Recept voor de eeuwige jeugd: onderwijs

Voor wie het nog niet wist: ik kan u een blijde mare verkondigen. Het middel om eeuwig – nou ja, een beetje eeuwig – jong te blijven bestaat en het heet onderwijs. Je moet het wel een beetje in de vingers hebben, want boze tongen beweren bijvoorbeeld dat je het op de lerarenopleidingen niet meer leert. Daar zit soms een kern van waarheid in, maar dat weegt allemaal niet op tegen de voordelen van het eeuwig jong zijn. Heb je zo’n opleiding eenmaal afgerond ( je bent geslaagd voor de reken- en taal-toelatingstesten, je hebt wat verdere theorie geleerd en wat dingen over lesgeven ) dan begint de eeuwige jeugd. Je moet dan nog een beetje orde leren houden en zo, en eigenlijk bijscholen tot in lengte van dagen – geen probleem bij eeuwig leven- ; je moet zorgen dat je het management niet teveel voor de voeten loopt, dat je op tijd je pip- pop- en pap-formuliertjes invult. Dat zijn wat hinderlijke bijkomstigheden.

Het eigenlijke recept krijg je elke dag toegediend op het moment dat je de klas in stapt: voor jou alziende docentenblik ontrolt zich een boeiend landschap gevuld met jongeren van allerlei pluimage, in mijn geval een doorsnee MBO-schoolbevolking: allemaal het mobieltje in of bij de hand, petjes, jassen aan, en allemaal in de bloei van hun leven en vaak ook nog eens in een wolk van gierende hormonen, waar elke puber vroeg of laat door heen gaat. Nu verkeer ik wel in de gelukkige omstandigheid dat ik op een school werk waar eigenlijk nooit narigheid in de vorm van vechten, diefstal en andere onbetamelijke zaken gebeurt. Het mag wel even een keer gezegd worden: het Groenhorst College in Barneveld   ( ik ben niet zo van de reclame, maar soms ontkom je er niet aan ). Bij ons geen beveiligingspoortjes, geen bewakers, geen bedreigingen en niet al te veel nare filmpjes op YouTube.

Gebeurt er dan helemaal niks? Natuurlijk wel; ook bij ons zitten leerlingen die hun portie narigheid met zich meenemen, net als op elke andere ROC of AOC. Vaak zit die narigheid echter vooral van binnen, en uit het zich niet in irritant gedrag. Ik hoef hier niet het hele scala aan problemen op te noemen waar een helaas toenemend aantal pubers onder te lijden heeft, maar in mijn onderwijsloopbaan sinds 1976 heb ik wel zo ongeveer alles wat je je kunt voorstellen zien langskomen, en je kunt je gelukkig prijzen dat jouw kinderen bepaalde dingen niet meegemaakt hebben. Jongeren lopen daar niet altijd mee te koop, de steeds hardere en ik-gerichte maatschappij laat dat niet toe, maar uiten doen ze het wel: bijvoorbeeld in de vorm van irritant gedrag in allerlei variaties.
Soms krijg je een grote mond van een leerling, soms is er eentje volledig onhandelbaar. Korte lontjes, niet in de hand houden, direct weggooien. Na de knal blijkt het eigenlijk vuur al lang ergens anders gesmeuld te hebben, soms heel lang, en dat hoor je dan via een omweg als zo’n woedeuitbarsting, of tijdens een presentatie over de gevaren van alcoholmisbruik, waarbij dan blijkt dat de beschreven verslaafde met Korsakov de vader van die leerling is.

Hoe naar ook: dat zijn de verborgen parels in de oesters van het onderwijs. Bij het dieper duiken kom je elke dag schatten tegen. Een grote,  vriendelijke slungel van een knaap die je tijdens het mee fietsen naar een andere locatie onbeholpen meedeelt dat hij eigenlijk gameverslaafd is, écht gameverslaafd, omdat hij anders zo gaat zitten nadenken en piekeren over alle spoken in de geest die op hem af komen, en dat hij daar niet echt met anderen over kan praten.  Op sommige monenten zou je al die leerlingen een knuffel willen geven of hen in je huis een veilig en vooral zorgeloos onderdak willen bieden.
Er zijn meer parels, ook wanneer het niet om persoonlijke narigheid gaat: dat bijdehante meisje, dat jou elke keer op een leuke manier gevat van repliek dient, zodat je soms met je mond vol tanden staat. Het spel met woorden en taal, en de ervaring dat ze toch allemaal graag iets willen leren en best wel hard werken voor een cijfer. Het figuurlijke schouderklopje wat je ze geregeld moet geven, niet uit gewoonte, maar omdat ze het verdienen. Je ziet ze glunderen en gloeien wanneer je iets leuks zegt over hun uiterlijk, wanneer je interesse toont in wat voor appjes ze op hun mobieltje hebben, en wanneer je weet wie er de finale van één van die vreselijke talentenshows waarmee we worden doodgegooid, heeft gewonnen.  Op schoolfeesten laat je een enorme geluidsbrij gelaten over je heen komen, en afhankelijk van je leeftijd – boven de dertig ben je hoogbejaard – dans je nog wat mee. “U was er gisteravond ook, hè, meneer!”

