Gered door de denktank

hannibalZoals u ongetwijfeld weet is er de afgelopen vijftig jaar helemaal niets veranderd in het onderwijs. Die tig onderwijsvernieuwingen, die steevast over ons uitgestort zijn als “de verbetering aller verbeteringen”, die hebben nooit plaats gevonden; dat was allemaal maar verbeelding, dat weet u natuurlijk. Die vaag tegensputterende leerkrachten, dat hebben we gedroomd. Leerkrachten zijn sowieso hinderlijk aanwezig op school, want die lui denken zomaar de wijsheid in pacht te hebben, en dat is natuurlijk niet zo. Die lui weten helemaal niets, hebben totaal geen verstand van wat zich allemaal in het hogere afspeelt en zijn zo stom alles maar te slikken wat hun wordt voorgeschoteld. Hoe dóm ben je dan!

Wie het wel weet? Welnu, dat is een nieuwe denktank (ik ben even de tel kwijt, maar ik ben dan ook maar een simpele docent), die wordt gevormd door een groep nét afgestudeerde academici, “excellente masterstudenten en promovendi”. Nu is het tegenwoordig zo – ook bedacht door lieden met visie op het hogere – dat je ook op het vmbo al “afstudeert” en dat je op de havo ‘cum laude’ kunt slagen, dus zo’n groep telt ongetwijfeld ook verlichte zielen uit die categorie. De categorie die niet geïnteresseerd is in het onderwijs, die geen uitdaging vindt, voor wie het onderwijs “niet leuk” is, die lijdt onder saaie ouderwetse en uitgebluste docenten en die klaagt over te trage internetverbindingen voor hun communicatieve vaardigheden via WhatsApp tijdens de zelfstudie-uren of tijdens het werken aan hun POP of PAP.

Meneer Rinnooy Kan, de man die overal wat van af weet, gaat de groep adviseren, dus dan komt het goed. Ik lees dat een eerdere denktank in 2007 na lang in een tank denken tot de conclusie is gekomen dat de docent ook een PAL, een Persoonlijk assistent voor de Leraar ) nodig heeft, dus het komende jaar zal ik maar eens nuttig gaan besteden aan het vinden van mijn PAL, waar die dan ook ter wereld mag bestaan. Om alvast verder vooruit te lopen op de bevindingen van de denktank ga ik ook eens kijken of mijn onderwijs wel aansluit bij de veranderende wereld, want u begrijpt wel dat ik nog steeds met griffel en lei les geef over onze koloniën in Indië en dat ik dat allemaal met een krijtje op het bord noteer, en dat ik er ernstig over nadenk om eens heel progressief een Commodore 64 aan te schaffen, want dat is vrij hip.

Ik verwacht ook een overvloed aan nieuwe bij- en nascholingen die ik mag gaan volgen, zoals de keer dat ik op commando van twee ernstig kijkende cursusleiders een sprongetje moest maken en daarbij “Piep!” moest roepen naar mijn partner die tegenover mij stond en die hetzelfde moest doen, waarna beide leiders ijverig een aantekening op hun notitiebordje maakten. Een en ander geschiedde in het kader van de nascholing “Competentiegericht Assessor”, een prijzige cursus van in totaal 4 weken. U begrijpt hoe enthousiast en vól nieuwe ideeën ik na elke cursusdag thuis kwam, en dat ik geheel de neiging wist te onderdrukken mijn gade met een hakbijl in tienduizend stukjes te verdelen om daarna mijn huis én de aanpalende percelen middels een atoombom tot as te reduceren.
Ik herinner mij nog de duurbetaalde bobo, die vanuit zijn onmetelijke visie met droge ogen voor de volle zaal nog maar een paar jaar geleden verkondigde dat er na het competentiegerichte onderwijs nooit meer iets beters zou komen, want dit was het absolute summum.

Gelukkig is daar nu de Denktank, die het allemaal anders gaat aanpakken, en die ons eenvoudige docenten tot hemelse extase gaat leiden. Het mag ongetwijfeld wat kosten, de leider zal ongetwijfeld een leuke bonus krijgen, onze onderwijsminister zal van blijdschap compleet uit zijn dak gaan en tot grote hoogte spuitend klaarkomen; het is het allemaal waard. Vanaf nu breken gouden tijden aan, docenten en leerlingen krijgen weer echt onderwijs, de denktank ( net van de geheel mislukte schoolbanken af ) zal alles voor ons heruitvinden: het vuur, het wiel, het ijzer, de iPad, Maurice de Hond, het komt allemaal goed.

Alleen: ik zal het niet meer meemaken. Tegen de tijd dat de Denktank aan een kwijlend uitverkoren deskundigen-publiek de bevindingen presenteert, ben ik schuimbekkend van woede in een dwangbuis geheel platgespoten afgevoerd naar een zwaar gesloten krankzinnigengesticht voor dol geworden onderwijzers, waar ik de rest van mijn vruchteloos – want onderwijs – leven zal verpozen met het voeren van de eendjes in de inrichtingsvijver, waarna de zuster mij, geassisteerd door twee potige broeders ( ex-onderwijsstaatssecretarissen) nog wat pap tussen de opeengeklemde kaken wringt.

