De Hel

Onlangs zag ik een filmpje voorbij komen op Twitter. Nu komt daar van alles voorbij, van lieve-katten-die-met-een-eendje-spelen-filmpjes tot en met onthoofdingen met een bot mes, en je kunt soms niet alles ontwijken. Soms begint al iets te spelen op het moment dat je er langs scrollt; de katten-filmpjes bekijk ik, de onthoofdingen klik ik zo snel mogelijk weg en soms blokkeer of negeer ik degene die dat daar geplaatst heeft.
Soms blijf ik echter hangen, wanneer het bijvoorbeeld gaat over onderwijs, waar men er ook een handje van heeft om horror-filmpjes te produceren, maar met het keel doorsnijden valt het daar tot nu toe mee.
Docenten die de klas uitgepest worden, docenten die op de vuist gaan met een leerling die hen het bloed onder de nagels vandaan trekt: de vernietiging van een verdere loopbaan en idealen in 58 schokkerige seconden.
Dit keer was het onderwerp een vermoedelijke brugpieper, flinke tas op de rug, ik meen in een knalgeel regenjack, die het aan de stok kreeg met een klasgenoot, die hem geheel in het gangbare rappers-dialect toe beet “Door jou werd ik bijna geschorst!” Wat het doodsbange slachtoffertje ook probeerde met overredingskracht en goedmaken en verontschuldigingen, het hielp niet. Er moest en zou gemept en geschopt worden. Resultaat: gebroken neus en andere verwondingen, de dader kreeg bezoek van de politie.
Het zal je kind zijn, en dan bedoel ik het slachtoffer. Eentje voor wie de dagelijkse gang naar school een marteling vol doodsangst is geworden of misschien al was.
De school is voor sommige kinderen de Hel. Een jarenlange pijniging, vernedering, die nachtmerrie gewoon overdag doorgaat, en waaruit je niet opgelucht wakker kunt worden, want je weet dat er weer zo’n dag aankomt.

Je voedt je kind als ouder naar beste weten op, je leert van goed en kwaad, je leert gedrag, je geniet van die knul of dat meisje en dan moet je constateren dat het ongelukkiger en ongelukkiger wordt en dat je daar eigenlijk niets tegen kunt doen; verder dan de wens zo’n pester nu zelf eens verrot te schoppen komt het niet. Je kunt niet naast je kind in de school gaan zitten, je kunt niet meegaan onderweg. Ze weten hem wel te vinden, in real live of op social media. Eens moet je het loslaten, een doodsbang en hulpeloos vogeltje wat fladderend uit het nest, stuiterend van tak tot tak de bodem bereikt, waar de rovers en de moordenaars loeren, en dan begint het echte overleven.

Soms helpt verhuizen. Waar ben je dan mee bezig. Soms helpen pest-programma’s, maar vaak ook niet. Je kind lijkt het aan te trekken, draagt het als een juk met zich mee van school naar school en van plaats naar plaats. Pesten vaak om niks. Geen flaporen, geen jampotbril, geen stinkzweet en geen stotteren, en toch is het daar. Die ongrijpbare en onbenoembare aanleiding om iemand het leven zuur te maken. Om de school tot hel te maken.
Iedereen kijkt toe, filmend met de mobieltjes, is dat even leuk, en tien minuten later staat jouw kind, jouw middelpunt waar alles om heeft gedraaid, op internet. Ook de hel voor jou, terwijl je toch meestal als ouders niets te verwijten valt.
Deze maatschappij wordt harder en harder. De afgelopen kabinetten hebben een onverschilligheid gekweekt voor de zwakkeren in deze samenleving, die geen samenleving meer is. Het zachte, het kwetsbare is mikpunt geworden. Want het verdedigt zich niet. Het geeft geen grote bek. Het kan niet meer opkomen voor zichzelf. Het is murw gebeukt, omdat het niet mee wil of kan in de race naar beter, leuker, vètter, geiniger, rijker, gevatter, groffer, stompzinniger. Omdat het anders is dan wat deze wereld ons nu dicteert.
Elke week krijg ik wel een puber met een pestverleden in mijn kantoor. Stuk voor stuk aardige kinderen, die niet kunnen omschrijven waarom ze vroeger gepest werden. Dikke tranen bij de herinnering. Ze komen vaak naar mijn school omdat ze het vertrouwen in mensen verloren hebben en aangezien wij iets met dieren doen, lijkt dit voor hen de plek. Dieren kwetsen je niet, dieren belazeren je niet, dieren kun je vertrouwen.
Ik vind dat overigens een verkeerde keus. Het is een vlucht, maar wel een begrijpelijke vlucht, en het werkt meestal ook nog eens. Een dier vindt jou leuk omdat je het vreten geeft. Anders is het niet.
Bij ons wordt nauwelijks gepest, en toch zijn het dezelfde pubers als op de grote ROC’s waar je door bewakingspoortjes en langs beveiliging moet en waar je je in een of ander ghetto waant. Ze hangen allemaal over hun mobieltjes gebogen, ze zien er soms niet uit, ze maken rommel, ze zijn soms luidruchtig, zo proberen een docent uit, maar ze pesten eigenlijk niet.

Het kan dus wel. De Hel kan voorbij gaan, en een klein stukje van de Hemel overnemen. Tijd kan ook meewerken, ouder en wijzer worden kan helpen. De wereld kán een stukje zachter worden, ondanks alle krachten die daarbij tegenwerken. Een beetje hoop, dat moeten we blijven houden. Anders wordt het niks meer.

