon lijkt recht boven ons te staan, en we wandelen langs een laan met oleanders. Dan staan we boven op de berg Nebo, en aanschouwen het beloofde land vanaf de plek waar Mozes honderden jaren geleden het zelfde deed.  Het beloofde land is een bar oord, zinderend in de hitte, met hier en daar een enkele struik, en in de trillende lucht zien we in de verte vaag een schittering: het diepste punt op aarde, de Dode Zee. Zo’n 422 meter onder de zeespiegel, en dat getal groeit jaarlijks door de snelle verdamping . Onze gids rookt en fotografeert ijverig enkele dames uit ons gezelschap, en dat zal gedurende de rest van ons verblijf in Jordanïe zijn voornaamste activiteit blijken te zijn.
Het schijnt in de tijd van Mozes minder warm en groener te zijn geweest, zo weet hij nog wel te vertellen. De rest van de informatie moeten we zelf bij elkaar sprokkelen. Dat de paus hier ook gestaan heeft, dat er een groot  en monsterlijk overheersend hotel in aanbouw op de top van de berg is, de vele pelgrims die hier jaarlijks komen hebben blijkbaar behoefte aan een stilte-moment in een luxe ambiance.

Zou er iets door mij heen moeten gaan, daar op die plek waar Mozes vermoedelijk door ontroering werd bevangen? Nee, dat is niet gebeurd. De toeristen, het hotel, de bussen  en de hitte doodden elk gevoel. Je komt als groep, je maakt een serie foto’s of filmpjes, en een uurtje later ben je weer op weg.  ’s Ochtends vroeg zou je bij dat soort plaatsen moeten zijn, geheel alleen, om mogelijk een stem te horen die ook Mozes eens heeft toegesproken. Er zouden geen toeristen moeten zijn, geen bussen, geen hotel in aanbouw. Geen foto’s van de paus, omgeven door veiligheidsmensen die in elke omstander een mogelijke terrorist zagen. Alleen die berg en jij. Geloven in een tijd van weten is een hele kunst, daar heb je tijd en rust voor nodig, en eigenlijk een eeuw in het Oude Testament.

Omlaag ging het weer, dieper en dieper naar de bodem van de aarde, met een buschauffeur die voortdurend telefoneerde en dat deed op een toon die deed vermoeden dat de berichten naar de andere kant van de aardbol gebruld moesten worden.  Alle telefoongesprekken in die landen lijken trouwens zo te moeten gaan. Gebeurde dat hier in Nederland in een volle forensentrein, dan zou je horendol op de plaats van bestemming aankomen.
Wie denkt even rustig te kunnen pootje baden in het water, dat voor één derde uit zout bestaat, komt bedrogen uit. We worden afgezet bij een soort zwembad langs een wat vervallen boulevard, en de zee oogt in eerste instantie niet anders dan een willekeurig meer ergens in Italië, maar dan in een wat kalere omgeving. Je hebt niet het idee je op het laagste punt op aarde te bevinden, er is gewoon een horizon met aan de overkant van het water de Westelijke Jordaanoever, door de Jordaniërs steevast “Palestina” genoemd.

Eerst omkleden, in een soort galmend badhok annex wc, waar een schoonmaker je gedienstig een plastic kuipstoeltje door het gordijntje heen toe schuift. Vervolgens bij een soort badmeester een sleuteltje halen voor een soort kluisje waar je eigenlijk niks van waarde in op zou durven bergen,  en dan te water, over een rommelig strandje vol keien en onbestemde voorwerpjes: een vreemde sensatie het olie-achtige water over je huid te voelen,  besmuikt aangestaard door groepjes Jordanieërs en Libanezen die  in stemmige en soms geheel bedekkende badkledij dat zelfde gevoel ervaren: drijven als een kurk op het water, en hoe je ook je best doet, dieper dan borsthoogte kun je niet komen, als een dobber schommel je heen en weer. Een enkele toerist, natuurlijk Amerikaans, laat zich met de bekende krant in het water fotograferen.
In onze verwondering zijn we allemaal gelijk: Libanezen, Jordaniërs, Syriërs, Amerikanen en Nederlanders, en vallen verschillen weg. Die verschillen zijn aan de overkant wel degelijk aanwezig. We kijken uit op gebied waarvan we weten dat daar lieden wonen die zichzelf met genoegen in een volle bus in stukjes blazen, waar huizen met bulldozers worden platgewalst en waar bij tijd en wijlen driftig over en weer geschoten wordt met alles wat maar voor handen is, waar men elkaar het liefst en masse zou willen uitroeien. Dat alles gebeurt daar in die bergen aan de overkant, een geoefend zwemmer haalt het in een uurtje. Twee werelden uiteen, gescheiden door een smalle strook water waarin geen leven mogelijk is.

