Dááág, meester!

otensienAmbieert u altijd al een loopbaan in het onderwijs? Nou, schei er maar mee uit. Het wordt niks meer. Vergeet het. Een docent, een schoolmeester of -juf voor de klas, het is allemaal zóóó 2014. Daar zitten de stakeholders ( voor de onderwijsleek: de leerlingen ) niet op te wachten, want je stoort ze in hun bezigheden op het mobieltje.

Waar overal beroepen als bosjes verdwijnen om nooit meer terug te keren, kan het beroep van docent, leerkracht niet achterblijven. De docent die nu nog dingen uitlegt voor de klas, schrijvend op het bord of smartboard, die dat doet van half negen tot vier aan een klas vol aandachtig luisterende kindertjes, die is te vergelijken met het beroep van turfsteker of molenaar. Tijdens het bezoek aan het museum voor oude ambachten kunnen we naast de klompenmaker en de rieten mandenvlechter straks ook een echte docent aan het werk zien, eentje die in de weekenden van achter de geraniums wordt weggehaald om te demonstreren hoe het ouderwetsch degelijke onderwijs er in 2015 aan toe ging, compleet met ordeproblemen, leerlingen met dyscalculie en dyslexie, met ADD, PDD-NOS, hoogbegaafdheid, Gilles de la Tourette, overspannen en onwetend management, dat alles samen in een echt nagebouwd schoolgebouw met echte computerlokalen en leerwerkruimtes en een schoolbel en noem het hele scala waar een gemiddelde leerkracht mee te maken kreeg maar op. De school oude stijl is als een eeuwen geleden bedolven mammoet, waar hier en daar nog een goed geconserveerd plukje haar boven het ontdooiende permafrost uitsteekt. Ga je verder graven en ontdooien, dan wordt het toch wel schrikken.

Niemand zit in de nieuwe tijd, we spreken 2032, meer op deze barre middeleeuwse toestanden te wachten. Een beetje een diploma halen en dingen leren die je later niet gaat toepassen, je zou wel gek zijn. Een beetje in een overvolle klas zitten op vaste tijden op een vaste plek en moeten luisteren naar een docent waar je niks mee hebt en waarvan je vindt dat die vent of dat wijf voor geen meter uit kan leggen, dat doe je toch zeker niet? Eentje die ook nog eens zegt dat je niet op je mobieltje of je smartwatch mag kijken, ja doeg! Docent worden? U bent echt knettergek.

Waarom zeg ik allemaal van deze nare dingen? Diverse trouwe lezers van mijn blog hebben mogelijk inmiddels het pand in totaal overspannen toestand verlaten. Wel, ik ben tot inzicht gekomen. Nu is dat op mijn leeftijd – ik ben 61 dus stokoud – een kunst op zich, zeker met mijn dwarsige en opstandige karaktertrekjes. Het werd dus hoog tijd, want het moment naakt dat het kabinet mij wegens te oud, en dus hinderlijk aanwezig en niet meer arbeidsproductief ten dienste van onze uit het dal opklimmende economie naar de jaarlijkse verplichte ouderenkeuring gaat sturen, om te kijken of ik al aan de pil van Drion toe bent ( direct na de uitslag van het keuringsrapport ter plekke toe te dienen ) of dat ik nog een jaartje uitstel krijg.

Onlangs was ik op de bijeenkomst Apps en Educatie bij een vestiging van Seats2Meet in Utrecht. Sommigen beginnen al gelijk te gruwelen bij die ‘2’ in plaats van ‘to’; het is niet meer te stoppen. ‘To’ staat voor van klas naar klas volgens een van te voren bepaald traject een bepaalde schoolloopbaan doorlopen die opleidt voor een bepaald beroep op een bepaald niveau. ‘2’ staat voor: dat kan veel sneller en handiger. En zo gaat het ook worden. Bij één van de workshops werd aan de deelnmers gevraagd met welke verwachting of welk doel men naar de bijeenkomst was gekomen ( een voorstelrondje werd ons dit keer bespaard, dat kun je tenslotte ook ’s nachts om drie uur op iemands Facebook- of LinkedIn-profiel bekijken). Toen bedacht ik: “Ik kom hier voor contemplatie en bezinning”. Dat gaf wat gegniffel. Ik was dan ook een van de oudsten. Je komt ’s ochtends bij zoiets binnen waarbij je met grote vreze vreest niet hip of jong genoeg te zijn, want hier waren de app-ontwikkelaars, de game-makers en de whizzkids bijeen, allemaal driftig tikkend op hun MacBooks, knabbelend aan superfood-bagels, lurkend aan slowjuice, lepelend in bottenbouillon of nippend aan latte macchiato. Lange baarden, hoog dichtgeknoopte overhemden, dikke brilmonturen, skinny jeans en enorme tatoo’s. Hi guys! Het bleek mee te vallen. Er waren wel whizzkids, zéér whizz trouwens. Wanneer je als Nederlands knulletje van 12 wordt uitgenodigd om naar dé Apple-ontwikkelaarsconferentie in San Francisco te komen en daar met grote Apple-baas Tim Cook op de foto te mogen en nu al weten dat je straks ongeveer een beurs voor Stanford op zak hebt, dan heb je het aardig gedaan. Eén van deze kinderen, ik geloof 11 jaar oud, merkte tijdens de plenaire sessie op dat zijn leraar helemaal niets met mobieltjes en apps in de klas had en dat de lessen dus saai en vervelend waren. Applaus en gelach in de zaal. En gelijk hád de zaal overigens. Althans, grotendeels gelijk.