 

Gered door de denktank

hannibalZoals u ongetwijfeld weet is er de afgelopen vijftig jaar helemaal niets veranderd in het onderwijs. Die tig onderwijsvernieuwingen, die steevast over ons uitgestort zijn als “de verbetering aller verbeteringen”, die hebben nooit plaats gevonden; dat was allemaal maar verbeelding, dat weet u natuurlijk. Die vaag tegensputterende leerkrachten, dat hebben we gedroomd. Leerkrachten zijn sowieso hinderlijk aanwezig op school, want die lui denken zomaar de wijsheid in pacht te hebben, en dat is natuurlijk niet zo. Die lui weten helemaal niets, hebben totaal geen verstand van wat zich allemaal in het hogere afspeelt en zijn zo stom alles maar te slikken wat hun wordt voorgeschoteld. Hoe dóm ben je dan!

Wie het wel weet? Welnu, dat is een nieuwe denktank (ik ben even de tel kwijt, maar ik ben dan ook maar een simpele docent), die wordt gevormd door een groep nét afgestudeerde academici, “excellente masterstudenten en promovendi”. Nu is het tegenwoordig zo – ook bedacht door lieden met visie op het hogere – dat je ook op het vmbo al “afstudeert” en dat je op de havo ‘cum laude’ kunt slagen, dus zo’n groep telt ongetwijfeld ook verlichte zielen uit die categorie. De categorie die niet geïnteresseerd is in het onderwijs, die geen uitdaging vindt, voor wie het onderwijs “niet leuk” is, die lijdt onder saaie ouderwetse en uitgebluste docenten en die klaagt over te trage internetverbindingen voor hun communicatieve vaardigheden via WhatsApp tijdens de zelfstudie-uren of tijdens het werken aan hun POP of PAP.

Meneer Rinnooy Kan, de man die overal wat van af weet, gaat de groep adviseren, dus dan komt het goed. Ik lees dat een eerdere denktank in 2007 na lang in een tank denken tot de conclusie is gekomen dat de docent ook een PAL, een Persoonlijk assistent voor de Leraar ) nodig heeft, dus het komende jaar zal ik maar eens nuttig gaan besteden aan het vinden van mijn PAL, waar die dan ook ter wereld mag bestaan. Om alvast verder vooruit te lopen op de bevindingen van de denktank ga ik ook eens kijken of mijn onderwijs wel aansluit bij de veranderende wereld, want u begrijpt wel dat ik nog steeds met griffel en lei les geef over onze koloniën in Indië en dat ik dat allemaal met een krijtje op het bord noteer, en dat ik er ernstig over nadenk om eens heel progressief een Commodore 64 aan te schaffen, want dat is vrij hip.

Ik verwacht ook een overvloed aan nieuwe bij- en nascholingen die ik mag gaan volgen, zoals de keer dat ik op commando van twee ernstig kijkende cursusleiders een sprongetje moest maken en daarbij “Piep!” moest roepen naar mijn partner die tegenover mij stond en die hetzelfde moest doen, waarna beide leiders ijverig een aantekening op hun notitiebordje maakten. Een en ander geschiedde in het kader van de nascholing “Competentiegericht Assessor”, een prijzige cursus van in totaal 4 weken. U begrijpt hoe enthousiast en vól nieuwe ideeën ik na elke cursusdag thuis kwam, en dat ik geheel de neiging wist te onderdrukken mijn gade met een hakbijl in tienduizend stukjes te verdelen om daarna mijn huis én de aanpalende percelen middels een atoombom tot as te reduceren.
Ik herinner mij nog de duurbetaalde bobo, die vanuit zijn onmetelijke visie met droge ogen voor de volle zaal nog maar een paar jaar geleden verkondigde dat er na het competentiegerichte onderwijs nooit meer iets beters zou komen, want dit was het absolute summum.

Gelukkig is daar nu de Denktank, die het allemaal anders gaat aanpakken, en die ons eenvoudige docenten tot hemelse extase gaat leiden. Het mag ongetwijfeld wat kosten, de leider zal ongetwijfeld een leuke bonus krijgen, onze onderwijsminister zal van blijdschap compleet uit zijn dak gaan en tot grote hoogte spuitend klaarkomen; het is het allemaal waard. Vanaf nu breken gouden tijden aan, docenten en leerlingen krijgen weer echt onderwijs, de denktank ( net van de geheel mislukte schoolbanken af ) zal alles voor ons heruitvinden: het vuur, het wiel, het ijzer, de iPad, Maurice de Hond, het komt allemaal goed.

Alleen: ik zal het niet meer meemaken. Tegen de tijd dat de Denktank aan een kwijlend uitverkoren deskundigen-publiek de bevindingen presenteert, ben ik schuimbekkend van woede in een dwangbuis geheel platgespoten afgevoerd naar een zwaar gesloten krankzinnigengesticht voor dol geworden onderwijzers, waar ik de rest van mijn vruchteloos – want onderwijs – leven zal verpozen met het voeren van de eendjes in de inrichtingsvijver, waarna de zuster mij, geassisteerd door twee potige broeders ( ex-onderwijsstaatssecretarissen) nog wat pap tussen de opeengeklemde kaken wringt.

Dat is dan wel weer jammer. Ik kom ook overal te laat achter. Had ik maar beter onderwijs gehad.

Verloren dromen

hairPubers hebben een enorm grote mond en dito stoerdoenerig gedrag, maar vaak zijn het heel kwetsbare wezens met een klein hartje. Er lopen er 1700 rond op de school waar ik werk. En er willen er ook nog velen bij, want in tegenstelling tot veel andere scholen doen wij het heel aardig. Ze moeten er wel wat voor doen, er moeten hindernissen overwonnen worden. Eén van die hindernissen ben ik soms. De luxe – of de last – van een school in de groei is dat je streng kunt zijn bij wie je toe laat. De luxe is dan dat je alleen de besten inschrijft. Geheel naar de wens van onze geachte onderwijsminister.  De last is dat je anderen soms moet weigeren. En die anderen, die vormen een heel gevarieerd gezelschap. Van leerling tot ouders en zorgbegeleiders. Van jong tot oud.

