ICT-allergie en de overeenkomst met de Taliban

Een groepje behoudende docenten
Een groepje behoudende docenten

Het dagelijkse leven in het onderwijs is tegenwoordig meer en meer doordrenkt met de zegeningen van de digitale revolutie. Bij binnenkomst halen docent en leerling hun pasjes door de lezer, zetten hun desktop, laptop, netbook, iPad of mobieltje aan en wiegen genoeglijk mee in de onuitputtelijke stroom van informatie die hen kabbelend of bulderend meevoert op de digitale snelweg waar spookrijden verboden is en gevaarlijk is.  Onderwijsinstituten twitteren juichend dat de website is vernieuwd, dat er een nieuw volgsysteem is, ict-bedrijven lopen, gehuld in snelle pakken, de hight-tech klaslokalen in en uit met achterlating van mooie glimmende spullen en methodes en een fikse rekening. Zie je ergens in de gang een clubje zakelijk geklede en fris geknipte jonge lieden met koffertjes die door een lid van het management of een systeembeheerder gedienstig worden rond geleid, dan weet je dat er weer iets nieuws en nog beters aan zit te komen.

Het onderwijs lijkt wel een beetje op de slagvelden van Afghanistan en Irak, waar gehaaide wapenfabrikanten en hoge pieten uit het leger hun nieuwe speeltjes uitproberen. De gewone bevolking is vaak uiteindelijk de dupe, want er blijkt na een tijdje toch meer collateral damage dan gedacht, er zijn wat meer afzwaaiers geweest dan gehoopt  en de onvrede groeit, wat dus weer teniet moet worden gedaan met nog meer wapentuig.

Op school loopt ook een soort Taliban rond. Levend in een andere tijd, digitaal analfabeet, vasthoudend aan oude gebruiken en alles tegenwerkend wat niet in de rechte en onwrikbare leer der behoudendheid past.  Ze verpesten het voor de rest, zijn niet voor rede vatbaar en willen het liefst dat de vijand zo snel mogelijk ophoepelt.  Ze zijn allergisch voor de digitale revolutie, en vinden steun onder de overige bevolking naarmate die meer en meer onder druk komt te staan. Net als in Afghanistan gaan de veranderingen uiterst moeizaam, omdat ze van boven en van buitenaf worden opgelegd en worden gepresenteerd  in een taal die wat lastig is wanneer je niet digitaal kunt lezen en schrijven, en wanneer de uitleg steevast begint met “Nou, gewoon..”

Op twitter ontspon zich deze week even een hevige discussie over #digitaleallergie, waarbij voor- en tegenstanders van dit begrip elkaar stevig in de haren vlogen.De digitaal onderlegden – ict-bedrijven, computernerds, enthousiastelingen en voorlopers binnen de school – verweten de tegenstanders niet met hun tijd mee te gaan, dwars te liggen bij vernieuwingen en andere tegenwerking.  Enkele citaten met wat reacties van mij daarbij:

“Lees de blogs van Dan Meyer, Kate Nowak, Shawn Cornally om veel mooie ict-toepassingen voorbij te zien komen!” Natuurlijk, er zijn oneindig veel inspirerende personen die de (onderwijs) wereld  boeiende en inspirerende toepassingen van het gebruik van ict tonen. Ik schaar ze in de door deskundigen verzorgde presentaties die je eens in de zoveel tijd op een regenachtige studiemiddag in lokaal 32 meekrijgt. Er is zonder uitzondering weinig op aan  te merken, er worden mooie dingen in de les getoond, en het lijkt allemaal heel eenvoudig  te bedienen. En nu snel naar de borrel en de nootjes en dan naar huis, want nog veel correctiewerk voor de volgende dag.

