Stresskip

stresskipKleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen.Als er één spreekwoord klopt, dan is het dát wel. Nu ben ik van nature al een zorgelijk typje, en met drie dochters in de huwbare leeftijd wordt een dergelijke karaktertrek nog eens tot duizelingwekkende hoogte versterkt, dat begrijpt u wel. Die zorgen zijn mij met de paplepel ingegoten; ik was en ben werkelijk overal bang voor, net als mijn moeder die complete Siberische bossen en de voltallige daarin wonende berenbevolking dagelijks op de weg zag. Niets dan goeds over mijn opvoeding verder, maar ik ben daardoor wél wat ..eh .. voorrzichtig geworden.

Het is eigenlijk nog een groot wonder dat ik niet reeds vele malen ben overleden aan een maagzweer of iets dergelijks, en dat als kind al. Ik was bijvoorbeeld jarenlang bang voor bananen, die monsterlijke en angstaanjagende vruchten, omdat ik ooit eens als kleuter op een of ander ingegroeid stokje in dergelijk fruit stuitte, wat tot gevolg had dat ik in een hysterische paniekaanval besloot nooit meer bananen te eten. Ik heb dat meen ik drie jaar vol gehouden. En nu nóg: fruit, dat is mij eigenlijk veel te gezond. Was het mogelijk en zonder gevolgen, dan bracht ik mijn verdere leven door met het eten van vissticks en zoete gemengde drop ( met van die gesuikerde spinnetjes – die niet eng zijn –  er in ).

In mijn kindertijd vulde de muur zich ’s nachts naast mijn hoofd met kronkelende, slijmerige monsters, in mijn kindertijd bewoog steevast de stoel met kleren mijn kant uit en dreigde de eerste kunstmaan die toen als een wonder van techniek gelanceerd was, bliepend en al uiteen te spatten op mijn onder de dekens verborgen hoofd. Als tegenprestatie, om de angst een beetje te verbergen, bracht ik halve nachten heen en weer rollend en luidkeels een divers repertoire aan liederen schallend, in bed door. De voorstelling varieerde van de klassiekers als Moldau en het Britse volkslied tot Franse Chansons en de laatste hits van de Beatles en de Rolling Stones. Bij één lied, de titelmelodie van één of ander jeugdprogramma op woensdagmiddag op de tv, barstte ik altijd in hartverscheurend huilen uit, omdat de daarbij getoonde beelden van een zwerver onder een brug langs de Seine ook ’s nachts nog op mijn netvlies brandden omdat ik het zo zielig voor die man vond.

Ik was natuurlijk ook bang voor honden – die mij dus ook prompt beten of in elk geval heel naar tegen mij deden- , bang voor grote jongens – die mij dus na school geregeld achterna zaten – , bang voor kinderlokkers – waar volgens mijn vriendjes de hele buurt van vergeven was -, en bang voor Karin Hoes, waar ik op de basisschool enige tijd zwaar doch heimelijk verliefd op was, maar die mij tijdens een gevecht voor het oog van mijn vriendjes routineus tegen de grond werkte; een groter afgang is natuurlijk niet denkbaar.

Mijn vroege puberteit was een aaneenschakeling van hopeloze verliefdheden, bang om af te gaan, en van lijdzaam toezien hoe een of andere klojo er dan telkens weer met het object van mijn liefde op het schoolfeest vandoor ging. Ik was natuurlijk ook niet om aan te zien: bloempotkapsel ( “We gaan géén geld aan een dure onzinkapper uitgeven!”), dus met een messcherpe brillantine-in-het-haar-scheiding, stevige zwarte bril met bloempotglazen, stomme, want goedkope C&A-kleren ( “Een boetiek is voor nozems!”), viel er ook niet veel eer te behalen.

Drie dochters hebben voor de nodige doodsangsten en perioden van hevige verontrusting gezorgd. Zestien jaar, en dan naar een feestje van ‘een vriendin’; wat lopen daar voor gozers rond, ik ram ze in elkaar als ze ook maar één poot durven uit te steken. Eén grote drugsbende daar natuurlijk, en dan ook nog een beetje om drie uur ’s nachts thuis willen komen. Waarom kan zo’n feest niet gewoon om acht uur ’s avonds beginnen, met een sapje en zo, en dan om twaalf uur uiterlijk in dromenland.
Met de dochters van 18, 20, 21, én een vrouw, allen blond, rondreizend door Egypte. Dat is toch vrágen om een ontvoering door bebaarde en bloeddorstige Bedoeïenen. Wauwel in het holst van de nacht, heen en weer hossend op een nukkige dromedaris, achter zo’n stel op razendsnelle Arabische paarden aan, voorgoed verdwijnend in de eindeloze woestijn, in een hopeloze jacht op dochters die als blanke slavin verkocht worden en nu ergens bosjes Al Qaida-strijders aan het baren zijn.
Natuurlijk vond niets van dit alles plaats, maar dat was toch wel uitsluitend te danken aan het scherp en achterdochtig oog wat iedereen die binnen een straal van honderd meter mijn blond bezit probeerde te naderen, in de gaten én op afstand hield.