Ik loop in mijn omgeving jarenlang denk ik redelijk voorop wanneer het gaat om het onderzoeken en evalueren van alle mogelijke trends en ontwikkelingen op het gebied van social media en ict; dingen aangeschaft, uitgeprobeerd en gekeken wat je daar op scholen mee zou kunnen doen. Er zijn een miljard mogelijkheden. Er ligt een goudmijn voor het oprapen. Ik ben overal gelijk razend enthousiast over, en dat kan ik overbrengen. Heel goed zelfs. Als het maar ‘bliep’ zegt, of beweegt, of er knippert een lampje, dan ben ik er al voor te porren. Ik ben nét een inboorling uit de vijftiende eeuw die zijn eerste kraaltje of spiegeltje voorgehouden krijgt. Maar ik kan ook relativeren, en ik moet geregeld een flinke emmer azijn te pissen hebben, want anders leid ik geen vrolijk leven. Ik loop nog steeds ijverig te hoop tegen de iPadschool van Maurice de Hond  Ik word obstinaat van drammerige oproepen van allerlei instanties en duur betaalde clubs die ons vanaf de zijlijn toebrullen dat ICT het wondermiddel is en dat we ongeveer allemaal achterlijk zijn als we daar niet hard in meehollen. Ik ben allergisch voor adviseurs.

De pleitbezorgers van ICT en alles wat daarmee samenhangt, jaag ik geregeld boven op de kast, en ik mag graag in discussies op Twitter nog wat extra olie op het vuur gooien. Pubergedrag misschien. Waar het mij echter om gaat is dat we uit onze vaste ideeën en loopgraven vandaan komen. Relativeren. Uitproberen, weggooien en bewaren. De school zoals we die kennen is niet meer te handhaven. De school is één van de vele tv-zenders in ons Ziggo Royaal pakket waar de leerling ( want die blijft ) tijdens het zappen langskomt. Heeft hij er iets aan, dan blijft hij kijken, is het saai, dan zapt hij weg. Er is immers meer te doen, veel interessanter, of veel leuker (voor de voorstanders van leuk onderwijs).

Op het moment dat ik de vorige regels schreef, kwam er een appje op mijn mobiel binnen: “Meester S. is overleden”. U zou nu eigenlijk even een pauze in dit stuk moeten inlassen. Ik kende Meester S. Ben op de ouderspreekmomenten geweest. Hij was een Meester. Een collega, van mijn leeftijd, denk ik. Eentje die vertelde, eentje die dingen op het bord liet zien, met een luisterende klas. Een Meester in zijn vak. Eentje van de oude stempel, eigenlijk. Zo’n meester die je je later als je zelf oud bent, nog zult herinneren. Iedereen kent wel zo’n meester S, die voor een stukje van je leven, groot of klein, vormend en bepalend is geweest. Zo zijn er velen in onderwijsland.

Gaan wij deze meesters dan niet meer gebruiken, niet meer nodig hebben? Het antwoord is – en nu kom ik weer bij het begin van mijn betoog- : Nee, integendeel, wij gaan ze nog zéker nodig hebben. Niet meer allemaal in dezelfde hoedanigheid. Een klein gedeelte nog. Meesters in hun vak: spannende verhalen vertellen, kinderen kluisteren aan je lippen. Doceren, uitleggen, strafwerk geven, voorbeelden geven, dingen ontwikkelen en dingen laten zien. Maar er komen andere meesters bij: meesters die geen echte meester zijn, omdat ze geen opleiding in die richting hebben gehad. Of meesters die wel die opleiding hebben gehad, en alles kunnen met ICT, als ware tovenaars. Welk kind luistert en kijkt daar niet graag naar, of wil zélf een ware ICT-tovenaar nadoen? Er komen meesters bij, die zelfs niet meer menselijk zijn, of die ingeblikt zijn. Hadden we Meester S. nog maar tijdens zijn lessen gefilmd, en op YouTube gezet, zoals bij vele andere meesters nu gebeurt. Eindeloos luisteren naar je meester, eindeloos terugspoelen, eindeloos herhalen, pauzeren, nog eens luisteren, waar je ook ter wereld bent en hoe oud je ook bent. Omdat dat bij jou past, omdat jij daarvoor het juiste type leerling bent, met dié specifieke zorgvraag of geestelijke rugzak of beperking of juist voorsprong op alle anderen.

De school van de platen van Ot en Sien is weg, is alleen nog maar na moeizaam zoeken op het internet als klein plaatje te vinden. Nu moet ook de school waar geen platen meer van zijn er aan geloven. Ik en vele anderen  kunnen azijn plassen tot we erbij neervallen, maar het huidige systeem is voorbij. Diploma’s halen? Voorbij. Een vaste lijst met vakken? Gaat het niet meer worden. De rest van je leven een vast beroep trouwens ook niet meer. De leerling loopt met zijn mandje door de supermarkt: hij koopt wat hier, hij koopt wat daar, en is het produkt niet leverbaar, dan gaat hij naar een andere supermarkt. Je hele leven lang, al naar wat het recept van de dag voorschrijft. Zó stil je je honger. De ene keer met een kant en klaar pakket, de andere keer moet je stevig kokkerellen. En je eet het vaker als iets lekker is, en wat je niet lust gebruik je nooit meer.

Nu richt ik mij even specifiek tot de Sander Dekkers, de Bussemakers, de Colleges van Bestuur en de directies, want van jullie moeten tenslotte de uren en de centen komen: Stap eens even uit jullie starre denkpatronen. Focus je eens even niet op rendementsdenken, op de inspectie, op wat Kennisnet zegt, op wat de BON zegt, denk eens even niet aan dure gebouwen, smartboards, excellente leraren en leerlingen, handelingsplannen, dure adviesbureaus, zwakke scholen, zwakke leerlingen, hoge en lage niveaus. Er zijn geen zwakke scholen en er zijn geen beste leerlingen. Alles en ieder is uniek in zijn soort: de vervallen school in de achterstandswijk, Ot en Sien, Meester S, de iPadschool, de Whizzkid die straks naar Stanford gaat, het kind met een zware achterstand door PDD-NOS en het pubermeisje dat in mijn kantoor hartverscheurend zit te huilen omdat er thuis écht geen geld meer is voor boeken en voor doorleren op een ander niveau.