Je moet voortdurend op je tenen lopen, voortdurend alert zijn. Er wordt op jou gelet. Ze zien aan de naad van je spijkerbroek welk merk het is, en ze vragen onverbloemd waarom je dezelfde blouse als eergisteren aanhad. Het is dus voortdurend investeren, en zonder een goede duikuitrusting ga je die parels dus niet vinden.  Er zijn momenten waarop je je dodelijk vermoeid voelt. Eindeloze vergaderingen, onafzienbare bergen administratieve rompslomp, stompzinnige formulieren uit de koker van bureaus die op Mars lijken te staan.
Maar eenmaal voor die klas, én wanneer je het in je vingers hebt, laaf je je weer aan de jeugd en haal je er je deel vandaan.

Een redelijk lyrisch stukje, zie daar het effect van een dagje lesgeven 🙂  Het werkt dus. Werken in het onderwijs houdt je dus jong, alleen jammer dat onze regering dat maar steeds niet wil inzien, en de omstandigheden waaronder dat werken moet gebeuren, steeds verder verzwaart. Zeker nooit jong geweest, die lui.

Diploma

Hoeveel hoogtepunten heeft een mens eigenlijk in zijn leven? En hoeveel dieptepunten staan daar eigenlijk tegenover? En, naarmate dat leven verder gaat, beleef je dan meer diepte- dan hoogtepunten?  Het vervelende van hoogtepunten is, dat je die niet altijd beseft op de momenten dat ze plaats vinden; meestal denk je pas achteraf van ‘had ik maar meer’. Die dieptepunten, die hakken er vaak veel meer in. In de afgelopen weken was ik bij twee begrafenissen: de ene van een jonge moeder die vier kleine kinderen en een steeds zieker wordende , dove man in een rolstoel achterliet. Zij had zo dolgraag nog heel veel hoogtepunten willen meemaken in het leven wat nog voor haar lag. Als je jong bent, lijkt daar geen einde aan te komen. De andere begrafenis was van een leerling, nog veel jonger, 19 jaar oud, die in zijn leven wat nog voor hem lag alleen nog maar dieptepunten zag en besloot dat niet meer mee te willen maken. Een dieper dieptepunt bestaat er niet, een eindpunt is het na een veel te korte reis. Twee jaar verwijderd nog slechts, van een van de eerste hoogtepunten die je als jongere, met de toekomst nog voor je, kunt meemaken, namelijk de uitreiking van je diploma.  Het onbeschrijfelijke gevoel van vrijheid wat je ervaart met dat papiertje in je handen, de eindeloos lijkende grote vakantie in het vooruitzicht met de verre reizen en de volgende stap – een studie, een baan – in het verschiet.

Alles kan, alles is mogelijk, je bent maar één keer jong. Gelukkig kunnen we niet in de toekomst kijken, en gelukzalig staan we met de klas op de foto die nog één keer met z’n allen samen gemaakt wordt. Ik heb een oude klassenfoto die kort voor de oorlog is gemaakt in toenmalig Nederlands-Indië. De klas, leerlingen met verwachtingsvolle en ernstige blikken, geschaard om hun onderwijzer, trots in het midden. Drie jaar later zou die man in een kamp door de Japanners onthoofd worden.

Iedereen op z’n paasbest, zoals ik gister weer heb kunnen constateren bij de diploma-uitreiking van mijn laatste nog thuiswonende dochter. Een hoogtepunt om trots op te zijn, en dat er nog vele mogen komen.  Nu verkeer ik in de gelukkige omstandigheid dat ik dit jaarlijks kan meemaken, ook al zijn dat niet mijn eigen kinderen. Toch zijn daar ook elk jaar weer leerlingen bij, waarvan je later hoort: die jongen ligt nu in een ziekenhuis, met een enrstige hersentumor, dat meisje is in de prostitutie terechtkomen, en die leerling wordt mishandeld door haar vriend. Er zijn er bij, waarvan je bij het schoolverlaten al van te voren weet: dat wordt nooit wat, die gaan het niet redden in deze maatschappij, die niet iedereen met open armen ontvangt. Voor hen bestaat het leven enkel uit een aaneenschakeling van dieptepunten, ondanks een diploma tóch gezakt. Zo’n uitreiking van een diploma is dan zo’n beetje gelijk het laatste hoogtepunt.
Feestvieren dus, zolang dat nog kan, genieten zolang dat nog kan, en jong zijn zolang dat nog kan. Zorgeloos zolang het nog kan. Wat dat betreft is het werken in het onderwijs een fantastische baan. Je werkt met kinderen die – in het algemeen dan – redelijk zorgeloos door de wereld gaan, en dat stralen ze uit en daar laaf je je aan. Die dieptepunten soms, ja, die horen er helaas wel bij, maar die jaarlijks hoogtepunten bij een diploma maken alles weer goed.

