Voornemen

dikzakIk ben al enige jaren 9 maanden zwanger, en wat eerst een eenling was lijkt nu de proporties van een drie- of vierling te hebben aangenomen. Althans, dat is wat ik bij voortduring van mijn gezinsleden te horen krijg, of bewoordingen in die strekking. Je bouwt daardoor als man een bepaalde olifantenhuid op en trekt nog maar eens een familiepak Lays open. Paprika geribbeld, dat is wel het summum.

Toch knaagt het. Ik word bij voortduring herinnerd aan allerlei klussen die op de meeste momenten heel hinderlijk uitkomen en mij in belangrijke bezigheden zoals zappen voor de buis of twitteren op mijn mobiel niet schikken. Ik heb meer te doen, ja! Zo word ik een aantal malen per jaar gemaand om de plint achter de bank eens vast te zetten. Die ligt al los sinds ik (!) een jaar of vijf geleden een nieuwe vloer gelegd heb, maar dat ding zit tenslotte voor het grootste deel achter de bank en dat kleine stukje dat uitsteekt ziet toch haast niemand. Ik denk trouwens dat wereldwijd losliggende plinten op nummer 1 van de top-5 onafgemaakte klussen staan. Vrouwen kunnen in het gezeur over dat soort rotwerkjes soms toch zó hinderlijk aanwezig zijn.

Rond Oud en Nieuw pleeg ik altijd in een peinzende stemming te verkeren, met soms wat goede voornemens en zo, en daar twitter ik dan wel eens over, bijvoorbeeld dat ik die plint dit jaar ga vastzetten. Dat had vervelende gevolgen, want prompt hing er een journaliste van het Algemeen Dagblad aan de lijn die daar wel eens wat meer over wilde weten. De dag daarop stond ik in de afdeling neuzelnieuws met mijn plint-plan. Zoiets schept dus verplichtingen. Nu ben ik een paar dagen vóór de jaarwisseling ook begonnen met minder snoepen. Een documentaire van een Belgische journalist, mij veelbetekenend doorgestuurd door mijn gade, gaf de doorslag. Het blijkt namelijk dat de gemiddelde westerling per jaar zo’n 45 kg aan toegevoegde suikers naar binnen werkt. Mijn buik heeft ongeveer ook het formaat van 45 van die pakken, en de feestdagen dragen ernstig aan zoiets bij.

We zijn dus nu  bijna twee weken verder, en ik kan u de blijde mededeling doen dat ik nog geen snoep, koekje of toetje heb aangeraakt. Sterker nog, ik ben op allerlei manieren ongewoon fit bezig. Ik eet dadels en vijgen ( gruwelijk ). Bij de Aldi heb ik een gymnastiekbal gehaald om die op mijn werk in het onderwijs als bureaustoel te gebruiken.Het gewiebel op zo’n ding schijnt ook iets aan je spier- en vetvolume te doen. Het oppompen was een bezoeking op zich en genoeg om voor de rest van het jaar voldoende lichaamsbeweging te hebben gehad. Een en ander moest ook nog steels verdekt in een hoekje van mijn kantoor gebeuren, want anders stond ik daar door de glazen deur vól in het gezicht van de leerlingen. Een dergelijk stuitende aanblik wil je de tere puberziel toch besparen. Terwijl  ik badend in het zweet en hijgend als een stoompaard met de schoolfietspomp de bal te lijf ging, werd er op de deur geklopt en trad direct een meisje binnen.

“Wat bent u nou aan het doen???”
“Ik pomp mijn bal op, dat zie je” hijgde ik met een haast ontploffend hoofd, terwijl ik buiten adem steun zocht bij het bureau. “Op mijn leeftijd moet dat, het is beter voor je”, voegde ik er om het nog erger te maken aan toe, nog steeds niet beseffend hoe verkeerd deze opmerkingen zouden kunnen worden uitgelegd om vervolgens op Facebook en Twitter te worden verspreid, vergezeld van een haastige mobieltjesfoto waarop Wauwel, paars aangelopen, ernstige pogingen deed zijn bal op te blazen.

Maar goed, dit stukje wordt dus al wiebelend en verend voor u geschreven ( ik heb er nu ook eentje voor thuis), en er inmiddels flinke pijn in mijn rug van. Van voorovergebogen een plint weer aan de muur vastzetten kan voorlopig dus geen sprake zijn. Ik smácht trouwens naar een zak Kruidvat-drop.