Een  telefoontje van een vrouw van mijn leeftijd, ruim boven de vijftig, met een mooie baan. Of wij een plekje hebben voor haar, als leerling. ‘Ik wil een andere invulling aan mijn leven geven’. Eigenlijk vind ik dat heel treurig; niet dat zij dat wil, maar dat ik haar dan teleur moet stellen, wat ik dan ook direct doe, want je moet mensen geen mooie verhalen die je niet waar kunt maken, voorschotelen. “Mevrouw, u bent te oud. U komt nergens meer aan een baan.” En dan zegt zij dat zij dat eigenlijk ook wel weet, maar dan weet ik weer dat daar vermoedelijk een heel verhaal achter schuil gaat, van verloren dromen , gemiste laatste kansen en schaamte dat je om een gunst moet bedelen. En dan praten we door, en we tutoyeren elkaar, en dan blijkt dat het allemaal klopt. Dan kun je zo’n gesprek toch nog een beetje met een goed gevoel voor beide partijen afsluiten, maar toch knaagt het. Waarom kun je zo iemand niet helpen.

Een meisje aan mijn tafel, haar begeleidster komt mee. Deze geeft haar pupil de ruimte, en dat is een verademing. Vaak zit de leerling er maar een beetje verloren bij, en voeren de ouders of begeleiders het hoogste woord. Het meisje heeft een verleden van mislukte opleidingen en verkeerde beslissingen, haar uiterlijk is ook niet dat van de doorsnee pubermeid. Uiterlijk speelt – helaas – een grote rol bij de kansen van leerlingen straks. Ik had eens een gesprek met een andere leerling, die voortdurend haar gezicht wat weggedraaid hield. Een schoonheid om te zien, maar draaide zij haar hele gezicht naar je toe, dan zag je dat de andere kant misvormd was: een wat verwrongen zijkant van haar mond, er zaten dingen scheef. Eén oog blind. En toch, op haar manier uniek en juist die combinatie maakte haar toch mooi om te zien: schoonheid en het onvolmaakte, zoiets intrigeert. “Schaam je je daarvoor?” vroeg ik. En, zo triest, dat deed zij. Zij had geleerd voortdurend haar gezicht te verbergen, lopend dicht langs de muur, slierten haar erover heen.  Ga er maar eens aan staan. “Dat moet je niet doen, want dát maakt jou juist apart. En dat kan ook in positieve zin”. Ik denk niet dat zij er wat aan had, maar ik zeg zoiets toch. En het was een fijn gesprek, en ze had zakdoekjes nodig. Maar ze ging blij weg. En misschien herinnert ze het zich later nog eens.
Terug naar het eerste meisje en haar begeleidster. Een volkomen verkeerd beeld van onze school, honderduit praten van de zenuwen, en daardoor fout op fout stapelen. Ik wissel een blik met de begeleidster, en ook zij weet: dit gaat het niet worden. Maar ik wil niet opgeven: “Weet je wat, je geeft je eerst eens op voor een meeloopdag, dan kijken we hoe het bevalt en dan praten we daarna nog even na”. Inmiddels is dat gebeurd, en we gaan het tóch proberen, op een wat lager niveau, want niveau’s zijn niét zaligmakend, en je veilig en prettig voelen is dat wél.

Straks een nieuw gesprek. Een hoogbegaafd meisje met vwo-diploma, wil terug naar één van de lagere niveau’s bij ons op het mbo, want is niet gelukkig met haar mogelijkheden straks. Ik leg de zakdoekjes klaar. Ik heb een fijne baan, en dat meen ik. Maar de maatschappij zit wreed in elkaar.

Dááág, meester!

otensienAmbieert u altijd al een loopbaan in het onderwijs? Nou, schei er maar mee uit. Het wordt niks meer. Vergeet het. Een docent, een schoolmeester of -juf voor de klas, het is allemaal zóóó 2014. Daar zitten de stakeholders ( voor de onderwijsleek: de leerlingen ) niet op te wachten, want je stoort ze in hun bezigheden op het mobieltje.

Waar overal beroepen als bosjes verdwijnen om nooit meer terug te keren, kan het beroep van docent, leerkracht niet achterblijven. De docent die nu nog dingen uitlegt voor de klas, schrijvend op het bord of smartboard, die dat doet van half negen tot vier aan een klas vol aandachtig luisterende kindertjes, die is te vergelijken met het beroep van turfsteker of molenaar. Tijdens het bezoek aan het museum voor oude ambachten kunnen we naast de klompenmaker en de rieten mandenvlechter straks ook een echte docent aan het werk zien, eentje die in de weekenden van achter de geraniums wordt weggehaald om te demonstreren hoe het ouderwetsch degelijke onderwijs er in 2015 aan toe ging, compleet met ordeproblemen, leerlingen met dyscalculie en dyslexie, met ADD, PDD-NOS, hoogbegaafdheid, Gilles de la Tourette, overspannen en onwetend management, dat alles samen in een echt nagebouwd schoolgebouw met echte computerlokalen en leerwerkruimtes en een schoolbel en noem het hele scala waar een gemiddelde leerkracht mee te maken kreeg maar op. De school oude stijl is als een eeuwen geleden bedolven mammoet, waar hier en daar nog een goed geconserveerd plukje haar boven het ontdooiende permafrost uitsteekt. Ga je verder graven en ontdooien, dan wordt het toch wel schrikken.

