Wauwel in Jordanië, deel 5

“Door Israël naar Egypte”

Je hoeft geen al te kritische toeschouwer te zijn om te constateren dat het in veel Arabische landen enigszins “rommelig”  is, om  het maar zwak uit te drukken. Overal zwerft straatvuil rond, langs de wegen op de meest onverwachte plekken liggen grote stapels afval, waar dan weer gezellig een kudde geiten of schapen in staat te sprokkelen, zodat een en ander nog meer wordt verspreid.  Waar je bij ons op een dakterras een tuinset en een mini-barbeque zou aantreffen, kom je daar bijvoorbeeld een grote verzameling vuilnis tegen, en, zoals ik in Egypte eens zag, een ezel die op die wonderbaarlijke hoogte zijn kostje bij elkaar scharrelde.
Toch zie je ook veel straatvegers, die blijkbaar hun hoopje rommel van A naar B vegen en vervolgens weer terug. Stoepen houden plotseling op,  vallen volledig uit elkaar of worden onderbroken door allerlei roestige uitsteeksels die ooit toebehoorden aan misschien een lantaarnpaal, een hekje of die bestaan uit achtergelaten metselgereedschap. Elke winkel lijkt ook zijn eigen stoepje te hebben geconstrueerd, daarbij geen rekening houdend met mogelijke hoogteverschillen met het plaveisel bij de buren voor de deur.
Iets dergelijks geldt ook voor de gewone weg, waar je ’s avonds beter niet in stevige vaart in een je stokoude Peugeot 304 of nòg oudere Mercedes door heen kunt jagen. Toch doet men dat, voorzien van geen, halfwerkende, gekleurde of knipperende verlichting of een combinatie van dat alles. Vanuit de opgeblazen luidsprekers in de autodeuren overstemt schallende Arabische muziek het gerammel van het voertuig, en losjes stuurt men, al rokend en telefonerend, het vehikel om de meest verraderlijke obstakels en tegenliggers heen, daarbij niet gehinderd door enige verkeersregels.

Waarom die puinhoop eigenlijk? Ik weet het niet. De enige verklaring die ik tot nu toe heb, is misschien  het klimaat. Het slijt sneller, het ontbindt sneller, en ik kan me voorstellen dat je met die hitte niet altijd zin hebt om eens fijn je stoepje te gaan tegelen en vegen. Of misschien vergelijk ik teveel met onze over-georganiseerde westerse wereld, een wereld waar godsdienst geen duidelijk merkbare invloed meer heeft op het dagelijkse leven, in tegenstelling tot de middeleeuwen, een periode waar je onbewust aan moet denken als je door een kashbah ergens in Caïro dwaalt.  Is er in een wereld waarin godsdienst de dienst uit maakt, meer oog voor het innerlijk dan voor het uiterlijk? Ik denk dat men in Islamitische landen meer bezig is met het gevoel, het gevoel en het innerlijk in elk geval meer laten spreken.

Het hoort er allemaal bij, en het maakt het tot wat het is: en ogenschijnlijk chaotisch georganiseerde, rommelige, maar toch prettig aanvoelende wereld waarin je je als westerse toerist graag een tijdje in onderdompelt. Je kunt er met Engels redelijk uit  de voeten, en de gewone moslim-man is geen gevaarlijke terrorist maar net zo’n Jan met de Pet-figuur als je buurman in Nederland. Bovendien, en dat is niet onbelangrijk, is men er een stuk vriendelijker in de omgang met wildvreemden. Vóórdat je met je ogen kunt knipperen word je al bij iemand thuis uitgenodigd, waar de hele familie wordt opgetrommeld om het pronkstuk te komen bewonderen en te verwennen met lekkere hapjes.  Zo is het in Jordanië, in Egypte, in Tunesië en vermoedelijk in veel andere landen daar in het Midden-Oosten ook.  Het verschil met dat ene buurland is enorm: Israël. Gehaat, verguisd, en overal de schuld van krijgend.

