Leven zonder internet

talkingOnlangs las ik een opmerkelijk berichtje dat 10 % van de inwoners van Nederland nog nooit van internet gebruik heeft gemaakt. Daar zit natuurlijk een flink gedeelte bejaarden bij, mensen die dus nóg stokouder zijn dan ik, en een deel baby’s en peuters, hoewel er veel hippe ouders zijn die zich de afschuwelijke gewoonte hebben eigen gemaakt om bij de geboorte van hun eerste kind ook maar gelijk een Facebook-account en een email-adres voor de kleine spruit op te zetten. Ze vergeten daarbij dat tegen de tijd dat het kind kan schrijven en lezen, email en vermoedelijk ook Facebook, hopeloos uit de mode zijn. Daar zit je dan straks als moderne puber met die antieke zooi mooi mee opgescheept.

In het berichtje stonden ook enkele overwegingen van lieden die bewust kozen om zonder internet door het leven te gaan. Eentje verloor anders het ware contact met de aarde en het wij-gevoel met de natuur, en de ander zag het als een bedreiging voor Gods schepping en het contact met de medemens.  Er is zelfs een Vereniging zonder Internet. Daar vind je dus geen website van.
Nu heb ik de grote eer al bijna veertig jaar in het onderwijs actief te zijn, om daar de heffe des volks en de bloem der natie naar ongekende hoogten te begeleiden, en ik kan daar constateren dat de moderne jongere zonder internet zou veranderen in een geestelijk en lichamelijk kwijlend wrak. Er is in de tijd dat het internet bestaat een nieuw ras geëvolueerd met als nieuw ledemaat het mobieltje, onlosmakelijk met het lichaam verbonden, waarbij uitval van mobiel bereik zoiets is als het amputeren van een been of desgewenst hoofd. U weet als ervaren ouder wel hoe uw kroost reageert bij opmerkingen over het gebruik van mobieltjes aan tafel, of bij dreigementen dit genotsvoorwerp af te pakken. Hoeveel feestelijke maaltijden en bijeenkomsten zijn er al verknald door dat eeuwige getuur op hun telefoontje of tablet of door de bliepjes die de Snapchat- of Whatsapp-berichtjes veroorzaakten? Kinderen ontwikkelen tegenwoordig ook een soort mobiel-bochel, we groeien dus langzaam weer terug naar de voorovergebogen lichaamsvorm van de Neanderthaler.
Ik denk aan de bijna twee weken zonder internet dat mijn dochters chagrijnig beneden op de bank zaten, zomaar in de woonkamer, de plek waar mensen vroeger wel eens een leuk gesprek met elkaar plachten te hebben in real life. De kreten waarmee zij opsprongen en de kamer uit stormden toen zij ineens gelijktijdig een “Nieuw-bericht-bliepje” op hun apparaat binnenkregen. Er was weer verbinding met het leven!

Wat deed u eigenlijk in de jaren dat u nog geen verbinding met de wereld via internet had, en u nog gewoon gesprekken op de bank moest voeren met uw partner; keek u toen de hele dag door tv, of las u het ene na het andere boek uit de bibliotheek ( daar leende je vroeger boeken ), maakte u een legpuzzel van de bollenvelden met strakblauwe lucht of ging u een kathedraal van luciferhoutjes in schaal 1: 2 nabouwen? Hoe vreselijk moet dit geweest zijn, zoiets als de tijd van de crisis in 1929 of de aanvallen van de Gothen, Hunnen, hordes van Djengiz Kan of de uitroeiing van de mensheid door de Zwarte Dood in de Middeleeuwen.