Dat is dan wel weer jammer. Ik kom ook overal te laat achter. Had ik maar beter onderwijs gehad.

Leraar, elke dag ( heel ) anders

In afwachting van een functioneringsgesprekHet levenspad van de gemiddelde docent kent pieken en dalen, en is vol gevaren.  Van alle kanten wordt de arme beambte bedreigd, aangevallen, beschimpt door lieden als Ton Elias en andere onwelwillende politici, op het matje geroepen door een stoet van management- en bestuursleden, ter verantwoording geroepen door boze ouders en leerlingen en in zijn schrieperige salarisje nog meer gekort door ongeveer de gehele resterende wereld. Daarnaast wordt het slachtoffer gekweld door een tot aan de hemel reikende berg administratieve rompslomp, moet hij of zij geregeld op bij-, na- en herscholingscursus en is tot diep in de nachtleijke uren bezig met correctie en lesvoorbereiding. Op verjaardagspartijtjes zit de betrokkene stil en schuwig in een hoekje, knabbelend op wat nootjes, meewarig aangekeken en befluisterd door de overige feestvierders, die allemaal wèl in het leven geslaagd zijn en niet tot de risée der maatschappij horen. Eén keer per jaar  mag de leraar een aantal uurtjes op de tv genieten van aandacht, en de dag na Dierendag is het de Dag van de Leraar, maar zowel dier als leraar wordt geacht zich niet te ver buiten de mand te begeven en als volgzaam hondje te baas te gehoorzamen.

Vóórdat nu allerlei enthousiaste types die ook allemaal verstand van onderwijs pretenderen te hebben maar het niet actief bedrijven woedend wegzappen vanwege veel te cynisch en zo want het is toch zo fijn om onderwijsadviseur of zo te zijn, wil ik ook even opmerken dat er ook heel leuke kanten aan dit vak zitten, namelijk het lesgeven zelf. Dat gebeurt namelijk zo ook nog af en toe. ’t Is toch een beetje een soort van roeping, van ontwikkelingshulp samme maar zeggen, en wanneer je maar geregeld ’s avonds met zwavelstokjes langs de deuren gaat kun je je salaris nog een beetje aanvullen zodat je af en toe trillend en bevend kunt bijkomen in een weekendje Landal.

Zie het als een uitdaging, dat doet het altijd goed. Nou, die uitdagingen die zijn er hoor! Het boeiende instituut waar ik werk heeft besloten nog boeiender te worden, en dat kan in de vorm van nieuw- en verbouw. Als school wil je natuurlijk met je tijd meegaan en daar hoort een eigentijdse en inspirerende leeromgeving bij met leerpleinen, campussen, doe-afdelingen en wat dies meer zij. Niks mis mee, want het gaat uiteindelijk om de inhoud, de kwaliteit van de lessen, en die is op mijn school ronduit goed, dat durf zelfs ik hier wel te stellen. Het oude pand stond ook een beetje op instorten en je wilt niet ’s avonds met allerlei narigheid in Hart van Nederland gepresenteerd worden. Sinds het begin van dit cursusjaar zijn dus horden goed geschoolde ( want MBO ) bouwvakkers met veel enthousiasme overal in het boren, zagen, spitten  en beuken en de plannen zien er veelbelovend uit. Over een jaar moet alles klaar zijn, en de door de werkzaamheden weggevallen ruimte is elders in het dorp teruggevonden in de vorm van een deels leegstaand schoolgebouw, wachtend op uiteindelijk sloop, maar nu nog voor onderwijsdoeleinden bruikbaar.

Nu bestaan er op de wereld geen flexibeler lieden dan docenten en  hun leerlingen. Een groot deel van hen is dus verhuisd naar de noodlocatie, die echter wel heel erg de nadruk op ‘nood’ legt. Dat vraagt enig improvisatievermogen. Ook mij is de eer te beurt gevallen te resideren in de noodopvang, in een tot kantoor omgebouwd lokaaltje met nog 19 andere collega’s, inclusief alle verhuisdozen met toetsen die van de inspectie tot het einde der tijden bewaard moeten worden. We hebben twee telefoons, twee ramen die een beetje openkunnen maar dan zit de rest op de tocht, en als docent 1 een beetje over zijn ‘bureau’ gaat hangen met het hoofd tegen de muur, is er nét genoeg ruimte voor docent 2 om het pand in overspannen toestand te verlaten. Dat laatste is niet geheel zonder gevaar: het bouwsel is uitsluitend te bereiken of te ontvluchten na een gevaarlijke tocht over een soort rotspad, en dat heeft al menig naaldhak het leven gekost. Met klimijzers zie ik nog wel wat mogelijkheden, maar voor de komende winter verwacht ik toch en sterke schooluitval van lieden die nooit meer boven water komen omdat zij ergens onderweg in een ravijn zijn gevallen of door kolkend ijswater zijn meegesleurd.