Onze groep zou het tweede deel van de vakantie in Egypte doorbrengen. Daarvoor moest in Zuid-Jordanië bij Aqaba de Israëlische grens worden gepasseerd, waarna je vijftien kilometer  door Israëlisch grondgebied dient te reizen om vervolgens in Egypte aan te komen. De reisleidster drukte ons al ruim van te voren van alles op het hart: let goed op je koffers, geen foto’s maken, geen bom-grapjes maken, bedenk of je wel of geen stempel in je paspoort wilt, want wanneer er eentje in staat kom je Syrië niet meer in.

De bus sukkelde door het stoffige en zinderende landschap. Aqaba doemde in de verte op: de bekende verzameling geelgrijze blokkendozen, de daken getooid met betonnen palen waar de bewapening nog uit stak. Enorm veel leegstand en nooit afgebouwde flatgebouwen. Daar was de grens. De alom aanwezige Koning Abdullah wenste ons vanaf een groot bord een goede reis verder toe. Steeds meer roadblocks bemoeilijkten de doorgang, en uiteindelijk kwam de bus tot stilstand temidden van wachttorens, prikkeldraad en streng uitziende gebouwen. Alle bagage moest uitgeladen worden en de groep verzamelde zich bij andere groepen die stonden te wachten om de grens over te kunnen. De laatste paar honderd meter niemandsland zou lopend afgelegd moeten worden, maar alleen nadat alles minitieus – op Arabische wijze – was gecontroleerd.
Zo kwam het dat ik als eerste van de groep het niemandsland in liep, zeulend met mijn bagage, in de verlammende hitte, midden over de grijze en gloeiende streep asfalt, de paar honderd meter naar het beloofde land, voorlopig bestaande uit links en rechts waarschuwingsborden, versperringen, schijnwerpers en mijnenvelden, en in de verte de grenspost, trillend in het onbarmhartige zonlicht, met grote traag wapperende Israëlische vlaggen, vóór en achter mij zwaar bewapende lieden die hun machinegeweren koesterden….een scène als uit een onwerkelijke droom, die diepe indruk op mij maakte, eigenlijk wel een hoogtepunt in mijn reis. Ik naderde voor het eerst in mijn leven  Israël, het land waarvan mijn ouders mij altijd met de paplepel hadden ingegoten dat dit ongeveer het meest fantastische land op aarde was, het beloofde land, maar ook het land waar ik de afgelopen jaren steeds kritischer tegenover was komen te staan. Die negatieve gevoelens waren in één klap weer verdwenen.
Mijn lezers zullen het misschien moeilijk begrijpen, maar ik was ernstig aangedaan bij het naderen van deze bar ogende barricade, en ik kon nauwelijks uit mijn woorden komen toen de eerste Israëliër, voorzien van machinegeweer en donkere zonnebril, uit de schaduw van zijn post stapte en mij aansprak. Ik was in Israël.

Werkende airco, onberispelijk geklede en keurig geknipte fris ogende lieden, die door hun manier van doen elke neiging tot lollige opmerkingen en zenuwachtige grapjes de kop in wisten te drukken. Geen geintjes, meneer Wauwel, dit is een streng bewaakte grenspost in – wat leek  – een oorlogsgebied.  Een vloeiend Engels sprekende man sprak mij aan: onze gids gedurende de vijftien kilometer door Israël.  Alles goed in de verf en perfect onderhouden. Een smetteloze bus. Wegen zonder gaten, direct overal groen. Irrigatie, groene en vers gemaaide gazons. Geen rommel te bekennen. Het contrast kon niet groter zijn.  Van de Middeleeuwen in de nieuwe Tijd, en een half uur later weer een paar honderd jaar terug, Egypte in,  als in een hysterische tijdmachine. Hoe kon dit, waar lag dit aan? Is Israël dan echt een uitverkoren land?  Wie het weet mag het zeggen.

Eenmaal aangekomen in de bekende chaos van de Egypte grenspost, kwam ik tot de ontdekking dat ik mijn fototas aan de Israëlische kant had laten staan. Dat leek een ramp. Je kunt bij elke grens ter wereld ( op Noord-Korea na dan )  je spullen vergeten, maar hier moet je zoiets niet doen. Driftig heen en weer getelefoneer tussen allerlei beambten van beide landen. En zo kwam het, dat ik in half uur tijd twee keer de Egyptisch-Israëlische grens passeerde, gladjes heen en weer geloodst door allerlei eerst onopgemerkte poortjes en gangen, met de hartelijke groeten over en weer, voorzien van mijn tas, die aan Israëlische kant natuurlijk direkt was opgemerkt.