Een paar jaren geleden doorkruiste ik de woestijn van Wadi Rum in Jordanië. Het landschap was buitenaards, roodachtig van tint, miljoenen jaren geleden ontstaan uit een grote zee, en de surrealistische rots-structuren  gaven je het gevoel op Mars te zijn. Geen wind, ’s nachts miljoenen sterren aan de hemel en absolute stilte; zó stil dat je in je oren het bloed door je aderen hoorde ruisen. Een ander universum. En toch: verdwalen kon niet meer. Op je mobieltje zag je tot op een paar meter nauwkeurig waar je je bevond, en wanneer je een tijdje rondreed op het hotsende schip der woestijn, zag je altijd wel ergens in de verte een GSM-mast.  Nergens kun je meer verdwalen, ook al zou je dat heel romantisch willen. Je bent altijd bereikbaar, vindbaar, traceerbaar, op misschien een paar plekken in de Stille of de Atlantische Oceaan na.

Na de jaren 80 van de vorige eeuw brak dan eindelijk de nieuwe Verlichting aan, het zegenende Tijdperk van Internet. Daar passen natuurlijk geen zonderlingen zonder internet in. Er is geen plek meer voor kluizenaars en mensen die de wereld buiten willen sluiten, wat hun redenen ook mogen zijn. Je plakt ze ook gelijk een etiket op: boomknuffelaars, geitenwollen sokken-types, reli-gekkies, stel je er maar iets aparterigs bij voor. De enige plek waar je je nu nog een klein beetje kunt afzonderen is je eigen hersenpan.

Is leven zonder internet geen leven? Ondraaglijk lijden, om in overtrokken pubertermen te blijven? Zelf denk ik wel de nodige afkickverschijnselen te ervaren. Twitter opzeggen, Facebook stoppen, digitale zelfmoord, de computer ongeveer de deur uit en geheel afhankelijk zijn van stokoude media als krant, televisie en Radio Bandoeng. Nog even zoeken tussen de oude rommeldozen of daar nog ergens een gewone telefoon ligt, en of er überhaupt nog wel een aansluiting aan de wand zit waar ik dat ding in kan pluggen. Vakanties plannen via een reisbureau in een straat met echte winkels, wachten op de papieren bankafschrijvingen in de brievenbus. De grote Bos-Atlas maar weer eens uit de kast trekken en kijken welke landen er allemaal verdwenen of bijgekomen zijn. Een avond vakantie-dia’s van 30 jaar geleden er doorheen jagen. Je leven uit de steentijd terugkijken: toen je nog niet bestond uit nullen en enen. Toen je nog offline was.

Piloot

pilootWie dagelijks met wreedheden en horror-beelden geconfronteerd wil worden, moet eens op Twitter of YouTube of Facebook kijken. Die horror-beelden waren er natuurlijk vroeger ook al, we hebben niets geleerd van de geschiedenis en het laagje beschaving is maar flinterdun, maar toen kwamen ze wat lastiger tot ons. Vaak werd er ook nog een soort censuur toegepast of iets van een filter, delen van foto’s en filmpjes werden geblurd, maar nu kan iedereen met een mobieltje die ergens met zijn neus bovenop staat de narigheid direct de wereld in slingeren. En dat zien we dan gelijk, ook nog eens vele malen herhaald door eenieder die wij op de een of andere manier volgen. 18-plus bestaat niet meer, er wordt niet meer gewaarschuwd, pats, het staat gelijk op je netvlies, of je nou zes of zestig bent.

Wat doet dat met je? Of doet dat überhaupt nog iets met je. Mogelijk zijn we al zó gehard, dat we alles zonder blikken of blozen tot ons nemen en opslaan in de gruwelhoek van onze hersenen. Ooit zag ik, vermoedelijk zal ik rond de veertien jaar zijn geweest, een filmopname uit de Vietnam-oorlog, waarbij een Zuid-Vietnamese generaal een Vietcong-strijder op straat eigenlijk zonder waarschuwing door het hoofd schoot. De foto’s kent iedereen wel, het filmpje is wat minder bekend maar zonder twijfel overal op YouTube te vinden. De man viel als een lappenpop op straat, er spoot van alles uit z’n hoofd. In zwart-wit, ik zie het nog in detail voor me en word weer naar als ik er aan denk. Het heeft heel lang door mijn hoofd gespookt, samen met een ander naar beeld, een stuk onschuldiger, maar voor mij toen niet minder schokkend: een merel die onder het wiel van een langsrijdende bus werd verpletterd. Een jongen van 14 raakt overstuur door het doodschieten van een mens en het platrijden van een merel. Zo zat ik als kind in elkaar, en zo zitten kinderen volgens mij nog steeds in elkaar. Doet het ze helemaal niks, dan is er volgens mij iets heel ernstig mis.