Niemand zit in de nieuwe tijd, we spreken 2032, meer op deze barre middeleeuwse toestanden te wachten. Een beetje een diploma halen en dingen leren die je later niet gaat toepassen, je zou wel gek zijn. Een beetje in een overvolle klas zitten op vaste tijden op een vaste plek en moeten luisteren naar een docent waar je niks mee hebt en waarvan je vindt dat die vent of dat wijf voor geen meter uit kan leggen, dat doe je toch zeker niet? Eentje die ook nog eens zegt dat je niet op je mobieltje of je smartwatch mag kijken, ja doeg! Docent worden? U bent echt knettergek.

Waarom zeg ik allemaal van deze nare dingen? Diverse trouwe lezers van mijn blog hebben mogelijk inmiddels het pand in totaal overspannen toestand verlaten. Wel, ik ben tot inzicht gekomen. Nu is dat op mijn leeftijd – ik ben 61 dus stokoud – een kunst op zich, zeker met mijn dwarsige en opstandige karaktertrekjes. Het werd dus hoog tijd, want het moment naakt dat het kabinet mij wegens te oud, en dus hinderlijk aanwezig en niet meer arbeidsproductief ten dienste van onze uit het dal opklimmende economie naar de jaarlijkse verplichte ouderenkeuring gaat sturen, om te kijken of ik al aan de pil van Drion toe bent ( direct na de uitslag van het keuringsrapport ter plekke toe te dienen ) of dat ik nog een jaartje uitstel krijg.

Onlangs was ik op de bijeenkomst Apps en Educatie bij een vestiging van Seats2Meet in Utrecht. Sommigen beginnen al gelijk te gruwelen bij die ‘2’ in plaats van ‘to’; het is niet meer te stoppen. ‘To’ staat voor van klas naar klas volgens een van te voren bepaald traject een bepaalde schoolloopbaan doorlopen die opleidt voor een bepaald beroep op een bepaald niveau. ‘2’ staat voor: dat kan veel sneller en handiger. En zo gaat het ook worden. Bij één van de workshops werd aan de deelnmers gevraagd met welke verwachting of welk doel men naar de bijeenkomst was gekomen ( een voorstelrondje werd ons dit keer bespaard, dat kun je tenslotte ook ’s nachts om drie uur op iemands Facebook- of LinkedIn-profiel bekijken). Toen bedacht ik: “Ik kom hier voor contemplatie en bezinning”. Dat gaf wat gegniffel. Ik was dan ook een van de oudsten. Je komt ’s ochtends bij zoiets binnen waarbij je met grote vreze vreest niet hip of jong genoeg te zijn, want hier waren de app-ontwikkelaars, de game-makers en de whizzkids bijeen, allemaal driftig tikkend op hun MacBooks, knabbelend aan superfood-bagels, lurkend aan slowjuice, lepelend in bottenbouillon of nippend aan latte macchiato. Lange baarden, hoog dichtgeknoopte overhemden, dikke brilmonturen, skinny jeans en enorme tatoo’s. Hi guys! Het bleek mee te vallen. Er waren wel whizzkids, zéér whizz trouwens. Wanneer je als Nederlands knulletje van 12 wordt uitgenodigd om naar dé Apple-ontwikkelaarsconferentie in San Francisco te komen en daar met grote Apple-baas Tim Cook op de foto te mogen en nu al weten dat je straks ongeveer een beurs voor Stanford op zak hebt, dan heb je het aardig gedaan. Eén van deze kinderen, ik geloof 11 jaar oud, merkte tijdens de plenaire sessie op dat zijn leraar helemaal niets met mobieltjes en apps in de klas had en dat de lessen dus saai en vervelend waren. Applaus en gelach in de zaal. En gelijk hád de zaal overigens. Althans, grotendeels gelijk.

Ik loop in mijn omgeving jarenlang denk ik redelijk voorop wanneer het gaat om het onderzoeken en evalueren van alle mogelijke trends en ontwikkelingen op het gebied van social media en ict; dingen aangeschaft, uitgeprobeerd en gekeken wat je daar op scholen mee zou kunnen doen. Er zijn een miljard mogelijkheden. Er ligt een goudmijn voor het oprapen. Ik ben overal gelijk razend enthousiast over, en dat kan ik overbrengen. Heel goed zelfs. Als het maar ‘bliep’ zegt, of beweegt, of er knippert een lampje, dan ben ik er al voor te porren. Ik ben nét een inboorling uit de vijftiende eeuw die zijn eerste kraaltje of spiegeltje voorgehouden krijgt. Maar ik kan ook relativeren, en ik moet geregeld een flinke emmer azijn te pissen hebben, want anders leid ik geen vrolijk leven. Ik loop nog steeds ijverig te hoop tegen de iPadschool van Maurice de Hond  Ik word obstinaat van drammerige oproepen van allerlei instanties en duur betaalde clubs die ons vanaf de zijlijn toebrullen dat ICT het wondermiddel is en dat we ongeveer allemaal achterlijk zijn als we daar niet hard in meehollen. Ik ben allergisch voor adviseurs.

De pleitbezorgers van ICT en alles wat daarmee samenhangt, jaag ik geregeld boven op de kast, en ik mag graag in discussies op Twitter nog wat extra olie op het vuur gooien. Pubergedrag misschien. Waar het mij echter om gaat is dat we uit onze vaste ideeën en loopgraven vandaan komen. Relativeren. Uitproberen, weggooien en bewaren. De school zoals we die kennen is niet meer te handhaven. De school is één van de vele tv-zenders in ons Ziggo Royaal pakket waar de leerling ( want die blijft ) tijdens het zappen langskomt. Heeft hij er iets aan, dan blijft hij kijken, is het saai, dan zapt hij weg. Er is immers meer te doen, veel interessanter, of veel leuker (voor de voorstanders van leuk onderwijs).

