Peiling: Wie herdenkt u op 4 mei?

4_mei4 mei. Dodenherdenking. Ik heb daar een mening over, die u na enig zoeken wel op dit blog kunt vinden. Maar dan beïnvloed ik u, dus stem eerst, en zoek eventueel dan. Op Twitter zijn de gemoederen al weer aardig verhit over het wel, wie of niet herdenken om 20:00 uur. Om je mening in 140 tekens toe te lichten is echter nogal een kunst, dus daarom hierbij ook de oproep om dat via de reactiemogelijkheid alsnog te doen. Hoe meer stemmen, hoe meer beeld, dus verspreid dit bericht als u wilt.

[poll id=”2″]

 

Dansen tussen de Nazi’s

Soms krijg je op oudere leeftijd een bevlieging ( u kent dat ) en dan wil je weer eens iets wilds doen. In mijn geval had dat een salsa-cursus tot gevolg. Nu ben ik niet zo’n zwoel Zuidamerikaans typje wat met begerige blik zijn overhemd openrukt, met wild rondvliegende knoopjes en overvloedig borsthaar tonend. Ook ben ik niet zo van het macho op een stukje willoos vrouwvlees afstappen en dat vervolgens wat ritmisch heen en weer smijten, maar in de praktijk bleek een en ander toch wat anders uit te pakken, en zo komt het dat wij wekelijks naar Amersfoort afreizen om ons daar op gepaste muziek in het zweet te werken en zowaar veel plezier te bleven aan de warme klanken en passen. Had ik zoiets maar dertig jaar eerder gedaan, maar gelukkig is het publiek uiterst gemêleerd en heb ik op een van de salsa-feesten die wij nu ook geregeld bezoeken zelfs al een 86-jarige mogen aanschouwen, die nauwelijks meer kon lopen maar nog wél heel aardig salsa-passen kon plegen met iemand die zijn kleindochter had kunnen zijn. Kortom: een uiterst ontspannen en on-opgefokte sfeer, zoals je die op feesten nog maar zelden tegenkomt.

Afgelopen week stapten wij dus welgemoed ons danszaaltje binnen, in Café De Observant in Amersfoort. een van die etablissementen die gelukkig nog ruimte geven aan kunst, zowel op de dansvloer als aan de wand. Tot nu toe waren daar de wanden gesierd  met een serie fascinerende portretten. Daar was nu verandering in gekomen. Wij werden aangestaard door nazi’s van diverse pluimage, Oostfrontsoldaten, een Sturmbahnführer, geweerlopen, enkele Hitlers en een naakte Eva Braun, en tussen dat alles was ook een origineel lijkend ingelijst schrijven van de Führer zelf te bewonderen.  Een uitleg – al was het maar op een A4-tje bij de deur – was nergens te bespeuren, en dit alles riep bij mij uiterst unheimische gevoelens op, om maar even in de sfeer te blijven. Salsa dansen tussen de Nazi’s, daar wordt een mens niet vrolijk van.
Nu had ik diezelfde ochtend een aangrijpende documentaire gehoord over Loods 24 , de plek waar in de oorlog 686 Joodse kinderen werden afgevoerd om nooit meer terug te keren. Afgevoerd door lieden zoals die op die schilderijen te zien waren. Een tentoonstellingsplek voor de beulen tegenover een monument voor die 686 kinderen.

Zoiets blijft knagen, bij mij althans, en op Twitter uitte ik daarover mijn ongenoegen. Dat werd natuurlijk opgepikt door kunstenaar Nelle Boer, de maker van de schilderijen, die direct – uiterst correct trouwens – reageerde. Nu is Twitter geen ideale plek voor diepgaande discussies, dus ik hoop op een vervolg, bijvoorbeeld onder dit blog of eens in real life.  Zijn opvatting over kunst is trouwens een interessante, en naar ik meen hoogst verfrissende: het tot leven wekken van een fictief persoon of een fictieve zaak, op zo’n manier dat de kijker daardoor in verwarring wordt gebracht en de grens tussen waarheid en leugen vervaagt. In mijn geval is dat gelukt. Verwarring en boosheid hadden zich van mij meester gemaakt. Wie op de link bij Jelle klikt, leest ook zijn uitleg bij de tentoonstelling.

