Nerd

Op elke school lopen  – onder het personeel –  wel een paar computernerds rond.  Die zitten bijvoorbeeld voortdurend tijdens de pauzes in de docentenkamer met hun mobieltje in de hand, een e-reader, of – het absolute toppunt – pronken met hun nieuwe iPad. Ze geven privé en tot wanhoop van hun partner kapitalen uit aan electronische hebbedingetjes, steken een flink deel van hun vrije tijd in de schoolwebsite of andere technische nieuwigheden en zijn altijd bereid de oververmoeide collega’s die nog in het digitale stenen tijdperk verkeren met raad en daad terzijde te staan.
Soms worden ze wat meesmuilend ontvangen; daar heb je hem of haar weer. En we hebben het al zo druk. Net een beetje Word 2003 onder de knie, is hij of zij al bezig met versie 2010. Terwijl wij razend trots zijn op onze met veel moeite in elkaar geknutselde Powerpoint-presentatie, waarin we alle animaties, tekst-effecten en geluidjes  hebben gestopt die we tegen kwamen ( niet wetende dat ons leerlingenpubliek daardoor met een stekende hoofdpijn amechtig achterover zakt ) , komt onze computernerd met iets als Prezi, waar we nog nooit van gehoord hebben maar wat er fantastisch uit ziet en wat we best zouden willen gebruiken als we toch maar een beetje tijd hadden en we er ook nog een beetje begeleiding bij kregen.

Het schoolmanagement dient die schaars aanwezige computernerds te koesteren. Ze hebben vaak een wat nuchterder kijk op ict-zaken die door dure bureaus en gladde vertegenwoordigers aan het management als het ei van Columbus worden gepresenteerd. Een duur ei, want  ict-ontwikkelingen die van boven af worden opgelegd, hebben vaak een averechts effect.
Docenten zijn vaak de meest behoudende lieden op aarde, murw gebeukt door allerlei als vernieuwing gebrachte veranderingen. Kom er dan ook nog een blije manager  vertellen dat “we nu toch een leerlingbegeleidings-systeem hebben wat alle problemen de wereld uit helpt”, dan is het tijd om de rode stormbal te hijsen.

Met het invoeren en toepassen van  ict moet je voorzichtig zijn. Veel directies en besturen  zien het als een wondermiddel, een middel om leerlingen mee te lokken  en toch vooral te laten slagen, en de docent wordt geacht daarin enthousiast mee te gaan.  De school wordt vol gehangen met digitale borden, waarbij een flink deel van het personeel  vermoedt met een wat uitgebreider white-board te maken te hebben, de school schreeuwt van de daken dat er voor leerlingen mooie laptop-projecten en leerwerkruimtes zijn, de school roept af en toe iets op Twitter, de school stuurt de diverse teams een middagje op een kostbare computer-training, en dan komt het allemaal verder wel goed, want het is ict en dat is een toverwoord binnen het onderwijs.

Een moderne onderwjsmanager

Op ict-congressen en -beurzen zie je eigenlijk nooit de doelgroep waar het eigenlijk om gaat. Veel grijze koppen, veel netwerkende en naborrelende  managers, veel vertegenwoordigers die bij elkaar op bezoek gaan in de diverse stands, maar docenten en leerlingen (!) zie je er niet. Die docenten hebben het veel te druk met overleven en lesgeven, durven ook geen middagje vrij te vragen bij hun teamleider, weten überhaupt nauwelijks dat er dergelijke bijeenkomsten zijn,  en de leerlingen, ja, die worden eigenlijk nooit betrokken bij het implementeren van nieuwe ict-voorzieningen.  Een groot deel van die leerlingen is, vergeleken met  hun docenten, enorm computer-nerd. De kloof is reusachtig. Hun generatie is opgegroeid met mobieltjes, Hyves, illegaal downloaden, en is eigenlijk continu online, waarbij de school een hinderlijke onderbreking van hun fascinerende bezigheden in de virtuele wereld is. Een gigantische bron van kennis op ict-gebied, waar we op school veel te weinig naar luisteren.  Ze lijken een beetje op de computer-nerds onder de docenten, ze weten van mekaar waar ze over praten en wat er leeft.  Ze weten alles van nieuwe software, en vinden het vooral “gewoon”, waarbij de beleidsmakers nog in alle staten van opwinding verkeren.
Hoe graag soft- en hardware-leveranciers  ons ook willen doen geloven dat we als school echt niet meer zonder het nieuwste van het nieuwste kunnen, laten we ons toch vooral de kop niet gek laten maken. Het blijft een hulpmiddel, leuk, maar verder voor onze leerlingen heel gewoon.