Een heerlijk opgelucht gevoel bij terugkomst in de hitte, de rotzooi en de Middeleeuwen. En met hoop voor de toekomst.

Links van het bord Israël, rechts Jordanië. Zoek de verschillen
"Links van het bord Israël, rechts Jordanië. Zoek de verschillen"

Wauwel in Jordanië, deel 4

Tot de stilste en meest aparte plekken op aarde behoort ongetwijfeld de woestijn van Wadi Rum. Na een rit van een paar uur bereikten wij de ingang – zelfs een woestijn kan dus een ingang hebben – , want het hele gebied is beschermd landschap en niet toegankelijk voor zo maar Jan en Alleman. Er staan dus wachtposten, en de rest van de reis dient te geschieden per speciaal daarvoor toegelaten jeep, per kameel of te voet. Nu zijn de jeeps in Jordanië en ook in Egypte van het soort dat volgens mij door het Engelse of Duitse leger in 1945 is achtergelaten, of misschien heeft Lawrence of Arabia daar persoonlijk nog aan liggen sleutelen, dus we kozen voor de kameel. Die staan bekend om hun prikkelbare aard, dus het leek mij verstandig om mijn gade op het ding te laten plaatsnemen en zelf het dier aan de teugels voort te zeulen en wanneer nodig voor held te kunnen spelen.

Ons doel was een bedoeïenenkamp, een paar uur verder op. De bagage van onze groep ging vast per aftandse jeep vooruit. Het landschap was adembenemend; vanuit de rossige zandvlakte staken de meest krankzinnige rode rotsformaties omhoog, en je kreeg sterk de indruk op Mars rond te wandelen. In feite liep je op de bodem van een reeds miljoenen jaren geleden opgedroogde zee. Zo raakten we steeds verder verwijderd van de bewoonde wereld, en kwam je eigenlijk terecht in een andere dimensie waar geen tijd meer bestond, heel onwerkelijk.
Onze reisbegeleidster had ons op het hart gedrukt onderweg geen rommel achter te laten, en bij voorkeur, wanneer er een grote boodschap gedaan moest worden, die te vuur en te zwaard te verdelgen. Alles verbranden dus. Verder oppassen voor slangen en schorpioenen, goed drinken en vooral de zon geen kans geven. Nu viel het met de temperatuur wel mee, het was tegen het einde van de middag, en de verschillen in temperatuur tussen dag en nacht kunnen daar enorm zijn. Veertig graden verschil is geen uitzondering.

De kameel sjokte onverstoorbaar voort en de vermoeidheid begon langzamerhand zijn tol te eisen. Lopen door het rulle zand was geen makkie, ook niet als je de overvloedig aanwezige wielsporen benutte. De beschaving had zelfs in dit gebied nog veel meer sporen achtergelaten, want overal zag je plastic afval. De vergelijking met de zee gaat dus aardig op.  Uiteindelijk bereikten we het kamp, een paar tenten gemaakt van kamelendekens, gelegen aan de voet van een rotswand.  Onderweg waren we een grote groep Jordaanse yuppen gepasseerd, die zich, gehuld in chique en trendy kleding op een rots hadden verzameld, en waar steeds meer verkeer naar toe trok. Bange voorgevoelens maakten zich van mij meester, maar voorlopig waren we nog te zeer onder de indruk van het landschap en het onderkomen voor de nacht.
Enkele groepsleden waren lichtelijk geschokt door het ontbreken van tussengordijnen in de tent, we lagen allemaal knusjes naast elkaar, maar op onze leeftijd hebben we uiteindelijk niet veel meer te verbergen.  De Jordaanse begeleiders presteerden het om in de snel vallende duisternis een heerlijke maaltijd op een houtvuurtje klaar te maken. Visioenen van gebakken kamelentestikels en geitenogen  bleken niet uit te komen, en ook een haastige vlucht naar het herentoilet – je mocht zelf kijken welk plekje tussen de rotsen je daarvoor uitzocht  – bleek vooralsnog niet nodig. Zag je in het pikkedonker her en der lichtjes in de woestijn, dan wist je: daar zit er eentje te poepen en moeilijk te doen om het te begraven of in de fik te steken.  Nu ben ik iemand die, wanneer zich drang voordoet, nog in het meest desolate landschap alle omliggende  heuvels en bergen op rent om te kijken of er toch maar vooral niemand aankomt,  maar de duisternis was een goed alternatief, en vele malen beter dan zo’n Arabische hurkplee.