“Helaas gaat het geld nu op aan fusies en andere paradepaardjes” .  Alles in het onderwijs heeft prioriteiten. Na lang wikken en wegen en behoorlijke druk van de leveranciers – waarvoor je als beleidsmaker behoorlijk wat ict-visie moet hebben om te weten wat die vertegenwoordiger eigenlijk bedoelt en wat je met dat product eigenlijk kunt doen- wordt tot de aanschaf van een serie digitale schoolborden of een mooie ELO besloten. Maar daarmee is het verhaal niet rond. Dan begint het pas. Bij alles zit een gebruiksaanwijzing, hoe eenvoudig het produkt ook lijkt. En het onder de knie krijgen van zo’n gebruiksaanwijzing kost tijd, en het effectief toepassen van zo’n product vervolgens nog veel meer. Helaas wordt daar dan weer niet in geïnvesteerd. En de docent krijgt niet één gebruiksaanwijzing voor de kiezen, het zijn er jaarlijks vele voor alle mogelijke activiteiten die allemaal tijd kosten. Tijd is geld. Eigenlijk zou daar misschien meer in tijd moeten worden geïnvesteerd dan in de prijs van een product zelf. Meer kijken aar de eindgebruiker dus. In dit verband is ook de volgende opmerking die gisteren geplaatst werd van groot belang:
” Hou het praktisch en resultaat opleverend voor de cursist” . Docenten en leerlingen zijn soms behoorlijk lui en star, en heel berekenend: levert iets niet direct, zonder al te veel inspanningen, aantoonbaar resultaat op, dan zijn ze nergens voor te porren. In tegenstelling tot Amerikanen zijn veel Europeanen geen liefhebbers van uitgebreide handleidingen. Die beginnen gelijk op knopjes te klikken, en als er dan niets gebeurt, dan haakt men af.

” Al die docenten eisen van hun leerlingen wat ze zelf niet doen: professionalisering. Afmarcheren in rotten van tien en twee weken wachtgeld meegeven, die lui.” ……..Wanneer u als docent weer bijgekomen bent nog even wat meer zout op de wonde:
” Leraren moeten zich niet zo aanstellen en een beetje met hun tijd meegaan!”  …. Het mag duidelijk zijn dat bij sommige docenten nu de stekels wel aardig overeind zijn gaan staan; wanneer een bedrijf of een ict-bobo, die beide dagelijks met de ict-vaart der ict-volkeren worden voortgestuurd met dit soort argumenten en reacties aankomen, dan bereik je dus gegarandeerd een averechts effect: de ict-allergie. Er kan docenten veel verweten worden, maar niet dat ze niet meegaand zijn. ALS ze er maar het nut van inzien.

ICT-allergie bestaat wel degelijk en is een groot gevaar voor wie zich met vernieuwing in het onderwijs door middel van ict bezig houdt. Het is een beetje pijnlijk onderwerp, zoiets als op een feestje roepen dat je nogal last van aambeien hebt. Zo ga je als onderwijsmanager op een netwerkbijeenkomst niet verkondigen dat jouw schoolpersoneel een pesthekel aan ict heeft, en dat je er zelf ook een beetje last van hebt. Doe mij nog maar een grootverpakking Sperti. Alleen het gebruik van het woord ‘vernieuwing’ levert al allergische reacties op, in een tijd waarin de arme docent EN de arme leerling de ene na de andere vernieuwing, die steevast als ‘verbetering’ gepresenteerd wordt, over zich heen krijgen. Je ziet het op beurzen en congressen: wie lopen daar rond? De bedrijven, de systeembeheerders, de ict-managers met ict-techniek in hun portefeuille, maar leraren en leerlingen zie je er niet. Ver van mijn bed, geen tijd, ik heb toch geen invloed.

Nu zijn we weer terug bij de Taliban. ICT en vernieuwingen die bombardeer je er niet in. Hoe erbarmelijker de omstandigheden van de bevolking – lees ‘ hoe groter de werkdruk en de onrust op school’ , hoe meer je die zelfde bevolking in de handen van de Taliban, van de mensen met ICT-allergie drijft. Je kunt sommige eindgebruikers niet verwijten dat ze nog niet kunnen lezen en schrijven en dat ze nog allemaal op een ezeltje rondrijden in plaats van in een Hummer. Ze hebben het namelijk veel te druk met hun hoofd boven water houden in de onderwijs-wildernis, en waar haal je zo snel benzine en onderdelen voor die Hummer vandaan? De fabrikant van ezeltjes gaat nooit failliet, die van de Hummer wel.
ICT is niet zaligmakend, is niet de oplossing van alle problemen. Begin nu eerst eens helemaal onderaan met het aanleren van de letter A en neem daar de tijd voor. Aanleren door een docent, die zelf de taal beheerst en die de taal van de analfabeten spreekt. Wie dat eenmaal kan, zal ontdekken dat het vreselijk leuk is om ook B te zeggen.

Reacties zijn meer dan welkom. Overigens: ik barst zelf ook van de ideeen op ict-gebied die ik er liever nog vandaag of morgen in zou rammen. Maar alles heeft z’n tijd nodig, en daar wil ik  graag eens over komen praten.

