Dááág, meester!

otensienAmbieert u altijd al een loopbaan in het onderwijs? Nou, schei er maar mee uit. Het wordt niks meer. Vergeet het. Een docent, een schoolmeester of -juf voor de klas, het is allemaal zóóó 2014. Daar zitten de stakeholders ( voor de onderwijsleek: de leerlingen ) niet op te wachten, want je stoort ze in hun bezigheden op het mobieltje.

Waar overal beroepen als bosjes verdwijnen om nooit meer terug te keren, kan het beroep van docent, leerkracht niet achterblijven. De docent die nu nog dingen uitlegt voor de klas, schrijvend op het bord of smartboard, die dat doet van half negen tot vier aan een klas vol aandachtig luisterende kindertjes, die is te vergelijken met het beroep van turfsteker of molenaar. Tijdens het bezoek aan het museum voor oude ambachten kunnen we naast de klompenmaker en de rieten mandenvlechter straks ook een echte docent aan het werk zien, eentje die in de weekenden van achter de geraniums wordt weggehaald om te demonstreren hoe het ouderwetsch degelijke onderwijs er in 2015 aan toe ging, compleet met ordeproblemen, leerlingen met dyscalculie en dyslexie, met ADD, PDD-NOS, hoogbegaafdheid, Gilles de la Tourette, overspannen en onwetend management, dat alles samen in een echt nagebouwd schoolgebouw met echte computerlokalen en leerwerkruimtes en een schoolbel en noem het hele scala waar een gemiddelde leerkracht mee te maken kreeg maar op. De school oude stijl is als een eeuwen geleden bedolven mammoet, waar hier en daar nog een goed geconserveerd plukje haar boven het ontdooiende permafrost uitsteekt. Ga je verder graven en ontdooien, dan wordt het toch wel schrikken.

Niemand zit in de nieuwe tijd, we spreken 2032, meer op deze barre middeleeuwse toestanden te wachten. Een beetje een diploma halen en dingen leren die je later niet gaat toepassen, je zou wel gek zijn. Een beetje in een overvolle klas zitten op vaste tijden op een vaste plek en moeten luisteren naar een docent waar je niks mee hebt en waarvan je vindt dat die vent of dat wijf voor geen meter uit kan leggen, dat doe je toch zeker niet? Eentje die ook nog eens zegt dat je niet op je mobieltje of je smartwatch mag kijken, ja doeg! Docent worden? U bent echt knettergek.

Waarom zeg ik allemaal van deze nare dingen? Diverse trouwe lezers van mijn blog hebben mogelijk inmiddels het pand in totaal overspannen toestand verlaten. Wel, ik ben tot inzicht gekomen. Nu is dat op mijn leeftijd – ik ben 61 dus stokoud – een kunst op zich, zeker met mijn dwarsige en opstandige karaktertrekjes. Het werd dus hoog tijd, want het moment naakt dat het kabinet mij wegens te oud, en dus hinderlijk aanwezig en niet meer arbeidsproductief ten dienste van onze uit het dal opklimmende economie naar de jaarlijkse verplichte ouderenkeuring gaat sturen, om te kijken of ik al aan de pil van Drion toe bent ( direct na de uitslag van het keuringsrapport ter plekke toe te dienen ) of dat ik nog een jaartje uitstel krijg.