Rekentoets: want met alleen tongzoenen kom je er niet

FX7.jpg FILM TITLE I, RobotRekenen was – en is – nooit mijn sterkste kant. Op de middelbare school, die toen nog HBS heette, wist ik nooit hoger te scoren dan een 3, en de leraren die mij dit vak vergeefs probeerden bij te brengen, hadden in mijn optiek allemaal een hekel aan mij, en dat gevoel was wederzijds. Uren besteedde ik aan het smachtend naar buiten staren over de skyline van Haarlem, vanuit mijn plekje naast het raam op het Marnix College. De school waar ik later uiteindelijk van af getrapt ben wegens vechten met de aardrijkskundeleraar, die óók al een hekel aan mij had. Ook de rector mocht mij  niet, dus dit was een mooie gelegenheid om deze irritante puber te lozen. zoiets ging toen nog vrij makkelijk. Ik kwam toen op een akelig strenge MULO in Bloemendaal, eentje van het Bint-soort, en dat was precies wat ik nodig had. Ook daar bleek het rekenen in de vorm van afschuwelijke dingen als goniometrie en de stelling van Pythagoras niet aan mij besteed, maar op de een of andere manier wist ik toch met een voldoende van school te gaan. De school waar ik gevormd werd op alle gebied, want dáár was het bijvoorbeeld dat ik mijn eerste tongzoen mocht ondergaan. Nu heeft een tongzoen niet heel veel met rekenen te maken, hoewel klasgenote Margreet ( ik zal haar achternaam hier nu even niet vermelden ), die hem mij toediende, volgens mij uiterst berekenend te werk ging.
Die zoen betekende mogelijk een enorme stimulans in mijn kwakkelende schoolloopbaan en deed mij besluiten mijn uiterste best te blijven doen, want je wilt natuurlijk niet weer blijven zitten en haar zodoende uit het oog verliezen. Zij was namelijk wél erg goed in rekenen, en al tongzoenend hulp ontvangen is nooit weg, als je puber bent. Helaas bleek de liefde ná het weekend al weer over, waaruit haar berekenend karakter bleek. Vermoedelijk had ze een weddenschapje met een vriendin afgesloten, om het grootste ei uit de klas nog aan het lebberen te krijgen.
Op de havo bleef rekenen ook een moeizaam geploeter, en toen ik daarna – mogelijk uit wraak voor mijn tragische schoolloopbaan – besloot het onderwijs in te gaan was wiskunde op de Pedagogische Academie óók niet mijn sterkste kant.
Uiteindelijk werd het dus taal, en tekenen en handvaardigheid. Vakken die tenminste leuk zijn, en waar je je gevoel in kwijt kunt. Tegenwoordig zitten die een beetje in het verdomhoekje. D’r mot geprestéérd worden, en wat nu telt, zijn scores, toetsen en examens, en wel zo hoog mogelijk. Dat betekent, dat alles nu getoetst moet worden, en wat je niet in harde cijfers uit kunt drukken en meten is niet meer interessant.

Gisteren mocht ik dan – als volslagen alfa-man – bijzitten bij een rekentoets die door het Cito, zeg maar de opperste Sovjet uit de tijd van de Koude Oorlog, wordt afgenomen op de computer. Allemaal tegelijk starten, allemaal achter een vaste genummerde computer, allemaal stipt op tijd om één uur beginnen en stipt op tijd om drie uur eindigen, leerlingen met dyscalculie mogen een half uurtje langer doorploeteren. Alsof dat uit maakt, een half uur extra op een beeldscherm staren.
Rekenen moet gegeven worden zoals het in het echte leven voorkomt. Ik heb dat natuurlijk nooit geleerd blijkbaar, dat echte leven, maar op de een of andere manier ben ik niet tot een mislukkeling verworden. Zelfs een drie voor rekenen heeft mij gemaakt tot wat ik ben: iemand die al bijna veertig jaar voor de klas staat en die daar af en toe een stukje over schrijft of twittert. Iemand die ook het niveau van taal en rekenen heeft zien wegzakken tot een situatie waarin een moderne leerling bij het uitvallen van internet, stroom en mobieltje een enigszins reddeloos verloren persoon wordt. Want hoe moet je dit nu spellen, vinden of berekenen wanneer niets het meer doet en wanneer je enkel nog moet hopen op je hersens? Die hersens heb ik gisteren samen met mijn leerlingen, allemaal meiden die er niet er met de pet naar gooiden en die allemaal serieus keihard hun best deden, zitten pijnigen bij het proberen te begrijpen van de vraag. Om een toets rekenen te kunnen maken, moet je tegenwoordig namelijk behalve dat je over bionische ogen beschikt ( wie kan er twee uur onder tijdsdruk onafgebroken naar een beeldscherm staren? ) ook nog een belezen Neerlandicus zijn; heel veel vragen bleken voor meerdere uitleg en redenatie vatbaar, helemaal als je er over na ging denken. De helft van de tijd gaat dus bij het moderne rekenen op aan het proberen te begrijpen van wat er nu eigenlijk stáát, laat staan dat je überhaupt aan het eigenlijke rekenen toe komt. Rekenen moet tegenwoordig voor een mbo-scholier worden afgetoetst op havo-niveau, want dát is wat het hbo vraagt.

Hallo overheid en onderwijs-inspectie, waar zijn wij helemaal mee bezig? Mag een leerling niet gewoon mbo meer doen, daar een vak leren en dan gewoon klaar en een baan zoeken? Nee, we moeten scoren, scoren en nog eens scoren, want anders heeft de economie niets aan ons. Allemaal meedoen in het keurslijf van de rat-race, die geen afvallers en uitvallers mag kennen, en die geen ruimte biedt aan andersdenkenden, dromers, zwakkeren of creatieve geesten. Onderwijs is niet alleen maar rekenen, taal en toetsen. Onderwijs is vooral mens leren zijn, fouten durven maken, zwak mogen zijn, kwetsbaar maar gelukkig leren zijn. Ik heb geen zin om machines op te leiden. Dan had ik wel een ander vak gekozen. Waar je geen rekenen voor nodig hebt.