Op het moment dat ik de vorige regels schreef, kwam er een appje op mijn mobiel binnen: “Meester S. is overleden”. U zou nu eigenlijk even een pauze in dit stuk moeten inlassen. Ik kende Meester S. Ben op de ouderspreekmomenten geweest. Hij was een Meester. Een collega, van mijn leeftijd, denk ik. Eentje die vertelde, eentje die dingen op het bord liet zien, met een luisterende klas. Een Meester in zijn vak. Eentje van de oude stempel, eigenlijk. Zo’n meester die je je later als je zelf oud bent, nog zult herinneren. Iedereen kent wel zo’n meester S, die voor een stukje van je leven, groot of klein, vormend en bepalend is geweest. Zo zijn er velen in onderwijsland.

Gaan wij deze meesters dan niet meer gebruiken, niet meer nodig hebben? Het antwoord is – en nu kom ik weer bij het begin van mijn betoog- : Nee, integendeel, wij gaan ze nog zéker nodig hebben. Niet meer allemaal in dezelfde hoedanigheid. Een klein gedeelte nog. Meesters in hun vak: spannende verhalen vertellen, kinderen kluisteren aan je lippen. Doceren, uitleggen, strafwerk geven, voorbeelden geven, dingen ontwikkelen en dingen laten zien. Maar er komen andere meesters bij: meesters die geen echte meester zijn, omdat ze geen opleiding in die richting hebben gehad. Of meesters die wel die opleiding hebben gehad, en alles kunnen met ICT, als ware tovenaars. Welk kind luistert en kijkt daar niet graag naar, of wil zélf een ware ICT-tovenaar nadoen? Er komen meesters bij, die zelfs niet meer menselijk zijn, of die ingeblikt zijn. Hadden we Meester S. nog maar tijdens zijn lessen gefilmd, en op YouTube gezet, zoals bij vele andere meesters nu gebeurt. Eindeloos luisteren naar je meester, eindeloos terugspoelen, eindeloos herhalen, pauzeren, nog eens luisteren, waar je ook ter wereld bent en hoe oud je ook bent. Omdat dat bij jou past, omdat jij daarvoor het juiste type leerling bent, met dié specifieke zorgvraag of geestelijke rugzak of beperking of juist voorsprong op alle anderen.

De school van de platen van Ot en Sien is weg, is alleen nog maar na moeizaam zoeken op het internet als klein plaatje te vinden. Nu moet ook de school waar geen platen meer van zijn er aan geloven. Ik en vele anderen  kunnen azijn plassen tot we erbij neervallen, maar het huidige systeem is voorbij. Diploma’s halen? Voorbij. Een vaste lijst met vakken? Gaat het niet meer worden. De rest van je leven een vast beroep trouwens ook niet meer. De leerling loopt met zijn mandje door de supermarkt: hij koopt wat hier, hij koopt wat daar, en is het produkt niet leverbaar, dan gaat hij naar een andere supermarkt. Je hele leven lang, al naar wat het recept van de dag voorschrijft. Zó stil je je honger. De ene keer met een kant en klaar pakket, de andere keer moet je stevig kokkerellen. En je eet het vaker als iets lekker is, en wat je niet lust gebruik je nooit meer.

Nu richt ik mij even specifiek tot de Sander Dekkers, de Bussemakers, de Colleges van Bestuur en de directies, want van jullie moeten tenslotte de uren en de centen komen: Stap eens even uit jullie starre denkpatronen. Focus je eens even niet op rendementsdenken, op de inspectie, op wat Kennisnet zegt, op wat de BON zegt, denk eens even niet aan dure gebouwen, smartboards, excellente leraren en leerlingen, handelingsplannen, dure adviesbureaus, zwakke scholen, zwakke leerlingen, hoge en lage niveaus. Er zijn geen zwakke scholen en er zijn geen beste leerlingen. Alles en ieder is uniek in zijn soort: de vervallen school in de achterstandswijk, Ot en Sien, Meester S, de iPadschool, de Whizzkid die straks naar Stanford gaat, het kind met een zware achterstand door PDD-NOS en het pubermeisje dat in mijn kantoor hartverscheurend zit te huilen omdat er thuis écht geen geld meer is voor boeken en voor doorleren op een ander niveau.

Ga eens zoeken naar die individuen en kijk wat hun vaardigheden zijn. Geef de ouderwetse docent die niks met ict heeft een ouderwets klaslokaal met leerlingen die ook niks met ICT hebben. Geef de zieners in elke school, en die zijn er, de ruimte in tijd, plaats en geld om dingen te onderzoeken, uit te proberen en weer weg te gooien als het niks blijkt te zijn. Laat ze vér vooruit kijken. Geef leerlingen die een enorme behoefte hebben aan individuele begeleiding ook daadwerkelijk die begeleiding in de vorm van docenten die je vrij kunt maken doordat andere specialisten binnen je school klussen kunnen overnemen. Blik je topdocenten in op het web. Sluit lokalen, of stel ze juist open buiten de reguliere schooltijden om. Geef een docent en zijn leerlingen eens overdag of buiten de vakanties om vrij, en laat ze ’s avonds maar vanuit hun eigen omgeving en in hun eigen tempo elkaar ontmoeten op allerlei gratis initiatieven op social media. Schuif met geld, met vakken, met lestijden, met diploma’s, met docenten, leerlingen en locaties. Laat je school een ongekende bron van creativiteit en flexibiliteit worden. Want die potentie heeft elke school in zich. Laat los, laat los. Laat groeien en bloeien. En laat dat snoeien nu eens achterwege. Koester nieuwe technieken, social media, apps en smatphones. Maar koester ook je Meester S.