Onlangs was ik op de bijeenkomst Apps en Educatie bij een vestiging van Seats2Meet in Utrecht. Sommigen beginnen al gelijk te gruwelen bij die ‘2’ in plaats van ‘to’; het is niet meer te stoppen. ‘To’ staat voor van klas naar klas volgens een van te voren bepaald traject een bepaalde schoolloopbaan doorlopen die opleidt voor een bepaald beroep op een bepaald niveau. ‘2’ staat voor: dat kan veel sneller en handiger. En zo gaat het ook worden. Bij één van de workshops werd aan de deelnmers gevraagd met welke verwachting of welk doel men naar de bijeenkomst was gekomen ( een voorstelrondje werd ons dit keer bespaard, dat kun je tenslotte ook ’s nachts om drie uur op iemands Facebook- of LinkedIn-profiel bekijken). Toen bedacht ik: “Ik kom hier voor contemplatie en bezinning”. Dat gaf wat gegniffel. Ik was dan ook een van de oudsten. Je komt ’s ochtends bij zoiets binnen waarbij je met grote vreze vreest niet hip of jong genoeg te zijn, want hier waren de app-ontwikkelaars, de game-makers en de whizzkids bijeen, allemaal driftig tikkend op hun MacBooks, knabbelend aan superfood-bagels, lurkend aan slowjuice, lepelend in bottenbouillon of nippend aan latte macchiato. Lange baarden, hoog dichtgeknoopte overhemden, dikke brilmonturen, skinny jeans en enorme tatoo’s. Hi guys! Het bleek mee te vallen. Er waren wel whizzkids, zéér whizz trouwens. Wanneer je als Nederlands knulletje van 12 wordt uitgenodigd om naar dé Apple-ontwikkelaarsconferentie in San Francisco te komen en daar met grote Apple-baas Tim Cook op de foto te mogen en nu al weten dat je straks ongeveer een beurs voor Stanford op zak hebt, dan heb je het aardig gedaan. Eén van deze kinderen, ik geloof 11 jaar oud, merkte tijdens de plenaire sessie op dat zijn leraar helemaal niets met mobieltjes en apps in de klas had en dat de lessen dus saai en vervelend waren. Applaus en gelach in de zaal. En gelijk hád de zaal overigens. Althans, grotendeels gelijk.

Ik loop in mijn omgeving jarenlang denk ik redelijk voorop wanneer het gaat om het onderzoeken en evalueren van alle mogelijke trends en ontwikkelingen op het gebied van social media en ict; dingen aangeschaft, uitgeprobeerd en gekeken wat je daar op scholen mee zou kunnen doen. Er zijn een miljard mogelijkheden. Er ligt een goudmijn voor het oprapen. Ik ben overal gelijk razend enthousiast over, en dat kan ik overbrengen. Heel goed zelfs. Als het maar ‘bliep’ zegt, of beweegt, of er knippert een lampje, dan ben ik er al voor te porren. Ik ben nét een inboorling uit de vijftiende eeuw die zijn eerste kraaltje of spiegeltje voorgehouden krijgt. Maar ik kan ook relativeren, en ik moet geregeld een flinke emmer azijn te pissen hebben, want anders leid ik geen vrolijk leven. Ik loop nog steeds ijverig te hoop tegen de iPadschool van Maurice de Hond  Ik word obstinaat van drammerige oproepen van allerlei instanties en duur betaalde clubs die ons vanaf de zijlijn toebrullen dat ICT het wondermiddel is en dat we ongeveer allemaal achterlijk zijn als we daar niet hard in meehollen. Ik ben allergisch voor adviseurs.

De pleitbezorgers van ICT en alles wat daarmee samenhangt, jaag ik geregeld boven op de kast, en ik mag graag in discussies op Twitter nog wat extra olie op het vuur gooien. Pubergedrag misschien. Waar het mij echter om gaat is dat we uit onze vaste ideeën en loopgraven vandaan komen. Relativeren. Uitproberen, weggooien en bewaren. De school zoals we die kennen is niet meer te handhaven. De school is één van de vele tv-zenders in ons Ziggo Royaal pakket waar de leerling ( want die blijft ) tijdens het zappen langskomt. Heeft hij er iets aan, dan blijft hij kijken, is het saai, dan zapt hij weg. Er is immers meer te doen, veel interessanter, of veel leuker (voor de voorstanders van leuk onderwijs).

Op het moment dat ik de vorige regels schreef, kwam er een appje op mijn mobiel binnen: “Meester S. is overleden”. U zou nu eigenlijk even een pauze in dit stuk moeten inlassen. Ik kende Meester S. Ben op de ouderspreekmomenten geweest. Hij was een Meester. Een collega, van mijn leeftijd, denk ik. Eentje die vertelde, eentje die dingen op het bord liet zien, met een luisterende klas. Een Meester in zijn vak. Eentje van de oude stempel, eigenlijk. Zo’n meester die je je later als je zelf oud bent, nog zult herinneren. Iedereen kent wel zo’n meester S, die voor een stukje van je leven, groot of klein, vormend en bepalend is geweest. Zo zijn er velen in onderwijsland.