In mijn lessen heb ik het geregeld meegemaakt: een groepje leerlingen gebiologeerd en opgewonden achter het computerscherm of het mobieltje. “Meneer, kijk eens!”; en daar wordt dan iemand z’n keel doorgesneden door een groep Jihad-strijders. Op zulke momenten kan ik woedend worden. Ik verbied ze te kijken, ik kijk zelf ook niet, ik zeg dat ik met de beste wereld niet snap hoe ze naar zulke beelden kunnen kijken. “Ach meneer, je ziet het overal!”, en ze gaan weer vrolijk bezig met andere zaken. Ze zijn nauwelijks ouder dan ik met mijn doodgereden merel toen.

Wat is er met deze wereld en met ons aan de hand? We zijn langzamerhand knettergek aan het worden, en we lijken het niet in de gaten te hebben. Wie er wat van zegt is een softe sukkel, moet niet zo zeuren, want zoiets is toch deel van de wereld tegenwoordig en ongeveer normaal? Ik ben dan maar zo’n softe sukkel. Ik wil het niet zien, ik steek mijn kop dan maar even in het zand, hoewel het meestal al te laat is.

Ook ik zag deze week ongewild en ongevraagd de Jordaanse piloot in vlammen opgaan; de filmpjes klikte ik in de eerste seconden weg, voor de foto’s is zoiets niet mogelijk. Je ziet ze toch. Je ziet de nieuwe niveau’s en hoogten van onmenselijkheid weer langs komen en slaat ze onbewust op, terwijl je dat juist niet wilt. Ik wíl niet harder worden, gehard worden, onverschillig voor geweld in welke vorm dan ook. Dit geestelijk geweld, want dat vormen die beelden, gaat mijn bevattingsvermogen te boven en dreigt mijn geloof in het laatste restje menselijkheid wat we nog zouden kunnen bezitten, te ondergraven. En dat laat ik mij niet afnemen. Ik heb geen beelden nodig, ik kan mij er zó al voorstelling genoeg bij maken.

Nee, het internet hoeft niet gevuld te zijn met bloemetjes en bijtjes en foto’s van lieflijke landschapjes. Maar er zit langzamerhand zoveel rotzooi in onze geest dat zelfs daar haast geen klein beetje ruimte meer voor is. En dat zou zoveel schelen.

Vrouwen en computers

mouse_womenIk moet nu heel voorzichtig zijn met wat ik allemaal ga zeggen, zeker met de titel van dit blog. Er zijn dingen in het leven die niet goed samen gaan. In het algemeen hebben vrouwen denk ik minder met computers dan mannen. Dénk ik dus, hè? Mannen functioneren op een vrij rudimentair niveau, en zijn snel onder de indruk van díngen waar zij iets mee kunnen dóen. Op drukken, aan knopjes draaien, besturen, macht over kunnen uitoefenen. Wanneer het gaat vervelen, zetten ze het úit. Mannen bedienen de radio, de tv, kiezen en besturen de auto, schieten met geweren, zijn  heerser over alle afstandsbedieningen en spelen urenlang stompzinnige oorlogs- of vliegspellen achter de computer. Mannen zijn als een kind zo blij met cadeaus die minimaal “bliep” zeggen, waar licht uitkomt en waar een stekker aan zit. Mannen sturen met hun iPhone een drone met een cameraatje de lucht in en laten hem rondjes vliegen om de Dom, of bij gebrek aan toren, hun eigen auto. Keer op keer. Mannen staren een nacht lang, gehuld in camouflage-kledij, naar een electronische verklikker die aangeeft of er soms een visje aan hun hengels hangt. We staan op een autoshow te gapen naar sportwagens die we van zijn levensdagen niet kunnen betalen.