O ja, ik roep alle mbo-leerlingen op om eens gezamenlijk een Facebook-pagina te starten waarin je pleit voor een normale manier van toetsen, en waarbij we niet worden afgerekend op onze mate van volgzame robot-in-een-keurslijf-zijn.

The Silence of the Laptops

Schrijver dezes
Schrijver dezes

Op het afnemen van toetsen en tests per computer rust op ons hoog aangeprezen instituut geen merkbare zegen. Deze regel is een beetje een verbastering van een commentaar van Simon Carmiggelt bij de film “Alleman”, van Bert Haanstra, uit de tijd dat de wereldbevolking nog niet leed onder de gevolgen van ict. Cholera en builenpest volstonden als plaag.

De tijden zijn veranderd, de wereld is verhard, en er zijn veel pestilentiën bij gekomen; het gebruik van computers en aanverwante zaken binnen het onderwijs is er eentje van. Nou ja, bij vlagen dan. Ik schreef daar drie jaar geleden (!) al eens eerder over in dit stukje.

Inmiddels verpozen we niet meer in Onderwijs 2.0, maar proeven we al aan 3.0, en inmiddels ben ik enige tientallen congressen op dit gebied verder. Ook wijzer? Mwah… een beetje. De ontwikkelingen staan niet stil, je wordt als school gebombardeerd met spectaculaire voorbeelden van hoe het allemaal nóg mooier, gelikter en minder middeleeuws kan. Maurice de Hond heeft tussen zijn bedrijven door eens naar zijn op de iPad spelende peuter gekeken en daar een heel onderwijssysteem bij bedacht. Alle leerlingen en studenten hebben er naast eten en drinken een primaire levensbehoefte bijgekregen die bestaat uit het dwangmatig vasthouden en bestuderen van hun mobieltje; neem je dat af, dan staat dat ongeveer gelijk aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, compleet met naar de school stormende schuimbekkende ouders, een overspannen directie, stukken op Geen Stijl en gerechtelijke dwangbevelen.

Het afnemen van toetsen op een schoollaptop is dan een beetje .. tja.. old style, maar veilig, meent men.  Ik moest invallen, begeleid door ettelijke volgeschreven vellen met instructies; we leven in een tijd van excellente leerlingen en excellente leraren, dus vóór alles dient het niveau van wat je in huis haalt bepaald te worden. Een en ander vond plaats in een high-tech lokaal met groot touchscreen, in zomerse temperaturen die nóg zomerser werden omdat al die laptops een hoop warmte produceren, en omdat het zonnescherm niet meer omlaag kan als je ook de ramen open wilt doen. Er is geen lichtschakelaar meer, dus af en toe moet ik spastische bewegingen maken om licht te laten schijnen. Een schoollaptop moet redelijk hufterproof zijn en dient ook een aantal jaren mee te gaan, toch zeker wel een jaar of vier. Ze worden bewaard in een laptopkast met voeding en zo.
Op mijn begeleidend schrijven stond ook dat de docent moest controleren of hij de laptopkast wel kon openen middels een sleutel die op een bepaalde plek in het pand bewaard wordt. Nu was het mij al vaak overkomen dat iemand vergeten was die sleutel terug te leggen, dus – zorgvuldig als ik ben – had ik dat tijdig gecheckt.
In het lokaal bleek door een ijverig persoon echter een andere activiteit gepland, en ook de leerlingen arriveerden niet allemaal op de tijd die van hen verwacht werd. Zo’n toets wordt van te voren klaargezet, en begint automatisch op het ingestelde tijdstip, waarna de teller afloopt. Ik wil bij deze plechtig voorstellen de tijdsduur voor computertoetsen voortaan op tenminste één jaar te zetten.

Het waren nieuwe leerlingen , dus schuchter, braaf en alles vergevend; dat is dan weer een voordeel. Nadat ik hun diverse stickers met diverse inlognamen en diverse volslagen ingewikkelde wachtwoorden had overhandigd, en nadat ik bosjes leerlingen weer naar de ict-afdeling had gestuurd omdat op sommige stickers geen wachtwoorden bleken te staan en omdat de meeste laptops geheel leeg bleken te zijn omdat ze in de computerkast niet op de voeding waren aangesloten en omdat bij diverse leerlingen het wachtwoord wél op het papiertje stond maar niet door het systeem werd herkend en omdat er veel te weinig stekkerdozen waren om alles op aan te sluiten omdat men besloten had dat dat niet nodig was omdat laptops op accu’s werken en omdat sommige leerlingen de Mozilla (!)-browser waar in de handleiding naar verwezen werd niet op hun computer konden vinden en omdat de browser de af te spelen audio-formaten niet herkende en omdat de systeembeheerders overbezet waren en omdat ik inmiddels een compleet spinnenweb van snoeren en stekkerdozen in het lokaal had aangelegd en leerlingen inclusief de docent daar als slangenmensen in verstrikkeld raakten en omdat andere collega’s die weer kwamen weghalen omdat ze in hún lokaal óók met een computertoets bezig waren waar ze tegen de zelfde problemen aanliepen als ik, ging voor de laatste leerling de toets pas na één uur van start…..