Gaan wij deze meesters dan niet meer gebruiken, niet meer nodig hebben? Het antwoord is – en nu kom ik weer bij het begin van mijn betoog- : Nee, integendeel, wij gaan ze nog zéker nodig hebben. Niet meer allemaal in dezelfde hoedanigheid. Een klein gedeelte nog. Meesters in hun vak: spannende verhalen vertellen, kinderen kluisteren aan je lippen. Doceren, uitleggen, strafwerk geven, voorbeelden geven, dingen ontwikkelen en dingen laten zien. Maar er komen andere meesters bij: meesters die geen echte meester zijn, omdat ze geen opleiding in die richting hebben gehad. Of meesters die wel die opleiding hebben gehad, en alles kunnen met ICT, als ware tovenaars. Welk kind luistert en kijkt daar niet graag naar, of wil zélf een ware ICT-tovenaar nadoen? Er komen meesters bij, die zelfs niet meer menselijk zijn, of die ingeblikt zijn. Hadden we Meester S. nog maar tijdens zijn lessen gefilmd, en op YouTube gezet, zoals bij vele andere meesters nu gebeurt. Eindeloos luisteren naar je meester, eindeloos terugspoelen, eindeloos herhalen, pauzeren, nog eens luisteren, waar je ook ter wereld bent en hoe oud je ook bent. Omdat dat bij jou past, omdat jij daarvoor het juiste type leerling bent, met dié specifieke zorgvraag of geestelijke rugzak of beperking of juist voorsprong op alle anderen.

De school van de platen van Ot en Sien is weg, is alleen nog maar na moeizaam zoeken op het internet als klein plaatje te vinden. Nu moet ook de school waar geen platen meer van zijn er aan geloven. Ik en vele anderen  kunnen azijn plassen tot we erbij neervallen, maar het huidige systeem is voorbij. Diploma’s halen? Voorbij. Een vaste lijst met vakken? Gaat het niet meer worden. De rest van je leven een vast beroep trouwens ook niet meer. De leerling loopt met zijn mandje door de supermarkt: hij koopt wat hier, hij koopt wat daar, en is het produkt niet leverbaar, dan gaat hij naar een andere supermarkt. Je hele leven lang, al naar wat het recept van de dag voorschrijft. Zó stil je je honger. De ene keer met een kant en klaar pakket, de andere keer moet je stevig kokkerellen. En je eet het vaker als iets lekker is, en wat je niet lust gebruik je nooit meer.

Nu richt ik mij even specifiek tot de Sander Dekkers, de Bussemakers, de Colleges van Bestuur en de directies, want van jullie moeten tenslotte de uren en de centen komen: Stap eens even uit jullie starre denkpatronen. Focus je eens even niet op rendementsdenken, op de inspectie, op wat Kennisnet zegt, op wat de BON zegt, denk eens even niet aan dure gebouwen, smartboards, excellente leraren en leerlingen, handelingsplannen, dure adviesbureaus, zwakke scholen, zwakke leerlingen, hoge en lage niveaus. Er zijn geen zwakke scholen en er zijn geen beste leerlingen. Alles en ieder is uniek in zijn soort: de vervallen school in de achterstandswijk, Ot en Sien, Meester S, de iPadschool, de Whizzkid die straks naar Stanford gaat, het kind met een zware achterstand door PDD-NOS en het pubermeisje dat in mijn kantoor hartverscheurend zit te huilen omdat er thuis écht geen geld meer is voor boeken en voor doorleren op een ander niveau.

Ga eens zoeken naar die individuen en kijk wat hun vaardigheden zijn. Geef de ouderwetse docent die niks met ict heeft een ouderwets klaslokaal met leerlingen die ook niks met ICT hebben. Geef de zieners in elke school, en die zijn er, de ruimte in tijd, plaats en geld om dingen te onderzoeken, uit te proberen en weer weg te gooien als het niks blijkt te zijn. Laat ze vér vooruit kijken. Geef leerlingen die een enorme behoefte hebben aan individuele begeleiding ook daadwerkelijk die begeleiding in de vorm van docenten die je vrij kunt maken doordat andere specialisten binnen je school klussen kunnen overnemen. Blik je topdocenten in op het web. Sluit lokalen, of stel ze juist open buiten de reguliere schooltijden om. Geef een docent en zijn leerlingen eens overdag of buiten de vakanties om vrij, en laat ze ’s avonds maar vanuit hun eigen omgeving en in hun eigen tempo elkaar ontmoeten op allerlei gratis initiatieven op social media. Schuif met geld, met vakken, met lestijden, met diploma’s, met docenten, leerlingen en locaties. Laat je school een ongekende bron van creativiteit en flexibiliteit worden. Want die potentie heeft elke school in zich. Laat los, laat los. Laat groeien en bloeien. En laat dat snoeien nu eens achterwege. Koester nieuwe technieken, social media, apps en smatphones. Maar koester ook je Meester S.