De leerlingen zitten wat lijdzaam in de gangen, hurkend en schurkend tussen proppen papier, snoepverpakkingen en rondslingerende jassen en tassen, want er zijn helaas geen kapstokken of kluisjes- daar is geen ruimte voor. In de ochtendpauze van een kwartier stop ik dan wat eerder met mijn les van 45 minuten om mij haastig van gebouw A naar gebouw B te begeven, waar ik nog 1 minuut heb om even te plassen en een kop koffie ( wanneer het wat uitloopt moet dat mogelijk op het toilet ) te nuttigen. Geregeld spoed ik mij dan gedrurende de middagpauze weer terug naar gebouw A voor de rest van de lessen, om de dag te besluiten met een dodenrit weer naar gebouw B omdat iemand bedacht heeft dat daar vergaderd moet worden over bijvoorbeeld het observeren van je collega volgens het STARRT-principe. Dat laatste is trouwens prima. Naast de nodige zelfspot en kritiek dient een leraar ook eens open te staan voor opmerkinfen en tips van een ander. Alleen vervelend dat dat nu weer in de vorm van een ellen lang formulier moet.

Tegen de avond rest dan nog de rit naar huis met een tas vol beoordelingsformulieren van negen kantjes elk van de kwalificerende toets “Gesprekken voeren” op 2F niveau, inspectieproof, en die nog aangevuld gaat worden met vier andere kwalificerende toetsen, die allemaal in twintig weken geoefend, afgenomen, nagekeken, geherkanst en weer nagekeken moeten zijn, want o wee, de inspectie. Soms heb ik nog wat tijd om rudimentair wat aan de spelling te doen, of iets met de woordenschat, die elk jaar beperkter lijkt te worden. Snap de vraag maar eens wanneer je de woorden die er in staan al niet meer begrijpt…

Ik lijk wel gek. Welnee, ik ben bij mijn volle verstand, en wanneer je eenmaal voor de klas staat vergeet je alle treurnis om je heen. Voor de zoveelste keer maar weer het Kofschip, het Sexy Fokschaap, het verschil tussen liggen en leggen, kennen en kunnen, hen en hun. Ze leren er wat van, en dat is na al die jaren telkens weer een opsteker. Elke dag leraar is – wanneer je niet te veel stil staat bij alles wat er op je afkomt – heel aardig uit te houden. En zowaar: e;ke dag anders dan je van te voren verwacht!  Nog een jaartje, en dan kan ik tot mijn 68e  uitkijken over het hypermoderne leerplein, vanuit mijn hypermoderne kantoor bij een hypermodern klaslokaal….ook weer anders!

De iPad-school. Dokt u maar.

Maurice de Hond heeft iets nieuws bedacht, nadat de aandacht voor zijn Newconomy en de Deventer moordzaak weer een beetje is verslapt. Maurice heefdt een dochtertje van drie, en vermoedelijk heeft het kind van vader een iPad cadeau gekregen, en dat heeft geleid tot een geheel nieuw onderwijsconcept wat mogelijk nog veel meer weerstanden gaat oproepen dan het idee wat ik afgelopen week op VK-Opinie lanceerde.  Ik heb ook een iPad. Beetje ouderwets, want dit is een iPad 2, en inmiddels is er een Nieuwe iPad, die om duistere redenen geen iPad 3 mag heten. Hiervoor ( nog geen jaar geleden) had ik een iPad 1, en dat illustreert mijns inziens precies mijn gevoel dat de iPad-school een vroege dood gaat sterven.

Een school opzetten die zich geheel afhankelijk verklaart van één bepaalde lesmethode uit één bepaald boekje, is geen toekomstbestendig initiatief, ook al noem je hem naar Steve Jobs, die de tand des tijds ook niet heeft doorstaan en aan wiens ideeën ook binnen Apple wordt geknaagd, getuige de toch wat tegenvallende reacties op de nieuwe iPad.   Hierna komt namelijk wèl de iPad 3, en daarna de iPad 4, en zo verder. Hoe mooi ook, in dit geval lijkt de iPad de functie over te nemen die vroeger ( en dat is nog maar kort geleden ) een computerlokaal had op een Open Dag: “Kijk ons eens mooie spullen hebben, het komt dus helemaal goed met ons onderwijs!” Je raakt de dure investering, in een tijd waar steeds meer scholen nadenken over het begrip “Bring Your Own Device” ( BYOD) aan de straatstenen niet meer kwijt. De iPad-school is eigenlijk een school die 25 jaar teruggaat in de tijd en die eigenlijk aan de weg timmert met de kreet: “Kom bij ons, want wij gebruiken als eerste de Commodore 64!”