Inmiddels was ik in een toestand beland waarbij geüniformeerde personen mij vastgesjord in een dwangbuis wederrechtelijk naar de dichtstbijzijnde gesloten psychiatrische inrichting mochten vervoeren, om daar de rest van mijn leven vredig eendjes te voeren en te wachten op een lieftallige en vooral rondborstige zuster die mij mijn middagpap tussen het Hannibal Lecter-masker door zou proppen.

Dit stukje komt dus nu tot u vanuit mijn hel verlichte en zwaarbewaakte cel in het Pieter Baancentrum of waar ik ook zit opgesloten. Ik droom daar van scholen waar leerlingen hun eigen hardware meenemen, of dat nu een iPad, een Chromebook, een Smartwatch, een Google Glass of een oude Commodore 64 is ( ik heb compleet geestverruimende ervaring met alle genoemde apparaten ), áls ze maar een niveautest op ouderwets papier of desnoods een griffel en een lei mogen maken. Ik droom ook van onderwijs- en ict-adviseurs, die in hun argeloze onschuld mij in mijn cel durven te benaderen, met uitgestoken hand door de tralies. Ik droom verder nog van de volgende zomervakantie, vanaf heden nog 42 weken 😉

Voor een bezoekregeling met mij of voor vragen over dit stukje, of voor mijn onderwijs- en ict-adviezen ( want het kan écht veel mooier, beter en vooral: voordeliger ), dient u contact op te nemen met mijn geestelijk begeleidster, mevrouw Clarice Starling. Verder mag ik hier ook twitteren, dus dan blijft u op de hoogte. Mét een korrel zout graag.

Yessss! Geslaagt!

neanderthaler

Waarschuwing vooraf: een saai stukje, dit keer.

Is het fatsoenlijk en foutloos Nederlands reddeloos verloren? De Nederlandse taal is een monumentaal pand in staat van ernstig verval. Nu mag ik graag een beetje chargeren, dus onderstaand artikel is dan ook vooral bedoeld om wat discussie uit te lokken.

Examentijd nadert. Straks op Twitter: “Ik ben geslaagt!”
Docenten Nederlands doen hun uiterste best om te redden wat er te redden valt, maar een monumentaal pand waar enige tientallen jaren geen fatsoenlijk onderhoud aan is gepleegd, is niet zo één twee drie te restaureren, zéker niet wanneer je het werk door een wat louche clubje vage ambachtslieden laat doen. Het werk van Beun de Haas lijkt met het vorderen der jaren tot steeds groter instortingsgevaar te leiden.
Laat ik even benadrukken dat de meeste docenten Nederlands geen blaam treft. Wacht dus nog even met het uitstrooien van pek en veren over ondergetekende.
De oorzaken liggen vooral elders: gebrekkig taalonderwijs in het basisonderwijs, en gebrekkig taalonderwijs in het hbo. Daarnaast worden leerlingen steeds meer geconfronteerd met foutieve taaluitingen in de media. De enkele leerling die nog wel eens nieuws leest, doet dat bijvoorbeeld op zijn mobieltje, en komt dan vanzelf uit bij sites als Nu.nl. Wie daar geregeld met een deskundig oog de geplaatste schrijfseltjes beziet, zal niets meer kunnen doen dan wanhopig en in overspannen toestand het pand verlaten, om vervolgens nooit meer teruggevonden te worden.
Een doorsnee-leerling echter, en ook een doorsnee-docent, -ouder , -volwassene zal echter genoegen nemen met het bedroevende niveau, en zich totaal niet bewust zijn van de overdaad aan fouten die daar en ook elders wordt uitgestort. Men heeft immers nooit geleerd, of nooit begrepen, dat dit fout is. Een steeds groter wordende groep zal zich dus een gebrekkig Nederlands eigen maken, en dit ook weer doorgeven aan een volgende generatie.
We zakken dus steeds verder af naar een vorm waarbij we communiceren middels symbooltjes en uitingen van maximaal 140 tekens. Fokking vèt, zullen we maar zeggen. En dat is fatsoenlijk Nederlands, want de deelnemers aan Utopia bezigen deze uitdrukking ongeveer elke 10 seconden, dus wie is de docent Nederlands dan helemaal om daar wat van te zeggen?
Zolang dagelijks tussen de 800.000 en 1 miljoen Nederlanders naar dergelijke programma’s kijken en het taalgebruik klakkeloos kopiëren voorzie ik een moeizame restauratie van het gebouw, en eigenlijk verwacht ik binnen afzienbare tijd een verdere ineenstorting tot een gammel hutje op de hei. Daarin is geen plaats voor het lezen van boeken, tenzij we de biografie van Badr Hari of Barbie tot literaire hoogstandjes gaan rekenen, iets wat ik niet geheel onmogelijk acht, gezien de aandacht die dergelijke uitgaven krijgen.
Er ligt dus een schone taak in het verschiet. Gaan we dit nog redden? Voorlopig niet. Er wordt een generatie docenten gekweekt die zélf de Nederlandse taal niet goed meer beheerst. Die niet is opgegroeid met het lezen van écht literair werk. Een generatie die niet is behept met een flinke berg geestelijke bagage die nu eenmaal nodig is om op allerlei gebieden mee te kunnen denken en mee te kunnen praten. Die afhankelijk is van Google. Die zonder Tomtom reddeloos door de wereld doolt. Die lesmateriaal schrijft waarin gruwelijke taalfouten zitten als: “Ik heb het werk uitgedeeldt”. Die je nauwelijks vier jaar geleden nog met een onvoldoende voor Nederlands uitzwaaide en die nu als collega naast je in de docentenkamer het foebel van het afgelopen weekend bespreekt. Op hun vakkennis is vermoedelijk niets aan te merken; ik kan dat niet beoordelen. Het zijn ongetwijfeld goede docenten op hun vakgebied. Maar treden we daarbuiten, dan gaat het bij velen mis.
Ik pleit, hopeloos ouderwets, voor het instampen van een veel grotere hoeveelheid geestelijke bagage, waarbij we weer het uiterste vragen van algemene kennis en taalvaardigheid. Waarbij het onderwijs niet meer “vét leuk en kicken” moet zijn, maar waarbij we eindelijk weer eens echt gaan leren en hoge eisen stellen aan onszelf. Voor minder doen we het niet. En dat is geen Utopia