Ga eens zoeken naar die individuen en kijk wat hun vaardigheden zijn. Geef de ouderwetse docent die niks met ict heeft een ouderwets klaslokaal met leerlingen die ook niks met ICT hebben. Geef de zieners in elke school, en die zijn er, de ruimte in tijd, plaats en geld om dingen te onderzoeken, uit te proberen en weer weg te gooien als het niks blijkt te zijn. Laat ze vér vooruit kijken. Geef leerlingen die een enorme behoefte hebben aan individuele begeleiding ook daadwerkelijk die begeleiding in de vorm van docenten die je vrij kunt maken doordat andere specialisten binnen je school klussen kunnen overnemen. Blik je topdocenten in op het web. Sluit lokalen, of stel ze juist open buiten de reguliere schooltijden om. Geef een docent en zijn leerlingen eens overdag of buiten de vakanties om vrij, en laat ze ’s avonds maar vanuit hun eigen omgeving en in hun eigen tempo elkaar ontmoeten op allerlei gratis initiatieven op social media. Schuif met geld, met vakken, met lestijden, met diploma’s, met docenten, leerlingen en locaties. Laat je school een ongekende bron van creativiteit en flexibiliteit worden. Want die potentie heeft elke school in zich. Laat los, laat los. Laat groeien en bloeien. En laat dat snoeien nu eens achterwege. Koester nieuwe technieken, social media, apps en smatphones. Maar koester ook je Meester S.

 

 

The Silence of the Laptops

Schrijver dezes
Schrijver dezes

Op het afnemen van toetsen en tests per computer rust op ons hoog aangeprezen instituut geen merkbare zegen. Deze regel is een beetje een verbastering van een commentaar van Simon Carmiggelt bij de film “Alleman”, van Bert Haanstra, uit de tijd dat de wereldbevolking nog niet leed onder de gevolgen van ict. Cholera en builenpest volstonden als plaag.

De tijden zijn veranderd, de wereld is verhard, en er zijn veel pestilentiën bij gekomen; het gebruik van computers en aanverwante zaken binnen het onderwijs is er eentje van. Nou ja, bij vlagen dan. Ik schreef daar drie jaar geleden (!) al eens eerder over in dit stukje.

Inmiddels verpozen we niet meer in Onderwijs 2.0, maar proeven we al aan 3.0, en inmiddels ben ik enige tientallen congressen op dit gebied verder. Ook wijzer? Mwah… een beetje. De ontwikkelingen staan niet stil, je wordt als school gebombardeerd met spectaculaire voorbeelden van hoe het allemaal nóg mooier, gelikter en minder middeleeuws kan. Maurice de Hond heeft tussen zijn bedrijven door eens naar zijn op de iPad spelende peuter gekeken en daar een heel onderwijssysteem bij bedacht. Alle leerlingen en studenten hebben er naast eten en drinken een primaire levensbehoefte bijgekregen die bestaat uit het dwangmatig vasthouden en bestuderen van hun mobieltje; neem je dat af, dan staat dat ongeveer gelijk aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, compleet met naar de school stormende schuimbekkende ouders, een overspannen directie, stukken op Geen Stijl en gerechtelijke dwangbevelen.

Het afnemen van toetsen op een schoollaptop is dan een beetje .. tja.. old style, maar veilig, meent men.  Ik moest invallen, begeleid door ettelijke volgeschreven vellen met instructies; we leven in een tijd van excellente leerlingen en excellente leraren, dus vóór alles dient het niveau van wat je in huis haalt bepaald te worden. Een en ander vond plaats in een high-tech lokaal met groot touchscreen, in zomerse temperaturen die nóg zomerser werden omdat al die laptops een hoop warmte produceren, en omdat het zonnescherm niet meer omlaag kan als je ook de ramen open wilt doen. Er is geen lichtschakelaar meer, dus af en toe moet ik spastische bewegingen maken om licht te laten schijnen. Een schoollaptop moet redelijk hufterproof zijn en dient ook een aantal jaren mee te gaan, toch zeker wel een jaar of vier. Ze worden bewaard in een laptopkast met voeding en zo.
Op mijn begeleidend schrijven stond ook dat de docent moest controleren of hij de laptopkast wel kon openen middels een sleutel die op een bepaalde plek in het pand bewaard wordt. Nu was het mij al vaak overkomen dat iemand vergeten was die sleutel terug te leggen, dus – zorgvuldig als ik ben – had ik dat tijdig gecheckt.
In het lokaal bleek door een ijverig persoon echter een andere activiteit gepland, en ook de leerlingen arriveerden niet allemaal op de tijd die van hen verwacht werd. Zo’n toets wordt van te voren klaargezet, en begint automatisch op het ingestelde tijdstip, waarna de teller afloopt. Ik wil bij deze plechtig voorstellen de tijdsduur voor computertoetsen voortaan op tenminste één jaar te zetten.

Het waren nieuwe leerlingen , dus schuchter, braaf en alles vergevend; dat is dan weer een voordeel. Nadat ik hun diverse stickers met diverse inlognamen en diverse volslagen ingewikkelde wachtwoorden had overhandigd, en nadat ik bosjes leerlingen weer naar de ict-afdeling had gestuurd omdat op sommige stickers geen wachtwoorden bleken te staan en omdat de meeste laptops geheel leeg bleken te zijn omdat ze in de computerkast niet op de voeding waren aangesloten en omdat bij diverse leerlingen het wachtwoord wél op het papiertje stond maar niet door het systeem werd herkend en omdat er veel te weinig stekkerdozen waren om alles op aan te sluiten omdat men besloten had dat dat niet nodig was omdat laptops op accu’s werken en omdat sommige leerlingen de Mozilla (!)-browser waar in de handleiding naar verwezen werd niet op hun computer konden vinden en omdat de browser de af te spelen audio-formaten niet herkende en omdat de systeembeheerders overbezet waren en omdat ik inmiddels een compleet spinnenweb van snoeren en stekkerdozen in het lokaal had aangelegd en leerlingen inclusief de docent daar als slangenmensen in verstrikkeld raakten en omdat andere collega’s die weer kwamen weghalen omdat ze in hún lokaal óók met een computertoets bezig waren waar ze tegen de zelfde problemen aanliepen als ik, ging voor de laatste leerling de toets pas na één uur van start…..

