Schouderklopje

zakdoekjeHuilende meisjes, ik kan er niet tegen. Huilende jongens, ook zo wat. Maar wel zielig. Ik werk in het middelbaar onderwijs, en in tegenstelling tot alle blije en hippe reclame van leuke scholen en bij ons is het vèt kicken is die schooltijd voor bepaalde leerlingen niet altijd even ‘onwijs gaaf’ . Meestal wel, hoewel ik koude rillingen krijg van het tenenkrommend enthousiasme waarmee veel scholen hun marktwaar aan de man brengen en ronkend snuiven dat het met de begeleiding wel snor zit. Een leerling die flierefluitend en blij op zijn mobieltje turend door de school heen fietst, heeft een gouden tijd, en een veilige tijd.

Er zijn dus leerlingen voor wie de schooltijd een complete hel is, een tijd die je verplicht tot aan je achttiende moet ondergaan. Vanaf de kleuterschool tot ver in het middelbaar onderwijs een regelrechte marteling, als je pech hebt. Sommige mensen hebben altijd pech. En soms krijg ik er zo eentje in mijn kantoor. Een onschuldig kantoor, gewoon van de decaan, waar je als leerling rustig aan kunt kloppen zonder dat anderen denken van o, die zit psychisch in de knel. Want zulke kantoren hebben veel scholen ook; daar zit de leerlingbegeleider voor leerlingen met privé-problemen. Of er een sirene loeit en een zwaailicht aangaat en of er een grote vinger uit het plafond neerdaalt en een stem die brult: HIER STAAT EEN ZIELEPIET!

Wanneer ik terugkijk naar mijn eigen schooltijd, mag ik denk ik niet al te veel klagen. Ik had niet veel vriendjes. Een binnenvettertje, een stil watertje met diepe gronden, en altijd zo gebleven trouwens. Maar ik werd niet gepest, dat scheelt. Ik had een meester die soms sloeg. Dat was toen geen probleem, maar mij sloeg hij nooit. Je had toen ook geen ouders die in schuimbekkende razernij die meester voor het oog van een ijverig met de mobieltjes filmende en fotograferende klas wel eens eventjes in mekaar kwamen rossen. Ik pestte zelf wel: Iris, Iris, stinkende kalk, huilebalk, en daar gíng ze weer. In koor riepen we dat…Wat een naar jongetje was ik dan eigenlijk, misschien had ik daarom wel niet veel vriendjes. Je had toen nog geen Facebook en Whatsapp; was dat wel het geval geweest, dan had ik misschien vijf namen in mijn lijstje staan.

Zulke kinderen – het blijven kinderen gedurende hun hele schooltijd – met vijf of minder namen in hun vriendenlijstje, bestaan nu wel. Of met helemaal geen Facebook, omdat je niemand hebt om toe te voegen, en als je dan toch een account aanmaakt, en een berichtje plaatst, dan is er niemand die het leest… Misschien is gepest worden tegenwoordig wel dubbel zo erg: geen vrienden in het echt, en geen vrienden op social media. Helemaal niet social dus. Het heeft iets van in je eentje dineren in een restaurant en dan om je een houding te geven maar een telefoontje te plegen of te Whatsappen met een niet bestaand figuur.
Op school pik je ze er eigenlijk vrij snel uit. Niet omdat ze er anders uitzien of zo, het pesten is vaak gebaseerd op nauwelijks te onderscheiden subtiele vormen van ‘anders zijn’, de hele schoolloopbaan door. Vlucht je daarom van de ene school, dan is het na een week op de andere school al weer raak.