Kunst moet altijd prikkelen. Zonder kunstenaars zou deze wereld onvoorstelbaar saai en dor zijn, en zou het geestelijk leven functioneren op het niveau van een plant. Kunst is onontbeerlijk voedsel voor de geest, en moet uitdagen, tot nadenken stemmen. Kunst moet ook een boodschap uitdragen, maar kunst moet ook stelling nemen, en dat is in dit geval niet gebeurd. Mijn bezwaar wat ik tegen Nelle op Twitter heb geuit, was het kritiekloos tentoonstellen van iets wat ieder weldenkend mens kan associëren met ongeveer de wortel van alle kwaad. Nelle’s repliek was: “Ik geef geen kritiek, want dat is niet mijn taak in deze, en ik heb de oorlog immers ook niet meegemaakt. Ik breng trouwens ook geen lof”.
Ik vind: dergelijke voorstellingen kun je niet onberoerd tentoonstellen. Je bent ervóór, en dan schaar je je in de rijen van de Neo-Nazi’s die ik ooit eens bij Berchtesgaden gehuld een Duitse oorlogsvlag, zich haastig op de foto zag laten vastleggen bij de ruïnes van Hitlers Berghof.  Óf je bent er tegen, en dan schaar je je bij diegenen die opkomen tegen onrecht in de samenleving, tegen onderdrukking van minderheden, tegen alles waar de op de schilderijen afgebeelde personen voor stonden.
Een tentoonstelling, oké,  Oostfrontsoldaten op het doek, vooruit, en een scheel kijkende Hitler met een lelijke halfnaakte Eva Braun, allemaal goed. Maar niet zó maar, plompverloren zonder uitleg in een willekeurig zaaltje, ter gelegenheid van niks eigenlijk.  In een oorlogsmuseum was de tentoonstelling beter op zijn plaats geweest, en daardoor ook in een context.

Ik weet niet of Nelle ooit in Auschwitz is geweest, of in Majdanek, of in het vlakbij gelegen Kamp Amersfoort, waar de Nazi’s ook gruwelijk hebben huisgehouden.  Ik wel, en een meer desolate plek op aarde dan die ene overgebleven gaskamer in Auschwitz kan ik me niet herinneren.  Wanneer je daar in die donkere, gruwelijke ruimte staat, op een van de schaarse momenten dat er even geen toeristen zijn, in dat grauwgele licht, half onder de grond, word je door een onvoorstelbare wanhoop overvallen, wanhoop over wat mensen elkaar aan kunnen doen.
Na een bezoek aan het vernietigingskamp Majdanek, in oost-Polen, maakte ik onderstaand schilderij:

Je kúnt, wanneer het om dé oorlog gaat, wanneer het om een oorlog gaat, als kunstenaar niet kritiekloos, zeggingsloos iets uit die oorlog verbeelden. Je kunt niet aan de zijlijn blijven staan en zeggen: ik maakte daar geen deel van uit. Kunstenaars dienen stelling te nemen, dienen te uiten. Ik hoop op een reactie van Nelle hieronder, en volgende keer dans ik graag tussen een nieuwe tentoonstelling, dan gevuld met Zuid-Amerikaanse macho-types met open overhemden en dunne potloodsnorretjes, met bijbehorend willig vrouwvlees. Ook die kun je door een fictief personage tot leven wekken, en dat roept wat minder weerzin op.

Feestje

We waren op een feestje; een zaaltje in een chique etablissement was afgehuurd voor een koffietafel ter ere van een jarige. Het feestvarken was 90 jaar geworden, een leeftijd om even bij stil te staan. Daar arriveerde hij, dik gekleed in jas, das en baret, wankelend en zwaar leunend op rollator en stokken, aan twee kanten ondersteund door naaste familie. Hij had er nogal tegenop gezien, toen we hem van de week belden. Gekweld door pijn in botten en rug, gekweld door blaasproblemen, gekweld door beverigheid, kortademigheid, gekweld door het leven, want in de oorlog was het een verzetsheld geweest, en die oorlog droeg hij verder al die jaren als een extra last met zich mee.