Voeg jij me effe toe

Het ideale middel om tot op hoge leeftijd jong ( en eventueel wild ) te blijven bestaat, en het heet: onderwijs. Niets houdt de mens zo fris en fruitig als de omgang met leerlingen, dus wat dat betreft kan ik iedereen een baan in dit dynamische wereldje aanraden. U bent altijd op de hoogte van de laatste trends en ontwikkelingen op mode- en muziekgebied, u ziet wat voor gadgets er op de markt zijn en u weet alles over tot voor kort raadselachtige termen als social media, Facebook , Twitter, WhatsApp en Draw something. U hoort over de laatste dancefestivals, welke lineup er staat, u weet alles van pilletjes, paddo’s, flashmobs, schuren, bubbelen en afterparty’s. Voor de basisschool gelden deze begrippen op een wat lager tandje, maar je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn. U herleeft uw jeugd en denkt de hele wereld aan te kunnen.

Nu zijn docenten door alle eeuwen heen echter ook de meest behoudende lieden op aarde, en ze lezen in het algemeen slechts één boek per jaar: de Elseviers Belansting Almanak ( dat laatste heb ik trouwens niet van mezelf, maar er zit soms een kern van waarheid in ). Naarmate ze ouder worden, verstart hun houding nog verder, en wars van alle vernieuwingen strompelen zij van weekend naar vakantie naar weekend naar pensioen. Zelf nader ik ook inmiddels die leeftijd, en mocht ik tot die tijd niet alsnog in totaal overspannen toestand het schoolpand hebben verlaten en in een gekkenhuis zijn beland, dan is het te verwachten dat ik net als velen met mij de hakken nog verder in het zand ga zetten en bij voorbaat overal tegen ben.

Tot de 21e eeuw zich aandiende, met als gruwelijke bijkomstigheid de social media als Twitter en Facebook. Je wilt als docent natuurlijk door je leerlingen voor zo jong mogelijk versleten worden en door je directie voor zo oud en breekbaar mogelijk en dus te ontzien, dus is het voor ons leraren een beetje schipperen geblazen. Er was een tijd dat een docent een persoon was die gezag uitstraalde en ontzag inboezemde, nu dien je – zo vinden sommigen – onder invloed van media, Den Haag, management en allerlei onderwijsadviesbureau’s zo laag en diep mogelijk tot het niveau van de leerling af te zakken en mag  je nog uitsluitend een soort voorzichtig begeleidende rol op je nemen. Dat wordt dus behoedzaam manouevreren tussen de oude en de nieuwe tijd. Wat kun je wel, wat kun je niet, wanneer verword je tot een potsierlijke clown?

Op Twitter ontstond gisteren een discussie over wat je je als docent kunt permitteren naar leerlingen toe wanneer je heel hip en vooruitstrevend besloten hebt om je nieuw aangeschafte mobieltje ook te benutten voor het contact met hen, binnen of buiten lesverband. Jongeren vinden het prachtig wanneer je op de hoogte bent van hun leefwereld, en je kunt je ongekend populair maken door met het momenteel meest begeerde mobieltje te gaan rondzwaaien.  Ze vinden het leuk wanneer je je een beetje vlot kleedt en er niet bij loopt als de typische docent in oude C&A-spijkerbroek, een flodderig ruitjesjasje met elleboogstukken en krijtstrepen en wat pennen uit de borstzak. Er wordt sterk op je gelet, en een beetje leerling ziet aan de stiknaad van je jeans welk merk het is en of dat nog wel verantwoord is of niet. Je krijgt dat dan ook terstond te horen, en moedeloos fiets je die dag naar huis omdat je blijkbaar net weer de verkeerde winkel bent binnengestapt voor je schaarse kledingaankopen.

Voor jonge docenten is het heel makkelijk en verleidelijk om volledig in de wereld van hun publiek mee en soms ook op te gaan; die wereld ligt immers nog maar kort achter hen. Voor ouderen, en dan bedoel ik boven de dertig, wat in de ogen van een leerling al stokoud is,  is  het lastiger. Laat je je nog bij je voornaam noemen, tutoyeer je elkaar of niet,  net zoals als het voor jongere docenten lastig is om met “u” en “Meneer” aangesproken te willen worden.
En er is meer: een beetje docent 2.0 zit tegenwoordig op Facebook en Twitter, en de wat behoudender types onder ons teren nog een beetje op Hyves. “O meneer, zit u op Facebook?”, en voor je het weet krijg je de mededeling dat die en die vrienden met je wil worden op Facebook, Hyves of dat je door je klas gevolgd wordt op Twitter. Vriend worden, met een leerling, in de toch wel behoorlijke anonimiteit van het internet, is iets anders dan vriendelijk zijn tegen diezelfde leerling in de vertrouwde omgeving van het klaslokaal. Voor een leerling is internet een deel van hun leefwereld, die betaat uit vrienden in real life en vrienden op Facebook, twee werelden die steeds nauwer met elkaar vervlochten zijn en waarin het begrip “vriend”een totaal andere betekenis heeft gekregen dan die wij er aan toekennen. Het is vooral een wereld van leeftijdgenoten, lotgenoten, soortgenoten; een wereld waar je je als school niet in moet mengen. In  de tijd dat een dagboek nog niet vervangen was door Twitter of een tijdlijn op Facebook, wilde je tenslotte ook niet dat je ouders of je leraar daar in ging zitten koekeloeren. In feite vraag je als leraar of je alles in de agenda of het mobieltje van de leerling mag bekijken. Je overschrijdt een onzichtbare maar duidelijke grens, die jouw wereld en die van de leerlingen scheidt.