U kent het wel, het kroost is uit feesten, en dus lig je wakker totdat – o heerlijk gevoel van totale ontspanning – je de sleutel zachtjes in het slot hoort steken en je stille voetstappen op de trap naar boven hoort gaan. De weldadige rust die daarna volgt.

Gelukkig is Wauwel gezegend met een gade die in roekeloosheid en ogenschijnlijke zorgeloosheid geheel het tegenovergestelde is van mijn persoon. Zij wil, zo lijkt het, alleen maar enge en gevaarlijke dingen doen, wil parachutespringen, wil snorkelen en duiken – zelfs zónder grond onder de voeten! – , wil wel in de achtbaan en heeft zich ook al eens in een vlaag van volslagen waanzin op 90 meter hoogte laten rondslingeren in een reusachtige zweefmolen in een of ander pretpark. Pretparken zijn ongeveer de gevaarlijkste oorden die er op aarde bestaan, dat weet u natuurlijk wel.

Op moment van schrijven is één van mijn dochters nu in haar eentje aan het rondtrekken in Peru, het land van Joran van der Sloot. Mijn vrouw heeft dat tot mijn ontsteltenis en wanhoop nota bene toegejuicht en gestimuleerd. Waarom nemen vrouwen het toch altijd voor hun dochters op en steunen zij de man niet in zijn krachtdadige opvoeding? Wél mobieltje mee, en stuur voorál je routes en adressen door, en laat élke dag enige malen van je horen. Je houdt zoiets als vader toch niet tegen, zéker als al die vrouwen tegen je samenspannen. We zijn nu op de helft van de reis. Vorige week vrijdagmiddag  het laatste contact: “Ik ga hier uit dansen met een vriend”. En daarna niets meer. “Ze loopt de Inca-trail, daar is geen haast geen mobiel bereik en al helemaal geen wifi, dat weet je toch!”, wordt mij van alle kanten bezworen.
Jajaja, ik weet het wel, ik heb de gruwelijke reisplannen te uitentreuren bestudeerd, maar tóch. Belachelijk dat ze in zo’n land niet op elke straathoek in het hooggebergte van de Andes een gsm-mast hebben staan. Nachten wakker liggen, Rennies binnen handbereik. Twee meisjes spoorloos verdwenen in Panama, hoor je dan op het nieuws. Kan de samenloop nog vreselijker zijn.

En dan, op dinsdagavond, nog nét niet in totale paniek aan de lijn met de Nederlandse ambassade in Peru maar wél ongeveer alle nagels kwijt, een ping op mijn mobiel: “Ik ben weer online, het was fantastisch!”. Dat is de digitale versie van de sleutel zachtjes in het slot, midden in de nacht. Eindelijk rust, Weg stress. Nou, ja, voor even dan. Nog twee weken,nog één pak Rennies,  dan komt het kuikentje weer thuis.

Voeg jij me effe toe

Het ideale middel om tot op hoge leeftijd jong ( en eventueel wild ) te blijven bestaat, en het heet: onderwijs. Niets houdt de mens zo fris en fruitig als de omgang met leerlingen, dus wat dat betreft kan ik iedereen een baan in dit dynamische wereldje aanraden. U bent altijd op de hoogte van de laatste trends en ontwikkelingen op mode- en muziekgebied, u ziet wat voor gadgets er op de markt zijn en u weet alles over tot voor kort raadselachtige termen als social media, Facebook , Twitter, WhatsApp en Draw something. U hoort over de laatste dancefestivals, welke lineup er staat, u weet alles van pilletjes, paddo’s, flashmobs, schuren, bubbelen en afterparty’s. Voor de basisschool gelden deze begrippen op een wat lager tandje, maar je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn. U herleeft uw jeugd en denkt de hele wereld aan te kunnen.

Nu zijn docenten door alle eeuwen heen echter ook de meest behoudende lieden op aarde, en ze lezen in het algemeen slechts één boek per jaar: de Elseviers Belansting Almanak ( dat laatste heb ik trouwens niet van mezelf, maar er zit soms een kern van waarheid in ). Naarmate ze ouder worden, verstart hun houding nog verder, en wars van alle vernieuwingen strompelen zij van weekend naar vakantie naar weekend naar pensioen. Zelf nader ik ook inmiddels die leeftijd, en mocht ik tot die tijd niet alsnog in totaal overspannen toestand het schoolpand hebben verlaten en in een gekkenhuis zijn beland, dan is het te verwachten dat ik net als velen met mij de hakken nog verder in het zand ga zetten en bij voorbaat overal tegen ben.

Tot de 21e eeuw zich aandiende, met als gruwelijke bijkomstigheid de social media als Twitter en Facebook. Je wilt als docent natuurlijk door je leerlingen voor zo jong mogelijk versleten worden en door je directie voor zo oud en breekbaar mogelijk en dus te ontzien, dus is het voor ons leraren een beetje schipperen geblazen. Er was een tijd dat een docent een persoon was die gezag uitstraalde en ontzag inboezemde, nu dien je – zo vinden sommigen – onder invloed van media, Den Haag, management en allerlei onderwijsadviesbureau’s zo laag en diep mogelijk tot het niveau van de leerling af te zakken en mag  je nog uitsluitend een soort voorzichtig begeleidende rol op je nemen. Dat wordt dus behoedzaam manouevreren tussen de oude en de nieuwe tijd. Wat kun je wel, wat kun je niet, wanneer verword je tot een potsierlijke clown?