De groep Libanezen naast ons wil graag weten waar we vandaan komen, nodigt ons uit toch vooral naar Beiroet te komen want het is daar toch zo’n mooie en veilige stad, en we bewonderen elkaars met geneeskrachtige modder ingesmeerde lijven. Het zijn studenten tijdens een tripje naar Syrië en Jordanië. Morgen gaan ze weer naar huis.  En wij, we proeven voorzichtig een vingertipje van het breinzoute water, we nemen een steentje Dode Zee-strand mee in onze bagage, we menen aan de overkant vaag de contouren van Jeruzalem te zien en fotograferen en filmen dat dus in alle standen, totdat een Jordaniër ons weet te vertellen dat het een andere plaats is met een voor ons onbekende naam. Nou ja, als we stug blijven volhouden, is het tòch Jeruzalem.  We drinken een alcoholvrij biertje en wij rijden weer terug naar ons hotel. Dag twee van onze vakantie zit er bijna op. Het lijkt alsof we al een week onderweg zijn.

PS:Foto’s staan op mijn Flickr-pagina, te bereiken door rechts op de fotootjes te klikken

Dag des Oordeels nabij

De Dag des Oordeels komt met rasse schreden naderbij. Lijkt wel. In België heeft de aarde dit weekend twee keer gebeefd, vanochtend nog met een kracht van 3 op de schaal van Richter. Dat komt natuurlijk omdat ze katholiek ( “Paaps” zouden mijn ouders zaliger zeggen ) zijn, en het zal ook wel te maken hebben met het feit dat de Paus momenteel ergens aan de andere kant van de aardbol zit.
En op het moment van schrijven wordt de aarde rakelings gepasseerd door een asteroïde, een dubbele nog wel, op een afstand van 2,3 miljoen kilometer. een rekenfoutje is bij dergelijke afstanden snel gemaakt.
Het zou slecht uitkomen, zo’n Dag des Oordeels nu. De vakantie staat voor de deur, de auto is zo goed als ingepakt en ik heb nog wat bestellingen lopen bij Bol.com.  Hadden de sterren- of aardbevingsdeskundigen niet wat eerder kunnen waarschuwen, waarom moeten we zo iets voelen of een dag tevoren in de krant lezen?

Wat zou u doen, op het moment dat Milika Peterson ons in Hart van Nederland verkondigt dat het Einde der Wereld voor morgen om twaalf uur op het programma staat? Misschien wat later vanwege primetime, en eventueel onderbroken door commercials, niets is zeker. Rechtsstreekse reportages vanaf de plaats des oordeels zijn ingepland.

Ja, wat zou u doen. Zou u ineens gelovig worden als u heiden was, of ineens heiden als u ongelovig was? Gisteren sprak ik iemand, die gelooft niet meer. Waar zij eerst het Joodse volk door de Schelfzee zag trekken, resteren nu nog vraagtekens. Zij was op die vermoedelijke plek geweest, en dacht: dit kan nooit zo gegaan zijn. Weg alle zekerheden, en nu onzekerheden juist door zekerheid. Zo zie je maar waar wetenschap toe leidt. Niks is zo onprettig om te weten dat je dingen alleen nog maar weet en niet meer gelooft.