Hij was de vriend van mijn moeder geweest, toen zij nog leefde. Samen op de gang van de flat, temidden van andere strompelende en beverige bejaarden hadden zij elkaar gevonden in hun gezamenlijke interesses: de oorlog, een hartgrondige afkeer van het koningshuis en van ieder die het land sinds de bevrijding aan niksnutten verkwanseld had. Duitsers waren nog moffen, Prins Bernhard en Prins Claus natuurlijk ook, Aantjes was een moffenvriend en Van Agt was roomser dan de Paus. Verbittering loert dan om de hoek.
Zo becommentarieerden zij in hun laatste jaren samen de wereld en de politiek, bespraken zij het nieuws en spelden zij de Trouw van voor naar achter en van achteren naar voren, met op zaterdag ter afwisseling en voor het linkse de Volkskrant. “Wil jij nog een kopje Nescafé?”, “Heb jij die puzzel al opgelost?”, “Zet je je pet wel op als je straks naar buiten gaat?”, “Wat zucht je, voel je je wel goed?”; de conversatie bij het tikken van de klok en het loeien van de tv, die door toenemende doofheid steeds harder aan moest staan.

Beiden gebogen over hun kranten en hun boeken, lezend met bevende handen en turend door een loep, en wachtend op de zuster van de thuiszorg of de meneer met de maaltijd van Tafeltje Dekje.  Toch nog met z’n tweeën, in dommelige stiltes mijmerend over vroeger en zich afvragend hoe die tijd toch zo enorm snel voorbij kon gaan. Wroeging over wat je mogelijk allemaal verkeerd had gedaan in de opvoeding van je kinderen. Wroeging over wat je je partner, die nu hopelijk in de hemel of in iets daarboven was, misschien had aangedaan of voorgelogen. Oud worden, elke dag een stukje minder lucht en zicht, en elke dag een stukje minder wereld om je heen. Een kring van vrienden die steeds kleiner werd. “Het heeft de Heere behaasgt tot Zich te nemen…”  gunst, die óók al, ik had hem laatst nog aan de telefoon, maar hij hoorde mij zo slecht en ik beefde zo dat ik telkens de verbinding verbrak.

En dan zelf alleen. Mijn moeder dood. Geen kopjes koffie meer, enkel nog die zuster voor nieuw verband, en misschien één keer in de week of maand een kind. De overbuurman  brengt nog wel de krant, maar die man is twintig jaar jonger, die heeft de oorlog niet meegemaakt… Alleen nog met de oorlog, met herinneringen, en wachten, ja waarop. Om negen uur wordt je in bed geholpen, en dan begint zo’n lange nacht, de worsteling van het ’s nachts naar het toilet moeten, de onmacht als je valt en je de volgende morgen pas gevonden wordt. Je wilt je kinderen niet bellen. De pijn die al je botten kwelt, de adem die die zich gierend door je dichtgeknepen longen perst.

Een mens zit wonderlijk in elkaar. We kunnen ons van alles voorstellen, maar eigenlijk niet hoe het is om oud te zijn. Oud worden is te doen, maar oud zijn een hele opgave. Er naar toe vliegt de tijd, en is het eenmaal zover, dan lijkt hij wel te kruipen. Je komt tot stilstand in een wereld die steeds razender om je heen tolt, in een steeds hoger en ongrijpbaarder tempo.

De jarige zit nu moeilijk in zijn stoel, leunend op z’n stok, temidden van het feestgedruis. “Gaat het een beetje?”…. “Ach, ik ken ze niet allemaal meer”.. De gesprekken glijden langs hem heen, hij zit daar aan het einde van de tafel, dicht bij het toilet. Een heel klein hapje van dit, een heel klein brokje van dat, een slokje slappe thee. Niemand die met hem over de oorlog praat.

Dan is het feest voorbij. Men neemt afscheid van elkaar, zwaait nog even, dag opa, en dan zit hij daar even een moment helemaal alleen, iedereen is weg, men haalt de auto voor hem. Hij probeert op te staan, maar nee, dat gaat niet. De rollator is niet bij de hand, en ik haast mij zijn kant uit. Het gaat allemaal nèt goed. En nu is iedereen weer thuis. Gezellig, bij het gezin, met man en kind, vriend, een hapje en een drankje bij de buis. Een drukke week voor de boeg. Veel afspraken, de agenda puilt uit, we zouden willen dat de dag twee keer zoveel uren telde.