 

 

Ik vertrek

SchandpaalEigenlijk zijn  we qua beschavingsniveau de Middeleeuwen nog niet ontgroeid.We gooien nog steeds met rotte tomaten en eieren, en we smeren nog steeds pek met veren, alleen heet de schandpaal nu Twitter. Die schandpaal wordt ons aangeboden door de televisie en wij gaan vervolgens gretig op zoek naar slachtoffers om te bekogelen met narigheid. En we doen er allemaal ijverig aan mee, ik ook, en al jaren. Het duurde alleen even voordat dit tot mij doordrong.
Twitter, en andere vormen van social media, kun je beschouwen als één grote kroeg met miljoenen, duizenden of tientallen bezoekers, afhankelijk van je aantallen volgers en “vrienden”. We kijken met z’n allen naar het grote scherm boven de bar, en we hebben overal luidkeels wat op aan te merken. Wie dat het meest opvallend, hard of leuk doet, kan rekenen op grote bijval in de vorm van retweets en nog meer volgers. Daar doen we het voor, want volkomen in je eentje gaan staan roepen hoe dom of sneu je iemand op de televisie vindt, is een zinloze bezigheid.

Er zijn programma’s waar we ons met genoegen op storten: Ik vertrek, De Rijdende Rechter, Het Familiediner, Utopia ( O, gruwel ), Boer zoekt Vrouw. Ze hebben gemeen dat ze mensen door de middeleeuwse straten voeren die hijgerig op het aanbod van een omroep om zichzelf publiekelijk aan de schandpaal te laten nagelen zijn ingegaan. Duw iemand een camera of een microfoon onder z’n neus en men verandert in een exhibitionist die ongegeneerd de eigen vuile was tentoonspreidt.  Wanneer ze eenmaal zijn aangekomen bij het schavot kan de beul – wij – uit z’n dak. Waar wij op het ene moment zo correct mogelijk onze beschaving en ons geestelijk niveau, beschreven in onze avatars en bio’s, ten tonen pogen te spreiden in onze uitingen op social media, vergeten wij het volgende moment dit alles en doen wij ijverig mee aan de publieke steniging.

Gisteravond: “Ik vertrek”. Een gezin met puberdochter begint een nieuw leven in – hoe verrassend – een Bed & Breakfast op het Franse platteland. De ouders zijn nogal – eh- paardgericht en lijken de dochter te vergeten die het zichtbaar en hoorbaar niet naar de zin heeft. We gaan los op Twitter, en zelf doe ik mee ( lees m’n tweets maar ). Wanneer je zoekt op #ikvertrek komt daar een enorme verzameling commentaar voorbij, waarbij je bij veel opmerkingen de tranen van het lachen over de wangen rollen. Hoe meer er mislukt, hoe leuker het wordt, en er is geen leuker vermaak dan leedvermaak. Buren die mekaar de koppen inslaan over de hoogte van de schutting, een boer die nog nooit een vrouw gezoend heeft, een verzameling eencelligen die al rokend elkaar in Utopia probeert weg te pesten, het is aapjes kijken in de dierentuin.

Gisteravond laat twitterde de dochter van het Ik vertrek-echtpaar dat ze baalde van alle negatieve reacties, dat ze echt topouders had en dat wij in 45 minuten echt geen idee konden vormen van hoe hun hele leven daar nu was. Iets van 85 volgers had ze, dan ben je een roepende in de woestijn, want mensen zoals ik met 2000 volgers of meer overschreeuwen zo’n puber met gemak, waardoor haar noodkreet, want anders kan ik het niet noemen, verloren ging in ons hoongelach.

En ja, ze heeft gelijk. Die tweet van haar die deed het ‘m. Het moet verschrikkelijk zijn om te lezen hoe je ouders belachelijk worden gemaakt of neergezet als harteloze egoïsten. Die mensen hebben een droom, en ze hebben hem waargemaakt. Eigenlijk zijn we gewoon jaloers, want zelf draaien we nog steeds kringetjes in ons eigen veilige vertrouwde wereldje, omdat we niet de lef hebben of de durf om hetzelfde te doen als zij, namelijk gehoor geven aan wat je hart je zegt, en daarmee onafhankelijk van anderen te zijn.