Toen was het tijd om te gaan genieten van de sterrenhemel, de nachtrust en de stilte. Op dat moment kwamen alle bange voorgevoelens omtrent de Jordaanse yuppengroep uit. Vanuit de woestijn zwol een reusachtuge orkaan van geluid aan, duizendvoudig weerkaatst klonk de  dreun van een enorme houseparty, waarvoor met vrachtwagens alle mogelijke apparatuur was aangevoerd. Wadi Rum, de stilste plek op aarde, en uitgerekend op dat moment besloot Wauwel daar een paar nachten door te brengen…..
Wonder boven wonder klonk er tegen twaalven een soort volkslied, en trad zowaar stilte in….. misschien was de groep door woedende reizigers doodgeschoten of had iemand de stroomkabel doorgesneden. Tijd om te genieten van de nachtrust, maar het leed was nog niet geleden. Ik ben zo iemand die beslist een lang en ouderwets degelijk bed ( en niet een  vergaan schuimrubber lapje) nodig heeft om te kunnen slapen, en daarbij ook nog eens een stille omgeving. Ik ben jaloers op lieden die gaan liggen en ongeacht de ondergrond of houding direct vertrokken zijn naar dromenland. Daarvan waren er dus enkele in de groep. Wat door de muziek eerst niet hoorbaar was, schalde nu als een soort vuvuzela door de nacht: het oorverdovend gesnurk van enkele medereizigers. Al met al toch zeker wel een uurtje of twee geslapen die nacht.

De nacht daarop in het volgende kamp heerste echter absolute stilte. Ieder  had – door schade en schande wijs geworden – een rustig plekje bij de tent vandaan opgezocht en zo lag je daar dan naar de ontelbare sterren te kijken, in een ongekend heldere hemel,geen zuchtje wind,  terwijl je  in de stilte  uitsluitend het suizen van je eigen bloed door je aderen hoorde. Ongekend. Een nacht op Mars.

Bij het ontwaken ontdekte ik dat dit tevens bijna mijn laatste nacht was geweest. Pal naast mijn hoofd, onder de tas waar ik ’s nachts nog ijverig in had zitten rommelen om wat foto’s te maken, had zich een vervaarlijke zwarte schorpioen genesteld. Hoe kleiner de schaartjes, hoe giftiger, en deze was dus héél erg giftig. Het houdt je scherp, zullen we maar denken.

Wauwel in Jordanië, deel 3

Wanneer je vanuit het onder Amman gelegen Madaba naar het westen rijdt, kom je eerst langs bloeiende velden. Bijna of je ergens in de Achterhoek vertoeft, met zacht glooiende heuvels en verrassend groen. On-Arabisch. Na enige tijd echter verandert dit beeld; de weg gaat steeds meer kronkelen, je komt geen rotondes meer tegen met wanstaltige beelden waar ze in het Midden-Oosten patent op lijken te hebben, en  de glooiende velden maken plaats voor dor en droog gebergte, geblakerd door de schroeiende zon. Hier en daar zie je een Bedoeïnen-tent met daarom heen wat plastic vaten, een stapel rotzooi  en een kudde schapen, geiten of kamelen. Op landweggetjes die naar niets lijken te leiden, rijdt een aftandse pickup-truck in een wolk van stof, midden op een berghelling vol bleek verkleurd zanderig puin ontwaar je een geitenhoeder met zijn kudde. Blijkbaar eten die beesten rots en steen.