 

 

Schouderklopje

zakdoekjeHuilende meisjes, ik kan er niet tegen. Huilende jongens, ook zo wat. Maar wel zielig. Ik werk in het middelbaar onderwijs, en in tegenstelling tot alle blije en hippe reclame van leuke scholen en bij ons is het vèt kicken is die schooltijd voor bepaalde leerlingen niet altijd even ‘onwijs gaaf’ . Meestal wel, hoewel ik koude rillingen krijg van het tenenkrommend enthousiasme waarmee veel scholen hun marktwaar aan de man brengen en ronkend snuiven dat het met de begeleiding wel snor zit. Een leerling die flierefluitend en blij op zijn mobieltje turend door de school heen fietst, heeft een gouden tijd, en een veilige tijd.

Er zijn dus leerlingen voor wie de schooltijd een complete hel is, een tijd die je verplicht tot aan je achttiende moet ondergaan. Vanaf de kleuterschool tot ver in het middelbaar onderwijs een regelrechte marteling, als je pech hebt. Sommige mensen hebben altijd pech. En soms krijg ik er zo eentje in mijn kantoor. Een onschuldig kantoor, gewoon van de decaan, waar je als leerling rustig aan kunt kloppen zonder dat anderen denken van o, die zit psychisch in de knel. Want zulke kantoren hebben veel scholen ook; daar zit de leerlingbegeleider voor leerlingen met privé-problemen. Of er een sirene loeit en een zwaailicht aangaat en of er een grote vinger uit het plafond neerdaalt en een stem die brult: HIER STAAT EEN ZIELEPIET!

Wanneer ik terugkijk naar mijn eigen schooltijd, mag ik denk ik niet al te veel klagen. Ik had niet veel vriendjes. Een binnenvettertje, een stil watertje met diepe gronden, en altijd zo gebleven trouwens. Maar ik werd niet gepest, dat scheelt. Ik had een meester die soms sloeg. Dat was toen geen probleem, maar mij sloeg hij nooit. Je had toen ook geen ouders die in schuimbekkende razernij die meester voor het oog van een ijverig met de mobieltjes filmende en fotograferende klas wel eens eventjes in mekaar kwamen rossen. Ik pestte zelf wel: Iris, Iris, stinkende kalk, huilebalk, en daar gíng ze weer. In koor riepen we dat…Wat een naar jongetje was ik dan eigenlijk, misschien had ik daarom wel niet veel vriendjes. Je had toen nog geen Facebook en Whatsapp; was dat wel het geval geweest, dan had ik misschien vijf namen in mijn lijstje staan.

Zulke kinderen – het blijven kinderen gedurende hun hele schooltijd – met vijf of minder namen in hun vriendenlijstje, bestaan nu wel. Of met helemaal geen Facebook, omdat je niemand hebt om toe te voegen, en als je dan toch een account aanmaakt, en een berichtje plaatst, dan is er niemand die het leest… Misschien is gepest worden tegenwoordig wel dubbel zo erg: geen vrienden in het echt, en geen vrienden op social media. Helemaal niet social dus. Het heeft iets van in je eentje dineren in een restaurant en dan om je een houding te geven maar een telefoontje te plegen of te Whatsappen met een niet bestaand figuur.
Op school pik je ze er eigenlijk vrij snel uit. Niet omdat ze er anders uitzien of zo, het pesten is vaak gebaseerd op nauwelijks te onderscheiden subtiele vormen van ‘anders zijn’, de hele schoolloopbaan door. Vlucht je daarom van de ene school, dan is het na een week op de andere school al weer raak.

En zo krijg ik dus af een toe een leerling in mijn kantoor waarvan je bij binnenkomst direct weet: er is meer aan de hand dan alleen maar een gesprekje over een vervolgstudie of wat voor baan moet ik nou zoeken. Het is een instinct, zeg maar. Leuke meiden om te zien, aardige jongens met een hipsterbaard en na wat doorvragen valt dan ineens het masker af en komen de tranen, komt het eigenlijke probleem. Een snotterende grote knul, een meisje dat haar make-up hevig verpest. “Neem even een zakdoekje, want je maakt vlekken op mijn bureau, maar droog je tranen niet te snel, want de voorraad zakdoekjes is beperkt”.
Gelukkig komen ze niet dagelijks. Ik werk op een school waar heel weinig gepest wordt, waar geen bewakingspoortjes staan, waar nauwelijks vernield wordt en waar ik mijn kantoortje niet hoef af te sluiten. Een veilige school dus, een warm bad voor naar verhouding vrij veel leerlingen die ergens in hun leven in hun vertrouwen in mensen een flinke knak hebben opgelopen maar die dat hier eindelijk een beetje kunnen herstellen. Hier bloeien ze op, maar een enkeling bloeit niet, die kwijnt verder weg. En dat is frustrerend. Alle mooie protocollen ten spijt, soms lukt het gewoon niet. “Geef jij jezelf wel eens een schouderklopje voor de spiegel?”, vraag ik vaak. Maar nee, dat durven ze niet, want waarom zou je jezelf een schouderklopje geven als niemand in je gelooft en je daardoor jezelf ook niet meer gelooft? Een schouderklopje wordt zo een gemene slag in het gelaat.

En tóch geef ik die schouderklopjes. Er is altijd wel iets waarvoor je dat kunt doen. In een tijd waarin scholen steeds verder gekort worden op de gelden en mogelijkheden voor leerlingbegeleiding is zoiets gratis, alleen we doen het veel te weinig. Verlies aan zelfvertrouwen is op die manier voor een behoorlijk deel te compenseren. O, kun jij zo mooi tekenen? Zet ze eens op  Facebook, plaats ze eens op Twitter of op Instagram. Dan ga ik ze liken, en ik heb veel volgers, dan gaan meer mensen dat liken. Een gruwelijke verbastering, dat ‘liken’, maar in een tijd waarin je sociale geaccepteerdheid voor veel pubers afhangt van het aantal virtuele vrienden, kan zoiets belangrijk zijn. Een virtuele vriend is soms beter dan helemaal geen vrienden in het echt. Die komen dan, als het een beetje loopt, en als die leerling ook zichzelf weer op de schouder durft te slaan, vanzelf wel weer.