Insomnia

Naarmate een mens ouder wordt, schijnt die mens minder behoefte te hebben aan slaap. Ik ben dus ook zo’n ouder wordend persoon, en op mijn zestigste gaat de aanname voor mij inderdaad op. Je krijgt op een gegeven moment iets hijgerigs over je, zo van dit wil ik nog en dat wil ik nog voordat ik in een verzorgingsgesticht voor hinderlijk in de maatschappij aanwezige ouderen wordt opgesloten. De nacht wordt dan ook een beetje een storende onderbreking van alles wat je nog wilt doen als je later groot bent.

Daar komt nog bij dat de moderne mens, zelfs de oudere, de beschikking heeft over andere middelen dan alleen maar een saai boek ( waar je dan weer snel door in slaap valt ) en een leeslampje. Beide zijn niet meer nodig, want we hebben immers ons mobieltje, onze nieuwe levensader, bij de hand. En daarop is licht, is nieuws, zijn boeken en zijn mensen, van wie er altijd wel enkele ook op datzelfde moment last hebben van slapeloosheid of die gewoon aan het werk zijn. Nu zit ik in het onderwijs, en het is opvallend hoe veel collega’s in het holst van de nacht op Twitter nog reppen van nakijkwerk, van boeiende docentenlectuur die ze aan het lezen zijn, van onderwijsvernieuwingen of onderwijsafbrekingen, en van hun afschuw over het huidige kabinet. Het heeft iets van helemaal aan het einde van de dag nog zorgen dat je even langs het kantoortje van een over jou gestelde onderwijsmeerdere loopt, in de hoop dat die zal opmerken en onthouden dat je nog heel laat aan het werk bent, in tegenstelling tot de vrijdagmiddagen, waar je op veel scholen een kanon kunt afschieten.

Nu ben ik dus van gevorderde datum, én man, en dat houdt in dat je er ’s nachts wel eens uit moet om aan bepaalde drang gevolg te geven, wil je tenminste niet het gevoel hebben wat je midden in de nacht in de tent op de camping wel eens hebt: zal ik nu wel of niet gaan pissen, en als ik dat wél doe is het weer zo’n enorm geheister met die slaapzak en die ritsen en moet ik me dan wel of niet helemaal aankleden en dan over dat koude gras met closetrol onder de arm ( die steevast in het bedauwde gras valt ) naar het pleegebouwtje of zal ik het maar achter de tent tegen de struikjes gaan doen met het risico dat een of andere oplettend type je met een Mag Light in het volle licht tentoonspreidt terwijl je daar in je blote togus niet snel genoeg kunt stoppen met plassen want je prostaat is immers als zestig.
Wanneer je dus eindelijk weer in je koud geworden bed ligt, ben je wél klaarwakker, en grijp je dus naar je mobiel.

De meeste nachtelijke tweets hebben een luchtig karakter – het hangt er ook een beetje van af wie je volgt natuurlijk – maar soms komt er eentje langs waar een wereld van narigheid of wanhoop achter lijkt te zitten, en dan vormen Facebook en Twitter wel een vrij treurige omgeving om daar uiting aan te geven.   Nu zoeken de mopperaars, de wereldverbeteraars en de lichtvoetigen van geest elkaar, net als in de echte wereld , wel op dus er zijn altijd lieden die troost of vermaak kunnen bieden. In 140 tekens, dat wel, dus je kiest je woorden ook nog eens met zorg. Ik reken mijzelf geregeld tot de mopperaars en de klagers ( volgens mijn vrouw altijd ) , dus kan ik heerlijk zwelgen in allerlei leed en tandengekners.