Inmiddels was ik in een toestand beland waarbij geüniformeerde personen mij vastgesjord in een dwangbuis wederrechtelijk naar de dichtstbijzijnde gesloten psychiatrische inrichting mochten vervoeren, om daar de rest van mijn leven vredig eendjes te voeren en te wachten op een lieftallige en vooral rondborstige zuster die mij mijn middagpap tussen het Hannibal Lecter-masker door zou proppen.

Dit stukje komt dus nu tot u vanuit mijn hel verlichte en zwaarbewaakte cel in het Pieter Baancentrum of waar ik ook zit opgesloten. Ik droom daar van scholen waar leerlingen hun eigen hardware meenemen, of dat nu een iPad, een Chromebook, een Smartwatch, een Google Glass of een oude Commodore 64 is ( ik heb compleet geestverruimende ervaring met alle genoemde apparaten ), áls ze maar een niveautest op ouderwets papier of desnoods een griffel en een lei mogen maken. Ik droom ook van onderwijs- en ict-adviseurs, die in hun argeloze onschuld mij in mijn cel durven te benaderen, met uitgestoken hand door de tralies. Ik droom verder nog van de volgende zomervakantie, vanaf heden nog 42 weken 😉

Voor een bezoekregeling met mij of voor vragen over dit stukje, of voor mijn onderwijs- en ict-adviezen ( want het kan écht veel mooier, beter en vooral: voordeliger ), dient u contact op te nemen met mijn geestelijk begeleidster, mevrouw Clarice Starling. Verder mag ik hier ook twitteren, dus dan blijft u op de hoogte. Mét een korrel zout graag.

Bescheidenheid siert de mens

Het is vandaag de Dag van de Leraar, een dag na Dierendag en net zoals er ook een Dag van de Leerplicht is, een Dag van de Huismeester, een Dag van de Wol en – niet te vergeten – hier in dorpje B. op de Veluwe de Wereldeidagen, maar bij die laatste wil je niet wezen, gezien de enerverende activiteiten die daar ontwikkeld worden. Zo heeft elk mens, beest of produkt wel zijn eigen dag, en hebben we elke dag van het jaar iets lolligs te doen of iets naars te gedenken. De Dag van de Leraar wordt elk jaar toch wel grootser gevierd, en zelfs de TV heeft ons afgelopen maandagavond in het zonnetje gezet door ons tijdens de  Avond van het Onderwijs en plekje te gunnen. Op de andere zender was concurrentie van Fort Boyard, waarin bekende Nederlanders stompzinnige opdrachten moeten uitvoeren en zoiets trekt natuurlijk het grootste deel van bij onderwijs betrokken kijkers weg. Onze grootste doelgroep, de leerlingen, verpoosde vermoedelijk massaal bij Holland’s Nex Top Model of bij een film met de aansprekende titel “Runaway Vacation”. De achtergebleven diehards onder de ouders, docenten en deskundigen kregen een kommervolle voorstelling voorgeschoteld, waarbij de optredens van enkele leerlingen zelf nog een lichtpunt vormden.

Toch was er wel iets opmerkelijks te constateren, en dat betrof het gebruik en het nut van ICT. Daarover waren wat onderzoekjes gepleegd en werden ook enkele leerlingen bevraagd. Hieruit kwam een beeld naar voren wat een groot deel van de onderwijscomputernerds – en daar reken ik mijzelf ook toe – eigenlijk liever helemaal niet wil zien, en wat op Twitter -waar je ze toch allemaal vindt – tot opvallend weinig reacties leidde: het gros van de gebruikers is helemaal niet zo gecharmeerd van ICT als wij denken! Slechts een schamele 23 procent ziet in ICT de sleutel naar beter onderwijs  en een MBO-klas verkoos in koor het boek boven het internet. Dat is dus wel even schrikken voor ons voorlopers op ICT-gebied. Barre tijden van het krijtje en beduimelde boekjes liggen in het verschiet.

Zijn we dan zó verblind? Een beetje wel, denk ik. We bezoeken prachtige onderwijsbeurzen, waar de nieuwste ontwikkelingen op informaticagebied ons vanaf snelle touchscreens toelachen, we gebruiken de nieuwste stemkastjes, tablets, smartphones, we maken Wiki’s, Prezi’s en Slideshares. We hangen als docenten de halve dag verglaasd achter ons beeldscherm en kijken uit naar het volgende congres waar we – en dat is een beetje de kern denk ik – weer dezelfde dingen in iets nieuwere vorm, en dezelfde collega’s in iets oudere vorm aantreffen, en we praten over steeds dezelfde dingen als mobieltjes en educatieve software in de klas. We zijn  een behoorlijk groepje selecte nerds aan het worden, een behoorlijk incrowd met een hoog ons-kent-ons-gehalte in ons veilige kringetje, dat we op Twitter ook weer terugvinden: dezelfde volgers en gevolgden twitteren over dezelfde onderwerpen.