Maar pas wel op: wanneer u als computernerd een ander iets uit moet leggen over een computerprobleem, begin dan vooral niet met “Nou, gewoon”. Dan zijn de rapen zuur.

Deze column is ook gepubliceerd in SLB-berichten, september 2010

ICT-allergie en de overeenkomst met de Taliban

Een groepje behoudende docenten
Een groepje behoudende docenten

Het dagelijkse leven in het onderwijs is tegenwoordig meer en meer doordrenkt met de zegeningen van de digitale revolutie. Bij binnenkomst halen docent en leerling hun pasjes door de lezer, zetten hun desktop, laptop, netbook, iPad of mobieltje aan en wiegen genoeglijk mee in de onuitputtelijke stroom van informatie die hen kabbelend of bulderend meevoert op de digitale snelweg waar spookrijden verboden is en gevaarlijk is.  Onderwijsinstituten twitteren juichend dat de website is vernieuwd, dat er een nieuw volgsysteem is, ict-bedrijven lopen, gehuld in snelle pakken, de hight-tech klaslokalen in en uit met achterlating van mooie glimmende spullen en methodes en een fikse rekening. Zie je ergens in de gang een clubje zakelijk geklede en fris geknipte jonge lieden met koffertjes die door een lid van het management of een systeembeheerder gedienstig worden rond geleid, dan weet je dat er weer iets nieuws en nog beters aan zit te komen.

Het onderwijs lijkt wel een beetje op de slagvelden van Afghanistan en Irak, waar gehaaide wapenfabrikanten en hoge pieten uit het leger hun nieuwe speeltjes uitproberen. De gewone bevolking is vaak uiteindelijk de dupe, want er blijkt na een tijdje toch meer collateral damage dan gedacht, er zijn wat meer afzwaaiers geweest dan gehoopt  en de onvrede groeit, wat dus weer teniet moet worden gedaan met nog meer wapentuig.

Op school loopt ook een soort Taliban rond. Levend in een andere tijd, digitaal analfabeet, vasthoudend aan oude gebruiken en alles tegenwerkend wat niet in de rechte en onwrikbare leer der behoudendheid past.  Ze verpesten het voor de rest, zijn niet voor rede vatbaar en willen het liefst dat de vijand zo snel mogelijk ophoepelt.  Ze zijn allergisch voor de digitale revolutie, en vinden steun onder de overige bevolking naarmate die meer en meer onder druk komt te staan. Net als in Afghanistan gaan de veranderingen uiterst moeizaam, omdat ze van boven en van buitenaf worden opgelegd en worden gepresenteerd  in een taal die wat lastig is wanneer je niet digitaal kunt lezen en schrijven, en wanneer de uitleg steevast begint met “Nou, gewoon..”

Op twitter ontspon zich deze week even een hevige discussie over #digitaleallergie, waarbij voor- en tegenstanders van dit begrip elkaar stevig in de haren vlogen.De digitaal onderlegden – ict-bedrijven, computernerds, enthousiastelingen en voorlopers binnen de school – verweten de tegenstanders niet met hun tijd mee te gaan, dwars te liggen bij vernieuwingen en andere tegenwerking.  Enkele citaten met wat reacties van mij daarbij:

“Lees de blogs van Dan Meyer, Kate Nowak, Shawn Cornally om veel mooie ict-toepassingen voorbij te zien komen!” Natuurlijk, er zijn oneindig veel inspirerende personen die de (onderwijs) wereld  boeiende en inspirerende toepassingen van het gebruik van ict tonen. Ik schaar ze in de door deskundigen verzorgde presentaties die je eens in de zoveel tijd op een regenachtige studiemiddag in lokaal 32 meekrijgt. Er is zonder uitzondering weinig op aan  te merken, er worden mooie dingen in de les getoond, en het lijkt allemaal heel eenvoudig  te bedienen. En nu snel naar de borrel en de nootjes en dan naar huis, want nog veel correctiewerk voor de volgende dag.