Elk mens heeft zelfbevestiging nodig, en dat is natuurlijk ook een van de redenen waarom men op twitter gaat en noestig volgers bijeen spaart. Vroeger speldjes en Flippo’s, nu draait het om volgers, en die sprokkel je bij elkaar door iets zinnigs te zeggen, in wat voor vorm dan ook. Bijna 1900 mensen vinden mij, oude zeur, brompot en mopperaar, blijkbaar zinnig, terwijl zij zelf gezien hun tweets vaak tot de groep met een wat opgewektere levenshouding behoren, iets wat ik mij natuurlijk nauwelijks kan voorstellen, dat begrijpt u wel.
nachtMensen gaan bij het zoeken naar contacten in eerste instantie voor het uiterlijk, ook al is dat vaak maar een indruk van niet meer dan enkele seconden. Nu zegt dat op Twitter en andere social media niet veel, want iedereen kan elke willekeurige identiteit met elk gewenst fantastisch uiterlijk aannemen, en je weet dus nooit helemaal zeker met wie je nu eigenlijk echt te doen hebt. Misschien ben ik wel een strakke jonge ge-tepelpiercte en getatoueerde  blondine met een IQ van 60 die is afgewezen voor het programma Utopia wegens té intellectueel. Je moet dus afgaan op de teksten en de eventuele foto’s die bij tweets geplaatst zijn. Daarin verraadt men zijn of haar persoonlijkheid.   Zo is Twitter een exacte kopie van de werkelijkheid, eentje met diverse sociale lagen waarbij we ons in ons eigen laagje het prettigst voelen, maar waarbij het meer dan in de werkelijkheid veel makkelijker is om eens een kijkje in bijvoorbeeld een tokkie-leven te nemen. Dat laatste kan voor sommigen nog wel eens een schok zijn. Docenten moeten voor de aardigheid eens zoeken op de hashtag #kutschool, waarbij je ook #kutsgool niet moet vergeten, want qua spelling hollen we nogal achteruit. Zij zullen zich vervolgens afvragen in wat voor levensgevaarlijke omgeving zij eigenlijk hun dagelijks werk doen, iets om werkelijk gehéé slapeloze nachten  van te krijgen.

Wat nog het meest zegt over de persoon op Twitter, wordt gevormd door de foto’s. Een beeld zegt meer dan woorden, en nu begeef ik mij op glad ijs, want bij vrouwen zie je dan vooral foto’s van kleding, de kinderen, bloemetjes en plantjes in en om de tuin, iets wat ze vandaag gekocht hebben ( een tas of zo ), een enge levende spin op het plafond, mooie plaatjes met mooie dichtregels en vooral: heel veel eten. Allerlei gerechten passeren de revue, ontelbare glazen wijn, liflafjes, de kerst- en paasdissen en de terrasjes met koffie en gebak in het zonnetje. Hoe zoet is het leven.
De mannen in mijn timeline gaan in het algemeen voor het ruigere en zwaardere en meestal saaiere werk: auto’s, politieke spotprenten, een kantooromgeving, een foto van de file waar ze in staan, eentje die heel veel ( meestal dikke ) damesbillen plaatst, statistieken uit de krant, en foto’s van computers, een platgeslagen spin op het plafond, mobieltjes of andere dingen met veel knopjes. Zélden plaatsen mannen een gevoelige tweet, er is opvallend weinig geklaag over exen of lichamelijke kwalen. Wel veel geneuzel over foebel, daar hoor je vrouwen gelukkig nou nooit over.  De zondag is met alle sport-tweets soms een bezoeking.
Wat mannen en vrouwen bindt, zijn de tv-programma’s. We zitten dan met z’n allen in de digitale kroeg naar de buis te staren, en spuien een stroom van commentaar.

Hoe veilig allemaal, want we kunnen ons mobieltje weg leggen wanneer we willen, tot we midden in de nacht ineens behoefte hebben om gehoord te worden, écht gehoord. En inderdaad, soms luistert er dan iemand, een echt persoon, en die geeft nog antwoord ook. Op internet ben je nooit alleen, ook niet midden in de nacht.

 

Paniektoets

modernteacherIk wil zo’n Segway, zo’n ding op twee van die wieltjes waar hippe dertigers met een trimbaardje flierefluitend tijdens congressen van de ene na de andere zaal zoeven, zo’n Segway waarvan de uitvinder met apparaat en al  van een Britse klif gedonderd schijnt te zijn, een voortijdige dood tegemoet.

Onze school is namelijk verbouwd; zoiets brengt kansen en uitdagingen met zich mee, zo denkt de architect. Het is altijd heel stimulerend om in een andere omgeving iets nieuws te beginnen. Nu ben ik zestig, dus dat nieuwe is volledig uitgesloten, want te duur, te verzuurd, te onhip en ook niet meer bij de tijd. ’t Blijft dus bij de omgeving. Wij komen voortaan in stijl het pand binnen, over een wijds plein, omzoomd door gazons; zo betreden wij het lichte leer-werkplein, waar de coach ( de leraar ) en de stakeholder ( de leerling ) elkaar in ontspannen samenzijn begroeten en de werksituatie voor de komende dag in de digitale agenda’s afstemmen en tevens de leervraag bepalen om tot een plan van aanpak te komen.
Door al die verbouwingen kan het dus maar zó zijn,  dat je flinke afstanden in ruimte en tijd dient af te leggen wanneer je bijvoorbeeld je pakje brood in je fietstas hebt laten zitten, of wanneer je je verbindingskabeltje voor het nieuwe trendy touchscreen op je bureau hebt laten liggen. Op mijn leeftijd -strompelend, onderweg een paar keer oponthoud voor een plaspauze en lang nadruppelen- kom je dus buiten adem na 10 minuten terug in je lokaal, de klas in totale ontreddering óf geheel verdiept in Facebook gekluisterd aan. Die ontreddering en Facebook vormen eigenlijk één en de zelfde geestelijk labiele toestand, dus dát maakt verder niet uit. Ons leven is gekrompen tot een schermformaat van maximaal 17″. Met een Segway zou ik dan fris en fruitig mijn rentree maken, en bovendien nog eens een diép hippe indruk op het jonge volkje. Kijk die ouwe vent toch!