Voortaan dus: geen tweets meer van mij over hoe idioot of verkeerd die mensen bezig zijn, en meisje, je hebt inderdaad echt topouders! Laat dat even gezegd zijn.

Nu dus nooit meer met tomaten en eieren gooien dan? Nee, natuurlijk niet. De wereld is bezaaid met figuren die het wél verdienen: graaiers, harteloze politici. Ik kan nog steeds los, pek en veren in overvloed. Ik moet alleen wat beter en selectiever mikken, want soms raak ik gewoon de verkeerde, zoals gisteren.

Insomnia

Naarmate een mens ouder wordt, schijnt die mens minder behoefte te hebben aan slaap. Ik ben dus ook zo’n ouder wordend persoon, en op mijn zestigste gaat de aanname voor mij inderdaad op. Je krijgt op een gegeven moment iets hijgerigs over je, zo van dit wil ik nog en dat wil ik nog voordat ik in een verzorgingsgesticht voor hinderlijk in de maatschappij aanwezige ouderen wordt opgesloten. De nacht wordt dan ook een beetje een storende onderbreking van alles wat je nog wilt doen als je later groot bent.

Daar komt nog bij dat de moderne mens, zelfs de oudere, de beschikking heeft over andere middelen dan alleen maar een saai boek ( waar je dan weer snel door in slaap valt ) en een leeslampje. Beide zijn niet meer nodig, want we hebben immers ons mobieltje, onze nieuwe levensader, bij de hand. En daarop is licht, is nieuws, zijn boeken en zijn mensen, van wie er altijd wel enkele ook op datzelfde moment last hebben van slapeloosheid of die gewoon aan het werk zijn. Nu zit ik in het onderwijs, en het is opvallend hoe veel collega’s in het holst van de nacht op Twitter nog reppen van nakijkwerk, van boeiende docentenlectuur die ze aan het lezen zijn, van onderwijsvernieuwingen of onderwijsafbrekingen, en van hun afschuw over het huidige kabinet. Het heeft iets van helemaal aan het einde van de dag nog zorgen dat je even langs het kantoortje van een over jou gestelde onderwijsmeerdere loopt, in de hoop dat die zal opmerken en onthouden dat je nog heel laat aan het werk bent, in tegenstelling tot de vrijdagmiddagen, waar je op veel scholen een kanon kunt afschieten.

Nu ben ik dus van gevorderde datum, én man, en dat houdt in dat je er ’s nachts wel eens uit moet om aan bepaalde drang gevolg te geven, wil je tenminste niet het gevoel hebben wat je midden in de nacht in de tent op de camping wel eens hebt: zal ik nu wel of niet gaan pissen, en als ik dat wél doe is het weer zo’n enorm geheister met die slaapzak en die ritsen en moet ik me dan wel of niet helemaal aankleden en dan over dat koude gras met closetrol onder de arm ( die steevast in het bedauwde gras valt ) naar het pleegebouwtje of zal ik het maar achter de tent tegen de struikjes gaan doen met het risico dat een of andere oplettend type je met een Mag Light in het volle licht tentoonspreidt terwijl je daar in je blote togus niet snel genoeg kunt stoppen met plassen want je prostaat is immers als zestig.
Wanneer je dus eindelijk weer in je koud geworden bed ligt, ben je wél klaarwakker, en grijp je dus naar je mobiel.

De meeste nachtelijke tweets hebben een luchtig karakter – het hangt er ook een beetje van af wie je volgt natuurlijk – maar soms komt er eentje langs waar een wereld van narigheid of wanhoop achter lijkt te zitten, en dan vormen Facebook en Twitter wel een vrij treurige omgeving om daar uiting aan te geven.   Nu zoeken de mopperaars, de wereldverbeteraars en de lichtvoetigen van geest elkaar, net als in de echte wereld , wel op dus er zijn altijd lieden die troost of vermaak kunnen bieden. In 140 tekens, dat wel, dus je kiest je woorden ook nog eens met zorg. Ik reken mijzelf geregeld tot de mopperaars en de klagers ( volgens mijn vrouw altijd ) , dus kan ik heerlijk zwelgen in allerlei leed en tandengekners.