Borrel

Het onderwijs telt tegenwoordig flink wat managers. Vroeger heette zoiets gewoon bovenmeester of directeur, maar nu spreken we geheel eigentijds over “managementteam”, want het in je eentje runnen van een onderwijsinstituut is tegenwoordig schijnbaar een onmogelijke opgave. Veel scholen beschikken dus over een steeds verder uitdijend managementteam en een steeds verder krimpend docententeam. Docenten – een woord wat vaak gelijk staat aan “kritische  en behoudende zeurkousen” worden immers in toenemende mate vervangen door goedkopere onderwijsassistenten of door toevallig langslopende lieden, die men een woordje Engels of Nederlands heeft horen spreken en die dus wel even op contractbasis een aantal van die lesjes kunnen verzorgen.

Het bestieren van een onderwijsorganisatie vergt dus meer en meer tijd, daar heb je dus steeds meer medestanders voor nodig en daarbij wil je niet te veel gestoord worden met vraagjes als “Mijn rooster klopt niet, waar is mijn klas?” of  “Kan ik de vrijdagmiddag voor de meivakantie al weg want ik heb al geboekt”. Je zorgt dus dat je als managementteam een redelijke bereikbaarheidsdrempel opwerpt in de vorm van bijvoorbeeld een flink aantal lange gangen waar je door heen moet wandelen, of afspraken alleen via het secretariaat en dan drie weken van te voren in tweevoud indienen, of – veel mooier nog – ver weg van de lespraktijk een eigen gebouw voor iedereen die tot het managementteam behoort of daartoe ooit hoopt te behoren.

Nu ken ik een school waar het management een manier heeft gevonden om op ludieke wijze toch nog in contact te treden met het gewone volk, met de docenten dus. Tijdens de koffiepauzes gaat zoiets niet, want vergaderen en zo, dus is er nu op wekelijkse basis een lokaal etablissement afgehuurd waar de docent, met de pet in de hand, zómaar, zonder te vragen, onder het genot van een drankje en een nootje, de leidinggevenden mag benaderen om in ongedwongen sfeer het hart uit te storten. Op kosten van de school! Wat heerlijk toch. Zomaar, zonder dossier op tafel, met een echte meerdere kunnen praten, over koetjes en kalfjes, in diens natuurlijke habitat: de kroeg? Voor het betere netwerken?  Voor het wij-gevoel? Met dubbelslaande tong op audiëntie, als het gesprek een beetje té gezellig wordt?

Geen goed plan, lijkt me. Als ik op zo’n school zou zitten, dan zou ik graag het management willen ontmoeten in de ongedwongen, dan maar wat minder gezellige sfeer  van de personeelskamer, achter een eenvoudig bekertje schoolkoffie. Daar waar je ze zou moeten verwachten. Op de werkvloer. En die plek blijkt steeds moeilijker te vinden op veel scholen.

Hoog bezoek

pink-clouds

Toen ik vanochtend zorgeloos fluitend ( want werkzaam in het onderwijs )  bij mijn school aan kwam fietsen, ontrolde zich voor mijn oog een schokkend tafreel: enige lieden waren daar met rood-wit lint vrijwel het gehele parkeerterrein hermetisch aan het afsluiten. Je gedachten gaan dan al snel uit naar forensisch onderzoek wegens een drievoudige moord, of een mogelijk op handen zijnde aanslag door  de Hofstad-groep, maar dat bleek allemaal mee te vallen.  Ons eerbiedwaardige onderwijsinstituut zou vandaag vereerd worden door hoog bezoek, namelijk een of andere secretaris-generaal van de VN of het LNV ( dat weet ik even niet meer )  met gevolg.
Je kunt dergelijke hooggeplaatse lieden immers niet ergens de auto in de berm bij de buren laten parkeren, met alle kans op een parkeerbon van de plaatselijke veldwachter alhier.  Zo’n man zou trouwens vervolgens tot in lengte van dagen uit zijn ambt ontheven worden of, ook mogelijk, verbannen worden naar bijvoorbeeld Kootwijkerbroek.