“Helaas gaat het geld nu op aan fusies en andere paradepaardjes” .  Alles in het onderwijs heeft prioriteiten. Na lang wikken en wegen en behoorlijke druk van de leveranciers – waarvoor je als beleidsmaker behoorlijk wat ict-visie moet hebben om te weten wat die vertegenwoordiger eigenlijk bedoelt en wat je met dat product eigenlijk kunt doen- wordt tot de aanschaf van een serie digitale schoolborden of een mooie ELO besloten. Maar daarmee is het verhaal niet rond. Dan begint het pas. Bij alles zit een gebruiksaanwijzing, hoe eenvoudig het produkt ook lijkt. En het onder de knie krijgen van zo’n gebruiksaanwijzing kost tijd, en het effectief toepassen van zo’n product vervolgens nog veel meer. Helaas wordt daar dan weer niet in geïnvesteerd. En de docent krijgt niet één gebruiksaanwijzing voor de kiezen, het zijn er jaarlijks vele voor alle mogelijke activiteiten die allemaal tijd kosten. Tijd is geld. Eigenlijk zou daar misschien meer in tijd moeten worden geïnvesteerd dan in de prijs van een product zelf. Meer kijken aar de eindgebruiker dus. In dit verband is ook de volgende opmerking die gisteren geplaatst werd van groot belang:
” Hou het praktisch en resultaat opleverend voor de cursist” . Docenten en leerlingen zijn soms behoorlijk lui en star, en heel berekenend: levert iets niet direct, zonder al te veel inspanningen, aantoonbaar resultaat op, dan zijn ze nergens voor te porren. In tegenstelling tot Amerikanen zijn veel Europeanen geen liefhebbers van uitgebreide handleidingen. Die beginnen gelijk op knopjes te klikken, en als er dan niets gebeurt, dan haakt men af.

” Al die docenten eisen van hun leerlingen wat ze zelf niet doen: professionalisering. Afmarcheren in rotten van tien en twee weken wachtgeld meegeven, die lui.” ……..Wanneer u als docent weer bijgekomen bent nog even wat meer zout op de wonde:
” Leraren moeten zich niet zo aanstellen en een beetje met hun tijd meegaan!”  …. Het mag duidelijk zijn dat bij sommige docenten nu de stekels wel aardig overeind zijn gaan staan; wanneer een bedrijf of een ict-bobo, die beide dagelijks met de ict-vaart der ict-volkeren worden voortgestuurd met dit soort argumenten en reacties aankomen, dan bereik je dus gegarandeerd een averechts effect: de ict-allergie. Er kan docenten veel verweten worden, maar niet dat ze niet meegaand zijn. ALS ze er maar het nut van inzien.

ICT-allergie bestaat wel degelijk en is een groot gevaar voor wie zich met vernieuwing in het onderwijs door middel van ict bezig houdt. Het is een beetje pijnlijk onderwerp, zoiets als op een feestje roepen dat je nogal last van aambeien hebt. Zo ga je als onderwijsmanager op een netwerkbijeenkomst niet verkondigen dat jouw schoolpersoneel een pesthekel aan ict heeft, en dat je er zelf ook een beetje last van hebt. Doe mij nog maar een grootverpakking Sperti. Alleen het gebruik van het woord ‘vernieuwing’ levert al allergische reacties op, in een tijd waarin de arme docent EN de arme leerling de ene na de andere vernieuwing, die steevast als ‘verbetering’ gepresenteerd wordt, over zich heen krijgen. Je ziet het op beurzen en congressen: wie lopen daar rond? De bedrijven, de systeembeheerders, de ict-managers met ict-techniek in hun portefeuille, maar leraren en leerlingen zie je er niet. Ver van mijn bed, geen tijd, ik heb toch geen invloed.