We kunnen het maar nauwelijks bevatten dat er collega’s, ouders en leerlingen bestaan die heel anders tegen al onze mooie speeltjes en ideeën aankijken dan wij. Dat zij niet denken zoals wij dat doen. Dat zij niet door beeldschermen verblind zijn zoals wij dat zijn. Dat zij bijna in een andere realiteit leven dan wij. Offline. Hoe vreselijk, hoe onbegrijpelijk.   Natuurlijk, waar wij op kicken en waar wij van genieten biedt ongekende kansen en mogelijkheden voor het onderwijs. Maar ja, door ons enthousiasme vergeten we wel eens dat er ook nog eens een behoorlijk kostenplaatje aan hangt, dat er soms totaal nieuwe dingen aangeleerd moeten worden, dat er op onbegrijpelijke knopjes geklikt moet worden en dat er  meer is dan de wereld van Social Media, waar wij ook in onze vrije tijd  heel wat uurtjes doorbrengen om vaak nog meer onze honger naar ICT te bevredigen.

Een school volstoppen met materiaal en daar enthousiast naar wijzen en zeggen hoe eenvoudig het allemaal is gaat dus niet werken. Misschien moeten we eens even tot bezinning komen, en eens kijken hoe we wat bescheidener de wondere wereld van ICT aan de man kunnen brengen. Niet elke digibeet is een inboorling die verblind door hightech spiegeltjes en kraaltjes de digitale zendeling en diens geloof omarmt.

Lost in space…school zonder internet.


Het is een zonnige dag, leerlingen braaf aan het werk in de electronische leeromgeving, want een beetje school kan niet meer zonder en de docent kan op die momenten even amechtig onderuit hangend de beurskoersen of vakantieveilingen.nl doornemen, waarbij hij of zij er wèl op moet letten dat de beamer niet aan staat. Het is niet de eerste keer dat een collega in den lande werd geschorst vanwege niet-lesgerelateerde activiteiten op internet, en dan ook nog ten aanschouwe van een groep ineens ernstig geïnteresseerde pubers.

Gescheld en getier in de klas. De ELO ligt er uit. Daar gaat je zorgvuldig voorbereide les. Zoeken op twitter levert een ware kanonnade op van radeloze scholieren, een enkele ontheemde en ontredderde docent en pas later ook wat mededelingen van de fabrikant zelf. Ik citeer even ene @Mirpiee, die roept: “Aaaaah ITSLEARNING DOET HET NIET!!! Ik space ‘m zo hard hier he”.
Een ander, reeds het kookpunt genaderd ( ik zal de vloeken en de schuttingtaal even door sterretjes vervangen ): “G*D, K*T ITSLEARNING! Ik moet een verslag maken , moet duits leren en nog NA leren! En nu doe je het niet? ! F**K YOU!!!”.
Of: “Shiiiit, itslearning doet k*t en ik moet die ckvpoep nog inleveren!!!”  en : “tering itslearning als ik hem te laat inleveren heb ik een 1”.
Gelukkig zien sommigen ook de zonnige kant van een leven zonder internet: “Itlearning doet het niet….chill! 🙂 ”

Tja, wat moet je als vooruitstrevende Onderwijs 2.0-school nog zonder internet? Docenten zitten verweesd achter hun gestorven laptopjes, leerlingen hangen lui en “chill” achterover of grijpen radeloos en vloekend naar de Ritalin. De geoliede machine is krakend tot stilstand gekomen, men stroomt het pand uit, genietend van het prachtige nazomerweer wat zo verpest werd door het feit dat je achter zo’n stom beeldscherm een beetje opdrachten voor een stom ckv-poepvak moest maken, bedacht door zo’n moderne computernerd-docent die zelf niet eens een eigen Hyves of Facebook-profiel heeft.
Onderwijs 2.0 is voor de doorsnee-leerling vaak niet meer dan rondneuzen op Facebook, chatten op MSN, je verslag vullen met Google en je opdrachten inleveren via de ELO. Werkt één van die dingen niet, dan volgt totale ontreddering. We zijn offline.

Daar schuilt hem gelijk het gevaar van het o zo prachtige en verleidelijke intertnet: dat je je als school er te veel van afhankelijk maakt, dat je soms vergeet dat je ook nog met een krijtje op een ouderwetsch degelijk donkergroen schoolbord kunt schrijven, en dat je voor de afwisseling eens met een stapel nakijkschriftjes in je tas naar huis fietst. Je wordt ’s avonds niet gestoord door mailtjes, bliepjes, je hoeft niet elk lesuur een vaak krakkemikkig werkend absentieregistratie-systeem bij te houden, je loopt niet met schele hoofdpijn van het in verkeerde houding turen naar je laptop door het pand en je hoeft je niet te storen aan Powerpoint-presentatie nummer zoveel waar je duizelig wordt van de op het scherm rondstuiterende teksten, plaatjes en geluidjes die de maker in zijn enthousiasme voor al dat moois wat dit programma biedt, heeft toegepast. “Killed by powerpoint” is een gevleugelde kreet bij de Amerikaanse troepen in Afghanistan.

Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd van griffels en leien, naar wolken krijtstof en grauwe docenten die met een afgebeten potloodje stapels volgekladderd proefwerkpapier doorworstelen. Onderwijs 2.0 is een zegen en biedt ongekende mogelijkheden. Ik kan niet wachten tot alle lokalen vol staan met touchscreens, webcams, tablets, en wat er meer voor prachtigs op de markt is. Zolang het ‘blieb”zegt en licht geeft, blijkt het voor leerlingen op de een of andere manier soms een stuk boeiender dan alle ouderwetse lesmethodes en docenten bij elkaar. Wel hard en onverbiddelijk trouwens, dat digitale lesgeven: “wanneer ik ‘m niet inlever heb ik een 1”.

Onderwijs 2.0  is prachtig, fantastisch! Zo lang we maar niet verleren om terug te vallen op beproefde middelen wanneer we eens een keertje digitaal offline zijn.In dat soort situaties bewijst zich de professionele schoolorganisatie.