Het gezelschap zou rond half twaalf arriveren, en het gebouw was werkelijk op zijn paasbest uitgedost. De ontvangstruimten, vèr weg van het gewone gepeupel, waren getooid met sta-tafels, fraaie bloemstukken en het zou me niet verbazen als ook Wibi Soerjadi nog zou worden ingevlogen voor beschaafde achtergrondmuziek. De Toppers wil je bij een dergelijke manifestatie niet hebben.

De directeur-generaal kwam zich vergewissen van de stand van zaken binnen enkele onderdelen van ons onderwijs, en het had hem aardig geleken om zoiets eens op de werkvloer mee te maken. Een unieke ervaring. De ingang was geheel ontdaan van sigarettenpeuken en kauwgumplakkaten, en het management liep in meer of mindere mate netjes aangekleed in de hal heen en weer. Diverse colbertjes van ietwat verouderde snit en kleur waren uit de kast gerukt en ook kon men enkele stropdassen ontwaren. Zelf heb ik nog ergens een stropdas met roze varkenskoppen in dekast hangen, maar een associatie met de varkensgriep ( je moet trouwens van de EU “modern flu”of zoiets zeggen ) is dan te gauw gelegd.

In het dorp was ergens een luchtalarmsirene blijven hangen, maar dit kan ook een vorm van landelijk feestelijk onthaal geweest zijn. Toen het gezelschap eenmaal binnen was, konden wij als gewone docenten even opgelucht ademhalen en ons naar de koffieautomaat in de morsige docentenkamer spoeden om ons daar te laven aan de inhoud van een plastic bekertje en ons broodtrommeltje, terwijl elders in de feestruimte men zich vermoedelijk tegoed deed aan ingelegde kwarteleitjes met een scheutje Dom Perignon ’56. Hoe heerlijk moet het voelen om een hooggeplaatste binnen het onderwijs te zijn.  Om voortdurend op een roze wolkendek gevuld met onderwijsvernieuwingen vèr boven de dagelijkse praktijk te mogen zweven. Is er een hoger doel in het leven dan bijvoorbeeld als staatssecretaris of minister een onderwijsvernieuwing op je naam te mogen schrijven?

Ver onder het wolkendek,  op de werkvloer, moest ik die middag even ingrijpen bij een collega, waar een klas redelijk ernstig aan het ontsporen was, ondanks alle onderwijsvernieuwingen. Het huilen stond haar nader dan het lachen: zoveel voorbereiding, en dan zó behandeld worden. Het is niet altijd eerlijk verdeeld, en je gunt ze toch zo graag een leerzame en leuke les.  Jammer dat de inspecteur-admiraal er niet even bij was.

Ik overdrijf natuurlijk een beetje. Chargeren moet zo af en toe. Er waren geen kwarteleitjes. Geen champagne. Wèl lekkere belegde bolletjes; ik mocht er zowaar eentje proeven van de enorme berg die onaangeroerd terug kwam. Ja, als je je overal op de hoogte moet houden van de ontwikkelingen, kom je niet altijd aan eten toe. Zo heeft elke baan z’n voor- en nadelen.

’t Zit in ’t bos en ’t zegt: “Oehmmmmmmmmmm!”

Een groepje managers aan het chanten 

Wel, wie als rustzoekende wandelaar meent op 27 maart de bosrijke omgeving van Baarn te doorkruisen, kan maar zo – al dan niet onaangenaam – getroffen worden door een soort oerklanken, die daar ergens vanuit het uitbottend struweel opklinken en die worden geproduceerd door een groepje lieden in casual – want inspirerend dagje uit – kledingstijl. Ter verhoging van de feestvreugde begeleiden zij zichzelf ook nog eens op zelf meegebrachte, eenvoudige muziekinstrumentjes. Het gaat hier niet om het oproepen van buitenaardse wezens; ook is dit niet een duister middeleeuws gezelschap wat zich voorbereidt op het slachten van een heks;  en ook geen lang verborgen Vrijmetselaarsloge die een bloedige staatsgreep voorbereidt.
Nee, we hebben hier te maken met een goepje onderwijsmanagers die hebben ingetekend op een “pro-activerende” dag vol spirituele intelligentie volgens de Zeven spirituele wetten van succes. ’t Begint eigenlijk toch wel erg op een geheim genootschap te lijken. 