Dus ik luister, ik geef mondelinge schouderklopjes én ik zorg voor voldoende voorraad zakdoekjes. En ik like. Het is niet veel, maar alle beetjes helpen.

Voornemen

dikzakIk ben al enige jaren 9 maanden zwanger, en wat eerst een eenling was lijkt nu de proporties van een drie- of vierling te hebben aangenomen. Althans, dat is wat ik bij voortduring van mijn gezinsleden te horen krijg, of bewoordingen in die strekking. Je bouwt daardoor als man een bepaalde olifantenhuid op en trekt nog maar eens een familiepak Lays open. Paprika geribbeld, dat is wel het summum.

Toch knaagt het. Ik word bij voortduring herinnerd aan allerlei klussen die op de meeste momenten heel hinderlijk uitkomen en mij in belangrijke bezigheden zoals zappen voor de buis of twitteren op mijn mobiel niet schikken. Ik heb meer te doen, ja! Zo word ik een aantal malen per jaar gemaand om de plint achter de bank eens vast te zetten. Die ligt al los sinds ik (!) een jaar of vijf geleden een nieuwe vloer gelegd heb, maar dat ding zit tenslotte voor het grootste deel achter de bank en dat kleine stukje dat uitsteekt ziet toch haast niemand. Ik denk trouwens dat wereldwijd losliggende plinten op nummer 1 van de top-5 onafgemaakte klussen staan. Vrouwen kunnen in het gezeur over dat soort rotwerkjes soms toch zó hinderlijk aanwezig zijn.

Rond Oud en Nieuw pleeg ik altijd in een peinzende stemming te verkeren, met soms wat goede voornemens en zo, en daar twitter ik dan wel eens over, bijvoorbeeld dat ik die plint dit jaar ga vastzetten. Dat had vervelende gevolgen, want prompt hing er een journaliste van het Algemeen Dagblad aan de lijn die daar wel eens wat meer over wilde weten. De dag daarop stond ik in de afdeling neuzelnieuws met mijn plint-plan. Zoiets schept dus verplichtingen. Nu ben ik een paar dagen vóór de jaarwisseling ook begonnen met minder snoepen. Een documentaire van een Belgische journalist, mij veelbetekenend doorgestuurd door mijn gade, gaf de doorslag. Het blijkt namelijk dat de gemiddelde westerling per jaar zo’n 45 kg aan toegevoegde suikers naar binnen werkt. Mijn buik heeft ongeveer ook het formaat van 45 van die pakken, en de feestdagen dragen ernstig aan zoiets bij.

We zijn dus nu  bijna twee weken verder, en ik kan u de blijde mededeling doen dat ik nog geen snoep, koekje of toetje heb aangeraakt. Sterker nog, ik ben op allerlei manieren ongewoon fit bezig. Ik eet dadels en vijgen ( gruwelijk ). Bij de Aldi heb ik een gymnastiekbal gehaald om die op mijn werk in het onderwijs als bureaustoel te gebruiken.Het gewiebel op zo’n ding schijnt ook iets aan je spier- en vetvolume te doen. Het oppompen was een bezoeking op zich en genoeg om voor de rest van het jaar voldoende lichaamsbeweging te hebben gehad. Een en ander moest ook nog steels verdekt in een hoekje van mijn kantoor gebeuren, want anders stond ik daar door de glazen deur vól in het gezicht van de leerlingen. Een dergelijk stuitende aanblik wil je de tere puberziel toch besparen. Terwijl  ik badend in het zweet en hijgend als een stoompaard met de schoolfietspomp de bal te lijf ging, werd er op de deur geklopt en trad direct een meisje binnen.

“Wat bent u nou aan het doen???”
“Ik pomp mijn bal op, dat zie je” hijgde ik met een haast ontploffend hoofd, terwijl ik buiten adem steun zocht bij het bureau. “Op mijn leeftijd moet dat, het is beter voor je”, voegde ik er om het nog erger te maken aan toe, nog steeds niet beseffend hoe verkeerd deze opmerkingen zouden kunnen worden uitgelegd om vervolgens op Facebook en Twitter te worden verspreid, vergezeld van een haastige mobieltjesfoto waarop Wauwel, paars aangelopen, ernstige pogingen deed zijn bal op te blazen.

Maar goed, dit stukje wordt dus al wiebelend en verend voor u geschreven ( ik heb er nu ook eentje voor thuis), en er inmiddels flinke pijn in mijn rug van. Van voorovergebogen een plint weer aan de muur vastzetten kan voorlopig dus geen sprake zijn. Ik smácht trouwens naar een zak Kruidvat-drop.