Tel soms uw zegeningen ( van de ICT )

Een beetje school kan in deze barre tijden niet meer zonder overvloedig gebruik van ICT. De argeloze bezoeker die langs de diverse docentenwerkplekken – meestal gekenmerkt door chaotische bergen correctie- en registratieformulieren, oekazes uit Den Haag, stapels onderwijsvernieuwingen, een sanseveria op sterven, rondslingerende kartonnen koffiebekertjes, een kapstok met wat groezelige kleding, een bureau bezaaid met gummetjes, paperclips, afgepakte rommel, een stapeltje boterhammen in een plastic zakje, een merkstift die niet meer schrijft, een beduimelde CAO, een potje witsel, veertjes uit de balpen en een blokje Post It – wandelt, ontwaart daar de bewoner in slechtzittende houding achter een reutelende desktop-pc of een wat aftandse laptop, moedeloos starend naar Nu.nl, Vakantieveilingen.nl of een teletekstpagina met de aandelenkoersen. Soms ziet men op het beeldscherm ook een grote variëteit aan roosterprogramma’s, abesentieregistratieprogramma’s, leerlingvolgsystemen, elektronische leeromgevingen, schoolwebsites of andere didactisch verantwoorde applicaties, die er allemaal op gemaakt lijken te zijn om totaal niet, of op zijn minst slecht samen te werken.
Amechtig hollen lieden met verstand van de technische kant van ICT door het pand om hulpeloze gebruikers weer op de digitale snelweg te zetten, een snelweg vol files, opbrekingen en wegversmallingen, die gevuld lijken te zijn met rollators, scootmobielen, autowrakken en spookrijders.Wanneer we de vergelijking met auto’s nog even voortzetten,  worden scholen voortdurend gelokt door de ene na de andere autoshow, waar wulps geklede dames kronkelend over de motorkap van de nieuwste types de gapende toeschouwers kirrend uitnodigen om toch vooral niet achter te blijven met de aanschaf van een nieuw model. Het mag, het moet wat kosten.

Nu wordt er in onderwijsland nogal stevig bezuinigd, wat zich onder andere vertaalt in het massaal wegsturen van docenten, grotere klassen, gevuld met lastiger leerlingen en ook op ict-gebied vallen steeds grotere klappen. We moeten het dus steeds vaker met opgelapte Trabantjes doen.

Ook mijn eigen eerbiedwaardige college ontkomt niet aan het bezuinigingsspook. Waar vroeger een uitleenbalie was voor laptops, u weet wel, die onhandige dingen uit de tijd dat er nog geen tablets waren, is deze balie nu gesloten en vervangen door drie kasten gevuld met wat versteende apparatuur. Elke afdeling heeft zijn eigen kast, die voorzien is van wieltjes en een stevig slot. De sleutel te bevragen bij uw teamleider of bij die-en-die, zo heeft het management in zijn onuitsprekelijke wijsheid besloten.
Maar ja, hoe gaat zoiets. Je kunt geen duur lesboek meer openslaan zonder dat daarin verwezen wordt naar een bijbehorend duur computerprogramma waar de leerling met wéér een andere gebruikersnaam en wéér een ander wachtwoord moet inloggen, en wie als school in de vaart der volkeren wil meegaan, dient eigenlijk het gehele pand vol te stouwen met computerapparatuur.
Tien collega’s – ingeroosterd in lokalen zonder ict-voorzieningen –  slaan dus op het zelfde moment hun dure lesboeken open en worden daar onverbiddelijk gewezen op het noodzakelijke computergebruik. Er ontstaat een wedren in de gangen op zoek naar kasten en sleutels bij teamleiders of personen die-en-die, en die zijn op dat moment natuurlijk in vergadering of niet aanwezig. Ook blijkt de sleutel van de lift niet aanwezig te zijn, en wanneer alles toch nog mocht meezitten, blijken de laptops al in andere klassen te zijn uitgeleend, of is de accu leeg, of heeft een humoristisch type ijverig alle toetsjes een andere plek op het toetsenbord gegeven tijdens een saaie les Nederlands. Het kan natuurlijk ook zijn dat de laptopkast – vanwege de hinderlijk aanwezige wieltjes – volkomen in het luchtledige is opgelost.

Tegen de tijd dat iedereen van de schrik bekomen is, de computers eindelijk zijn opgestart en iedereen zijn of haar kwijtgeraakte of vergeten inloggegevens ( daar zijn ze wanneer dat zo uitkomt heel sterk in ) weer bij elkaar gesprokkeld heeft, kun je langzamerhand weer beginnen met afmelden omdat de les bijna voorbij is en er weer andere klassen en collega’s vol ongeduld staan te trappelen vcoor een herhaling van deze cyclus.

De lesgevende docent hangt tegen die tijd aan de zuurstof en dient zichzelf nog maar eens een flinke shot heroïne toe, vertwijfeld zoekend naar een moker of een kettingzaag om schuimbekkend de apparatuur te lijf te gaan of in machteloze woede stukken uit het tapijt te bijten ( Hitler deed dat tenslotte ook ) .

Wij als fanatieke ICT-voorhoedelopers willen in ons enthousiasme nog wel eens vergeten dat een flinke groep docenten iets minder warme gevoelens voor de zegeningen van de ICT kan opbrengen, en dat veel dingen – ook voor onze leerlingen! – lang niet zo vanzelfsprekend en fijn werkend zijn als wij denken. Moet er dan toch bezuinigd worden, gooi dan als eerste al die computers en laptops de school uit, ook die kasten, en laat leerlingen zelf een tablet ( geen toetsjes meer om te verwisselen!) of iets kleins en lichts aanschaffen, en zet al je lesmateriaal en leerboeken op het netwerk.  Geef de docent ook zo’n mooie iPad of Galaxy Tablet – met een mooi rustgevend en hypnotiserend achtergrondje – en de hele schoolbevolking schrijdt met een hemelse blik door het pand, niet meer gehinderd door zware tassen gevuld met boeken en andere ballast.