Zo’n dagje telt natuurlijk een aantal onvermijdelijke workshops, want zoiets verdient vrij makkelijk voor het organiserend comité. De manager leert dienstbaar te zijn, een nieuwe trend. In een andere workshop leert de spirituele leider dat integriteit leidend is voor zijn SQ, maar wat die afkorting betekent, weet ik niet. Niet genoeg leiderschap bij mij blijkbaar. Ze kunnen ook iets doen aan de intuïtieve ontwikkeling, en die workshop werkt veel “vanuit stilte”. Zoiets brengt natuurlijk wel het risico van indommelen met zich mee, want na de middagsherry zo’n paar uur op een katoenen matje stilzwijgend naar de gaten in je sokken kijken ( want daar had je even geen rekening mee gehouden )  leidt gauw tot wegzakken, en het bloedserieuze gezicht van de workshopsleidster doet je ook al niet juichend een gat in de lucht springen en denken dat je zweeft.
De laatste workshop behandelt hoe je de goede stroom der dingen naar je toe kunt laten komen, en aangezien we dan intuïtief ( net geleerd ) toch aan geld denken, zal het daar wel druk worden.

Het hoogtepunt van de dag brengt mij weer naar het begin van dit verhaaltje: ter volmaking van het spirituele karakter gaan de cursisten gezamenlijk “een heel bijzondere mantra chanten”. Mèt de meegebrachte instrumentjes dus, en wie bij chanten denkt aan een zeemanskoor, heeft het weer helemaal mis. “In elke havenkroeg een lief en zij heeft een hart van prikkeldraad”, dat is natuurlijk niet echt spriritueel.
Ik zou het management ernstig en dringend willen verzoeken om van deze afsluitende sessie  een filmpje te maken, zodat we het allemaal als lichtend voorbeeld en diepere inspiratie op YouTube kunnen volgen. Wordt geheid een hit, mogelijk ook nog kanshebber voor Funniest Homevideo. Maar het hoeft eigenlijk niet eens, we zien zó wel aan het aura wat hen na deze dag stralend omgeeft en aan de paar centimeter die ze boven de vloer zweven, wat voor spirituele dag  men heeft gehad. Ik wil ook!

De gelukkige klas

Oplettende lezertjes zullen de afgelopen dagen kennis hebben genomen van de uitslag van een nieuw onderzoek, uitgevoerd door het Ministerie van Onderwijs onder ruim 5100 scholieren en – wat bevreemdend – 37 schoolleiders. Docenten zijn blijkbaar geen betrouwbare groep, maar dat terzijde.
Uit dit onderzoek bleek, dat bijna driekwart van de leerlingen tevreden is met de school waarop men zit. Vooral de manier waarop de lessen gegeven worden, scoort hoog: 80 % vermaakt zich daar kostelijk, inclusief de blijkbaar in vermomming in de les aanwezige schoolleider. Nu kunnen ook volwassenen zich tijdens les-achtige situaties uiterst jolig gedragen, dus in principe kan een klasje elkaar met propjes bekogelende schoolleiders op een management-bijscholingscursus de score positief hebben beïnvloed. Alles natuurlijk in blijde afwachting van de sherry en de golfclinic die ’s middags op het programma staat. Zoiets zal het wel geweest zijn dan.
Niet alle scholieren zijn echter tevreden en gelukkig, 22% moet zonodig weer de zuurpruim uithangen en vindt de lessen vervelend tot zelfs zeer vervelend. Bijna een kwart van de klas hangt er dus bij met een geïrriteerde blik, speelt met de mobieltjes, bedreigt de docent met messen, geeft de leerling vóór zich stiekume duwtjes, dat soort werk. Of komt gewoon niet opdagen, zodat alleen een groep gelukzalige types overblijft. Heerlijk toch.
Nu geef ik geloof ik les aan uitsluitend gelukkige klassen. Natuurlijk komt dat door mijn ontspannen, relaxte en gevatte manier van losjes doceren volgens de nieuwste competentie-technieken, maar, het komt denk ik nog meer door de school waarop ik zit.
Ik geef les op een agrarische school, waar voornamelijk leerlingen komen die “iets met dieren”, “iets met paarden” of “iets met váárkens en mòòje trekkers” willen doen. Ik geef dus les aan konijnenknuffelaars, pennymeisjes en boeren. Een zeer gemèleerd gezelschap dus, maar de leden hebben allemaal één ding gemeen: ze zijn allemaal erg tevreden, en denk ik ook redelijk gelukkig.  Méér nog dan het landelijk gemiddelde denk ik. Veel meer. Bij ons geen detectie-poortjes bij de ingang, geen vechtpartijen, geen treiterijen, geen diefstal, geen vernielingen. Vrijwel nooit gebeurt er eigenlijk iets. Vrij uniek in onderwijsland, denk ik. Wij zijn gewoon een goeie school: als de leerling zich gelukkig en tevreden voelt, komt de rest vanzelf. Theo Thijssen kon tevreden zijn met zijn gelukkige klas.  Wel, ik ben ook tevreden met mijn school. En met mij velen. En ik ben niet eens een schoolleider.