Schoolbesturen, en ouders die zich laten verblinden door dure bling bling om daarmee de ultieme school neer te zetten, hebben blijkbaar geen visie op alle andere aspecten van onderwijs, en vergeten gemakshalve dat de wereld wordt overspoeld met soortgelijke apparaten die allemaal meer of minder hetzelfde doen, die allemaal in een steeds hoger tempo verouderen, maar die uiteindelijk niets meer dienen te zijn dan een hulpmiddel bij het geven van onderwijs aan een steeds diversere groep van afnemers met steeds diversere eisen.

Ik vind het een leuk ding, die iPad, ik ben er behoorlijk aan verslaafd, maar in het najaar wordt het er toch eentje met een heel ander besturingssysteem, namelijk Windows 8, om de eenvoudige reden dat daarmee ook nog een enorme hoeveelheid reeds lang bestaande onderwijsprogramma’s tot je beschikking komt, misschien zelfs wel uit de tijd van de Commodore 64. Niet alles wat oud is, is namelijk verkeerd. € 479 is voor veel kinderen en ouders toch een hoop geld voor iets wat in feite de functie heeft van een stukje schoolbordkrijt. Je kunt er trouwens wèl leuk mee tekenen, maar sommigen doen dat toch nog steeds liever op een echt stuk papier. Geef hun dan ook die ruimte.

Bescheidenheid siert de mens

Het is vandaag de Dag van de Leraar, een dag na Dierendag en net zoals er ook een Dag van de Leerplicht is, een Dag van de Huismeester, een Dag van de Wol en – niet te vergeten – hier in dorpje B. op de Veluwe de Wereldeidagen, maar bij die laatste wil je niet wezen, gezien de enerverende activiteiten die daar ontwikkeld worden. Zo heeft elk mens, beest of produkt wel zijn eigen dag, en hebben we elke dag van het jaar iets lolligs te doen of iets naars te gedenken. De Dag van de Leraar wordt elk jaar toch wel grootser gevierd, en zelfs de TV heeft ons afgelopen maandagavond in het zonnetje gezet door ons tijdens de  Avond van het Onderwijs en plekje te gunnen. Op de andere zender was concurrentie van Fort Boyard, waarin bekende Nederlanders stompzinnige opdrachten moeten uitvoeren en zoiets trekt natuurlijk het grootste deel van bij onderwijs betrokken kijkers weg. Onze grootste doelgroep, de leerlingen, verpoosde vermoedelijk massaal bij Holland’s Nex Top Model of bij een film met de aansprekende titel “Runaway Vacation”. De achtergebleven diehards onder de ouders, docenten en deskundigen kregen een kommervolle voorstelling voorgeschoteld, waarbij de optredens van enkele leerlingen zelf nog een lichtpunt vormden.

Toch was er wel iets opmerkelijks te constateren, en dat betrof het gebruik en het nut van ICT. Daarover waren wat onderzoekjes gepleegd en werden ook enkele leerlingen bevraagd. Hieruit kwam een beeld naar voren wat een groot deel van de onderwijscomputernerds – en daar reken ik mijzelf ook toe – eigenlijk liever helemaal niet wil zien, en wat op Twitter -waar je ze toch allemaal vindt – tot opvallend weinig reacties leidde: het gros van de gebruikers is helemaal niet zo gecharmeerd van ICT als wij denken! Slechts een schamele 23 procent ziet in ICT de sleutel naar beter onderwijs  en een MBO-klas verkoos in koor het boek boven het internet. Dat is dus wel even schrikken voor ons voorlopers op ICT-gebied. Barre tijden van het krijtje en beduimelde boekjes liggen in het verschiet.

Zijn we dan zó verblind? Een beetje wel, denk ik. We bezoeken prachtige onderwijsbeurzen, waar de nieuwste ontwikkelingen op informaticagebied ons vanaf snelle touchscreens toelachen, we gebruiken de nieuwste stemkastjes, tablets, smartphones, we maken Wiki’s, Prezi’s en Slideshares. We hangen als docenten de halve dag verglaasd achter ons beeldscherm en kijken uit naar het volgende congres waar we – en dat is een beetje de kern denk ik – weer dezelfde dingen in iets nieuwere vorm, en dezelfde collega’s in iets oudere vorm aantreffen, en we praten over steeds dezelfde dingen als mobieltjes en educatieve software in de klas. We zijn  een behoorlijk groepje selecte nerds aan het worden, een behoorlijk incrowd met een hoog ons-kent-ons-gehalte in ons veilige kringetje, dat we op Twitter ook weer terugvinden: dezelfde volgers en gevolgden twitteren over dezelfde onderwerpen.