Elk mens heeft zelfbevestiging nodig, en dat is natuurlijk ook een van de redenen waarom men op twitter gaat en noestig volgers bijeen spaart. Vroeger speldjes en Flippo’s, nu draait het om volgers, en die sprokkel je bij elkaar door iets zinnigs te zeggen, in wat voor vorm dan ook. Bijna 1900 mensen vinden mij, oude zeur, brompot en mopperaar, blijkbaar zinnig, terwijl zij zelf gezien hun tweets vaak tot de groep met een wat opgewektere levenshouding behoren, iets wat ik mij natuurlijk nauwelijks kan voorstellen, dat begrijpt u wel.
nachtMensen gaan bij het zoeken naar contacten in eerste instantie voor het uiterlijk, ook al is dat vaak maar een indruk van niet meer dan enkele seconden. Nu zegt dat op Twitter en andere social media niet veel, want iedereen kan elke willekeurige identiteit met elk gewenst fantastisch uiterlijk aannemen, en je weet dus nooit helemaal zeker met wie je nu eigenlijk echt te doen hebt. Misschien ben ik wel een strakke jonge ge-tepelpiercte en getatoueerde  blondine met een IQ van 60 die is afgewezen voor het programma Utopia wegens té intellectueel. Je moet dus afgaan op de teksten en de eventuele foto’s die bij tweets geplaatst zijn. Daarin verraadt men zijn of haar persoonlijkheid.   Zo is Twitter een exacte kopie van de werkelijkheid, eentje met diverse sociale lagen waarbij we ons in ons eigen laagje het prettigst voelen, maar waarbij het meer dan in de werkelijkheid veel makkelijker is om eens een kijkje in bijvoorbeeld een tokkie-leven te nemen. Dat laatste kan voor sommigen nog wel eens een schok zijn. Docenten moeten voor de aardigheid eens zoeken op de hashtag #kutschool, waarbij je ook #kutsgool niet moet vergeten, want qua spelling hollen we nogal achteruit. Zij zullen zich vervolgens afvragen in wat voor levensgevaarlijke omgeving zij eigenlijk hun dagelijks werk doen, iets om werkelijk gehéé slapeloze nachten  van te krijgen.

Wat nog het meest zegt over de persoon op Twitter, wordt gevormd door de foto’s. Een beeld zegt meer dan woorden, en nu begeef ik mij op glad ijs, want bij vrouwen zie je dan vooral foto’s van kleding, de kinderen, bloemetjes en plantjes in en om de tuin, iets wat ze vandaag gekocht hebben ( een tas of zo ), een enge levende spin op het plafond, mooie plaatjes met mooie dichtregels en vooral: heel veel eten. Allerlei gerechten passeren de revue, ontelbare glazen wijn, liflafjes, de kerst- en paasdissen en de terrasjes met koffie en gebak in het zonnetje. Hoe zoet is het leven.
De mannen in mijn timeline gaan in het algemeen voor het ruigere en zwaardere en meestal saaiere werk: auto’s, politieke spotprenten, een kantooromgeving, een foto van de file waar ze in staan, eentje die heel veel ( meestal dikke ) damesbillen plaatst, statistieken uit de krant, en foto’s van computers, een platgeslagen spin op het plafond, mobieltjes of andere dingen met veel knopjes. Zélden plaatsen mannen een gevoelige tweet, er is opvallend weinig geklaag over exen of lichamelijke kwalen. Wel veel geneuzel over foebel, daar hoor je vrouwen gelukkig nou nooit over.  De zondag is met alle sport-tweets soms een bezoeking.
Wat mannen en vrouwen bindt, zijn de tv-programma’s. We zitten dan met z’n allen in de digitale kroeg naar de buis te staren, en spuien een stroom van commentaar.

Hoe veilig allemaal, want we kunnen ons mobieltje weg leggen wanneer we willen, tot we midden in de nacht ineens behoefte hebben om gehoord te worden, écht gehoord. En inderdaad, soms luistert er dan iemand, een echt persoon, en die geeft nog antwoord ook. Op internet ben je nooit alleen, ook niet midden in de nacht.