Tot slot: u bent niet de enige bij wie de ICT niet altijd mee werkt. Als alles werkt is het leuk, zaligmakend, uitdagend ( beetje eng woord ) en kan het behoorlijk toegevoegde waarde hebben aan ons kommervol onderwijskundig bestaan. Maar zaligmakend is het niet, en het mag ook niet te veel kosten. Letterlijk en figuurlijk.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=IzBy6agXKoA&feature=fvsr[/youtube]

 

Computertoets

Vandaag had ik de eer onverwachts te zijn ingeroosterd bij een proeftoets van het Cito, waarbij de kennis van Nederlands op het MBO wordt getest. Enkele lieden ergens in de top van ons onderwijsinstituut hadden gemeend dat het wel aardig zou zijn als onze leerlingen daar ook aan mee deden, want de beheersing van de Nederlandse taal is op het MBO enigszins twijfelachtig, laat ik me maar voorzichtig uitdrukken. Enkele dagen van te voren werden  de leerlingen en ik dus verblijd met mailtjes waarin een en ander werd aangekondigd, en voor verdere uitleg kon men zich wenden “tot je docent”. Gelukkig kreeg ik gistermiddag nog een mailtje – na enig aandringen – waarin iets meer uitleg stond, dus welgemoed toog ik vanochtend naar het computerlokaal.

Nu kunnen digitaal toetsen en de apparatuur waarop dat moet worden uitgevoerd elkaar op menig school behoorlijk slecht verdragen; iedereen die in het onderwijs hiermee te maken krijgt, zal dit kunnen beamen. Bij mij was het vandaag dus al niet anders. Terwijl het bevoegd gezag  zich ijverig op ander heel belangrijk werk stortte en de verdere uitvoering van de test aan de surveillant overliet, kreeg ik te maken met een grote variëteit aan technische en logistieke problemen. Nu heb ik gelukkig de nodige kennis van ict, maar ik vrees met grote vreze voor  de gemoedsrust van enkele collega’s die iets minder vaardig op dat gebied zijn, en voor wie het surveilleren nog op de rol staat.

Allereerst was  een redelijk gedeelte van de klas niet aanwezig, want geen mail gelezen en zo. Van de overige leerlingen konden er een stuk of drie niet inloggen op het netwerk, “terwijl dat vroeger altijd wel ging”.
Dan hadden enkele kwaadwillende lieden in de dag ervóór gemeend op slinkse wijze de toetsjes van de toetsenborden te moeten verwisselen, zodat voortdurend bij een vijftal leerlingen de gebruikersnamen en wachtwoorden niet werden geaccepteerd. Vóórdat je zoiets in de gaten hebt, ben je ook weer vijf minuten verder. Tot overmaat van ramp bleken drie leerlingen helemaal geen toegang tot de Cito-toets te hebben, omdat degene die de gegevens had ingevoerd hen blijkbaar had vergeten of verkeerde lettercombinaties had gebruikt.
Zo was het dus op een gegeven moment een komen en gaan van zenuwachtige onderwijsbeambten, die allemaal meenden dat de fout bij een ander lag en die zich al bellend en turend in lijsten ernstig zorgen maakten over de voortgang van het digitale onderwijsleerproces.
Gelukkig kon ik alles met een minzaam lachje van een afstand aanschouwen, de handen wassend in onschuld, want vandaag was ik slechts een simpel uitvoerend instrument  in deze digitale rampspoed. Je moet op zo’n moment natuurlijk vooral geen leedvermaak tonen naar de bedenkers van dit alles, want dat komt je op verhitte blikken en mogelijk een functioneringsgesprek te staan. En het resultaat daarvan wordt dan ook weer ergens in een of ander digitaal zwartboek opgeslagen.

Vroegâh, ja , toen was het leven nog simpel. Een eenvoudig proefwerkje op papier , waarbij de cijfertjes nauwgezet in de docentenagenda werden genoteerd en bij de rapportenvergadering  ( die ook vrijwel uitsluitend over cijfers ging )  werden besproken. Nooit gehoord van systeem- of internetuitval tijdens cruciale toetsen, lappen tekst werden toen nog gewoon van papier gelezen in plaats van 120 minuten naar een beeldscherm turend. Er was voor het afnemen van de toets geen begeleidend schrijven van 120 kantjes uit Den Haag.
Je kon nog ouderwetsch spieken. Ooit heb ik eens net zo lang met een passer in een tafel zitten boren tot ik een gat had gefabriceerd waar doorheen ik naar een spiekbriefje op mijn knieën kon turen. Of – wanneer je het geluk had naast de luxaflex te zitten- je schoof je boek gewoon open op de vensterbank en gluurde door de lamellen naar de tekst. De langs lopende docent had door het hoogteverschil niets in de gaten.  Het meisje voor je trok haar schouders naar voren, zodat ineens het spiekbriefje onder haar wat doorschijnende blouse zichtbaar werd.

De leerling van tegenwoordig heeft het zwaar met al die digitale toetsen. Mobieltjes mogen niet aan in de les, rekenmachines met handige kijkvensters zijn niet toegestaan en met een druk op de knop worden de digitale vragen van je buurman in een totaal andere volgorde getoond. Bovendien toont de ingebouwde plagiaatcontrole genadeloos van welke klasgenoot of website je je tekst hebt gejat. Het enige voordeel: wanneer je in vroeger tijden klaar was en je mocht het lokaal nog niet verlaten, dan moest je maar een beetje stommig voor je uit gaan zitten kijken. Nu doe je gewoon je MSN, of je speelt een van de honderden spelletjes die er online te vinden zijn. Vervelen is er niet meer bij. Afraffelen van de eigenlijke toets daarentegen wel, want het internet lokt.