Zie Twitter en Facebook als een enorme kroeg waar leerlingen buiten schooltijd in rond hangen, vaak dag en nacht. Stap je als onderwijsgevende in werkelijkheid de uitgaansgelegenheid van de leerlingen binnen wanneer ze daar op zaterdagavond aan het stappen zijn? Ik dacht het niet. Omgekeerd zit je er als docent ook niet op te wachten dat een leerling dag en nacht in de privé-sfeer van jouw woonkamer zit mee te gluren en alles ziet en weet wat je doet. Toch ben je daar wel mee bezig wanneer je leerlingen gaat volgen op Twitter of wanneer je ze een verzoekje om vriend te worden op Facebook stuurt. Omgekeerd ook, wanneer je op hun volg- of vriendschapsverzoek ingaat. Het is niet anders dan ’s avonds laat op de bank thuis met een leerling over allerlei zaken gaan telefoneren. Men zou raar opkijken.

Alles wat je op het internet plaatst, staat daar in principe voorgoed, en kan door anderen gebruikt of misbruikt worden. Een grappig bedoelde opmerking kan snel verkeerd worden uitgelegd en een geheel eigen leven gaan leiden, kan honderden malen geretweet worden naar alle vrienden van de leerlingen die dat ook weer naar hún vrienden door sturen, ook als je zelf de tweet al weer hebt verwijderd. Je loopt als docent voortdurend langs de rand van een afgrond die Facebook en Twitter heet, of  langs de grens van de docenten- en de leerlingenwereld. Blijf daar dus een beetje uit de buurt vandaan, wanneer je geen geldige reispapieren hebt.

Nooit meer of Facebook of op Twitter dan? Natuurlijk niet, beide zijn een bron van informatie en vermaak. Je kunt ook als docent op beide media contact met je leerlingen onderhouden, en ze fantastisch gebruiken bij je lessen. De mogelijkheden zijn enorm! Maar alleen met een duidelijk herkenbaar school-account, een officiële schoolfoto, onder strikte afspraken en protocollen die elk school dient vast te leggen, en spelregels die er voor zorgen dat je je privé en je werk op dit gebied strikt van elkaar gescheiden houdt. Dan maar wat minder vrienden en volgers op Facebook en Twitter. Een goede buur is beter dan een vage digitale vriend.

Hollands next top school!

Het onderwijs maakt barre tijden door. Her en der storten kolossen met donderend geraas ineen, hordes docenten, waardeloze diploma’s  en radeloze studenten met zich meenemend. Een enkeling, die de toorn van het Haagse  en die van Elias heeft doorstaan, grijpt nog naar een laatste strohalm die onlangs in de hysterische tombola van onderwijsideeën werd gelanceerd: de excellente school. We hadden al excellente leerkrachten, dus nu ook een school die blijkbaar al die lieden in zich dient te verenigen. Wanneer je dan de pech hebt om ergens in een achterstandswijk met moeite een redelijk veilig plekje aan een groepje hangleerlingen te bieden, en hun mogelijk ook nog een bescheiden plekje op de arbeidsmarkt in het vooruitzicht kan stellen, dan heb je wel pech, want ook wanneer je als school voor een dubbeltje geboren bent word je nooit tot de Haagse adelstand verheven. Om een en ander allemaal ordentelijk te laten verlopen heeft onze minister ook al vast een onafhankelijke jury in het leven geroepen. Ik zie daar naast de voorzitter, een heuse professor nota bene, een panel van deskundigen aanschuiven, lieden die natuurlijk ook iets met de jeugd van doen hebben. Marco Borsato, Jeroen van der Boom, Zanger Rinus bijvoorbeeld; allemaal aansprekende lieden die in meer of mindere mate een soort van schoolopleiding hebben gevolgd, dus al snel ter zaken kundig. Misschien kunnen Sterretje en Barbie uit Oh Oh Cherso ook nog even als mistery-guest aanschuiven, en dan sms-en maar mensen, de lijnen blijven nog een kwartier open, de kanshebbende directeuren en Colleges van Bestuur staan in innige omstrengeling, hand en hand en in angstige afwachting tot het publiek en de vakjury het verlossende woord hebben gesproken.  Het onderwijs u aangeboden door John de Mol. Het wordt een harde strijd, en de opdrachten voor de kandidaten zijn dan ook haast onmenselijk te noemen: prop bijvoorbeeld 45 leerlingen met allerlei gedragsstoornissen in een klas en probeer met zo weinig mogelijk geld en zo min mogelijk begeleiding de hoogste score van de CITO-toets of de PISA-ranglijst te halen in de snelste tijd tot nu toe. Afvallers worden genadeloos door de vakjury neergesabeld en verlaten in overspannen toestand het pand, gedoemd tot eeuwig competentiegericht lesgven in een achterstandswijk aan onwillige slagersleerlingen die tot hun eenentwintigste op school moeten blijven. De winnende school krijgt een contract, een hippe en kekke inrichting met veel ict-gadgets en jonge, flitsende en lekker  uitziende excellente docenten en docentes.

