Stresskip

stresskipKleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen.Als er één spreekwoord klopt, dan is het dát wel. Nu ben ik van nature al een zorgelijk typje, en met drie dochters in de huwbare leeftijd wordt een dergelijke karaktertrek nog eens tot duizelingwekkende hoogte versterkt, dat begrijpt u wel. Die zorgen zijn mij met de paplepel ingegoten; ik was en ben werkelijk overal bang voor, net als mijn moeder die complete Siberische bossen en de voltallige daarin wonende berenbevolking dagelijks op de weg zag. Niets dan goeds over mijn opvoeding verder, maar ik ben daardoor wél wat ..eh .. voorrzichtig geworden.

Het is eigenlijk nog een groot wonder dat ik niet reeds vele malen ben overleden aan een maagzweer of iets dergelijks, en dat als kind al. Ik was bijvoorbeeld jarenlang bang voor bananen, die monsterlijke en angstaanjagende vruchten, omdat ik ooit eens als kleuter op een of ander ingegroeid stokje in dergelijk fruit stuitte, wat tot gevolg had dat ik in een hysterische paniekaanval besloot nooit meer bananen te eten. Ik heb dat meen ik drie jaar vol gehouden. En nu nóg: fruit, dat is mij eigenlijk veel te gezond. Was het mogelijk en zonder gevolgen, dan bracht ik mijn verdere leven door met het eten van vissticks en zoete gemengde drop ( met van die gesuikerde spinnetjes – die niet eng zijn –  er in ).

In mijn kindertijd vulde de muur zich ’s nachts naast mijn hoofd met kronkelende, slijmerige monsters, in mijn kindertijd bewoog steevast de stoel met kleren mijn kant uit en dreigde de eerste kunstmaan die toen als een wonder van techniek gelanceerd was, bliepend en al uiteen te spatten op mijn onder de dekens verborgen hoofd. Als tegenprestatie, om de angst een beetje te verbergen, bracht ik halve nachten heen en weer rollend en luidkeels een divers repertoire aan liederen schallend, in bed door. De voorstelling varieerde van de klassiekers als Moldau en het Britse volkslied tot Franse Chansons en de laatste hits van de Beatles en de Rolling Stones. Bij één lied, de titelmelodie van één of ander jeugdprogramma op woensdagmiddag op de tv, barstte ik altijd in hartverscheurend huilen uit, omdat de daarbij getoonde beelden van een zwerver onder een brug langs de Seine ook ’s nachts nog op mijn netvlies brandden omdat ik het zo zielig voor die man vond.

Ik was natuurlijk ook bang voor honden – die mij dus ook prompt beten of in elk geval heel naar tegen mij deden- , bang voor grote jongens – die mij dus na school geregeld achterna zaten – , bang voor kinderlokkers – waar volgens mijn vriendjes de hele buurt van vergeven was -, en bang voor Karin Hoes, waar ik op de basisschool enige tijd zwaar doch heimelijk verliefd op was, maar die mij tijdens een gevecht voor het oog van mijn vriendjes routineus tegen de grond werkte; een groter afgang is natuurlijk niet denkbaar.

Mijn vroege puberteit was een aaneenschakeling van hopeloze verliefdheden, bang om af te gaan, en van lijdzaam toezien hoe een of andere klojo er dan telkens weer met het object van mijn liefde op het schoolfeest vandoor ging. Ik was natuurlijk ook niet om aan te zien: bloempotkapsel ( “We gaan géén geld aan een dure onzinkapper uitgeven!”), dus met een messcherpe brillantine-in-het-haar-scheiding, stevige zwarte bril met bloempotglazen, stomme, want goedkope C&A-kleren ( “Een boetiek is voor nozems!”), viel er ook niet veel eer te behalen.