Fijn, vergaderen!

De komende week heb ik nogal wat vergaderingen. In dat licht wil ik graag even wijzen op de intrigerende resultaten  van een boeiend onderzoekje, vandaag gepubliceerd. Eerst maar even lezen dus:

De kosten van vergaderen bedragen in Nederland ongeveer 60 miljard euro. De helft van dat bedrag gaat zitten in het vergaderen, een kwart aan reistijd en een kwart aan voorbereidingen.
Dat heeft Synovate/Interview NSS becijferd op basis van een steekproef onder 950 werkende Nederlanders. Bij de optelsom, gemaakt in opdracht van de Nederlandse Spoorwegen, zijn alleen de loonkosten meegenomen. Bijna de helft van de werknemers (44 procent) betwijfelt het nut van de helft of meer van de vergaderingen. De grootste ergernissen tijdens de bijeenkomsten zijn collega’s die onderling kletsen, bellen en/of sms’en.
Negen op de tien vergaderaars kampen wel eens met concentratieproblemen. Vrouwen denken dan relatief vaak aan het huishouden, mannen meer aan seks en financiële zaken.

Even afgezien van het feit dat ik vrijwel nooit tot een groep ondervraagde Nederlanders lijk te behoren, vind ik dat de uitkomsten van het onderzoek tamelijk overeenstemmen met mijn eigen bevindingen. Nu ga ik de komende week eens flink opletten of dat ook voor mijn collega’s lijkt te gelden. Bijna de helft van de vergaderaars zal zich dus stierlijk vervelen, en de tijd bijvoorbeeld vullen met het maken van tekeningetjes op de agenda, spelen met het mobieltje ( of sms-jes versturen ), zogenaamd aantekeningen maken op de laptop ( je ziet steeds meer figuren met een laptop op vergaderingen ).
Het is ook aardig om te kijken hoe – en vooral wáár – iedereen erbij zit. We beginnen met een lege zaal, in ons geval meestal een wat killig lokaal. Het management is reeds aanwezig en laat zich door de systeembeheerder nog eens uitleggen welke knopjes er ook al weer voor de powerpoint-presentatie gebruikt moeten worden. De presentatie zelf loopt steevast een paar keer verkeerd, bijvoorbeeld niet meer weten hoe je nog een schermpje terug moet als een enthousiaste collega uit zijn dommelen ontwaakt en toch nog even wil weten waar het twee dia’s geleden ook al weer over ging.
Maar goed, op het moment suprème drentelen bijna alle genodigden wel zo’n beetje binnen, koffiebekertje en stapel nakijkwerk in de hand. De nakijkers gaan helemaal achterin zitten naast een tafeltje, de niet-nakijkers gaan ook helemaal achterin zitten, maar zo dat de benen goed gestrekt kunnen worden. Mobieltje binnen handbereik.  Datzelfde geldt voor degenen die de agenda en de notulen vergeten zijn.
Er blijft dan nog een klein groepje over, wat meestal vooraan gaat zitten. Daar zijn slechtzienden of doofachtigen bij, of mensen die later graag in het management willen zitten. Die stellen ook de meeste vragen, vooral als het bijna pauze is. Ook zijn er, die bijna met pensioen gaan, dan maakt het niet meer zoveel uit waar je zit. Dan gaat de deur dicht. Er zijn twee ingangen, waarvan er eentje gesloten is. Laatkomers zullen dus helemaal voorin binnen moeten komen, en onder het priemend oog van de directie een plekje vooraan moeten vinden, want achterin is nergens plek meer. Dat wordt een notitie in het persoonlijk dossier.

Dan is het pauze, en stormt iedereen, de achterste groepen het eerst, naar de koffiekamer. Na de versnaperingen herhaalt zich het ritueel, maar dan blijkt een epidemie van ongekende omvang te hebben toegeslagen, daar het aantal aanwezigen ernstig is gedecimeerd. Dringende bezigheden elders.