Op Twitter ontstond gisteren een discussie over wat je je als docent kunt permitteren naar leerlingen toe wanneer je heel hip en vooruitstrevend besloten hebt om je nieuw aangeschafte mobieltje ook te benutten voor het contact met hen, binnen of buiten lesverband. Jongeren vinden het prachtig wanneer je op de hoogte bent van hun leefwereld, en je kunt je ongekend populair maken door met het momenteel meest begeerde mobieltje te gaan rondzwaaien.  Ze vinden het leuk wanneer je je een beetje vlot kleedt en er niet bij loopt als de typische docent in oude C&A-spijkerbroek, een flodderig ruitjesjasje met elleboogstukken en krijtstrepen en wat pennen uit de borstzak. Er wordt sterk op je gelet, en een beetje leerling ziet aan de stiknaad van je jeans welk merk het is en of dat nog wel verantwoord is of niet. Je krijgt dat dan ook terstond te horen, en moedeloos fiets je die dag naar huis omdat je blijkbaar net weer de verkeerde winkel bent binnengestapt voor je schaarse kledingaankopen.

Voor jonge docenten is het heel makkelijk en verleidelijk om volledig in de wereld van hun publiek mee en soms ook op te gaan; die wereld ligt immers nog maar kort achter hen. Voor ouderen, en dan bedoel ik boven de dertig, wat in de ogen van een leerling al stokoud is,  is  het lastiger. Laat je je nog bij je voornaam noemen, tutoyeer je elkaar of niet,  net zoals als het voor jongere docenten lastig is om met “u” en “Meneer” aangesproken te willen worden.
En er is meer: een beetje docent 2.0 zit tegenwoordig op Facebook en Twitter, en de wat behoudender types onder ons teren nog een beetje op Hyves. “O meneer, zit u op Facebook?”, en voor je het weet krijg je de mededeling dat die en die vrienden met je wil worden op Facebook, Hyves of dat je door je klas gevolgd wordt op Twitter. Vriend worden, met een leerling, in de toch wel behoorlijke anonimiteit van het internet, is iets anders dan vriendelijk zijn tegen diezelfde leerling in de vertrouwde omgeving van het klaslokaal. Voor een leerling is internet een deel van hun leefwereld, die betaat uit vrienden in real life en vrienden op Facebook, twee werelden die steeds nauwer met elkaar vervlochten zijn en waarin het begrip “vriend”een totaal andere betekenis heeft gekregen dan die wij er aan toekennen. Het is vooral een wereld van leeftijdgenoten, lotgenoten, soortgenoten; een wereld waar je je als school niet in moet mengen. In  de tijd dat een dagboek nog niet vervangen was door Twitter of een tijdlijn op Facebook, wilde je tenslotte ook niet dat je ouders of je leraar daar in ging zitten koekeloeren. In feite vraag je als leraar of je alles in de agenda of het mobieltje van de leerling mag bekijken. Je overschrijdt een onzichtbare maar duidelijke grens, die jouw wereld en die van de leerlingen scheidt.

Zie Twitter en Facebook als een enorme kroeg waar leerlingen buiten schooltijd in rond hangen, vaak dag en nacht. Stap je als onderwijsgevende in werkelijkheid de uitgaansgelegenheid van de leerlingen binnen wanneer ze daar op zaterdagavond aan het stappen zijn? Ik dacht het niet. Omgekeerd zit je er als docent ook niet op te wachten dat een leerling dag en nacht in de privé-sfeer van jouw woonkamer zit mee te gluren en alles ziet en weet wat je doet. Toch ben je daar wel mee bezig wanneer je leerlingen gaat volgen op Twitter of wanneer je ze een verzoekje om vriend te worden op Facebook stuurt. Omgekeerd ook, wanneer je op hun volg- of vriendschapsverzoek ingaat. Het is niet anders dan ’s avonds laat op de bank thuis met een leerling over allerlei zaken gaan telefoneren. Men zou raar opkijken.

Alles wat je op het internet plaatst, staat daar in principe voorgoed, en kan door anderen gebruikt of misbruikt worden. Een grappig bedoelde opmerking kan snel verkeerd worden uitgelegd en een geheel eigen leven gaan leiden, kan honderden malen geretweet worden naar alle vrienden van de leerlingen die dat ook weer naar hún vrienden door sturen, ook als je zelf de tweet al weer hebt verwijderd. Je loopt als docent voortdurend langs de rand van een afgrond die Facebook en Twitter heet, of  langs de grens van de docenten- en de leerlingenwereld. Blijf daar dus een beetje uit de buurt vandaan, wanneer je geen geldige reispapieren hebt.