Drie dochters hebben voor de nodige doodsangsten en perioden van hevige verontrusting gezorgd. Zestien jaar, en dan naar een feestje van ‘een vriendin’; wat lopen daar voor gozers rond, ik ram ze in elkaar als ze ook maar één poot durven uit te steken. Eén grote drugsbende daar natuurlijk, en dan ook nog een beetje om drie uur ’s nachts thuis willen komen. Waarom kan zo’n feest niet gewoon om acht uur ’s avonds beginnen, met een sapje en zo, en dan om twaalf uur uiterlijk in dromenland.
Met de dochters van 18, 20, 21, én een vrouw, allen blond, rondreizend door Egypte. Dat is toch vrágen om een ontvoering door bebaarde en bloeddorstige Bedoeïenen. Wauwel in het holst van de nacht, heen en weer hossend op een nukkige dromedaris, achter zo’n stel op razendsnelle Arabische paarden aan, voorgoed verdwijnend in de eindeloze woestijn, in een hopeloze jacht op dochters die als blanke slavin verkocht worden en nu ergens bosjes Al Qaida-strijders aan het baren zijn.
Natuurlijk vond niets van dit alles plaats, maar dat was toch wel uitsluitend te danken aan het scherp en achterdochtig oog wat iedereen die binnen een straal van honderd meter mijn blond bezit probeerde te naderen, in de gaten én op afstand hield.

U kent het wel, het kroost is uit feesten, en dus lig je wakker totdat – o heerlijk gevoel van totale ontspanning – je de sleutel zachtjes in het slot hoort steken en je stille voetstappen op de trap naar boven hoort gaan. De weldadige rust die daarna volgt.

Gelukkig is Wauwel gezegend met een gade die in roekeloosheid en ogenschijnlijke zorgeloosheid geheel het tegenovergestelde is van mijn persoon. Zij wil, zo lijkt het, alleen maar enge en gevaarlijke dingen doen, wil parachutespringen, wil snorkelen en duiken – zelfs zónder grond onder de voeten! – , wil wel in de achtbaan en heeft zich ook al eens in een vlaag van volslagen waanzin op 90 meter hoogte laten rondslingeren in een reusachtige zweefmolen in een of ander pretpark. Pretparken zijn ongeveer de gevaarlijkste oorden die er op aarde bestaan, dat weet u natuurlijk wel.

Op moment van schrijven is één van mijn dochters nu in haar eentje aan het rondtrekken in Peru, het land van Joran van der Sloot. Mijn vrouw heeft dat tot mijn ontsteltenis en wanhoop nota bene toegejuicht en gestimuleerd. Waarom nemen vrouwen het toch altijd voor hun dochters op en steunen zij de man niet in zijn krachtdadige opvoeding? Wél mobieltje mee, en stuur voorál je routes en adressen door, en laat élke dag enige malen van je horen. Je houdt zoiets als vader toch niet tegen, zéker als al die vrouwen tegen je samenspannen. We zijn nu op de helft van de reis. Vorige week vrijdagmiddag  het laatste contact: “Ik ga hier uit dansen met een vriend”. En daarna niets meer. “Ze loopt de Inca-trail, daar is geen haast geen mobiel bereik en al helemaal geen wifi, dat weet je toch!”, wordt mij van alle kanten bezworen.
Jajaja, ik weet het wel, ik heb de gruwelijke reisplannen te uitentreuren bestudeerd, maar tóch. Belachelijk dat ze in zo’n land niet op elke straathoek in het hooggebergte van de Andes een gsm-mast hebben staan. Nachten wakker liggen, Rennies binnen handbereik. Twee meisjes spoorloos verdwenen in Panama, hoor je dan op het nieuws. Kan de samenloop nog vreselijker zijn.

En dan, op dinsdagavond, nog nét niet in totale paniek aan de lijn met de Nederlandse ambassade in Peru maar wél ongeveer alle nagels kwijt, een ping op mijn mobiel: “Ik ben weer online, het was fantastisch!”. Dat is de digitale versie van de sleutel zachtjes in het slot, midden in de nacht. Eindelijk rust, Weg stress. Nou, ja, voor even dan. Nog twee weken,nog één pak Rennies,  dan komt het kuikentje weer thuis.

Rust….