Dit kabinet lijkt er langzamerhand een halszaak van te maken om elke week wel weer met een wild plan op de proppen te komen, dat net als alle andere ten doel heeft onze positie op de wereldkennisranglijst te verstevigen en daarnaast de wat minder bedeelden nog verder in de modder te trappen. Men is verblind door resultaten, harde cijfertjes en nog hardere euro’s, en gaat daarbij over onderwijslijken. Scoren, scoren, of we de Olympische spelen op onderwijsgebied dan maar binnen proberen te halen, nu er inmiddels al 188 miljoen is weggegooid aan geldvretende lobby voor de echte Spelen.  School is geen sport, mevrouw Bijsterveldt, het gaat niet alleen maar om presteren, bijvoorbeeld tot je 21e terwijl je daar absoluut niet geschikt voor bent. En het geld wat men aan de excellente scholen besteedt, gaat dat bij de verliezers vandaan? Gaan we alleen nog met doping werken in deze tak van sport? Ook in de sport zijn er deelnemers die nooit hoger komen dan de eerste tree van het klimrek, of die de eerste de beste toegeworpen bal finaal door de vingers laten glippen, gewoon, omdat hun kwaliteiten elders liggen. Sport verbroedert en is goed voor lijf en leden, maar topsport kan verdwazen en leidt tot blessures. Dat kost nog veel meer.

Neandertaal

Zo af en toe is het nodig om in de klas een horrorverhaal te vertellen, om de aandacht erbij te houden en de orde te herstellen, zeg maar. Er was een klas die net van een zware toets terugkwam, dus de aandacht was niet optimaal. Scholen zouden daar trouwens eens een beetje meer naar moeten kijken: hoe, waar en bij wie, waarvoor en wanneer rooster je een klas in? Dat aspect stroomt nogal eens onder, in een tijd waarin alleen nog maar belangrijk is dat de absenties zijn ingevuld,  ook al is de hele schoolbevolking absent, en dat het rooster klopt, ook al heefrt het gros van de leerlingen vaak een spanningsboog van niet langer van 15 minuten, waarna men in een geestelijk en kwijlend wrak verandert. Onderwijs is verworden tot het aan de inspectie en directie tonen van kloppende lijstjes met cijfertjes en statistieken.

Maar ik dwaal weer helemaal af. Het ging over een horrorverhaal, en dat was mijn constatering een alinea eerder ook wel, maar dat sloeg niet op de situatie van dat moment. Ook weer om de inspectie te gerieven was ik mijn klasje aan het voorbereiden op een zogenaamde “Kwalificerende toets lezen, niveau 2F”. Men krijgt daartoe een stapeltje teksten onder de neus ( zowaar niet digitaal, werkelijk een unicum)  plus een aantal blaadjes met multiple choice-vragen. Dat laatste is fijn, want uit de media konden we afgelopen dagen vernemen dat het handschrift van veel leerlingen is gedegradeerd tot een soort rudimentair gekras; dit alles veroorzaakt door het veelvuldig gebruik van mobieltje, tablet en – heel ouderwetsch – het toetsenbord. Komt daar dan ineens zo’n mastodont van een docent die zegt dat je een pen moet gaan pakken en een stuk op papier moet gaan schrijven, ja dat is vragen op problemen en vóór je het weet heb je dan woedende ouders of directie op je dak.

Nu hanteren veel pupillen hun schrijfgerei al alsof ze een kolenschop of een dood varken in de hand hebben, dus dat slechte handschrift is mij reeds tijden bekend. De trend is tegenwoordig ook een beetje van ‘als de bedoeling of de boodschap maar overkomt’ , dus je bent als docent snel geneigd het goede in de leerling te zoeken. Laatst moest ik een toets ‘brieven schrijven’ nakijken, waarin werd gesteld dat voor het onderdeel spelfouten maximaal 3 punten van het via uiterst ingewikkelde berekeningen te bepalen eindcijfer mochten worden afgetrokken. Gebruikt een leerling daar dus uitsluitend spijkerschrift, dan is het nog voldoende, als maar duidelijk is wat bedoeld wordt.

En wéér terug naar het horrorverhaal. Je hebt soms snel in de gaten of het toch niks meer wordt met de aandacht of niet, en soms ga je daar dan maar in mee. Ik vertelde van een documentaire die ik eens had gezien over een docent in Japan, maar het kan ook Korea geweest zijn. Hoe die man aan kwam wandelen door de gang, en een klas van een stuk of vijftien puberknapen hem netjes in een rijtje bij het lokaal opwachtte. De man naar binnen, na de nodige buigingen, en vervolgens gezeten achter het bureau. De jongens werden een voor een naar binnen geroepen – mijn eigen klas was nu een en al aandacht -, maakten bij de docent een buiging en kregen vervolgens stuk voor stuk een ongenadige mep met een stuk bamboe over hun achterwerk, waarna weer een buiging en de leerling zonder een spier te vertrekken ging zitten. Zo werd de hele klas afgehandeld en dat elke dag. Tucht en orde. Mijn klas verbijsterd,  jullie hebben het maar goed,  jongens.