 

Onderwijsvernieling ja of nee

Op Twitter barstte op Nieuwjaarsdag een discussie los over een artikel op de site van Kennisnet; dat lijkt al in juni geplaatst, maar in het onderwijs gaan de ontwikkelingen gelukkig soms toch nog wat minder snel dan iedereen denkt, dus nu pas vliegen diverse lieden elkaar in de haren. Voor wie geen zin heeft om op de link te klikken: het komt er op neer dat de auteur een pleidooi houdt voor een minder krampachtige houding tegen het gebruik van mobieltjes in de klas. Niet iedereen is het daar mee eens. Men krijgt al genoeg onderwijsvernieuwing over zich heen, en de frustratie richt zich onder andere op het feit dat die vernieuwing vaak door mensen langs de zijlijn van het onderwijs wordt bedacht.
Nu werk ik al weer zo’n 35 jaar in het onderwijs, voornamelijk als docent, en ik kan dus wel zeggen dat ik toch minstens 35 onderwijsvernieuwingen heb moeten slikken. De meeste pakten niet goed of desastreus uit, en wanneer je ziet dat het kennisniveau de afgelopen 35 jaar met sprongen achteruit is gegaan, dan kan ik me voorstellen dat je niet op nóg een verdere aantasting van de nu langzamerhand rudimentaire vaardigheden zit te wachten. Mobieltjes, social media, de ICT; ze worden door veel mensen in het onderwijs als een bedreiging gezien. Er zijn op scholen in de afgelopen decennia werkelijk miljoenen over de balk gesmeten aan allerlei ict-projecten en in een tijd van voortdurende bezuinigingen en daardoor verdere afbraak van het onderwijs is zoiets frustrerend. De wrevel is begrijpelijk. Wie zoals ik tot de groep van “ICT-nerds” of – iets positiever -” ICT-voorlopers” binnen de school behoort, moet oppassen niet in de valkuil van “ICT in de klas is toch vanzelfsprekend en leuk!” te trappen. Ik kan mijn vrouw niet kwader krijgen dan als antwoord op een computerprobleem te beginnen met “Nou, gewoon”.

Het feit dat onze leerlingen de hele dag door ongeveer vergroeid lijken met hun mobieltjes, wil nog niet zeggen dat zoiets in de klas dan ook maar “gewoon” en “leuk” moet zijn. Docenten, én leerlingen,  zijn geen lemmingen, hoewel het daar vaak steeds meer op begint te lijken. ICT-voorlopers zijn snel geneigd om dingen als vanzelfsprekend te beschouwen die door veel collega’s nog als iets buitenaards worden gezien.  Het past dan niet om die collega’s af te schilderen als halsstarrige mastodonten die elke verandering tegenhouden.

Een instantie als Kennisnet propageert al jaren het gebruik van ICT in de klas maar of dit nu geleid heeft tot zoveel betere onderwijsprestaties is nog maar de vraag. Natuurlijk, er zijn zat onderzoeken waarin een verbetering wordt aangetoond, maar zo kun je evenveel onderzoeken opvoeren waaruit het tegendeel blijkt. Het gaat altijd om deelgebieden, bij specifieke groepen gebruikers, met specifieke wensen en vaardigheden. Je voelt je langzamerhand als school of als docent een beetje schuldig wanneer je nog niet met een digiboard werkt en wanneer je nog ouderwetsch de lesdag in groep 8 besluit met voorlezen uit een spannend boek in plaats van met het klassikaal bekijken van een filmpje op YouTube.
Het scheelt ook nogal of  je voor een klas met HBO-leerlingen of een klas met VMBO-leerlingen staat. Probeer die laatsten maar eens van het voortdurend controleren van de updates op Hyves en Facebook af te houden. Het is verschillend publiek, en dat heeft verschillende benaderingen nodig.  Ga een VMBO-docent dus vanuit een redelijk luxe positie als HBO-docent of onderwijs-adviseur niet met een blij gezicht vertellen dat hij z’n klas in een achterstandswijk de hele les door moet laten pielen met het mobieltje, omdat dat zoveel meerwaarde heeft en omdat die man of vrouw met de tijd mee moet gaan.

We moeten niet klakkeloos achter en alle gadgets aanhollen en daarbij de onderwijsrealiteit uit het oog verliezen. Kennisoverdracht via het mobieltje en social media  kan vreselijk leuk zijn, kan daadwerkelijk iets toevoegen, maar dring het niet op en presenteer het vooral niet als de ultieme onderwijsvernieuwing.  Dat hebben we inmiddels vaak genoeg gehoord. Ik word vaak genoeg door mijn leerlingen teruggefloten wanneer ik weer begin over twitter in de les en wanneer ik al te enthousiast van de ELO gebruik maak. Leerlingen en docenten, die vormen eigenlijk een behoorlijk behoudend volkje. Laten we daar maar een beetje rekening mee houden. ICT-bescheidenheid siert de mens.