Ook hij is weer thuis, daar op zijn flat. De zuster heeft hem denk ik net in bed geholpen. “Hebt u een leuke dag gehad, meneer?”.  “Jawel meisje, tot morgen..”. Daar ligt hij nu, nachtlampje aan, alleen. Negentig. En als hij straks even onrustig slaapt, dan is daar weer die oorlog. En toch, er is één voordeel aan: in de twintig is hij daar. Nog zeventig jaar te gaan.

Verzet is zinloos

waalsdorp1

Afgelopen week een haast terloopse mededeling in het NOS-journaal: “Het verzet wordt opgeheven”. Voor wie denkt dat ieder nu moedeloos het hoofd in de schoot legt en de crisis maar verder over zich heen laat komen, even een toelichting. Met het verzet wordt hier de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland bedoeld, ofwel de verzetsstrijders uit de Tweede Wereldoorlog. Volgend jaar juni is het afgelopen. Geen verzet meer, bij gebrek aan nog levende leden, bij gebrek aan moffen.  De vereniging telt op het moment van schrijven nog zo’n vierhonderd leden, morgen zijn het er vermoedelijk al weer minder, dus haast is geboden. Wie zijn die nog levende verzetsstrijders? 

Ik ken er eentje, een echte. Toen mijn moeder nog leefde was dit zijn dagelijkse portie resterende spanning: een kopje koffie bij de buurvrouw, en nog een kopje en nog een kopje. Om twaalf uur terug naar de eigen flat, want dan kwam de maaltijdservice met een lauwe, voorgeprakte hap. Om half negen ’s avonds de thuiszorg, om te helpen bij het uitkleden. Eens in de paar weken een snel en vluchtig bezoek van één van de kinderen, uitgezworven over het land en daarbuiten.  Eén keer per jaar de Dodenherdenking, eerst nog bij de diverse bijeenkomsten her en der in het land, later vanuit de stoel voor de buis op de Waalsdorpervlakte.
Een enorme boekenkast vol boeken: “Het boek der Kampen”, “Herinneringen uit Westerbork”, “De Bezetting”, “De dag waarop mijn vader huilde”, noem maar op. Tijdschriften van oud-verzetsstrijders, met daarin herinneringen, aanbiedingen voor ledenreizen naar Auschwitz en Sobibor, oproepjes “Ik ben op zoek naar Jan xxxx, hij was samen met mij geïnterneerd in Rheine, in de periode van….”
Foto’s aan de muur van een B-17 of een Liberator, een ingelijste oorkonde, herinneringsvaantjes.

Nog steeds in oorlog eigenlijk. ’s Nachts bij vlagen weer die spanning, wanneer je in je halfslaap stemmen op de gang hoort. Op de televisie, het enige venster naar de buitenwereld, wezenloze programma’s waarin lallende jongeren hun ding doen, waar men zich volvreet onder leiding van een sterren-kok, waar je met een onbenullig antwoord op een voorgekauwde vraag honderduizenden kunt verdienen. “Wij onderbreken deze show nu even 10 minuten voor de Dodenherdenking!”

Die oorlog gaat nooit weg. We komen nog wel eens bij hem op visite; wanneer je de parkeerplaats oprijdt zie je hem al staan daar voor het raam, leunend op zijn rollator. Even een verzetje in de gevangenis van zijn eenzaamheid en ouderdom, van zijn lichaam wat niet meer wil. Binnen vijf minuten komt het gesprek onafwendbaar weer op de oorlog, op de piloten die hij heeft gered, op de onderduikers in zijn huis, op de spanning en de vrees, op die maat van hem, die drie dagen vóór de bevrijding tòch nog gefusilleerd werd, op de slappe houding van de regering, op de manier waarop nazi-misdadigers de dans ontsprongen. Het klinkt heel dubbel, maar misschien was dit wel de tijd van zijn leven, in dit geval eentje die je koestert en haat.

Je knikt en je luistert en je hebt met hem te doen.  Je schenkt hem nog een kopje koffie in, wat hij schuddend en nèt niet morsend aan zijn mond brengt. En dan ga je weer. Als je omkijkt, staat hij daar voor het raam. Hij zwaait beverig. Blijft kijken tot je weg rijdt. Nog steeds oorlog, elke dag weer, daar, in zijn cel, totdat het verzet wordt opgeheven.