We kunnen het maar nauwelijks bevatten dat er collega’s, ouders en leerlingen bestaan die heel anders tegen al onze mooie speeltjes en ideeën aankijken dan wij. Dat zij niet denken zoals wij dat doen. Dat zij niet door beeldschermen verblind zijn zoals wij dat zijn. Dat zij bijna in een andere realiteit leven dan wij. Offline. Hoe vreselijk, hoe onbegrijpelijk.   Natuurlijk, waar wij op kicken en waar wij van genieten biedt ongekende kansen en mogelijkheden voor het onderwijs. Maar ja, door ons enthousiasme vergeten we wel eens dat er ook nog eens een behoorlijk kostenplaatje aan hangt, dat er soms totaal nieuwe dingen aangeleerd moeten worden, dat er op onbegrijpelijke knopjes geklikt moet worden en dat er  meer is dan de wereld van Social Media, waar wij ook in onze vrije tijd  heel wat uurtjes doorbrengen om vaak nog meer onze honger naar ICT te bevredigen.

Een school volstoppen met materiaal en daar enthousiast naar wijzen en zeggen hoe eenvoudig het allemaal is gaat dus niet werken. Misschien moeten we eens even tot bezinning komen, en eens kijken hoe we wat bescheidener de wondere wereld van ICT aan de man kunnen brengen. Niet elke digibeet is een inboorling die verblind door hightech spiegeltjes en kraaltjes de digitale zendeling en diens geloof omarmt.

Bejaard

Onlangs werd de wereld opgeschrikt door het vreselijke bericht dat maar liefst één derde van alle docenten in het MBO-onderwijs binnen tien jaar aan het pensioen toe is. Om het allemaal nog erger te maken, kan ik mijn lezertjes meedelen, dat ik daar ook bij hoor. Zoiets is natuurlijk allemaal heel schriklijk, maar aan de andere kant doet zo’n nieuwtje de fantasie ook rijkelijk op hol slaan. Laat ik daar maar eens aan toegeven:
Het MBO is dus deels bevolkt met bijna achter rollators schommelende en voortschuifelende docenten. Jonkies zijn er niet meer, want die willen wel wat anders dan in zo’n semi-geriatrische instelling te werk gesteld worden. Het aantal hoogbejaarden neemt dus snel toe, en dat komt ook doordat het kabinet ons eigenlijk het liefst tot aan ons negentigste levensjaar zag doorwerken, waarna verplicht vrijwillige euthanasie dient te volgen.  Hoe gaat zoiets voor de klas? ( Ik heb er trouwens al eens een keer aandacht aan besteed, schiet me nu te binnen; nou ja, hou het er maar op dat ik het ook allemaal niet meer zo goed weet, en door herhaling leert men toch het beste, ook al is dat tegenwoordig in het onderwijs not-done ).
Ik zie daar dus een lokaal voor me waarin een bureau staat omgeven door allerlei ziekenhuis-apparatuur: een infuus, hartmonitoren, kabels en slangen, een steek onder de stoel. De senior-docent zelf zit wat scheef onderuitgezakt op een kussentje tegen het doorzitten achter z’n tafel, een beetje kwijl op de mondhoek, wat op gezette tijden door een zuster ( zoiets kan makkelijk op een zorg-opleiding, dan hebben de leerlingen al een groot deel van het docentenkorps om op te oefenen ) wordt weggeveegd. Vóór de leraar is de klas; leerlingen zijn allemaal bezig met zelfwerkzaamheidsopdrachten, met het bepalen van hun persoonlijke leervraag, met het uitwerken van hun pop- en pap-gesprekken die weer een mooi plekje in hun portfolio moeten krijgen. Een vraag stellen aan de docent, dient met het volume van een scheepshoorn te gebeuren. De oren zijn niet zo best meer.
Pauzes duren extra lang, want het duurt even voordat het onderwijzend personeel met behulp van trapliften en rolstoelen de personeelskamer heeft bereikt, om daar, hevig morsend en schuddend, vanuit tuitbekers koffie, thee, pap of andere onderwijsvernieuwingen tot zich te nemen.  Daarna volgt een langdurige stoelgang ( paar keer per dag ) op de verhoogde toiletpot met handgrepen en noodknop die in elk schoolgebouw nadrukkelijk aanwezig zal zijn, het vervangen en schikken van de diverse luiers waarna de hele kudde weer schommelend, rollend en schuifelend en mogelijk nog na-lekkend richting trapliften gaat om weer hoestend, reutelend en gorgelend een les te verzorgen aan een groepje pubers die wel de moeite hebben genomen zich van MSN in de leerwerkruimte los te rukken.
De docent in zijn aangepaste stoel voelt zich niet gemakkelijk. Een functioneringsgesprek met een jonge, aanstormende manager, waar het onderwijs er tegenwoordig zeer velen van heeft, ligt in het verschiet. Dat betekent loskoppelen van alle apparatuur en wankelend naar het kantoor van de meerdere, waar het dossier al weer op tafel ligt: zijn de absenten genoteerd, is het verantwoordingsdocument ingevuld, kloppen de toetsgegevens in de toetskop met die van het examenbureau en de eisen van de onderwijsinspectie, heeft de docent zijn urenregistratie al geregeld en weet de docent wel dat de BAPO  afgewezen kan worden wanneer het schoolbelang vóór gaat?  En hij hoort al zo moeilijk; het hoorapparaat staat op tien en wat slechts doordringt  lijkt op niet meer dan een hinderlijke fluittoon, gelardeerd met mineurklanken. De manager praat en praat, maar het lijkt een gesprek tussen twee doofstommen.
Wel illustratief eigenlijk voor wat zich momenteel afspeelt binnen  -vooral- het MBO-onderwijs: een enorme kloof tussen top en werkvloer, een enorme kloof tussen jong en bejaard, een enorme kloof tussen wat men wil en wat men kan en een afgrond tussen onderwijsvernieuwingen, die steevast als verbeteringen worden gepresenteerd, en de realiteit van wat door bezuinigingen allemaal niet meer mogelijk is.   
Het onderwijs houdt zich moeizaam en wankelend staande met gehoorapparaten, leesbrillen, steunzolen, Tena-luiers, kunstgebitten en rollators. Afbrokkelende en stil wegkwijnende kennis en vaardigheden.
Verpleeghuizen staan qua zorg tegenwoordig in een ongunstig daglicht en lijken steeds meer op dat andere instituut waar we ons ook zorgen maken over onze bewoners, de leerlingen. Er is geen aandacht voor de patiënten, er wordt zwaar bezuinigd op de zorg, en de bestuurders -lees:de onderwijsinspectie- sluiten de gordijnen van hun kantoren om zo maar niet in hun prettige droomwereld gestoord te worden door dementerende en vergrijzende docenten daar ergens in de diepte van het klaslokaal.
 