Om de zaak nog wat gruwelijker te maken vervolgens de waargebeurde doch droevige geschiedenis van twee andere Japanse leerlingen, die door een wat kribbige collega op een slechte vrijdagmiddag in het kolenhok van de school werden opgesloten.
“Meneer, wat is een kolenhok?”, klonk het door de klas. Ja, daar heb je leerling 2.0. Wat is een kolenhok. Na de geduldige uitleg ging het verhaal verder.  Die leraar ging dus opgelucht naar huis en vergat verder volkomen de twee delinquenten in dat hok, die wel zó streng waren gedrild, dat ze het niet in hun hoofd haalden om een beetje tegen die deur te gaan schoppen of te schreeuwen.

Op maandagmorgen werden beide ongelukkigen dood gevonden. En wat kreeg de leraar voor straf? De leraar kreeg een berisping!”. Tja, en toen wist niemand wat een berisping was, waarna ik dit verving door “reprimande”, en, toen dat ook nietszeggende blikken opleverde, door “schrobbering”. Het hele intimiderende en orde-handhavende effect weg, en toen ik ‘schrobbering’  ook nog verving door ‘standje’ was de sfeer inmiddels licht uitbundig. Je eindigt dan als volleerd docent natuurlijk door met een stalen gezicht te zeggen: “Ja nu weer rustig dames en heren, want anders komen we nooit klaar!”.  Wanner je het maar over sex hebt, of ze laat denken dat het daarover gaat, is de spanningsboog ineens gegroeid tot zeker een volledig lesuur.

Wat leren we nu uit zo’n les die anders verliep dan volgens planning? Wel, dat je bijvoorbeeld nog steeds kunt dollen met je klas, en dat moet ook, ongeacht wat voor gruwelijk handelingsplan of prestatiegericht beleid jou en de leerlingen boven het hoofd hangt. Je moet de vrijheid kunnen nemen om eens een keer een les niets  of niet al te veel te doen. Aanhalen en weer vieren is de ideale combinatie.
Helaas leren we ook dat leerlingen – naast het feit dat ze niet meer leesbaar kunnen schrijven, ook qua leesniveau soms weer langzaam maar zeker afdalen tot het niveau van de Neanderthaler. Vertel je een verhaal; ze snappen de clou soms niet meer, lezen ze een tekst; geen idee waar het over gaat. Krijgen ze een vraag: ze snappen hem niet omdat ze sommige woorden te moeilijk vinden; het gaat dus al mis bij de vraag zelf, laat staan bij het antwoord.
De leerling die terug lijkt te gaan naar de Neanderthalers schrijft en spreekt al  een variant daarop: de Neandertaal, in maximaal 140 tekens. ‘As de bootsgap maar overkomp’. Taal wordt Twittertaal, Neandertaal. Maar goed, veel lager afzakken kan het niet, en uit de Neanderthalers van toen zijn wij weer opgeklommen. Er is dus hoop, zolang ze maar blijven lezen, te beginnen bij 140 tekens, en heel geleidelijk weer wat meer. Maar daar moeten we niet te lang mee wachten. En straks weer een rapportcijfer voor schoonschrijven misschien? Van een 1 naar een 6, dat is al een hele vooruitgang.

 

(Elfsteden)koorts

Op mijn leeftijd komt je op een leeftijd waarin je de winter met de nodige angst en beven tegemoet moet zien. In het najaar werd ik al vriendelijk doch dringend uitgenodigd om met – naar het leek –  de voltallige bevolking van dorpje B. op de Veluwe een griepprik te komen halen, maar in het weekend werd pijnlijk duidelijk dat deze weer niet geholpen had. Wauwel is dus even geveld. Niet lang, want in het onderwijs moet je volgens bepaalde politici werken tot je er bij neervalt, dus morgen maar weer een nieuwe poging om niet al te ver achter te raken en mijn kindjes ter wille te zijn met het aanhoren van een aantal presentaties.
Ze hebben daar hard voor gewerkt, en daar het hier een opleiding in de dierverzorging betreft, komt een keur aan onderwerpen voorbij die iets met het vak te maken hebben. Zo heb ik ’s ochtends in alle vroegte, nèt na mijn eerste kopje thee van de dag, al eens een demonstratie mogen aanschouwen van het uitknijpen  van de anaalklieren van een voor dat doel speciaal meegenomen hond, die, opdat iedereen het goed kan zien, op mijn bureau had plaats genomen. De klas was vanzelfsprekend een en al aandacht, iets wat niet elke morgen voorkomt.  Je zou er dus haast ernstig naar verlangen voortaan elke les met flink wat anaalklieren te laten beginnen, succes en op tijd aanwezig zijn verzekerd!