Terug naar de resultaten van het onderzoek. Van de overgebleven aanwezigen kampt 90 % nu met een flink concentratieprobleem. Je ziet de vrouwelijke collega’s denken aan de nieuwe set keukenhandschoenen die vanmiddag zal worden aangeschaft, of aan de reclame voor de Tyson zakloze stofzuiger. Verder baren de stijgende supermarktprijzen hen duidelijk zorgen. En de mannen dan. Ja, dat zie je wel aan de toegeknepen oogjes, en de wazige blik: die zijn alleen nog maar met sex bezig. En met wat zo’n vergadering wel niet zal kosten.

Tot slot nog even een toepasselijk filmpje:
[youtube]http://nl.youtube.com/watch?v=saBTK5G-Ng4[/youtube]

Directeur

Er is een nieuwe directeur bij ons op school. Dat is natuurlijk altijd spannend. Misschien leest hij dit ook al mee. Misschien.
Ons eerbiedwaardige onderwijs-instituut had een bar, roergangerloos jaar achter de rug. Natuurlijk was er wel verhoogde dijkbewaking in de vorm van een adjunct-directeur, maar toch, je mist de ouwe, die als een rots in de branding, de in laarzen gehulde zuilen van benen in het brugdek geplant, de pijp stevig in de mond geklemd, met doorweekte baard en verweerde kop, scherpe blik onder de klapperende zuidwester, de naderende stormvloed in de gaten houdt. Die scheldt en tiert en het volk het want in jaagt waar dat nodig is. Kielhalen! Volle kracht vooruit, en rammen , die geit.
Afgelopen week ontlaadde alle opgekropte spanning met de komst van de nieuwe leider, de grote roerganger. Zijn postuur heeft hij mee. Je schat hem persoonlijk in staat om die ijsberg waar de Titanic op stuk liep met een achteloos gebaar terzijde te schuiven. Hij ziét hem niet eens. Dichte deuren? Daar doet hij niet aan. Hij loopt er gewoon dwars doorheen. Soort Schwarzenegger ook, lijkt me. Rookt waarschijnlijk echter geen sigaren, maar vreet ze gewoon op, misschien wel brandend en al. I’ll be back. 

Dat wordt dus allemaal oppassen misschien. Een kwartier voor de aanvang der lessen in het lokaal aanwezig. Zijn denken zou hoekig en nors kunnen zijn, om met Bint te spreken ( voor de moderne student:”Bint” is de titel van een boek van Bordewijk, een bekende Nederlandse schrijver. Misschien vind je nog ergens een uittrekseltje ).
Voortaan maar weer netjes de absenten noteren, en er vooral voor zorgen, dat het blaadje op tijd in het vakje van de administratie ligt. Verder: geen bekertje koffie meer mee naar de lokalen. Wat het natuurlijk ook heel goed doet bij het management: op vrijdagmiddag half zes even achteloos langs het kantoortje van de directeur lopen, en dan even hurken om je schoenveter vast te maken, of een stapel proefwerken laten vallen, die je in het weekend na wil kijken ( zogenaamd dan ). Zoiets doet het goed. Als hij je ziet, tenminste, anders heb je daar voor niks op vrijdagmiddag de hele tijd lopen treuzelen en vervelen. En waar ik trouwens wel een voorstander van ben: een stropdas om. Zo lijk je ook een beetje op de directeur, de enige hier tot dusver die een das draagt. Eindelijk, nu mag ik ook eens.  Ik verheug me al op maandag. Kan ik mijn nieuwe Hugo Boss-kostuum eens aan, wat ik al een aantal maanden voor deze gelegenheid werkeloos in de kast heb hangen. Dan zie ik er ook net zo netjes uit. Weg met die sloddervos-collega’s. Weg die versleten spijkerbroeken, weg die t-shirts met opdruk en weg met die afgetrapte gympen. Zootje ongeregeld. Zo’n borstzak met van die goedkope op de onderwijsbeurs bijeen gegraaide balpennen: ’t is niet te geloven gewoon.
En gelijk de leerlingen ook maar allemaal weer in uniform. Iets met grijs en donkergrijs of zo. Haar knippen, fris wassen. Mobieltjes? Die stampen we gewoon plat bij het eerste de beste piepje.
Er gaat een frisse wind waaien. Dijkbewaking! Het water komt! Superstorm. Eindelijk.