Nooit meer of Facebook of op Twitter dan? Natuurlijk niet, beide zijn een bron van informatie en vermaak. Je kunt ook als docent op beide media contact met je leerlingen onderhouden, en ze fantastisch gebruiken bij je lessen. De mogelijkheden zijn enorm! Maar alleen met een duidelijk herkenbaar school-account, een officiële schoolfoto, onder strikte afspraken en protocollen die elk school dient vast te leggen, en spelregels die er voor zorgen dat je je privé en je werk op dit gebied strikt van elkaar gescheiden houdt. Dan maar wat minder vrienden en volgers op Facebook en Twitter. Een goede buur is beter dan een vage digitale vriend.

Ouderavond

’t Is ouderavond. De school vult zich al ruim voor tijd met vaders en moeders, die allemaal wat onwennig aan hun bekertje koffie nippen en nu eindelijk de omgeving te zien krijgen waarover zoon- of dochterlief meestal niet anders weet te reageren dan met “O, wel goed, niks bijzonders gedaan!” wanneer gevraagd wordt wat er vandaag allemaal op school is gebeurd. Ik spreek nu over pubers, die op die leeftijd nu eenmaal altijd A moet zeggen als de ouders B beweren.  Aan de andere kant zijn ze de volgende ochtend allemaal wel weer vreselijk nieuwsgierig naar wat de leraar “over mij te zeuren had”. En als je ze dan een pluimpje geeft, dan zwellen ze van trots. Het blijven kinderen, tenslotte. Die ouders eigenlijk ook wel een beetje. Ook hier zijn er die te laat komen, gedoemd tot ongemakkelijke bankjes aan de zijkant, want de zaal is mudvol. Men heeft gelukkig nog interesse in wat het kind te wachten staat, ook al is het maar aan het begin van de schoolloopbaan dat je ze allemaal zo bij elkaar hebt. De volgende keer dat de zaal weer zo vol zit, zal zijn bij de diploma-uitreiking, over een aantal jaren, met daartussen nog wat tien-minutengesprekken, zo hoop je.

De docenten staan langs de zijkant van de aula, zien de volle zaal, lichting nummer zoveel van de vele die zijn gepasseerd, en zoeken naar gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. “Ah, dat is vast de vader van Pietje, en die mevrouw zit er net zo bij als haar dochter. De directie spreekt. Het gaat over missie, visie, plannen, de onderwijsinspectie. De aanwezigen laten alles gelaten over zich heen komen. Stapels vaktermen, exameneisen, normeringen; het is lang geleden.

Heel braaf loopt men na de algemene toespraak met de mentoren mee naar de lokalen, en neemt afwachtend plaats achter de tafeltjes. Het is buiten al donker, de beamer zoemt, en bijna wordt het knus. Ouderavonden hebben altijd iets rustgevends vind ik. Zeker de individuele gesprekken, in de stilte van het bijna verlaten schoolgebouw, de leerruis verstorven, de boel aan kant, waar je hoort van huiselijke narigheid, echtscheiding, onhandelbare pubers, en gelukkig ook van ideale gezinnen vol pais en vree, die helaas steeds meer een zeldzaamheid beginnen te worden.
Dit keer heb ik ze allemaal. Een klas vol, dertig stuks zijn er op komen dagen, je geeft ze allemaal een hand. Je bent ineens weer een beetje de Meester. Soms zegt een leerling dat nog tegen je: “Meester!” en heel soms, waar ze dan gelijk van schrikken: “Papa!”. Ze voelen zich dan blijkbaar thuis. Da’s het belangrijkste, de rest komt vanzelf.
Die school moet een veilige plek zijn, een plek waar je alle leerlingen dat kunt bieden wat ze nodig hebben, of ze nou lijden aan ADHD, PDD-NOS, Asperger, dyslexie,dyscalculie,schizofrenie,Borderline, zelfmutilatie, NLD of noem maar op lijden, of dat ze doodnormaal of juist hoogbegaafd zijn: je krijgt ze allemaal bij elkaar en je dient er wat van te maken. De ouders zien soms net zuilke beren en bergen als hun kinderen. Wat gaat er allemaal gebeuren, gaat mijn kind straks wéér gepest worden, krijgt mijn kind wel de juiste aandacht, op de specifieke manier die bij zijn of haar stoornis hoort?  Je probeert een sfeer te creëren die je ook in de les hebt. Gezellig, een grap en toch aandacht.

Het gaat over mobieltjes. We moeten ons kind toch bereiken meneer. De herkenning wanneer het gaat over het eindeloze getuur op dat kreng tijdens de maaltijd. Eeuwig met dat mobieltje in de weer. Het gaat over huiswerk: er staat nooit niks meer wat in hun agenda meneer, hoe kan dat nu. Het gaat over reizen: mijn dochter moet al om vijf uur op voor die-en-die les. Over schoolfeesten: ik heb gehoord dat daar nogal gedronken wordt, houden jullie dat een beetje in de gaten. Worden er bij jullie ook drugs gebruikt. Hoe zit het met het pesten. Kunnen wij ook een bericht krijgen telkens wanneer er huiswerk wordt opgegeven. Die schoolboeken zijn zo duur, wat als ze nog geen boeken hebben. Moeten ze persé mee naar Barcelona, mogen ze op buitenlandstage als ze 15 zijn.