Vandaag dus niet, en zwakjes voelend aan mijn eigen klieren ( die bij mij in mijn hals zitten, maar dan andere ) maar voorzichtig opgestart. Want als mannen ziek zijn, dan zijn ze ook echt ziek en dient iedereen dat te weten en  zich in overvloedig medelijden over de kwijnende patiënt te ontfermen.  Thee op bed dus, beschuitje, en een batterij aan Vicks-stiften, neussprays, keelpastilles en zakdoekjes binnen handbereik, en natuurlijk ook laptop en iPad, zonder welke speeltjes dit stukje nooit tot u zou zijn gekomen. De school gebeld en met verstikte stem het slechte nieuws meegedeeld. Koorts en zo. Grieperig. Morgen weer aanwezig.
Ooit ( dat is lang geleden ) was ik eens twee weken uit de running  en tegen het einde van die periode besloot ik weer een ommetje te maken, want voorzichtig boodschappen en zo. Op de hoek van de straat liep ik toen een leerling tegen het lijf, die onderweg was om de lijder met een fruitmandje wat op te beuren. Dat was even pijnlijk, want in zulke gevallen gaat op school al snel de mare dat je op wonderbare wijze genezen bent geconstateerd en je huppelend als een hinde door de straten dartelt, maar alles liep keurig netjes af en de leerling trok geen verkeerde conclusies.
Nu heb ik wel eens een collega gehad die met een hernia thuis zat, en die men vrolijk in zijn woonplaats met een kratje bier achterop de fiets zag rondfietsen. Dan ken je toch niet helemaal je verantwoordelijkheden.  Eén dagje ziek is nu toch wel zo’n beetje het maximum, want het werk wordt niet overgenomen, dus veel langer kun je ook niet missen.

Zo vernam ik dus dat vandaag een andere koorts, die van de Elfsteden, steeds meer slachtoffers maakt, en dat rayonhoofden in spoedzitting bijeen zijn om te bespreken of en waar er ijstransplantaties moeten worden uitgevoerd.  Dat moeten toch allemaal gepensioneerden of herstellende zieken zijn, want hoe kun je anders tijdens je werk rayonhoofd wezen en en passant nog wat wakken transplanteren? Er wordt bij de diverse hogescholen in Nederland nog geen opleiding Rayonhoofd of IJstransplanteur aangeboden, of het zou een bijvak van Vrijetijds-management moeten wezen. Overspannen Friese docenten die op therapeutische  basis gaatjes in het ijs boren en daar over vergaderen is misschien  ook nog een mogelijkheid. Straks giet het ôan, en dan gaat vermoedelijk half onderwijzend en onderwijs volgend Nederland spijbelen of ziek zijn.

Ik ben niet zo’n schaatser, helemaal niet zo van sport trouwens. Mijn schaatservaringen zou men voornamelijk als traumatisch kunnen omschrijven niet in het minst door zo’n vreselijk wollen mutsje wat ik altijd moest dragen en de beslagen glazen van mijn stoere jongensbrilletje. Het ergst waren echter die houten Friese doorlopers, die met veters om mijn rubberen laarzen waren gemangeld. zodat niet alleen de laarzen, maar ook mijn kindervoetjes in de meest gruwelijke plooien waren gewrongen, waarbij de schaatsen zelf al na tien slagen aan de zijkanten van mijn afgevroren voeten bungelden. ook nooit meer recht te krijgen trouwens, want die veters waren stijfbevroren en mijn wantjes aan een touwtje bungelden ook al in de weg bij het vastpulken. Een schaatstocht duurde bij mij dus in het algemeen niet langer dan een kwartiertje, en de rest van de tijd zat je sippig en door en door koud op een stuk karton langs de kant van de eendenvijver naar de cracks te kijken. Ik zou nu alleen al koorts krijgen bij het idee dat ik die dingen weer onder zou moeten binden, en mijn iets comfortabeler Noren hangen ook al weer jaren aan de wilgen.

Volgende week organiseert mijn school een skidag. Ook zo wat. Voor mij zie ik dan een rol weggelegd, warm onder een deken, de hele dag voortgereden in een arreslee, met iets van een fles Jägermeister of zo.  Toch ook behoorlijk sportief, al zeg ik het zelf, en behoorlijk gevaarlijk, want zo’n slee, nou, daar kan ook van alles mee gebeuren.  Stel je voor dat er een helling komt. Ik ski wel op de Wii Fit of zo. Ook zoiets wat is aangeschaft in een vlaag van sportiviteit.
Misschien heb ik dan wel weer koorts, of wordt nou uitgerekend op die dag de Elfstedentocht verreden. 38,2 gisteren, en vanmiddag weer 37,5.  Maar wie weet stijgt de temperatuur dusdanig, dat geen van beide evenementen doorgaat. Is de koorts voor niets geweest. En dat is dan eigenlijk ook wel weer jammer. Want leuk om naar te kijken is het in elk geval, ook al zit je aan de kant op een stuk karton.

Komt allen tot ons!