Mannen slaken oerwoudgeluiden en slaan mekaar met plezier de koppen in op de tribune bij een voetbalwedstrijd. Mannen zijn van “de ideale vrouw verandert ná het wippen in een krat bier en een stel goede vrienden”.

We geven onze verworvenheden op dat gebied dus niet graag uit handen, en als het écht niet anders kan, dan toch met grote tegenzin en groeiende ongerustheid. Wij vinden al die techniek “gewoon”. Vraagt mijn vrouw om uitleg bij één of ander computerprobleem, dan begin ik mijn reactie vaak met “Nou, gewoon, je doet dit of dat”. Kwaaier kan ik haar niet maken. Zij is tevreden met een zwart wit-tv en een transistor radio. Onbegrijpelijk, hoe kan iemand zó leven?

Nu heb ik mijn woning ongeveer zó ingericht dat ik bijna alles wat ook maar enigszins met techniek te maken heeft kan bedienen met mijn mobieltje. De radio, de tv, de verwarming, het gaat op afstand aan en uit. Ik heb een aparte afstandsbediening om al mijn afstandsbedieningen te bedienen.  Wanneer men ( lees: mijn gade ) thuis niet snel genoeg reageert op een WhatsAppje, zou ik de verlichting afwisselend rood of groen kunnen laten knipperen, of zou ik de verwarming op 0 graden kunnen zetten. Nood breekt wet. Het dringt niet altijd snel genoeg tot mijn botte kop door dat mijn vrouw ook wel eens iets anders aan het doen is dan eeuwig op haar mobieltje kijken en dat sommige dingen gewoon niet ‘gewoon’ zijn.

We kregen dus laatst nieuw internet. Een andere provider, nieuwe ( dus betere ) techniek, en dan ben ik al reddeloos gezwicht. Een monteur zou alles aanleggen. Groot probleem: ik zat op die dag voor een congres in Berlijn. Congres afzeggen dan maar? Want ik sta met mijn ik-wil-alles-weten-snufferd overal boven op en geef niets uit handen.  Dat was geen optie, én het was een congres waar ook veel nieuwe gadgets te zien waren. Ik typte dus een heel epistel voor de internet-meneer: dit is verbonden met die en die router, onder de tv zit nog een accesspoint, die een UTP-verbinding heeft met een switch waarvan het wachtwoord zus en zo is. Om alle beeld- en geluidzaken te bedienen hebben zich her en der in mijn huis enorme ondoordringbare kabelkluwens gevormd.
In Berlijn, de hele dag in angst en beven doorgebracht en s avonds gelijk gebeld. U kunt zich -als vrouwelijke lezer – het gelukzalige gevoel niet voorstellen bij de mededeling dat alles werkte als een tierelier, haarscherp beeld, feilloze verbinding. De volgende morgen vroeg een telefoontje: Alle lichtjes zijn uit, de radio doet het niet meer, er is geen internet. Blinde paniek! Rennies! Radeloos op zoek naar de defibrillator. De KPN-webcare getwitterd en overspoeld met noodkreten. Hoogspanning op het kantoor daar. Ik zag een zwarte toekomst zonder internet en alle daarbij horende geneugten des levens voor mij. Alles leek verder zinloos. De hele dag vlogen de suggesties tussen mij, de KPN en mijn gade heen en weer. Een rekening van €1000 aan extra kosten voor internet- en telefoniegebruik in het buitenland lag in het verschiet.

’s Avonds een berichtje op mijn Whatsapp. “Beloof me dat je niet gaat lachen” Mijn vrouw had dus de vorige avond bij het slapen gaan de stekker uit het modem getrokken want op die manier ging ook het spotje boven de tv uit.

Het leven zou een stuk saaier zijn zonder vrouwen en computers.  Was ik maar een vrouw, dan had ik eens rust in mijn kop en was ik eens tevreden met wat ik had.