Grote zorgen, enorme zorgen, en voor iedereen terecht. Ouders geven tenslotte hun kostbaarste bezit in jouw handen. “U mag mij bellen als er problemen thuis met uw kind zijn”. Hilariteit alom. Dat moet ik dus even nuanceren, want voordat je het weet staat de hele week de telefoon roodgloeiend. Na afloop , om tien uur, de tijd vliegt, blijft er nog iemand dralen. Dan weet je: daar komt een groter thuisprobleem dan alle andere die je vanavond gehoord hebt. En ja, je hoort van plotseling geconstateerde kanker bij een ouder, een zware operatie in het verschiet met ongewisse afloop, en of we alsjeblieft rekening willen houden met het kind waarvan jij de mentor bent. Dat kind wat thuis al een paar weken zo vreselijk veel heeft gehuild en wat op school stoer en ogenschijnlijk onaangedaan door de gangen liep, waar het dolgraag thuis bij de zieke op schoot zou kruipen en roepen van “laat me nu niet in de steek, ik zit hier net op school en ik wil zo graag dat je weet hoe ik het hier doe”.

Het hoort er allemaal bij. School, een maatschappijtje in het klein, waar onze toekomstige bloem der natie wordt klaargestoomd voor de grote wereld straks. Een zwaar beroep, maar die leerlingen zelf, die willen allemaal wel. Er zitten etterbakken tussen, dictators, onderdrukte volkeren, politici, bankiers, minder bedeelden, criminelen, brave burgers, sporters en wereldverbeteraars. En het is heerlijk om daar samen met die ouders aan te schaven en te vormen. Dat er nog maar vele ouderavonden mogen komen.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=JA_bHQxfOOc[/youtube]

De grote boze wereld

Zo zit je zondags een beetje voor je uit te staren en je vraagt je af wat te gaan doen en wat er vanavond op tv is, en zó zit je diezelfde avond nog in het vliegtuig naar Brisbane, alwaar mogelijk ingegrepen moet worden om wat stage-lopend kroost tot de orde te roepen.
Want wat moet je als ouder. Loslaten natuurlijk, een beetje afstand nemen en van daaruit kijken hoe het vogeltje de wijde wereld verkent. Maar niet zo ver weg, dat het onzichtbaar wordt. 
Nu is dat makkelijk: alle jonge vogeltjes hebben tegenwoordig Hyves, Skype, Whatsapp en Facebook, daarbij niet altijd beseffend dat de ouden ook niet meer helemaal van gisteren zijn en dus op gezette tijden een bezorgde blik werpen op de tak waar het jonge vogeltje al stuntelend is geland en luidkeels piepend of twitterend de wereld verkent. 
En wat ze daar zien is niet altijd verheffend. Veel uitvliegende vogeltjes hebben tegenwoordig de onhebbelijke gewoonte om verder en onvoorzichtiger  te vliegen dan eigenlijk de bedoeling was, en dan is er altijd wel ergens een loerende kater op vogeltjesjacht of een ruit waar men zich tegenaan werpt. 

De ouders vliegen hevig schreeuwend boven het slachtoffertje rond, doen schijnaanvallen op de dader maar kunnen meestal weinig uitrichten. Een dag later lijkt de narigheid al weer vergeten en wordt noest gewerkt aan een nieuw broedsel. 
Helaas hebben wij, menselijke ouders, niet altijd de verstandelijke vermogens van onze gevederde vrienden, dat zou soms een enorme hoop zorg en stress schelen. Het is echter meer dan instinct. En als er een noodgeval dreigt te ontstaan, dan kun je niet anders, kost wat kost, er op afvliegen. Dan maar geen dure zomervakantie naar Indonesië , waar je drie weken voor dacht uit te trekken. In plaats daarvan binnen in een week heen en weer naar de andere kant van de wereld, het groot deel van de reis nachtbrakend, piekerend en peinzend in de meest krankzinnige houding in een vliegtuigstoel. Toch  word je zo wel gedwongen je gedachten even te ordenen en het gemaal tot rust te laten komen; misschien valt het allemaal mee, je hebt ze toch een keurige opvoeding gegeven, en zelf was je in je doen en laten vroeger ook niet altijd even fris op die leeftijd.
Zijn de gevaren tegenwoordig groter, zoeken we meer de grenzen op? Het maakt niet uit. Als ouder schiet je je kroost te hulp, als is het gevaar nóg zo groot en is de grens reeds lang overschreden. Geen berg te hoog, later ook geen ‘had ik maar’.
Snel vliegen dus, en hopelijk is het allemaal niet nodig, hopelijk heb je je veel te veel in het hoofd gehaald. 

Deel 1 zit er op. Doe Australië in drie dagen. Het vogeltje is gevonden en onder de hoede genomen. Zo’n reis, binnen 7 dagen,  42000 km via Amsterdam, Frankfurt, Singapore, Brisbane, Hong Kong, Londen, Amsterdam, is een ook een beetje een waanzinnige reis door je eigen geest, waar je in het zelfde razende tempo indrukken opdoet als in de buitenwereld. Je vliegt van de ene uithoek van je geest naar de andere, van laag naar hoog, van hoog naar laag. Vaders praten moeilijk met hun dochters, praten liever met zichzelf soms. Praten moet je leren, begrijpen moet je leren, invoelen moet je leren. Je zelf en je kind tegenkomen is een kunst, die ik nu in een snelcursus van zeven dagen heb aangeleerd. Verschrikt en eerst hulpeloos heb ik naar het vogeltje gezocht, en ook gevonden. Over een paar dagen vliegt het mee terug, op eigen kracht, maar wel naar huis. De goede richting.  