Nu zijn we weer terug bij de Taliban. ICT en vernieuwingen die bombardeer je er niet in. Hoe erbarmelijker de omstandigheden van de bevolking – lees ‘ hoe groter de werkdruk en de onrust op school’ , hoe meer je die zelfde bevolking in de handen van de Taliban, van de mensen met ICT-allergie drijft. Je kunt sommige eindgebruikers niet verwijten dat ze nog niet kunnen lezen en schrijven en dat ze nog allemaal op een ezeltje rondrijden in plaats van in een Hummer. Ze hebben het namelijk veel te druk met hun hoofd boven water houden in de onderwijs-wildernis, en waar haal je zo snel benzine en onderdelen voor die Hummer vandaan? De fabrikant van ezeltjes gaat nooit failliet, die van de Hummer wel.
ICT is niet zaligmakend, is niet de oplossing van alle problemen. Begin nu eerst eens helemaal onderaan met het aanleren van de letter A en neem daar de tijd voor. Aanleren door een docent, die zelf de taal beheerst en die de taal van de analfabeten spreekt. Wie dat eenmaal kan, zal ontdekken dat het vreselijk leuk is om ook B te zeggen.

Reacties zijn meer dan welkom. Overigens: ik barst zelf ook van de ideeen op ict-gebied die ik er liever nog vandaag of morgen in zou rammen. Maar alles heeft z’n tijd nodig, en daar wil ik  graag eens over komen praten.

De relativeringstheorie van Reinstein

Vandaag had ik – nota bene op mijn BAPO-dag – een gesprekje met een redelijke gezaghebbend persoon ( nee, niet mijn directeur ) over het ICT-gebruik van de bloem der natie, onze pubers dus. Er is namelijk sprake van een regelrechte generatiekloof als het gaat om digitale vaardigheden en interesses. Voor onze leerlingen zijn wij, eenmaal de dertig gepasseerd, mastodonten uit de steentijd, die al jaren lid zijn van de Commodore 64– hobbycomputerclub, die een mobieltje gebruiken om te bellen en die nog prehistorisch emailen. Sterker nog, de meeste jongeren hebben denkelijk nog nooit van een Commodore 64 gehoord en denken dat het hier om een automerk uit het voormalige oostblok gaat.

Ik weet nog goed: toen ik als een kind zo blij mijn Commodore 64 aan de huiskamertafel uitpakte, verkondigde ik met ernstige zekerheid aan mijn wat moedeloos toekijkende vrouw ” Nu zal ik nóóit meer iets anders hoeven. Dit apparaat kan alles!”. Ik was deelgenoot geworden van een andere wereld, van de nieuwe wereld. Het leven zou nooit meer hetzelfde zijn. Avonden bracht ik door met cassettebandjes, die na een half uurtje knerpende en piepende geluiden ( de “machinetaal” ) een nieuw programma op het beeldscherm toverden, bijvoorbeeld een balletje wat van links naar rechts en vice versa over de beeldbuis stuiterde, onder het voortbrengen van een spannend “Bliep”! Het vliegen met de Flightsimulator over een uit witte lijntjes op een zwart scherm bestaand landschap, het was allemaal nèt echt.

Uren lang verlustigde ik mij aan het spelen van de Olympische Spelen ( u kunt het hier wel ergens online spelen ), waarbij je met een bomvrije joystick als een bezetene heen en weer bewegend een atleet, bestaande uit een aantal blokjes, over het gravel kon laten rennen. Na afloop had je meer spierpijn dan de echte atleet. In de ogen van mijn vrouw leed ik waarschijnlijk toen al aan ernstige geestelijke vergrijzing, iets waar het onderwijs heden ten dage flink onder te lijden heeft, al gaat het dan meer om lichamelijke aftakeling van het personeel. Dat was nog geen dertig jaar geleden.

Intussen begint elk ICT-congres wat ik bezoek, steeds meer op een uitje van het geriatrisch instituut te lijken, waarbij wij allen hebberig led-sleutelhangers, muismatjes en nòg meer USB-stickjes met reclame-opdruk bij elkaar proberen te sprokkelen, en waarbij wij ijverig bij elke prijsvraag onze visitekaartjes in een vissenkom doen, in elk geval in ruil voor een pepermuntje en hopend op zo’n mooie iPhone of een digitaal lespakket. Daar schamen we ons natuurlijk wèl een beetje voor, dus doen we dat quasi ongeïnteresseerd op de manier van “ach, laat ik in vredesnaam dat prijsvraagformuliertje dan ook nog maar even invullen”. En we zorgen dat we ten tijde van de uitslag toch vooral wèl een beetje in de buurt van de stand staan. En zo’n hinderlijke vertegenwoordiger, die je na een paar weken opbelt dat je helaas geen prijs gewonnen hebt maar die wèl een interessante aanbieding voor je heeft, ach, die wimpel je met een smoes wel af. Het zijn een soort doldwaze dagen van de Bijenkorf.
De schaarse aanwezige jongeren zien het allemaal geamuseerd aan, want die hebben al lang een iPhone en die hebben allemaal oneindig veel meer vrienden op Hyves dan wij, voorstrompelende digitale achterblijvers.