De toetsweek anno 2011 is er nog steeds eentje om met angst en beven naar uit te kijken. Angst over de vraag of de stof nu wel beheerst wordt of niet. Maar nog veel meer beven en bijna wanhoop bij de vraag of de techniek je niet in de steek laat. Aan Onderwijs 2.0 zal nog heel wat gesleuteld moeten worden.

Ik wil ook een iPad

Als ik nu niet gauw een iPad krijg, word ik gek. Ik wil zo’n ding, ik lig er ’s nachts wakker van, door het gebrek aan iPad voel ik me minder man, ik word er humeurig van, volgens mij ook impotent, ik slaap er slechter door en ik krijg steken in mijn maag. Ik zou groen en geel van narigheid worden als één van mijn collega’s zo’n ding eerder heeft dan ik. Je kunt gewoon niet goed functioneren zonder zo’n ding, je leven is minder rijk en uitdagend. Mogelijk word je alcoholist en verdwijn je elk weekend naar de kroeg, of je gaat ergens de hele zondag in de regen onder zo’n groene paraplu in een meertje langs de A1 zitten vissen.

Er is echter een probleem, en dat is tamelijk groot: mijn vrouw. Niet dat zij groot en zwaar is natuurlijk, maar zij kent mij een beetje. Zij weet, dat wanneer ik over een nieuw hebbedingetje begin, en meestal is dat in afkeurende zin ( je moet nooit gelijk te hebberig lijken ), dat  object van mijn lusten er dan ook binnen no-time is.
Zo’n aankoop dient met enig beleid gepaard te gaan. Ik heb daar door de jaren de nodige ervaring mee opgedaan. Eén van mijn eerste computers was een  Commodore 64, waar ik toch zeker wel een jaar zoet mee was. Na verloop van tijd werd het summum van genot uitgebreid met een klein cassette-recordertje, wat nodig was om programma’s te installeren. Daarna kwam een externe diskdrive, een gevaarte met de grootte en het gewicht van een flinke baksteen, waarbij ook nog eens een gierende herrie werd geproduceerd, die het gebliep uit de computer bijkans overstemde.

Daarna kwamen nog een Atari 1024 en een eerste XT-computer voorbij; daarop speelde ik flight Simulator, wat een zwart scherm toonde waarop een samenspel van witte lijntjes schokkerig heen en weer bewoog: het vliegtuig naderde de landingsbaan van Chicago Meigs. Ik was ongeveer door ontroering overmand bij de aanblik van zoveel schoons, bij wat de realiteit ernstig leek te benaderen.  Ik hoor het mij nòg tegen mijn geduldig en meewarig toekijkende gade zeggen: “Nu hoef ik nooit meer een andere computer”.
Mannen blijven altijd grote kinderen, en ik heb dus een groot respect voor al die miljoenen echtgenotes op de wereld die er naast hun kroost nog een groot kind bij hebben, eentje die nooit volwassen wordt. Vroegâh, toen de HCC-dagen in Utrecht nog bestonden en tienduizenden begerige mannen trokken, zag je buiten bij de telefoons altijd rijen kerels staan, met naast hen grote dozen en pakken: die waren hun vrouw alvast geestelijk aan het voorbereiden. Voor de desbetreffende echtgenotes betekende dat: bij thuiskomst overdreven vriendelijk en lief doen, de aankoop achteloos in een hoekje schuiven, meehelpen met de afwas, de was, het dweilen, het strijken, het stof afnemen, het koken, het ramenlappen, het boodschappen doen, het kinderen naar bed brengen en noem maar op.
“Moet je niet de computer uitpakken? ” “Neuhh, dat heeft nog geen haast, is niet zo belangrijk” ( ondertussen helemaal gek van opwinding en alle nagels afgebeten van het wachten tot het moment dat het wel weer mooi geweest was en je als een haas naar boven kon verdwijnen om met de nieuwe aanwinst te gaan spelen. Nooit meer wat anders nodig, jaja.

Er is niet veel veranderd eigenlijk. Een keur aan gadgets en dure spullen is hier de revue gepasseerd. Voor tienduizenden euro’s aan apparatuur, die je nu hier en daar nog tegenkomt op een rommelmarkt van de kerk, alles in de graai-hier-voor-€ 2,- euro-maar-wat-uit-doos. Honderden smoezen en verzachtende omstandigheden liggen in zo’n doos, en honderden meewarige lachjes van de echtgenotes.  Mannen hebben nooit genoeg, vrouwen nemen vaak te veel genoegen met….

Nu mag ik binnenkort een weekje afreizen voor een studiereis naar Anaheim in de VS, het mekka van goedkope electronische spulletjes. Om een beetje fatsoenlijk met het thuisfront te communiceren, heb ik dus zo’n  iPad nodig, want op mijn iPhone kan ik het gewoon niet goed genoeg meer zien. Bovendien te dikke vingers voor het kleine schermpje en zo, en het thuis eenzaam achtergebleven gezin wil toch zeker volledig op de hoogte blijven van mijn wedervaren? En alle medereizigers hebben waarschijnlijk ook al lang zo’n ding ( de mannen dan ). In mijn onuitsprekelijke goedheid zal ik dan nu nog even wachten met de aanschaf  van mijn ultieme levensdoel tot ik in Amerika ben.  En weet je wat nou zo fijn is? Door hem dààr te kopen bespaar ik ook nog eens een slordige tweehonderd euro aan huishoudgeld. Je zou dus wel gek zijn als je dat niet deed.  Juist, als dàt dus geen goed argument is, dan weet ik het ook niet meer.  Weet je wat, ik koop er ook een voor mijn vrouw. Dan zal ze helemaal zielsgelukkig zijn en kan ze mij niet kwalijk nemen dat ik er dan ook een voor mezelf heb gekocht