De 24-uurs-School

Ja, waarom eigenlijk geen school die 24 uur per dag open is? Dat bedacht ik tijdens de Avond voor het Onderwijs, die avond op televisie waarbij het onderwijs één keer per jaar de aandacht krijgt die het elke dag zou moeten krijgen. Eén keer per jaar een paar uur tv-zendtijd, om daarna weer plaats te maken voor vrachtwagenladingen tv-pulp, bestaande uit  talentenjachten voor hippe en flitsende aankomende koks, dansers en danseressen, musicalsterretjes, naakt- en topmodellen, kampioenen uit je dak gaan, comazuipers, je ding-doeners, huizenverbouwers, zogenaamd-op-een-onbewoond-eiland-overlevers, kwetsen-tot-je-er-bij-neervalt-types en wat je verder nog aan ultiems kunt bedenken. Kortom, alles wat je in het onderwijs probeert bij te brengen aan opvoeding, cultuur- en kennisoverdracht, wordt gedurende de rest van het tv-jaar weer grondig uit de hersenpan verdrongen, waarbij dergelijke programma’s ongetwijfeld hogere kijkcijfers krijgen en meer aandacht ook dan zo’n paar uur gevuld met onderwijsproblematiek.

Eén van de stellingen gedurende het programma was dat de school teveel de opvoedende taak van de ouders zou moeten overnemen. Nu, als docent ben je natuurlijk ook altijd al aan het opvoeden, hoewel de strijd tegen petjes op je kop, kauwgum in je mond, jassen aan, mobieltjes aan, te laat komen, te vroeg vertrekken, helemaal niet komen, niet luisteren, te veel praten, met twee woorden spreken, altijd uit stellen, boeken vergeten, leesbaar schrijven, niet omgedraaid zitten, wat vroeger naar bed gaan en noem maar op steeds meer begint te lijken op de vergeefse pogingen de Taliban wat tot de orde te roepen.

Eigenlijk vind ik dat de school nog meer dan nu een opvoedende taak zou moeten hebben, daar ouders het steeds vaker laten liggen. Zoiets lukt natuurlijk niet tijdens de reguliere lestijden. Wat dat betreft is die school een hopeloos verouderde mastodont, met openingstijden van negen tot vijf terwijl we steeds meer in een 24-uurs-maatschappij leven. Gooi die school gewoon nu eens ’s avonds ook open, en dan vanaf zeven of  – nog beter – zes uur ’s ochtends. Er zijn altijd docenten die op genoemde tijden willen werken wanneer ze daar op een ander moment weer uren vrij voor krijgen. De sfeer ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat is wezenlijk anders, dat zal ieder die avondonderwijs heeft verzorgd of gevolgd kunnen beamen. Je doet andere dingen voor een ander publiek. Je krijgt minder druk op de lokaalbezetting.  Je krijgt meer tijd voor opvoeden.
Op de basisschool lopen leesmoeders  en -vaders de drempel plat. Er zijn overblijfouders, hoofdluisouders, vervoerouders, u verzint het maar. Wáár zijn die gebleven in het voortgezet onderwijs? Waarom wel op de basisschool de ouders bij de onderwijspraktijk betrekken en niet daarna? Waarom de school dan ook niet omgekeerd bij de opvoedpraktijk betrekken en dan niet alleen tijdens schooluren?  De school wordt op die manier steeds meer deel van het leven en niet langer een hinderlijke onderbreking van alle dagelijkse activiteiten in de druk bezette puber- en ouderagenda.

Gooi open dus die school. Laat het principe van dertig leerlingen in een te klein klaslokaaltje eens los. Sommige lessen kunnen heel goed aan een zaal met tweehonderd leerlingen gegeven kunnen worden. Wanneer ze twee uur lang naar een of andere talentenjacht in een tv-studio kunnen kijken, moet het bij zoiets ook kunnen. Haal de ouders erbij. De tijd die daardoor vrij komt, kan door andere collega’s weer besteed worden aan het bijwerken van de mindere goden en godinnen , kan gebruikt worden voor les en opvoeding, in samenwerking met ouders, waarvan je er velen bereid zult vinden om enthousiast mee te doen, al is het alleen al om zelf ook weer eens iets op te steken van de lang vergeten lessen Nederlands of wat voor vak dan ook.  Laat die anders ’s avonds rond hangende leerlingen de computerlokalen  eens gebruiken voor een vètte lan-party, om even in de terminologie te blijven. Doe eens mee als leraar, trouwens. Ook dáár zijn liefhebbers voor. Gebruik die leegstaande lokalen voor opvoeding, les en ontspanning.

De school wordt zo een waardige afspiegeling van de maatschappij en komt eindelijk eens uit het taboe-hoekje waarin men steeds meer lijkt te zitten.

Tijd voor een denktankje over de 24-uurs-school, lijkt me. Eén lid is er al. Nu nog wat meer graag.