Ik vertrek

SchandpaalEigenlijk zijn  we qua beschavingsniveau de Middeleeuwen nog niet ontgroeid.We gooien nog steeds met rotte tomaten en eieren, en we smeren nog steeds pek met veren, alleen heet de schandpaal nu Twitter. Die schandpaal wordt ons aangeboden door de televisie en wij gaan vervolgens gretig op zoek naar slachtoffers om te bekogelen met narigheid. En we doen er allemaal ijverig aan mee, ik ook, en al jaren. Het duurde alleen even voordat dit tot mij doordrong.
Twitter, en andere vormen van social media, kun je beschouwen als één grote kroeg met miljoenen, duizenden of tientallen bezoekers, afhankelijk van je aantallen volgers en “vrienden”. We kijken met z’n allen naar het grote scherm boven de bar, en we hebben overal luidkeels wat op aan te merken. Wie dat het meest opvallend, hard of leuk doet, kan rekenen op grote bijval in de vorm van retweets en nog meer volgers. Daar doen we het voor, want volkomen in je eentje gaan staan roepen hoe dom of sneu je iemand op de televisie vindt, is een zinloze bezigheid.

Er zijn programma’s waar we ons met genoegen op storten: Ik vertrek, De Rijdende Rechter, Het Familiediner, Utopia ( O, gruwel ), Boer zoekt Vrouw. Ze hebben gemeen dat ze mensen door de middeleeuwse straten voeren die hijgerig op het aanbod van een omroep om zichzelf publiekelijk aan de schandpaal te laten nagelen zijn ingegaan. Duw iemand een camera of een microfoon onder z’n neus en men verandert in een exhibitionist die ongegeneerd de eigen vuile was tentoonspreidt.  Wanneer ze eenmaal zijn aangekomen bij het schavot kan de beul – wij – uit z’n dak. Waar wij op het ene moment zo correct mogelijk onze beschaving en ons geestelijk niveau, beschreven in onze avatars en bio’s, ten tonen pogen te spreiden in onze uitingen op social media, vergeten wij het volgende moment dit alles en doen wij ijverig mee aan de publieke steniging.

Gisteravond: “Ik vertrek”. Een gezin met puberdochter begint een nieuw leven in – hoe verrassend – een Bed & Breakfast op het Franse platteland. De ouders zijn nogal – eh- paardgericht en lijken de dochter te vergeten die het zichtbaar en hoorbaar niet naar de zin heeft. We gaan los op Twitter, en zelf doe ik mee ( lees m’n tweets maar ). Wanneer je zoekt op #ikvertrek komt daar een enorme verzameling commentaar voorbij, waarbij je bij veel opmerkingen de tranen van het lachen over de wangen rollen. Hoe meer er mislukt, hoe leuker het wordt, en er is geen leuker vermaak dan leedvermaak. Buren die mekaar de koppen inslaan over de hoogte van de schutting, een boer die nog nooit een vrouw gezoend heeft, een verzameling eencelligen die al rokend elkaar in Utopia probeert weg te pesten, het is aapjes kijken in de dierentuin.

Gisteravond laat twitterde de dochter van het Ik vertrek-echtpaar dat ze baalde van alle negatieve reacties, dat ze echt topouders had en dat wij in 45 minuten echt geen idee konden vormen van hoe hun hele leven daar nu was. Iets van 85 volgers had ze, dan ben je een roepende in de woestijn, want mensen zoals ik met 2000 volgers of meer overschreeuwen zo’n puber met gemak, waardoor haar noodkreet, want anders kan ik het niet noemen, verloren ging in ons hoongelach.

En ja, ze heeft gelijk. Die tweet van haar die deed het ‘m. Het moet verschrikkelijk zijn om te lezen hoe je ouders belachelijk worden gemaakt of neergezet als harteloze egoïsten. Die mensen hebben een droom, en ze hebben hem waargemaakt. Eigenlijk zijn we gewoon jaloers, want zelf draaien we nog steeds kringetjes in ons eigen veilige vertrouwde wereldje, omdat we niet de lef hebben of de durf om hetzelfde te doen als zij, namelijk gehoor geven aan wat je hart je zegt, en daarmee onafhankelijk van anderen te zijn.