Hoger en hoger kronkelt en klimt onze bus, tot we op een parkeerplaats halt houden. Er staan nog meer bussen, er hangt een besnorde oppasser rond die ons met een verveeld gebaar door stuurt. De zon lijkt recht boven ons te staan, en we wandelen langs een laan met oleanders. Dan staan we boven op de berg Nebo, en aanschouwen het beloofde land vanaf de plek waar Mozes honderden jaren geleden het zelfde deed.  Het beloofde land is een bar oord, zinderend in de hitte, met hier en daar een enkele struik, en in de trillende lucht zien we in de verte vaag een schittering: het diepste punt op aarde, de Dode Zee. Zo’n 422 meter onder de zeespiegel, en dat getal groeit jaarlijks door de snelle verdamping . Onze gids rookt en fotografeert ijverig enkele dames uit ons gezelschap, en dat zal gedurende de rest van ons verblijf in Jordanïe zijn voornaamste activiteit blijken te zijn.
Het schijnt in de tijd van Mozes minder warm en groener te zijn geweest, zo weet hij nog wel te vertellen. De rest van de informatie moeten we zelf bij elkaar sprokkelen. Dat de paus hier ook gestaan heeft, dat er een groot  en monsterlijk overheersend hotel in aanbouw op de top van de berg is, de vele pelgrims die hier jaarlijks komen hebben blijkbaar behoefte aan een stilte-moment in een luxe ambiance.

Zou er iets door mij heen moeten gaan, daar op die plek waar Mozes vermoedelijk door ontroering werd bevangen? Nee, dat is niet gebeurd. De toeristen, het hotel, de bussen  en de hitte doodden elk gevoel. Je komt als groep, je maakt een serie foto’s of filmpjes, en een uurtje later ben je weer op weg.  ’s Ochtends vroeg zou je bij dat soort plaatsen moeten zijn, geheel alleen, om mogelijk een stem te horen die ook Mozes eens heeft toegesproken. Er zouden geen toeristen moeten zijn, geen bussen, geen hotel in aanbouw. Geen foto’s van de paus, omgeven door veiligheidsmensen die in elke omstander een mogelijke terrorist zagen. Alleen die berg en jij. Geloven in een tijd van weten is een hele kunst, daar heb je tijd en rust voor nodig, en eigenlijk een eeuw in het Oude Testament.

Omlaag ging het weer, dieper en dieper naar de bodem van de aarde, met een buschauffeur die voortdurend telefoneerde en dat deed op een toon die deed vermoeden dat de berichten naar de andere kant van de aardbol gebruld moesten worden.  Alle telefoongesprekken in die landen lijken trouwens zo te moeten gaan. Gebeurde dat hier in Nederland in een volle forensentrein, dan zou je horendol op de plaats van bestemming aankomen.
Wie denkt even rustig te kunnen pootje baden in het water, dat voor één derde uit zout bestaat, komt bedrogen uit. We worden afgezet bij een soort zwembad langs een wat vervallen boulevard, en de zee oogt in eerste instantie niet anders dan een willekeurig meer ergens in Italië, maar dan in een wat kalere omgeving. Je hebt niet het idee je op het laagste punt op aarde te bevinden, er is gewoon een horizon met aan de overkant van het water de Westelijke Jordaanoever, door de Jordaniërs steevast “Palestina” genoemd.

Eerst omkleden, in een soort galmend badhok annex wc, waar een schoonmaker je gedienstig een plastic kuipstoeltje door het gordijntje heen toe schuift. Vervolgens bij een soort badmeester een sleuteltje halen voor een soort kluisje waar je eigenlijk niks van waarde in op zou durven bergen,  en dan te water, over een rommelig strandje vol keien en onbestemde voorwerpjes: een vreemde sensatie het olie-achtige water over je huid te voelen,  besmuikt aangestaard door groepjes Jordanieërs en Libanezen die  in stemmige en soms geheel bedekkende badkledij dat zelfde gevoel ervaren: drijven als een kurk op het water, en hoe je ook je best doet, dieper dan borsthoogte kun je niet komen, als een dobber schommel je heen en weer. Een enkele toerist, natuurlijk Amerikaans, laat zich met de bekende krant in het water fotograferen.
In onze verwondering zijn we allemaal gelijk: Libanezen, Jordaniërs, Syriërs, Amerikanen en Nederlanders, en vallen verschillen weg. Die verschillen zijn aan de overkant wel degelijk aanwezig. We kijken uit op gebied waarvan we weten dat daar lieden wonen die zichzelf met genoegen in een volle bus in stukjes blazen, waar huizen met bulldozers worden platgewalst en waar bij tijd en wijlen driftig over en weer geschoten wordt met alles wat maar voor handen is, waar men elkaar het liefst en masse zou willen uitroeien. Dat alles gebeurt daar in die bergen aan de overkant, een geoefend zwemmer haalt het in een uurtje. Twee werelden uiteen, gescheiden door een smalle strook water waarin geen leven mogelijk is.