Rekentoets: want met alleen tongzoenen kom je er niet

FX7.jpg FILM TITLE I, RobotRekenen was – en is – nooit mijn sterkste kant. Op de middelbare school, die toen nog HBS heette, wist ik nooit hoger te scoren dan een 3, en de leraren die mij dit vak vergeefs probeerden bij te brengen, hadden in mijn optiek allemaal een hekel aan mij, en dat gevoel was wederzijds. Uren besteedde ik aan het smachtend naar buiten staren over de skyline van Haarlem, vanuit mijn plekje naast het raam op het Marnix College. De school waar ik later uiteindelijk van af getrapt ben wegens vechten met de aardrijkskundeleraar, die óók al een hekel aan mij had. Ook de rector mocht mij  niet, dus dit was een mooie gelegenheid om deze irritante puber te lozen. zoiets ging toen nog vrij makkelijk. Ik kwam toen op een akelig strenge MULO in Bloemendaal, eentje van het Bint-soort, en dat was precies wat ik nodig had. Ook daar bleek het rekenen in de vorm van afschuwelijke dingen als goniometrie en de stelling van Pythagoras niet aan mij besteed, maar op de een of andere manier wist ik toch met een voldoende van school te gaan. De school waar ik gevormd werd op alle gebied, want dáár was het bijvoorbeeld dat ik mijn eerste tongzoen mocht ondergaan. Nu heeft een tongzoen niet heel veel met rekenen te maken, hoewel klasgenote Margreet ( ik zal haar achternaam hier nu even niet vermelden ), die hem mij toediende, volgens mij uiterst berekenend te werk ging.
Die zoen betekende mogelijk een enorme stimulans in mijn kwakkelende schoolloopbaan en deed mij besluiten mijn uiterste best te blijven doen, want je wilt natuurlijk niet weer blijven zitten en haar zodoende uit het oog verliezen. Zij was namelijk wél erg goed in rekenen, en al tongzoenend hulp ontvangen is nooit weg, als je puber bent. Helaas bleek de liefde ná het weekend al weer over, waaruit haar berekenend karakter bleek. Vermoedelijk had ze een weddenschapje met een vriendin afgesloten, om het grootste ei uit de klas nog aan het lebberen te krijgen.
Op de havo bleef rekenen ook een moeizaam geploeter, en toen ik daarna – mogelijk uit wraak voor mijn tragische schoolloopbaan – besloot het onderwijs in te gaan was wiskunde op de Pedagogische Academie óók niet mijn sterkste kant.
Uiteindelijk werd het dus taal, en tekenen en handvaardigheid. Vakken die tenminste leuk zijn, en waar je je gevoel in kwijt kunt. Tegenwoordig zitten die een beetje in het verdomhoekje. D’r mot geprestéérd worden, en wat nu telt, zijn scores, toetsen en examens, en wel zo hoog mogelijk. Dat betekent, dat alles nu getoetst moet worden, en wat je niet in harde cijfers uit kunt drukken en meten is niet meer interessant.

Gisteren mocht ik dan – als volslagen alfa-man – bijzitten bij een rekentoets die door het Cito, zeg maar de opperste Sovjet uit de tijd van de Koude Oorlog, wordt afgenomen op de computer. Allemaal tegelijk starten, allemaal achter een vaste genummerde computer, allemaal stipt op tijd om één uur beginnen en stipt op tijd om drie uur eindigen, leerlingen met dyscalculie mogen een half uurtje langer doorploeteren. Alsof dat uit maakt, een half uur extra op een beeldscherm staren.
Rekenen moet gegeven worden zoals het in het echte leven voorkomt. Ik heb dat natuurlijk nooit geleerd blijkbaar, dat echte leven, maar op de een of andere manier ben ik niet tot een mislukkeling verworden. Zelfs een drie voor rekenen heeft mij gemaakt tot wat ik ben: iemand die al bijna veertig jaar voor de klas staat en die daar af en toe een stukje over schrijft of twittert. Iemand die ook het niveau van taal en rekenen heeft zien wegzakken tot een situatie waarin een moderne leerling bij het uitvallen van internet, stroom en mobieltje een enigszins reddeloos verloren persoon wordt. Want hoe moet je dit nu spellen, vinden of berekenen wanneer niets het meer doet en wanneer je enkel nog moet hopen op je hersens? Die hersens heb ik gisteren samen met mijn leerlingen, allemaal meiden die er niet er met de pet naar gooiden en die allemaal serieus keihard hun best deden, zitten pijnigen bij het proberen te begrijpen van de vraag. Om een toets rekenen te kunnen maken, moet je tegenwoordig namelijk behalve dat je over bionische ogen beschikt ( wie kan er twee uur onder tijdsdruk onafgebroken naar een beeldscherm staren? ) ook nog een belezen Neerlandicus zijn; heel veel vragen bleken voor meerdere uitleg en redenatie vatbaar, helemaal als je er over na ging denken. De helft van de tijd gaat dus bij het moderne rekenen op aan het proberen te begrijpen van wat er nu eigenlijk stáát, laat staan dat je überhaupt aan het eigenlijke rekenen toe komt. Rekenen moet tegenwoordig voor een mbo-scholier worden afgetoetst op havo-niveau, want dát is wat het hbo vraagt.

Hallo overheid en onderwijs-inspectie, waar zijn wij helemaal mee bezig? Mag een leerling niet gewoon mbo meer doen, daar een vak leren en dan gewoon klaar en een baan zoeken? Nee, we moeten scoren, scoren en nog eens scoren, want anders heeft de economie niets aan ons. Allemaal meedoen in het keurslijf van de rat-race, die geen afvallers en uitvallers mag kennen, en die geen ruimte biedt aan andersdenkenden, dromers, zwakkeren of creatieve geesten. Onderwijs is niet alleen maar rekenen, taal en toetsen. Onderwijs is vooral mens leren zijn, fouten durven maken, zwak mogen zijn, kwetsbaar maar gelukkig leren zijn. Ik heb geen zin om machines op te leiden. Dan had ik wel een ander vak gekozen. Waar je geen rekenen voor nodig hebt.

O ja, ik roep alle mbo-leerlingen op om eens gezamenlijk een Facebook-pagina te starten waarin je pleit voor een normale manier van toetsen, en waarbij we niet worden afgerekend op onze mate van volgzame robot-in-een-keurslijf-zijn.