Ik ga er dus maar uit dat bovenstaande beschrijving niet meer is dan een boze nachtmerrie, een doemscenario wat altijd een beetje wordt aangedikt om zo wat meer jongeren voor de klas te krijgen. Ik huppel dus maar als een jonge hinde door de gangen, laat de schoolfeesten, de muziek, de klasse-uitjes naar de bowling, de gesprekken met leerlingen in de dip maar als een verfrissende lafenis over mij heen komen, en geniet er van, zo lang dat nog kan. Ook al voel ik me soms tachtig, wanneer ik denk aan de stapel correctie met toetsen van 15 kantjes en 9 pagina’s correctievoorschrift die nog op mij wachten.
 
De jonge generatie lezertjes met interesse voor onderwijs wil ik dan ook adviseren om eens een serieuze poging te wagen. Ben je jong en je wilt wat ( en je weet ook nog wat ), kies dan voor de klas. Je blijft er fris en fruitig bij, zeker tot je tachtigste.

Middagje NOT. Mwah…

Ik was gister weer eens een middagje op de NOT, de Nationale Onderwijs Tentoonstelling. Tout onderwijsminnend Nederland begeeft zich naar dat tweejaarlijkse festijn , waarbij de woensdagmiddag qua drukte het absolute hoogtepunt is, want dan spoedt ook het voltallige primair onderwijs zich derwaarts. Er mag tenslotte geen les gemist worden.
Bij het oversteken van de drukke verkeersweg die langs het Jaarbeursgebouw loopt, pik je al die pedagogen en didactici er direct uit , want iedereen wacht daar keurig netjes tot het voetgangerslicht op groen springt. De wat meer roekelozen doen het heel gewaagd vijftig meter verderop bij de onbewaakte oversteekplaats, maar niet na uitvoerig eerst naar links, dan naar rechts en vervolgens weer  naar links te hebben gekeken.

De oogst van een middagje grabbelenHet was dus druk daar op die beurs, en zoiets begint al bij de garderobe, waar een aantal verhitte medewerkers het jassenaanbod van al die complete schoolteams in ontvangst moet nemen. In plaats van dat zo’n schoolleider nu eens hoffelijk de jassen van al zijn vrouwelijke collega’s aanneemt en die ter bewaring aanbiedt zodat de dames in de lange rij bij de toiletten ( waarom gaan vrouwen trouwens altijd met twee of met drie tegelijk naar de plee? Zou ik zo’n voorstel aan mijn mannelijke collega’s doen, dan zou dat de nodige gefronste wenkbrauwen opleveren ), maar nee, iedereen perste en wrong zich langzaam maar zeker naar de balie  en daar stond ik dan met samengeknepen benen tussen in, want ik wilde eigenlijk ook wel naar die WC. Daarbij komt dat ik altijd in een rij pleeg te staan waar vooraan allerlei oponthoud plaats vindt. Bij kassa’s zijn huisvrouwen op zoek naar een onvindbare  pinpas in één van de minstens drie reusachtige portemonnee’s die ze bij zich hebben, in bioscopen blijkt iemand een verkeerde film te hebben geboekt, en nu bij de NOT kreeg iemand een verkeerde jas terug, wat tot gevolg had dat al het bedienend personeel zich daar mee ging bemoeien.