Afgelopen zaterdag was ik – na enig eenzijdig overleg – ingeroosterd voor de open dag van het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik mijn centjes pleeg te verdienen. Om foto’s te maken en te filmen, want een beeld zegt vaak meer dan 100 open dag-woorden.  De dreigende woorden van onze minister van onderwijs en die van de geachte heer Elias indachtig, offerde ik mijn vrije zaterdag met blij gemoed op. Niet dat ik gestaakt had of zo – daarvoor hebben we het hier veel te druk – , maar gewoon omdat het leuk is om te doen en ik tijdens de volgende open dag op kosten van de school een weekje op Malta mag doorbrengen, en daarvoor wil ik op mijn vrije zaterdagen wel heen en weer reizen. Dat brengt het totaal van ingeleverde zaterdagen al wel weer op drie trouwens.

Jaloerse lezertjes, of meneer Elias, zullen zich afvragen of ik die week niks beters te doen heb, maar ook die dagen worden aan onderwijs besteed, en ik zeul nog een extra grote hutkoffer mee gevuld met achterstallig nakijkwerk. Dat kan ik daar dan mooi ’s nachts en tijdens het vliegen doen. Een Europees potje zorgt ervoor dat ik mijn Engelse taal op een nog wat hoger niveau kan brengen, want om hoog op de Pisa-ranglijst ( voor de niet-onderwijsleken: een soort top 2000 aller tijden maar dan voor onderwijs ) moet je natuurlijk ook investeren in tweetalig onderwijs.

Mijn liefde voor het vak en mijn angst voor de heer Elias kostten mij afgelopen voorjaar al bijna het leven toen ik in Finland ( ook weer Europees geld ) een ICT-nascholing volgde, die mij een soort longembolie opleverde. Trouwe lezertjes weten waar ik op doel en de anderen moeten maar even zoeken.
Nu vind ik reizen gelukkig heel erg leuk, en niets is zo verrijkend voor een docent om je vleugels af en toe in een andere cultuur te mogen uitstrekken. Je legt leuke contacten, doet een schat aan ervaringen op en je gaat na terugkomst vol energie weer aan de slag. Daar teer je meer dan een jaar op. Bovendien schept zoiets een extra band met je school. Ons geachte kabinet zou de waardering voor de docent een behoorlijke oppepper kunnen geven door hem of haar eens een keertje naar een cursus in het buitenland te sturen. Daar offert men volgens mij graag een weekje vakantie voor op, en zo ziet ook het gewone voetvolk binnen de school eens wat anders dan het klaslokaal, en ervaart het wat veel colleges van bestuur of andere managementslagen als al niet meer dan normaal beschouwen.

De docent lijkt momenteel onderwerp van een heksenjacht van in hun ego aangetaste politici en bewindslieden die onbezonnen plannen zonder overleg willen doordrukken. Resultaat is dat inmiddels iedereen kijvend in de gordijnen hangt en elk negatief bericht over onderwijs wordt uitvergroot tot het formaat van een olifant waar iedereen op staat te schieten.

Wie nog in het onderwijs gaat is een sukkel, en wie er al in zit is een nog grotere. Dat lijkt een beetje de teneur. Toch leuk dat al die sukkels  op hun vrije zaterdagen nog wat leerlingen en ouders binnen de school proberen te trekken, en toch leuk dat zoiets nog uitstekend lukt ook. Wij hadden er afgelopen zaterdag op één locatie bijna 2000. Blijkbaar krijgen leerlingen graag les van sukkels, of het nou in 1000, in 500 of in 1040 uur  gebeurt. Les is niet meer wat wij vroeger hadden: een uur in een lokaal, keer een aantal dagen keer een aantal weken, resulterend in een onwrikbaar getal. School is een totaalbeleving, die zich ook uitstrekt ná een lesdag van negen tot vier. Je ziet dat leerlingen op de meest krankzinnige tijden aan het werk zijn in een electronische leeromgeving, je krijgt mailtjes binnen die in de vakantie, in het weekend of diep in de nacht verstuurd zijn. Of je maar even snel wilt reageren, meneer! De ene wil het zus, de andere wil het zo en de meesten krijgen het nog voor elkaar ook.

Docent zijn is een zwaar beroep. Heel zwaar. Gelukkig hebben we als tegenprestatie ook een leuk beroep, en dat merk je bijvoorbeeld wanneer je twee bonken van puberknapen, van het soort die je niet in een donker steegje zou willen tegen komen, een geanimeerd gesprek hoort voeren over dat ze het vroeger toch zo leuk vonden om naar Barbapappa en Flubber te kijken.
Ik zelf was vroeger gekluisterd aan de eerste avonturen van Ivanhoe of van Pipo die in een bordkartonnen grot spannende onderwater-avonturen, gelardeerd met zeepbelletjes beleefde. Nu slachten ze in hun eentje achter het computerscherm hordes buitenaardse wezens af, de moderne Pip, zeg maar. En dat tot drie, vier uur in de nacht, maar eigenlijk is er aan onze schoolbevolking zelf niets veranderd in al die jaren: het zijn nog steeds kinderen, die ook nog eens best wat willen leren, hoewel dat niet altijd even makkelijk lijkt te gaan. Een beetje meer steun en begrip kunnen we daar dus wel bij gebruiken.