Afgelopen week in zo’n vér-weg-van-alles-lokaal dus een toets. In nieuwe stijl, dus digitaal. Geen echte, maar een proeftoets, van meneer CITO, die ook in het MBO een graantje meepikt. Nu was de vorige proeftoets op hopeloze wijze in het honderd gelopen door onwillige razend dure ict-systemen, en de toorn van onze staatssecretaris indachtig, besloot men geheel in stijl met het overvoeren met toetsen, tot een nieuwe proeftoets.  Die wierp zijn schaduwen al weken vooruit, in de vorm van vele mailtjes met instructies en protocollen. Docenten, toa’s, klassen, lokalen, alles werd gemobiliseerd om de nieuwe proeftoets tot een feestelijk einde te brengen. Ook mondeling kreeg Wauwel nog de nodige instructies, die inmiddels wat tegenstrijdig leken te worden naarmate de spanning steeg, maar men moet dat soort dingen ruim zien. Alle leerlingen op het hart gedrukt een koptelefoontje mee te nemen, dus waren er toch zeker een stuk of  acht die dat vergeten waren.
Het moment supréme was daar. Verdeeld over twee lokalen, strategisch in de deuropening staand, hield een batterij collega’s toezicht op een ordentelijk verloop van zaken, die deden denken aan de voorbereidingen voor een ernstig Navo-ingrijpen in het Midden-Oosten.  Alle telefoontjes uit, in te leveren in bakken die er niet waren, plaats te nemen achter uniek genummerde computers die geen nummer hadden, stipt om veertienhonderd uur. Met de collega’s van systeembeheer rende ik als een bezetene heen en weer om ook alle niet-gebruikte computers op te starten, want de test was ook bedoeld om te kijken of het netwerk de plotselinge piek wel kon doorstaan en niet – zoals een vorige keer-  reutelend tot stilstand zou komen.  Na ongeveer een kwartier en zenuwachtig geritsel met protocollen, waarbij ook zelfs lieden van het management een keurend oog in de lokalen lieten vallen, zat iedereen startklaar.  Als de inspéctie dit nou toch eens had mogen meemaken. Mijn hart bonkt als een stoommachine, het is verschrikkelijk heet in het lokaal, met al die draaiende computers, want deze ruimte is hightech, met alles automatisch en ramen die niet meer open mogen, want dan ontregelt het systeem en dan wordt de architect boos.
“Denk er aan, jongelui, je moeten NU allemaal tegelijk op ‘Laden’ klikken, maar daarna mag je beslist nog niet op ‘Starten’ klikken, want dan mislukt de test! Dus, ik herhaal, ALLEEN op ‘Laden’ klikken en daarna WACHTEN op ons signaal!”
Na nog eens vijf minuten leken de meeste toetsen geladen. Wonderbaarlijk trouwens, hoe stoïcijns de leerlingen alles over zich heen lieten komen: het onderwijzend personeel op de grens van een hysterische aanval, de leerlingen relaxed onderuit, heen en weer schuivend op hun stoel en met hun muis. Kijk die ouwe eens druk doen.
“NOG NIET OP STARTEN KLIKKEN MENSEN, DAN MISLUKT DE TEST! NOG EVEN WACHTEN!”

Een vinger gaat omhoog. “Ja, jongen?”

“Meneer, ik heb per ongeluk op ‘Starten’ geklikt!”.

Ach, wat maakt het ook uit. Gezegend zij het digitale onderwijs. “Geen paniek jongen, het komt goed! Ga je gang maar allemaal!”

Bedank je leraar. Dank je stichtelijk

Het is bijna Dag van de Leraar. Mijn vrouw en ik in juichstemming, want beiden docent. Na weer een jaar lang door Den Haag als het kneusje en het afvoerputje van de maatschappij te zijn weggezet, mogen we op de Dag van de Leraar weer van ons One Day Moment of Fame genieten, en worden we in de aanloop daar naar toe bestookt met tweets van het Ministerie van Onderwijs:
bedankjeleraarAl 1400 Nederlanders, op een bevolking van ruim 16 miljoen, en bij die 1400 natuurlijk ook een stoetje politici en BN-ers die allemaal het vriendelijke doch dringende verzoekje hebben gekregen om iets zinnigs over hun oude ( maar vooral niet té oude want niet hip) leraar te zeggen.

Terwijl ik dit schrijf is mijn vrouw, twee dagen per week werkzaam in het basisonderwijs, bezig een nieuw computerprogramma te doorgronden. Ga naar de site van BlaBla, vul je gebruikersgegevens in, en bewerk de leerlingenkaarten. Twintig minuten per leerlingenkaart, maar goed, dat zal de gewenning zijn.. Daarna de lesvoorbereiding voor maandag, de gegevens op het klasse-intranet aanpassen en op de schoolsite met weer andere inloggegevens, dan de correctie , dan de overlegmail voor de collega die de andere dagen van de week werkt, en vandaag dan maar niet naar de theatervoorstelling waar de school bij betrokken is, en afgelopen week op de vrije dagen maar eens niet naar het schoolkorfbaltournooi in de avonduren want op de andere vrije dag al weer naar een instructie van nóg een ander computerprogramma waar schoolbesturen zo graag mee lijken te pronken geweest.  Volgt u me nog? ’t Is soms wat warrig ja, in het onderwijs.