De groep Libanezen naast ons wil graag weten waar we vandaan komen, nodigt ons uit toch vooral naar Beiroet te komen want het is daar toch zo’n mooie en veilige stad, en we bewonderen elkaars met geneeskrachtige modder ingesmeerde lijven. Het zijn studenten tijdens een tripje naar Syrië en Jordanië. Morgen gaan ze weer naar huis.  En wij, we proeven voorzichtig een vingertipje van het breinzoute water, we nemen een steentje Dode Zee-strand mee in onze bagage, we menen aan de overkant vaag de contouren van Jeruzalem te zien en fotograferen en filmen dat dus in alle standen, totdat een Jordaniër ons weet te vertellen dat het een andere plaats is met een voor ons onbekende naam. Nou ja, als we stug blijven volhouden, is het tòch Jeruzalem.  We drinken een alcoholvrij biertje en wij rijden weer terug naar ons hotel. Dag twee van onze vakantie zit er bijna op. Het lijkt alsof we al een week onderweg zijn.

PS:Foto’s staan op mijn Flickr-pagina, te bereiken door rechts op de fotootjes te klikken

Wauwel in Jordanië, deel 2

Wie rond reist in het Midden Oosten, dient zich aan te passen aan het wegdek en het verkeer wat daar over heen krioelt: taxi’s uit de jaren zeventig, oeroude Peugeot 504’s, aftandse Mercedessen – waar men in die landen een patent op schijnt te hebben- , ezelkarren, kuddes geiten en schapen, motoren waarop vier jongemannen opeengeperst zitten. Alles vindt een plekje op het wegdek wat in het algemeen in ernstige staat van ontbinding verkeert., en bijna alles vervoert balen en lasten in de meest onmogelijke maten. ook is het belangrijk dat alle voertuigen over een geluidsinstallatie beschikken, die dan allemaal zo hard mogelijk aanstaan en die  uit gebarsten luidsprekers onverstaanbare Arabische muziek schallen.   Een ritje in zo’n voertuig is een ritje in herrie van rammelende deuren, raampjes, sturen, schokbrekers en andere geluiden die aan de gruwelijkste mankementen doen denken, en het is ook een ritje in schier ondoordringbare sigarettenrook, want de gemiddelde Arabier is voor de sigarettenfabrikanten een dankbaar afzetgebied.

Om half vier ’s nachts waren wij aangekomen vanuit Amman, gebracht door een eenzame taxichauffeur die eigenlijk niet precies wist waar wij nu eigenlijk zouden moeten  zijn. De stad was uitgestorven, het hotel leek onvindbaar. Uiteindelijk, na veel gebel, werden wij door een klein poortje afgezet bij de ingang, waar wij door een slaperige nachtwacht naar onze kamer werden gebracht. Dodelijk vermoeid vielen wij in slaap op de piepende bedden, om een half uur later stijf rechtop te vliegen, gewekt door het galmende gekrijs van de luidsprekers van de naastgelegen moskee. Een keur aan Koran-gezangen schalde over de stille straten, overgenomen door andere moskeeën in andere gedeeltes van de stad.  Na een half uurtje stierven ook de laatste echo’s uit en konden wij een nieuwe poging doen in slaap te vallen. Ach, het hoort er allemaal bij.