Voortaan dus: geen tweets meer van mij over hoe idioot of verkeerd die mensen bezig zijn, en meisje, je hebt inderdaad echt topouders! Laat dat even gezegd zijn.

Nu dus nooit meer met tomaten en eieren gooien dan? Nee, natuurlijk niet. De wereld is bezaaid met figuren die het wél verdienen: graaiers, harteloze politici. Ik kan nog steeds los, pek en veren in overvloed. Ik moet alleen wat beter en selectiever mikken, want soms raak ik gewoon de verkeerde, zoals gisteren.

Rekentoets: want met alleen tongzoenen kom je er niet

FX7.jpg FILM TITLE I, RobotRekenen was – en is – nooit mijn sterkste kant. Op de middelbare school, die toen nog HBS heette, wist ik nooit hoger te scoren dan een 3, en de leraren die mij dit vak vergeefs probeerden bij te brengen, hadden in mijn optiek allemaal een hekel aan mij, en dat gevoel was wederzijds. Uren besteedde ik aan het smachtend naar buiten staren over de skyline van Haarlem, vanuit mijn plekje naast het raam op het Marnix College. De school waar ik later uiteindelijk van af getrapt ben wegens vechten met de aardrijkskundeleraar, die óók al een hekel aan mij had. Ook de rector mocht mij  niet, dus dit was een mooie gelegenheid om deze irritante puber te lozen. zoiets ging toen nog vrij makkelijk. Ik kwam toen op een akelig strenge MULO in Bloemendaal, eentje van het Bint-soort, en dat was precies wat ik nodig had. Ook daar bleek het rekenen in de vorm van afschuwelijke dingen als goniometrie en de stelling van Pythagoras niet aan mij besteed, maar op de een of andere manier wist ik toch met een voldoende van school te gaan. De school waar ik gevormd werd op alle gebied, want dáár was het bijvoorbeeld dat ik mijn eerste tongzoen mocht ondergaan. Nu heeft een tongzoen niet heel veel met rekenen te maken, hoewel klasgenote Margreet ( ik zal haar achternaam hier nu even niet vermelden ), die hem mij toediende, volgens mij uiterst berekenend te werk ging.
Die zoen betekende mogelijk een enorme stimulans in mijn kwakkelende schoolloopbaan en deed mij besluiten mijn uiterste best te blijven doen, want je wilt natuurlijk niet weer blijven zitten en haar zodoende uit het oog verliezen. Zij was namelijk wél erg goed in rekenen, en al tongzoenend hulp ontvangen is nooit weg, als je puber bent. Helaas bleek de liefde ná het weekend al weer over, waaruit haar berekenend karakter bleek. Vermoedelijk had ze een weddenschapje met een vriendin afgesloten, om het grootste ei uit de klas nog aan het lebberen te krijgen.
Op de havo bleef rekenen ook een moeizaam geploeter, en toen ik daarna – mogelijk uit wraak voor mijn tragische schoolloopbaan – besloot het onderwijs in te gaan was wiskunde op de Pedagogische Academie óók niet mijn sterkste kant.
Uiteindelijk werd het dus taal, en tekenen en handvaardigheid. Vakken die tenminste leuk zijn, en waar je je gevoel in kwijt kunt. Tegenwoordig zitten die een beetje in het verdomhoekje. D’r mot geprestéérd worden, en wat nu telt, zijn scores, toetsen en examens, en wel zo hoog mogelijk. Dat betekent, dat alles nu getoetst moet worden, en wat je niet in harde cijfers uit kunt drukken en meten is niet meer interessant.