Maar goed, tijdens ons gesprek kwam ook de enorme hoeveelheid hardware ter sprake die in het onderwijs is gepompt, met het doel een voor de jongeren aangenaam digitaal klimaat te scheppen, want tegen alle flitsende multiplayergames, social communities en andere online werelden denken de onderwijsbeleidsmakers ( vaak zijn dat door dure adviesbureaus aangestuurde schoolbesturen ) toch het nodige tegenwicht te moeten bieden, in de vorm van hippe websites en zoekmachines, met smartboards, digiboards, electronische leeromgevingen en laptops, om zo de begeerde leerlingen te lokken, want al die uitgaven moeten natuurlijk wèl weer ergens bekostigd worden.
Zo wordt er dus in de voorlichtingsfoldertjes kwistig gestrooid met Engelse kreten en met mooie spullen die “in een uitdagend leerlandschap” zijn geplaatst.

Mijn vrouw werkt part-time, samen met nog een stuk of zes part-time dames op een heel klein basisschooltje met een groot aantal probleemleerlingen. Gemiddelde leeftijd van het team is rond de veertig. Haar schoolbestuur had met een of ander ICT-bedrijf een dealtje gesloten over de aankoop van digitale schoolborden van een onbekend merk, in de trend van “drie halen, twee betalen”. Vóór de grote vakantie werden die vervolgens als zijnde het Ei van Columbus in de klas opgehangen, met als extraatje twee laptops.
Een jongetje uit groep acht heeft nu, uiteindelijk na maanden, één der laptops aan de borden weten te koppelen, met als resultaat een enthousiaste leerkracht die meende nu met het digitale schoolbord te werken waar het in deze opstelling slechts een veredeld diascherm betrof. Het schoolbestuur slaat zich naar de blije ouders toe op de borst, want “moderne leermiddelen”, het toverwoord wat alle les- en bekostigingsdeuren opent.

Vanmiddag stond hier in het plaatselijke sufferdje een klein stukje over een groep kinderen uit Tsjernobyl. Die komen hier elk jaar een beetje aansterken en in de watten gelegd worden. Zes kinderen  kregen van de plaatselijke Blitz-optiek ( ik noem gewoon de naam maar even, want hun actie verdient lof! ) een brilletje; ze bleken ongeveer geen steek te kunnen zien, laat staan een digitaal schoolbord op een schooltje ergens in de buurt van Pripyat waar men al dolgelukkig zou zijn met een door het westen afgedankte Commodore 64……

Ik wil maar zeggen, waar maken we ons in het Nederlandse onderwijs eigenlijk druk om. Leren doen de scholieren toch wel, dat zit hem in de leeftijd. En als het om ICT gaat, leren we meer van hèn dan zij van ons. Alles is relatief.

Rein ( Wauwel )

Een leuke dag

 

Iemand die het op ICT-gebied voor het zeggen heeft binnen onze scholengroep bedacht onlangs dat het misschien wel handig zou zijn om eens over te schakelen naar een nieuwe indeling van het computernetwerk. Deskundigen werden geraadpleegd, plannen werden gemaakt en er werd vermoedelijk erg veel geld uitgegeven om alles gladjes te laten verlopen. In de herfstvakantie zouden alle leerlingen een epistel thuis ontvangen waar alles nog eens in heldere taal zou worden uitgelegd, en ook dat ze een nieuw wachtwoord zouden moeten invoeren.
Nu vreesde ik al met grote vreze bij het horen van de plannen, maar de uitwerkingen overtroffen toch mijn ergste verwachtingen. Mij zijn namelijk wat computerlessen toebedeeld, en zo vlak voor een toetsweek is het dan handig om nog wat digitale puntjes op de i te zetten.