Maar goed, na een klein halfuurtje waren alle garderobe- en toilethindernissen overwonnen en mocht ik mij laven aan al het moois wat de exposanten te bieden hadden, waarbij nog even de afschuwelijke gedachte door mijn  hoofd flitste of ik niet mijn toegangsbadge in mijn jas had laten zitten. Meestal ga ik op zo’n beurs uit medelijden eerst langs de “eenzame stands”, dat zijn van die leveranciers waar niemand interesse in lijkt te hebben, en waarbij de standhouders voor de zoveelste keer maar weer eens met de moed der wanhoop het stapeltje folders van links naar rechts te verschuiven of omgekeerd, om vervolgens te bedenken waar je het nu met je collega over moet hebben met nog drie dagen voor de boeg. Soms waagt er eentje op je af te komen, met een schuchter uitgestoken hand, en dan is het zaak zo snel mogelijk in je plattegrondje te duiken of te doen of er ineens een dringend telefoongesprek door komt.

Men sjouwt trouwens wat mee in allerlei uitgeverijboodschappentassen die bij nader inzien toch eigenlijk in een volgende hal wel weer gedumpt kunnen worden. De crisis slaat ook in het onderwijs hard toe: als wolven stort men zich op tafels met afgeprijsde lesmaterialen, voornamelijk voor het basisonderwijs, men dropt overal ijverig gegevens in de hoop één van de schaars aanwezige iPads te winnen en men bedenkt hoe men straks, weer op school, al die telefoontjes van bedrijven die naar aanleiding van jouw bezoek aan hun stand bij jou langs willen komen, kan afwimpelen.

Ik vond de beurs een teleurstelling: hét item van 2011, de tablet, schitterde grotendeels door afwezigheid, en de nadruk lag zoals alle andere edities vooral op ‘ouderwets’ lesmateriaal voor het basisonderwijs: boeken, digitale schoolborden ( ja u leest het goed ) voor in het klaslokaal, ideeën voor schoolreisjes, schoolmeubilair etc.  Een toonbeeld van Onderwijs 1.0 .
Zo’n massale beurs is eigenlijk uit de tijd. Een zo grote variëteit van spullen ( die wèl allemaal op het zelfde neerkomen ) doen je door de bomen het bos niet meer zien en ontaarden in een grabbelton voor armlastige scholen, waar men op jacht gaat naar gratis pennetjes en bloknootjes, om vervolgens als haringen in de trein opeengepakt weer naar huis te rijden en de volgende dag weer over te gaan tot alledaags lesgeven, waarbij je het al druk genoeg hebt om verder nog aan nieuwigheden te denken, laat staan te implementeren.

Het nieuwe onderwijs moet de scholen niet meer naar zich toe halen, het moet zèlf kleinschalig naar die scholen toe : maatwerk, in de vorm van een teammiddag waar bijvoorbeeld zo’n tablet eens even serieus uitgeprobeerd kan worden. Zoiets werkt niet in een stand met dringende en graaiende didactici. Grote beurzen zijn zóó 2010. Onderwijs moet je niet meer beperken tot één fysieke ruimte ergens in de Jaarbeurshal in Utrecht.  Daarvoor kom je niet uit Zeeland of Groningen. En een school hoeft dankzij nieuwe technieken ook niet meer aan één lokatie gebonden te zijn, net zoals leraren en leerlingen niet meer in de buurt van die school hoeven te wonen en daar ook nog eens alleen maar van negen tot vijf terecht kunnen. De nieuwe onderwijsbeurs gaat geheel digitaal. De vraag is alleen wanneer.

Druk

Bijsterveldt zal ons leiden op de smalle weg omhoogMijn vrouw zei vanochtend, twee dagen naar haar terugkomst van een week wintersport en na de eerste dag van de nieuwe werkweek: “Eigenlijk heb ik helemaal geen zin meer in het werk” ( onderwijs aan een combinatieklas van drie verschillende groepen leerlingen ).
Hoe kan zoiets. Heeft het onderwijs daar een patent op of zo. Zijn docenten zich massaal over de kop aan het werken.