Gisteren mocht ik dan – als volslagen alfa-man – bijzitten bij een rekentoets die door het Cito, zeg maar de opperste Sovjet uit de tijd van de Koude Oorlog, wordt afgenomen op de computer. Allemaal tegelijk starten, allemaal achter een vaste genummerde computer, allemaal stipt op tijd om één uur beginnen en stipt op tijd om drie uur eindigen, leerlingen met dyscalculie mogen een half uurtje langer doorploeteren. Alsof dat uit maakt, een half uur extra op een beeldscherm staren.
Rekenen moet gegeven worden zoals het in het echte leven voorkomt. Ik heb dat natuurlijk nooit geleerd blijkbaar, dat echte leven, maar op de een of andere manier ben ik niet tot een mislukkeling verworden. Zelfs een drie voor rekenen heeft mij gemaakt tot wat ik ben: iemand die al bijna veertig jaar voor de klas staat en die daar af en toe een stukje over schrijft of twittert. Iemand die ook het niveau van taal en rekenen heeft zien wegzakken tot een situatie waarin een moderne leerling bij het uitvallen van internet, stroom en mobieltje een enigszins reddeloos verloren persoon wordt. Want hoe moet je dit nu spellen, vinden of berekenen wanneer niets het meer doet en wanneer je enkel nog moet hopen op je hersens? Die hersens heb ik gisteren samen met mijn leerlingen, allemaal meiden die er niet er met de pet naar gooiden en die allemaal serieus keihard hun best deden, zitten pijnigen bij het proberen te begrijpen van de vraag. Om een toets rekenen te kunnen maken, moet je tegenwoordig namelijk behalve dat je over bionische ogen beschikt ( wie kan er twee uur onder tijdsdruk onafgebroken naar een beeldscherm staren? ) ook nog een belezen Neerlandicus zijn; heel veel vragen bleken voor meerdere uitleg en redenatie vatbaar, helemaal als je er over na ging denken. De helft van de tijd gaat dus bij het moderne rekenen op aan het proberen te begrijpen van wat er nu eigenlijk stáát, laat staan dat je überhaupt aan het eigenlijke rekenen toe komt. Rekenen moet tegenwoordig voor een mbo-scholier worden afgetoetst op havo-niveau, want dát is wat het hbo vraagt.

Hallo overheid en onderwijs-inspectie, waar zijn wij helemaal mee bezig? Mag een leerling niet gewoon mbo meer doen, daar een vak leren en dan gewoon klaar en een baan zoeken? Nee, we moeten scoren, scoren en nog eens scoren, want anders heeft de economie niets aan ons. Allemaal meedoen in het keurslijf van de rat-race, die geen afvallers en uitvallers mag kennen, en die geen ruimte biedt aan andersdenkenden, dromers, zwakkeren of creatieve geesten. Onderwijs is niet alleen maar rekenen, taal en toetsen. Onderwijs is vooral mens leren zijn, fouten durven maken, zwak mogen zijn, kwetsbaar maar gelukkig leren zijn. Ik heb geen zin om machines op te leiden. Dan had ik wel een ander vak gekozen. Waar je geen rekenen voor nodig hebt.

O ja, ik roep alle mbo-leerlingen op om eens gezamenlijk een Facebook-pagina te starten waarin je pleit voor een normale manier van toetsen, en waarbij we niet worden afgerekend op onze mate van volgzame robot-in-een-keurslijf-zijn.

Lost in space…school zonder internet.


Het is een zonnige dag, leerlingen braaf aan het werk in de electronische leeromgeving, want een beetje school kan niet meer zonder en de docent kan op die momenten even amechtig onderuit hangend de beurskoersen of vakantieveilingen.nl doornemen, waarbij hij of zij er wèl op moet letten dat de beamer niet aan staat. Het is niet de eerste keer dat een collega in den lande werd geschorst vanwege niet-lesgerelateerde activiteiten op internet, en dan ook nog ten aanschouwe van een groep ineens ernstig geïnteresseerde pubers.