“Kijk jongens, nee, kijk naar het scherm voor de klas…. nee hier! Vóóór de klas, ja. Niet op je monitor dus. Nee, nu even niet op MSN! Wat zei ik nu? Kijk, in DIT vakje moet je dus je wachtwoord invullen, wat ik voor ieder van jullie dan maar weer in vredesnaam op dit papier gekopieerd heb, dit hier! Allemaal gezien? Mooi zo!”
“MENEER, MENEER! IN WELK VAKJE MOET IK MIJN WACHTWOORD INVULLEN? MENEER WAAR STAAT HET WACHTWOORD ERGENS???”

Wie had nu kunnen verwachten dat het grootste deel van de leerlingen die brief niet bij zich zou hebben of al hoog en breed vergeten was of niets van de heldere uitleg zou begrijpen? Ik wel, maar anderen blijkbaar niet. De lezer begrijpt dat ik al weer twee hectische dagen achter de rug heb, waarbij ik diverse keren halverwege de les de pijp maar aan Maarten heb gegeven bij mijn streven nog iets aan voorbereiding voor de toetsen te doen. Als je in een klas vol leerlingen haast onverstaanbaar fluistert dat ze het laatste uur vrij hebben, heeft iedereen dat gehoord. Brul je echter met een stentor-stem, op scheepshoorn-van-de-Titanic-volume, dat ze niet moeten vergeten de brief met het wachtwoord mee te nemen, dan heeft niemend iets verstaan.
Zo ben ik dan aan het einde van deze lesdag in verwilderde toestand naar huis gestrompeld, in het voornemen om mij een shot heroïne toe te dienen, of om mij terstond op te laten nemen in een gesticht voor acuut krankzinnig geworden leraren. Dat moet toch heerlijk zijn, een beetje door de zuster te worden rondgereden en zachte kalmerende woordjes in het oor gefluisterd te krijgen, waarbij ze af en toe controleert of ik wel goed vastgebonden in mijn wagentje zit.

Orgie

 

Ik doe heel veel met ICT, mag me dus wel ICT-er noemen. ICT-ers zijn per definitie puisterige, slecht geklede, contactgestoorde, bebrilde, van het mannelijk geslacht zijnde computernerds van een jaar of twintig, die tot diep in de nacht met vierkante oogjes achter hun beeldscherm bivakkeren in een klein bedompt kamertje.
Op de leeftijd na voldoe ik volgens mijn gezin grotendeels aan dat profiel, maar gelukkig is er nu op mijn school een geschokte manager opgestaan, die mij – vergezeld door enkele waarschuwingen en dreigementen – een aardig krantenartikeltje deed  toekomen, met de stuitende titel: ICT-er zoent en drinkt vaker.
Uit onderzoek is namelijk gebleken dat deze lieden veel minder saai zijn dan tot nu toe werd aangenomen. Op mijn werk blijk ik bovengemiddeld vaak met collega’s te zoenen ( er staat niet bij of dat vrouwelijke of mannelijke betreft, dus dat maakt het nog erger ). Ook drink ik overmatig alcohol in de baas z’n tijd; dat weet ik slim te ondervangen door mijn zwalkende gang te wijten aan mijn rijpere leeftijd en mijn onwelriekende adem aan de kwaliteit van de koffie in de personeelsautomaat. Tot overmaat van gemak val ik tijdens mijn bezigheden ook nog eens geregeld in slaap achter mijn tafel en moeten leerlingen of collega’s grote moeite doen om mij aan mijn sluimeringen te ontrukken. Eenmaal wakker geworden spring ik dan natuurlijk direct overeind, op zoek naar een collega om hinderlijk af te lebberen.
Met zo’n stel ICT-ers haal je dus als school wel een complete orgie van sex en drank binnen je muren.  Nog meer reden om de kwaliteit van ons huidige onderwijs met grote achterdocht te bezien.

Wat genoemde manager trouwens misschien over het hoofd heeft gezien, was een ander artikeltje direct onder het stukje over de zuipende ICT-ers, met als intrigerende kop: “Depressie door slecht management”: werk-gerelateerde stress bij werknemers wordt in hoge mate veroorzaakt door het niet ondersteunen door het management van hen die de druk niet aankunnen. Misschien begrijpt mijn baas nu waardoor ik mij zo verlustig aan allerlei sexueel getinte uitspattingen als het zoenen van collega’s en mijn heil zoek in de fles en de alles vergetende slaap. Leve de ICT-er.