Na een korte nacht, en maar afwachten of de rest van onze groep überhaupt wel in het hotel aanwezig was, bleek dat wij tot één uur ’s middags hadden mogen uitslapen. Dat ontdekten wij ’s ochtends om acht uur aan het ontbijt in het complex wat door Griekse monniken werd gerund. Het had iets jeugdherbergerigs, alleen de jeugdherbergvader en – moeder ontbraken. Het was weer even wennen, zo’n ontbijt. Nescafé – wat daar stevast ‘koffie’ wordt genoemd, de pita-achtige broodjes, het kuipje onbestemde smeerkaas, en een sausje van olijfolie met kruiden. Geen overvloedige ontbijtdis met croissantjes, De Ruyter hageltjes, beschuit, coburger ham en wat diex meer zij. De rest van de groep druppelde de ontbijtzaal binnen, en uiteindelijk ook onze reisbegeleidster, die ons in plat Amsterdams hartelijk welkom heette. Met z’n zeventienen waren we, en – hoe kan het ook anders – daarvan zaten er tien in het onderwijs. Die pik je er in het algemeen ook altijd zó uit.

Of we ons een beetje decent wilden kleden, zo vroeg onze gids. We zaten niet in Amman, en in zowel de koptische kerk waar we te gast waren, als in de naaste omgeving hechtte men aan bedekkende kleding. In de omliggende straten de bekende winkeltjes, die om onduidelijke redenen allemaal exact hetzelfde materiaal verkochten, voor allemaal dezelfde prijzen en allemaal geheel in oosterse smaak. Dat betekende voor de meubilairwinkeltjes veel donkerbruin gefineerd palissander, met goud geverfde randen, of door de zon volkomen gebleekte enorme bankstellen, die -van overdadige ornamenten voorzien- al jaren op de diverse stoepen voor de winkel leken te staan.
Het type waarop het Sovjet-politbureau uit de tijd van de Koude Oorlog pleegde te zetelen, en met een beetje fantasie zou je je er ook Gadaffi of Yasser Arafat op kunnen voorstellen.

Er waren ook winkels die uitsluitend voor de zoveelste maal gereviseerde autobanden verkochten, of emmers die daarvan waren gemaakt. Of winkels met uitsluitend rollen gaas, of verroeste buizen. Modewinkels met boerka’s in vele kleuren, of kleding die je deed vermoeden met een tijdmachine in de jaren veertig te zijn beland. En overal waren garages, tenminste, er waren zwart beroete openingen in de muur waarbinnen vaag stapels auto-onderdelen te onderscheiden waren, waar je een brug zag die bestond uit twee stapeltjes slordig gemetselde bakstenen. Rijdt u de auto hier maar tegen op, laat u in dit gat de motorolie maar even weglopen, dan plakken wij uw uitlaat met ijzerdraad opnieuw vast. De accu kunt u over de muur kieperen.

Er was een busstation, waar busachtige voertuigen in verregaande staat van verval klaar stonden om enorme lasten op de doorgezakte daken mee te nemen, op weg naar barre oorden in the middle of nowhere op het heetst van de dag, zonder airconditioning, want die was vanzelfsprekend kapot. En in de verte, aan de rand van de stad, ineens de wonderbaarlijk groene akkers, die glooiden in de zon tot aan het einde van de horizon. Het had in de dagen voorafgaand aan ons bezoek wonderbaarlijk veel geregend, de woestijnen zouden kortstondig groen zijn.
We bestelden koffie, kregen Nescafé met heel veel melk, en lieten de stad aan onze ogen voorbij trekken, gezeten op een terrasje waar ruimte was voor één piepklein rond tafeltje en twee piepkleine wrakke stoeltjes. Beneden ons kwam een schoolklas voorbij. Jongens van een jaar of zestien, op weg naar de kerk waar een zeldzaam mozaïek de toeristen verraste. In Nederland zou je als argeloze toerist de schrik om het hart slaan wanneer je in een groep van zo’n twintig slungelige knapen van een jaar of zestien verzeilde, maar hier begaf men zich keurig in rijen van twee, in schooluniform, in doodse stilte en begeleid door twee besnorde leraren naar het doel van de excursie, waarbij men ons schichtige blikken toe wierp. Die lui hadden er wel de wind onder. Je eigen leervraag bepalen? Nog nooit van gehoord!

De volgende keer: Op naar de Dode Zee!