Ik wil ook een iPad

Als ik nu niet gauw een iPad krijg, word ik gek. Ik wil zo’n ding, ik lig er ’s nachts wakker van, door het gebrek aan iPad voel ik me minder man, ik word er humeurig van, volgens mij ook impotent, ik slaap er slechter door en ik krijg steken in mijn maag. Ik zou groen en geel van narigheid worden als één van mijn collega’s zo’n ding eerder heeft dan ik. Je kunt gewoon niet goed functioneren zonder zo’n ding, je leven is minder rijk en uitdagend. Mogelijk word je alcoholist en verdwijn je elk weekend naar de kroeg, of je gaat ergens de hele zondag in de regen onder zo’n groene paraplu in een meertje langs de A1 zitten vissen.

Er is echter een probleem, en dat is tamelijk groot: mijn vrouw. Niet dat zij groot en zwaar is natuurlijk, maar zij kent mij een beetje. Zij weet, dat wanneer ik over een nieuw hebbedingetje begin, en meestal is dat in afkeurende zin ( je moet nooit gelijk te hebberig lijken ), dat  object van mijn lusten er dan ook binnen no-time is.
Zo’n aankoop dient met enig beleid gepaard te gaan. Ik heb daar door de jaren de nodige ervaring mee opgedaan. Eén van mijn eerste computers was een  Commodore 64, waar ik toch zeker wel een jaar zoet mee was. Na verloop van tijd werd het summum van genot uitgebreid met een klein cassette-recordertje, wat nodig was om programma’s te installeren. Daarna kwam een externe diskdrive, een gevaarte met de grootte en het gewicht van een flinke baksteen, waarbij ook nog eens een gierende herrie werd geproduceerd, die het gebliep uit de computer bijkans overstemde.

Daarna kwamen nog een Atari 1024 en een eerste XT-computer voorbij; daarop speelde ik flight Simulator, wat een zwart scherm toonde waarop een samenspel van witte lijntjes schokkerig heen en weer bewoog: het vliegtuig naderde de landingsbaan van Chicago Meigs. Ik was ongeveer door ontroering overmand bij de aanblik van zoveel schoons, bij wat de realiteit ernstig leek te benaderen.  Ik hoor het mij nòg tegen mijn geduldig en meewarig toekijkende gade zeggen: “Nu hoef ik nooit meer een andere computer”.
Mannen blijven altijd grote kinderen, en ik heb dus een groot respect voor al die miljoenen echtgenotes op de wereld die er naast hun kroost nog een groot kind bij hebben, eentje die nooit volwassen wordt. Vroegâh, toen de HCC-dagen in Utrecht nog bestonden en tienduizenden begerige mannen trokken, zag je buiten bij de telefoons altijd rijen kerels staan, met naast hen grote dozen en pakken: die waren hun vrouw alvast geestelijk aan het voorbereiden. Voor de desbetreffende echtgenotes betekende dat: bij thuiskomst overdreven vriendelijk en lief doen, de aankoop achteloos in een hoekje schuiven, meehelpen met de afwas, de was, het dweilen, het strijken, het stof afnemen, het koken, het ramenlappen, het boodschappen doen, het kinderen naar bed brengen en noem maar op.
“Moet je niet de computer uitpakken? ” “Neuhh, dat heeft nog geen haast, is niet zo belangrijk” ( ondertussen helemaal gek van opwinding en alle nagels afgebeten van het wachten tot het moment dat het wel weer mooi geweest was en je als een haas naar boven kon verdwijnen om met de nieuwe aanwinst te gaan spelen. Nooit meer wat anders nodig, jaja.

Er is niet veel veranderd eigenlijk. Een keur aan gadgets en dure spullen is hier de revue gepasseerd. Voor tienduizenden euro’s aan apparatuur, die je nu hier en daar nog tegenkomt op een rommelmarkt van de kerk, alles in de graai-hier-voor-€ 2,- euro-maar-wat-uit-doos. Honderden smoezen en verzachtende omstandigheden liggen in zo’n doos, en honderden meewarige lachjes van de echtgenotes.  Mannen hebben nooit genoeg, vrouwen nemen vaak te veel genoegen met….

Nu mag ik binnenkort een weekje afreizen voor een studiereis naar Anaheim in de VS, het mekka van goedkope electronische spulletjes. Om een beetje fatsoenlijk met het thuisfront te communiceren, heb ik dus zo’n  iPad nodig, want op mijn iPhone kan ik het gewoon niet goed genoeg meer zien. Bovendien te dikke vingers voor het kleine schermpje en zo, en het thuis eenzaam achtergebleven gezin wil toch zeker volledig op de hoogte blijven van mijn wedervaren? En alle medereizigers hebben waarschijnlijk ook al lang zo’n ding ( de mannen dan ). In mijn onuitsprekelijke goedheid zal ik dan nu nog even wachten met de aanschaf  van mijn ultieme levensdoel tot ik in Amerika ben.  En weet je wat nou zo fijn is? Door hem dààr te kopen bespaar ik ook nog eens een slordige tweehonderd euro aan huishoudgeld. Je zou dus wel gek zijn als je dat niet deed.  Juist, als dàt dus geen goed argument is, dan weet ik het ook niet meer.  Weet je wat, ik koop er ook een voor mijn vrouw. Dan zal ze helemaal zielsgelukkig zijn en kan ze mij niet kwalijk nemen dat ik er dan ook een voor mezelf heb gekocht

Kleine kindjes worden groot….