Ik denk het eigenlijk wel. Wij worden om de oren geslagen met berichten over onze kelderende positie op de Pisa-ranglijst  ( voor de niet-kenners: dat is een soort zwarte lijst van landen met scholen waar de meest hysterische docenten en studenten rondlopen in hun jacht naar hoge prestaties.). Haal je daar als leerling minder dan een negen, dan kun je het de rest van je leven wel schudden. In die landen wordt ook niet gestaakt, wanneer de werkdruk in het onderwijs te hoog wordt. Stel je voor dat de leerlingen de dupe worden. Nee, dan werken we liever onszelf over de kop. We plannen onze vergadermomenten, ouderavonden, personeelsdagjes, bezoekjes aan de NOT, verplichte nascholingen en noem maar op zoveel mogelijk buiten schooltijd en de eerste weken van de natuurlijk veel te lange zomervakantie zitten we met een knallende hoofdpijn bij de pakken neer, als voorbereiding op de laatste weken waarin we ons weer helemaal op het in orde maken van al het lesmateriaal storten.
In de weekends geregeld nog even snel naar school: even dit klaarzetten, dat klaarzetten, dan is dat maar weer gedaan. In de klas van mijn vrouw zitten leerlingen die behoefte hebben aan rust, leerlingen die prikkels nodig hebben, leerlingen die denken dat ze drie leerlingen zijn, leerlingen die zich alleen in volstrekte afzondering kunnen concentreren en leerlingen die stijf staan van de Ritalin, de Borderline, de Asperger en noem maar op, gezellig in een veel te klein lokaaltje bijeen en dan ook nog eens uit drie verschillende leerjaren. 
De school waar ik werk wordt bezocht – en dat woord is voor beide betekenissen vatbaar – door een stoet van lieden met dikke aktetassen die ons de laatste wijzigingen en verplichtingen op het gebied van het onderwijs vriendelijk doch dringend door de strot komen duwen.
Eindtermen heetten eerst competenties ( een ander woord voor ‘de heilige graal van de onderwijsvernieuwing’ ) en moeten volgens de laatste berichten nu weer ‘eindtermen’  genoemd worden, waarbij het pak papier met de beschrijving van dit alles is vervangen door een nieuw pak papier met de zelfde inhoud maar waarbij wel de correcte terminologie gebruikt wordt. Zo wordt het gewenste eindniveau van een leerling die hier 1 dag in de week zichzelf even van de trekker in de klei losrukt om met lichte tegenzin in de schoolbanken plaats te nemen, beschreven in een pak papier met de dikte van de Statenbijbel. Of je dat als docent dan ook nog even in drievoud naar de inspectie wilt verantwoorden, vergezeld van bewijsstuk A tot en met Z.

Voor mij ligt een artikel uit de Trouw, mij aangereikt door een dankbare collega, met als opbeurende kop: “Beginnende MBO’ers vaak onder niveau basisschool” . De helft haalt met rekenen het eindniveau van de basisschool niet. Of we dat dan maar even met een paar uurtjes in de week in orde willen maken zodat men weer door kan stromen naar het HBO en vanzelfsprekend de universiteit, want we moeten toch echt weer een beetje opklimmen in die Pisa-lijst. Een volgende onderwijsvernieuwing zal bestaan uit het afschaffen van taal en rekenen, omdat beide onderdelen voor te lage scores zorgen en het niveau van HAVO , HBO  en universiteit daaronder lijdt. Vorig jaar zag ik een dure advertentiecampagne , waarmee een MBO-school de wat intelligentere leerling probeerde te lokken. De slogan, groot op reclame-posters verspreid: “Het MBO-lyceum, jou keuze!” ( ik heb de naam uit piëteitsverwegingen even aangepast )

Langzamerhand zijn we allemaal dol aan het worden. Er zou een aantal wettelijk toegestane stakingsdagen moeten komen. Een dag waarop je tot je verbazing bemerkt dat alle schoolmuren ineens doorzichtig worden, dat je in een warreling van correctiemodellen, competentiemetingen, papers en lesschema’s opstijgt onder de verbaasde ogen van je leerlingen met een gelukzalige glimlach op je lippen. Ontsnapt aan de regeldruk, stoned als een garnaal, de boel de boel latend en je weer twintig in plaats van tachtig voelend. Zwevend door maagdelijk witte en roze wolkjes, door de nevelstralen van een mistig zomerbos, langs een verlaten kust met een donderende oceaan onder een kobaltblauwe lucht, of dobberend op een bootje in een lauw voortstromende rivier die wijder en wijder wordt. Een meeuw over de eindeloze zee. Vrij van alles, niets wat je nog tegenhoudt of remt. Geen regels, geen normen en niemand waar je iets aan moet verantwoorden. De tijd lijkt stil te staan, en je proeft elke seconde die eindeloos terug lijkt te komen. Je lichaam is verdwenen, er zijn alleen nog je wervelende gedachten.

En dan, op de toppen van ons genot, dan verschijnt daar het summum van zaligheid, een engel gelijk, in de gedaante van Minister van Onderwijs Van Bijsterveldt, omgeven door een stralenkrans van ondersteunende diensten. En zij ziet dat het goed is en nog beter wordt. Zij zal “zorgvuldig” de vernieuwingen doorvoeren. Er is dus hoop. Alles komt goed. Dus nu weer snel afdalen en aan de slag. Hup, les! Want we blijven toch wonderbaarlijk veel van ons vak en onze leerlingen  ( nou ja, de meeste dan ) houden. Gelukkig maar.