Gelukkig kunnen we ons in onze vrije tijd helemaal suf vermaken met lesjes in elkaar knutselen voor het digibord, of congressen bezoeken met inspirerende sprekers, of kunnen we ons nascholen middels een overvloed aan cursussen zoals bijvoorbeeld de cursus “Informeel Partnerschap met Ouders van Schoolgaande Kinderen”, waarbij ook de “Vijfstappendans” besproken en geoefend zal worden.
Zelf zou ik – als ik mij verveel- om de twee jaar voor de herhalingscursus voor gecertificeerde assessoren kunnen opdraven, want hoe je met behulp van een aftekenlijst met daarop 80 punten  moet leren hoe je een leerling moet beoordelen die voor zijn of haar Criterium Gerichte Interview  op de juiste ergonomisch verantwoorde wijze een paaltje in de grond slaat, zoiets is natuurlijk steeds aan verandering onderhevig.

Gelukkig kom ik daar niet aan toe. Ik geef namelijk Nederlands op een MBO, en een examenklas krijgt dat vak 18 weken lang gedurende twee uur per week. Van de inspectie moet ik in die 18 weken 5 toetsen afnemen en beoordelen, natuurlijk ook weer aan de hand van uitgebreide lijsten. Ze krijgen Kwalificerende toetsen Schrijven ( “Trek  per onderdeel niet meer dan 5 punten voor schrijffouten af”). Verder mogen ze gedurende de toets “Gesprekken voeren” 20 minuten met elkaar over koetjes en kalfjes praten, waarbij ik beoordeel , en ze mogen ook een praatje alleen houden, in de toets “Spreken”. Ter verhoging van de feestvreugde moet daarna ook nog getoetst worden op “Lezen” en “Luisteren”. Op de computer natuurlijk, en de avond ervoor maar een rituele dans uitvoeren om de computergoden gunstig te stemmen in de hoop dat de boel niet wéér uit valt.

Zo’n druk toetsschema is wel handig, want aan gewoon lesgeven en theorie behandelen kom je eigenlijk niet meer toe. De uitleg van het Kofschip -“Huh? Nog nooit van gehoord meneer! “-  aan de eindexamenleerlingen  komt er dus wat bekaaid van af. Alle resultaten moet ik vervolgens invoeren in computerprogramma nummer zoveel ( een beetje docent werkt tegenwoordig met vijf verschillende systemen waar iets ingevoerd moet worden ) .
invoerenIk log in, zoek naar cohort, prestatiedossier, bekijk de relaties, de resultaatstructuren, beheer de signalen, check de signaleringsgroepen, controleer de signaleringsdeelnemers, bekijk de toetsfilters en voor de zekerheid werp ik nog een blik op de homepage settings.

Buiten de lessen om hebben we dan nog gesprekjes met onze leerlingen: “Juf, ik moet iets heel ergs vertellen; mijn ouders zeggen dat als ik me zo blijf gedragen, dat ik dan naar een pleeggezin moet en dat gezin is heel erg streng. Wat moet ik nu?”  en “Meneer, ik ben vanmorgen door mijn ouders het huis uit geschopt en mijn boeken liggen nog thuis en ik zie het allemaal dus echt niet meer zitten”. Ondertussen moet je eigenlijk naar een vergadering.

We worden dus bedankt. We krijgen misschien een gebakje, en op dat moment van grenzeloos genot vind je misschien even tijd om met de ambulant begeleider van rugzakleerling nummer 21 te praten, want die leerling heeft in de les veel prikkels nodig, en dat wordt een beetje lastig als die leerling naast een andere leerling zit die absoluut niet te veel prikkels kan verdragen.

Misschien blijft er aan het einde van de dag nog een momentje over om in de media te lezen dat we het helemaal niet goed doen, dat we ouderwets bezig zijn, dat we altijd maar zeuren, dat we een hekel hebben aan vernieuwingen, dat we onze targets niet halen, dat we te lange vakanties hebben, dat we ongeveer achterlijk zijn omdat we niet juichend met een iPad door de klas lopen te zwaaien. Dat we veel meer naar hippe onderwijsadviseurs en -vernieuwers moeten luisteren, dat we ‘quick wins’  moeten creëren, dat we meer aan brainstormsessies en met-de-benen-op-tafel-sessies mee moeten doen, dat we koplopers moeten zijn, dat we visie moeten hebben en inspiratie moeten opdoen, dat we kansen en uitdagingen in plaats van bedreigingen moeten zien.

Zeur ik nu? Vermoedelijk wel. Zo af en toe is dat gewoon even nodig. Maar maandag, op de Dag van de Leraar, als ik mijn gebakje naar binnen heb gewerkt, en weer eenmaal voor de klas sta en  dan ben ik weer in mijn element. Tussen mijn leerlingen, ver weg van alle rompslomp. Gewoon lekker lesgeven en lekker werken. En dat doen ze eigenlijk best wel graag.