Zou u nog even 24 uur de beest uithangen, en toch nog even alles doen wat God verboden heeft? Om te WETEN hoe dat is? Of gelooft u het wel? Zou u de resterende tijd biddend in uw eentje doorbrengen? Al uw zwarte geld nog even witten, hoewel dat weinig zin meer heeft. Zou je überhaupt nog in de Hemel kunnen komen als je maar 24 uur gelovig bent geweest? En is dat dan een christelijke hemel, of een boeddhistische, een islamitische, of voor mijn part een Mormoonse met een enorm aantal aantrekkelijke huwbare maagden?
Die Dag des Oordeels wordt natuurlijk al eeuwen met grote stelligheid verkondigd door allerlei lieden die zeker wisten en weten dat het dan en dan zover zou zijn. En dat we er dan klaar voor zouden moeten zijn. En elke dag die voorbij ging zonder oordeel stortte hen mogelijk in een geloofscrisis. Mag je nog geloven als je weet, of weten als je gelooft?

Laten we even afwachten hoe het afloopt met die asteroïden en die aardbevingen vandaag, dan weten we het morgen zeker.

De nieuwe God heet Google

De nieuwe aarde volgens Google 

Er is een nieuwe God in de wereld: Google. Deze god schiep een nieuwe hemel: Google Sky, en een nieuwe aarde: Google Earth. Deze god weet alles: zoekt en gij zult vinden op Google. Wie dwaalt raakt nooit meer de weg kwijt, want daar is dan Google Maps. Google behoedt ons op onze wegen…

Wie in Google gelooft, zal eeuwig gevonden worden. Steeds meer mensen geloven in deze god en delen alles wat zij hebben in Google Docs. Google hoort ook alles wat wij zeggen, want Google komt met een eigen mobiele telefoon: directe lijn met Google. Google leidt ons bij wat wij dagelijks doen, met Google Agenda. Vertrouw je meest intieme gedachten toe aan Google Talk. Biecht maar op. Google beheerst ons denken, want alles wat wij leren, weten, vinden  en beoordelen gaat via Google. Google ziet alles, tot in het kleinste detail als het inzoomt op je land, je stad, je dorp, je straat, je huis. Zwaai even naar Google graag. Google is de nieuwe toren van Babel, maar dan zonder spraakverwarring, want Google spreekt ieders taal met de ingebouwde taalhulpmiddelen.
Op alle levensvragen heeft Google wel een antwoord. “Ga ik dood?  Want ik voel hier een pijntje”. Google verstrekt de diagnose. Google bepaalt je roem en macht, want hoe meer hits op Google, hoe bekender.
Met Google worden wij rijk. Wie Google Adsense op zijn website heeft, en wie vaak genoemd en gevonden wordt op Google, krijgt veel volgelingen. Die klikken allemaal op jou, populair als je bent. Rijkdom, macht, bekendheid. Het alziend, alwetend oog van Google.
Doe mij dan toch maar liever de oude God.

De klok van Arnemuiden

“Als de klok van Arnemuiden
Welkom thuis voor ons zal luiden
Wordt de vreugde soms vermengd met droefenis”

Enkele regels uit de bekende smartlap die in 1949 geschreven werd. Daar is Arnemuiden van bekend. Sinds Kerstmis 2007 zal de Klok van Arnemuiden echter ook een herinnering oproepen van “O ja, was daar niet die brand?”
Een schuldige naam voortaan, net zo als kerstavond voortaan een beetje schuldig zal zijn. In die avond waar de geboorte van Jezus wordt herdacht, verdwenen vier kleine kinderen voorgoed van deze aarde, gingen regelrecht naar de hemel, als kleine fonkelende kerststerretjes in een oneindig heelal, in het licht van de vlammen stegen zij daar op en Arnemuiden werd kleiner, kleiner en doofde in het zwarte niets, om plaats te maken voor een licht dat alle vuren en alle branden op de wereld deed verbleken. En die klok die luidt, en die luidt, een machteloze noodkreet in de nacht, een kerstklok die deze nacht wanhoop in plaats van hoop verkondigt.
Zo hoop je dan maar dat het is gegaan. als je gelooft tenminste, en dat doet men wel in Arnemuiden. Wat moet je zonder geloof. Mag je nog enig houvast hebben in deze wereld, die steeds meer bedekt lijkt door rokende sintels van verval, ook als het Kertmis is. Maar ja, misschien is dat wel de zin van Kerstmis: de hoop niet verliezen als je zoekt naar de zin van iets wat geen zin lijkt te hebben.