Ut benne hectische tijden. Ik check in- en uit op Foursquare, ik hou mij actiever dan ooit bezig met Facebook,  ik luister muziek op Spotify, ik bel met de halve wereld via Skype en ik sprokkel volgers bij elkaar op Twitter. Daartussen door praat ( of What’s App ) ik af en toe met mijn vrouw, geef ik mijn leerlingen les via de electronische leeromgeving en neem ik soms de tijd voor een slaapje, waarbij de Sleepcycle App op mijn iPhone mijn slaappatronen registreert en mij bij het ontwaken op de hoogte houdt, zodat ik op mijn gemak naar de internet-wekkerradio kan luisteren. Gelukkig kan ik soms ook nog even ontspannen in de natuur, waar ik tijdens een wandeling volgens mijn GPS-systeem kan genieten van de vogels, waarvan ik allemaal de zang kan onderscheiden dankzij mijn Tsjilp-programmaatje.  Verdwalen is er niet meer bij, er is altijd wel ergens iets wat mijn doen en laten registreert. Ik volg en word gevolgd. Je moet toch wat doen, wanneer het Sony Playstation Network er uit ligt en je je dus suf verveelt.

Maar misschien ben ik juist wel heel erg verdwaald. Weggedwaald van waar het toch vaak om gaat: contact met anderen  en tijd voor bezinning op jezelf, op je leven. Daar zou ook een appje voor moeten zijn.  “Bezinning” voor € 0,79 of zo te downloaden in de App store. Een applicatie die je telefoon uitschakelt, je pc uitschakelt, al je apparaten van je werpt en die je digitale bestaan opheft en je verstand eens op nul zet. Een algehele reset.  Niets meer te doen, tijd om iets echts te gaan doen.

Nu word ik dus sinds deze week op Twitter gevolgd door een heuse monnik: Broeder Steve van de Abdij van Egmond. Alsof ik in deze 21e en futuristische eeuw ineens door de Middeleeuwen word ingehaald en bij de arm genomen word. God twittert dus ook.
Bij monniken en abdijen stel ik me nog altijd scènes voor zoals in de film “The Name of the Rose”: duistere krochten en walmende flambouwen, schimmen die verborgen in lange pijen gebogen langs komen schuilen. Kou, verdoemenis, de inquisitie, intriges, de pest. De middeleeuwer kreeg in zijn hele leven net  zo veel informatie te verwerken als een puber nu gedurende één dag. Dat was dus eigenlijk wel relaxed, ook al had het leven in de duistere tijden soms z’n nadelen. Je kon je nog ergens over verbazen, verwonderen, en er waren nog dingen die je niet kon Googelen.
We hadden nog niet de neiging om werkelijk alles wat we deden en dachten aan de wereld kenbaar te maken.
Op de iPhone kan ik nu bijvoorbeeld een applicatie installeren die mijn sexleven registreert: alles wordt bijgehouden, hoe snel en hard je beweegt, hoe hard je mogelijk schreeuwt of kreunt en of je misschien ondersteboven in bed ligt tijdens het moment suprème. Al je vrienden worden direct via twitter op de hoogte gehouden en je prestaties verschijnen op een scorelijst die anderen dan weer kunnen overtreffen….Het is echt waar, hoewel je elke keer weer denkt dat we in het verzinnen van treurig exhibitionisme niet dieper kunnen zinken dan wat we dagelijks al aan pulp op de RTL-zenders krijgen uitgestort.

Het klooster in de 21e eeuw. Ik kon er eens een weekend naartoe, dat leek me heel avontuurlijk. Een weekendje afzien in de koude en duistere gangen, Gregoriaans galmend gezang, om drie uur ’s nachts op voor de metten, knielend op een hard bankje, verzonken in mijn leenkazuifel. Back to basics. Tót ik hoorde dat dit een weeekend zou zijn in een nonnenklooster en waar de verwarming op 23 graden stond in een redelijk comfortabel en fel neon-verlicht ingerichte slaapkamer….

Dan maar digitaal dus. In plaats van de mis kan nu het woord van de Heer in 140 tekens tot mij komen, bijvoorbeeld in de persoon van broeder Steve, die ook qua naam al heel modern met de tijd is meegegaan. Een broeder Stefanus ware wat toepasselijker geweest. Maar toch: we zijn nog niet helemaal reddeloos ten onder gegaan in de digitale hectiek. Er zijn nog wat rust- en ijkpunten in ons digitale leven. “Weer in mijn oase, het is stil in huis”, twittert broeder Steve. Ik ben echt jaloers.  Soms hebben we allemaal even een broeder Steve nodig. Zoekt en gij zult vinden.