Eén van de vreselijkste dagen die je als ouder mee moet maken is de dag waarop je kinderen het huis uit gaan. Vind ik dan. Mij overkwam dat afgelopen weekend. Het is een dubbel gevoel. Aan de ene kant vind je het fantastisch voor je kind, maar aan de andere kant voel je je ineens tien jaar ouder.  Zoiets laat je natuurlijk niet merken.  Je helpt ijverig en opgewekt mee met het leegruimen van de meisjeskamer;  je schildert en je boort in haar nieuwe optrek dat het een lieve lust is, en je speelt een hoofdrol in het blijspel van haar leven waar dat voor jou een treurspel, om niet te zeggen een tragedie is. 
Weken lang heb je tegen dat moment op gezien, terwijl je weet dat het eens onherroepelijk gaat komen, en je hebt eeuwige spijt dat je niet meer met haar hebt opgetrokken op de momenten dat ze thuis was.  Het hoort er allemaal bij, hoewel je je zelf wijs maakt dat het niet erg zou zijn wanneer ze de rest van je leven veilig en beschermd bij je thuis zouden blijven wonen. Ineens voel je wel wat voor die patriarchale gezinsconstructies, waarbij de hele familie gedurende het hele leven knusjes bijeen in de hut blijft wonen.

Het was niet de eerste die vertrok. De oudste woont al een tijdje v rij en blij met vriend ergens in het midden des lands, gelukkig niet meer dan dertig kilometer verwijderd. Maar dan waren er nog altijd twee thuis, met aanloop van vrienden en vriendinnnen en alle reuring die daar bij hoort. Rekening houden met eten, toch zorgen maken wanneer ze nog niet thuis zijn en pas rustig slapen op het moment dat je in het holst van de nacht heel zacht de voordeur open en dicht hoort gaan. Zakgeld, kleedgeld, schoolgeld, het kost je een vermogen maar je betaalt het met liefde. Ruzies aan tafel, commentaar op het eten, opmerkingen over je bankhang- en je zapgedrag.

Het is allemaal voorbij.  Je voelt je ineens tien jaar ouder. Met je kind verdwijnt ook een stukje van de huiselijke sfeer. Je bent vrijer, je hoeft minder rekening te houden met, je hebt meer geld uit te geven, en je bent meer op je partner aangewezen. Langzaam ga je weer terug naar af, terug naar het begin, en ligt er een nieuwe toekomst voor je zonder kinderen.  Een nieuwe fase dus, die je als een uitdaging moet zien; dat maak je je maar wijs.

Is er geen praatgroep voor ontredderde ouders, vraag je je af. Een soort rouwverwerking weaar helemaal geen rouw hoort te zijn. Je wilt gelijk gaan bellen van hoe gaat het daar nu, en dan liefst nog elke dag. Je bedenkt allerlei strategieën voor familieweekends, waarbij ze al op vrijdag komen logeren en pas zondagavond laat weer naar hun eigen huis mogen vertrekken.  Hun eigen huis wat ineens niet meer jouw huis is, waar jij nu voortaan op bezoek gaat komen, maar niet te vaak en niet te lang, want zo hoort dat nu eenmaal.  Langzaam verandert jouw functie in hun leven. Je hoeft niet meer te zorgen voor, ook al zou je dat nog zo graag willen. Je moet maar aannemen dat ze nu voor zich zelf zorgen, en je zou nu een stuk rustiger moeten slapen in de late weekend-nachten.
Voorzichtig begin je straks aan het wat leegruimen van hun kamertje. De spulletjes die niet meer nodig zijn. Frutsels, knuffels, roze meisjesdingetjes voor meisjes die nu vrouw zijn geworden. Je moet er nu nog even niet aan denken. Daar gaan nog wel een paar weken over heen, voordat je zoiets redelijk onbevangen kunt doen.

Misschien overdrijf ik wel een beetje, misschien ben ik overbezorgd, misschien zwelg ik wel in zelfmedelijden.  Het is niet meer dan normaal, het is deel van je leven, roep ik mezelf tien keer per dag in gedachten toe.  Tien jaar ouder, en de grote vakantie is ineens geen leuk vooruitzicht meer.

Eentje is er nu nog over hier, en die heeft stageplannen voor Australië. Ik hoor het me nog luchtig en opgewekt zeggen: “Al willen ze naar de andere kant van de wereld emigreren, ik zal het van harte ondersteunen als ze daar een fijne toekomst hebben!” . Nu vind ik Hilversum, een half uur rijden hier vandaan, al een drama.

Ach, kleine kindjes worden groot, en ouders worden ouder. Dat gaat veel sneller dan gedacht. Het gaat allemaal wel weer wennen.  Nu maar even genieten dus, en uitkijken naar het eerstvolgende bezoekje…..niets aan de hand. “No worries, mate. ”  Ja ja….