Gescheld en getier in de klas. De ELO ligt er uit. Daar gaat je zorgvuldig voorbereide les. Zoeken op twitter levert een ware kanonnade op van radeloze scholieren, een enkele ontheemde en ontredderde docent en pas later ook wat mededelingen van de fabrikant zelf. Ik citeer even ene @Mirpiee, die roept: “Aaaaah ITSLEARNING DOET HET NIET!!! Ik space ‘m zo hard hier he”.
Een ander, reeds het kookpunt genaderd ( ik zal de vloeken en de schuttingtaal even door sterretjes vervangen ): “G*D, K*T ITSLEARNING! Ik moet een verslag maken , moet duits leren en nog NA leren! En nu doe je het niet? ! F**K YOU!!!”.
Of: “Shiiiit, itslearning doet k*t en ik moet die ckvpoep nog inleveren!!!”  en : “tering itslearning als ik hem te laat inleveren heb ik een 1”.
Gelukkig zien sommigen ook de zonnige kant van een leven zonder internet: “Itlearning doet het niet….chill! 🙂 ”

Tja, wat moet je als vooruitstrevende Onderwijs 2.0-school nog zonder internet? Docenten zitten verweesd achter hun gestorven laptopjes, leerlingen hangen lui en “chill” achterover of grijpen radeloos en vloekend naar de Ritalin. De geoliede machine is krakend tot stilstand gekomen, men stroomt het pand uit, genietend van het prachtige nazomerweer wat zo verpest werd door het feit dat je achter zo’n stom beeldscherm een beetje opdrachten voor een stom ckv-poepvak moest maken, bedacht door zo’n moderne computernerd-docent die zelf niet eens een eigen Hyves of Facebook-profiel heeft.
Onderwijs 2.0 is voor de doorsnee-leerling vaak niet meer dan rondneuzen op Facebook, chatten op MSN, je verslag vullen met Google en je opdrachten inleveren via de ELO. Werkt één van die dingen niet, dan volgt totale ontreddering. We zijn offline.

Daar schuilt hem gelijk het gevaar van het o zo prachtige en verleidelijke intertnet: dat je je als school er te veel van afhankelijk maakt, dat je soms vergeet dat je ook nog met een krijtje op een ouderwetsch degelijk donkergroen schoolbord kunt schrijven, en dat je voor de afwisseling eens met een stapel nakijkschriftjes in je tas naar huis fietst. Je wordt ’s avonds niet gestoord door mailtjes, bliepjes, je hoeft niet elk lesuur een vaak krakkemikkig werkend absentieregistratie-systeem bij te houden, je loopt niet met schele hoofdpijn van het in verkeerde houding turen naar je laptop door het pand en je hoeft je niet te storen aan Powerpoint-presentatie nummer zoveel waar je duizelig wordt van de op het scherm rondstuiterende teksten, plaatjes en geluidjes die de maker in zijn enthousiasme voor al dat moois wat dit programma biedt, heeft toegepast. “Killed by powerpoint” is een gevleugelde kreet bij de Amerikaanse troepen in Afghanistan.

Natuurlijk willen we niet terug naar de tijd van griffels en leien, naar wolken krijtstof en grauwe docenten die met een afgebeten potloodje stapels volgekladderd proefwerkpapier doorworstelen. Onderwijs 2.0 is een zegen en biedt ongekende mogelijkheden. Ik kan niet wachten tot alle lokalen vol staan met touchscreens, webcams, tablets, en wat er meer voor prachtigs op de markt is. Zolang het ‘blieb”zegt en licht geeft, blijkt het voor leerlingen op de een of andere manier soms een stuk boeiender dan alle ouderwetse lesmethodes en docenten bij elkaar. Wel hard en onverbiddelijk trouwens, dat digitale lesgeven: “wanneer ik ‘m niet inlever heb ik een 1”.

Onderwijs 2.0  is prachtig, fantastisch! Zo lang we maar niet verleren om terug te vallen op beproefde middelen wanneer we eens een keertje digitaal offline zijn.In dat soort situaties bewijst zich de professionele schoolorganisatie.