En zo krijg ik dus af een toe een leerling in mijn kantoor waarvan je bij binnenkomst direct weet: er is meer aan de hand dan alleen maar een gesprekje over een vervolgstudie of wat voor baan moet ik nou zoeken. Het is een instinct, zeg maar. Leuke meiden om te zien, aardige jongens met een hipsterbaard en na wat doorvragen valt dan ineens het masker af en komen de tranen, komt het eigenlijke probleem. Een snotterende grote knul, een meisje dat haar make-up hevig verpest. “Neem even een zakdoekje, want je maakt vlekken op mijn bureau, maar droog je tranen niet te snel, want de voorraad zakdoekjes is beperkt”.
Gelukkig komen ze niet dagelijks. Ik werk op een school waar heel weinig gepest wordt, waar geen bewakingspoortjes staan, waar nauwelijks vernield wordt en waar ik mijn kantoortje niet hoef af te sluiten. Een veilige school dus, een warm bad voor naar verhouding vrij veel leerlingen die ergens in hun leven in hun vertrouwen in mensen een flinke knak hebben opgelopen maar die dat hier eindelijk een beetje kunnen herstellen. Hier bloeien ze op, maar een enkeling bloeit niet, die kwijnt verder weg. En dat is frustrerend. Alle mooie protocollen ten spijt, soms lukt het gewoon niet. “Geef jij jezelf wel eens een schouderklopje voor de spiegel?”, vraag ik vaak. Maar nee, dat durven ze niet, want waarom zou je jezelf een schouderklopje geven als niemand in je gelooft en je daardoor jezelf ook niet meer gelooft? Een schouderklopje wordt zo een gemene slag in het gelaat.

En tóch geef ik die schouderklopjes. Er is altijd wel iets waarvoor je dat kunt doen. In een tijd waarin scholen steeds verder gekort worden op de gelden en mogelijkheden voor leerlingbegeleiding is zoiets gratis, alleen we doen het veel te weinig. Verlies aan zelfvertrouwen is op die manier voor een behoorlijk deel te compenseren. O, kun jij zo mooi tekenen? Zet ze eens op  Facebook, plaats ze eens op Twitter of op Instagram. Dan ga ik ze liken, en ik heb veel volgers, dan gaan meer mensen dat liken. Een gruwelijke verbastering, dat ‘liken’, maar in een tijd waarin je sociale geaccepteerdheid voor veel pubers afhangt van het aantal virtuele vrienden, kan zoiets belangrijk zijn. Een virtuele vriend is soms beter dan helemaal geen vrienden in het echt. Die komen dan, als het een beetje loopt, en als die leerling ook zichzelf weer op de schouder durft te slaan, vanzelf wel weer.

Dus ik luister, ik geef mondelinge schouderklopjes én ik zorg voor voldoende voorraad zakdoekjes. En ik like. Het is niet veel, maar alle beetjes helpen.

#JesuisWauwel

charlie

Het zijn barre tijden, onzekere tijden. De wereld is nog nooit zo oorlogszuchtig geweest, lijkt wel, en dat geldt ook voor Twitter. We vlogen elkaar al enthousiast in de haren, maar sinds de aanslagen in Parijs lijkt dit enthousiasme geen grenzen meer te kennen. We zijn ineens allemaal Charlie, of Ahmed, of Juif, en waar je eerst duidelijk stelling kon nemen vóór of tegen Moslims, Joden, links, rechts, vegetarische en vleesetend, noem maar op, is dat er nu niet makkelijker op geworden.

Ik volg op Twitter een breed scala aan accounts, en dat probeer ik een beetje eerlijk te verdelen tussen bijvoorbeeld bovengenoemde groepen. Wilders volg ik niet, maar ik zou dat eigenlijk toch maar eens moeten doen, even een note-to-self. Ik word ook door een breed scala aan accounts gevolgd, en de mensen die mij nieuw volgen, volg ik als het enigszins kan ook weer terug, enkele volslagen idioten daargelaten. Zo trekt er dagelijks dus een zeer gevarieerd aanbod aan tweets aan mij voorbij, en ik denk dat dit een redelijke afspiegeling is van de wereld om mij heen. Anders dan in de echte wereld, kun je sommige lieden ook geheel blokkeren, wanneer ze het naar je mening te bont maken. Klik op ‘blokkeer’, en je hoort en ziet er in principe nooit meer wat van. Zelf heb ik het blijkbaar ook te bont gemaakt voor anderen, want ik denk dat ik door een stuk of tien personen geblokkeerd ben: misschien wegens beledigend, te grof, niet christelijk of islamitisch genoeg, te christelijk of te islamitisch, te veel frikandellen op Twitter gepropageerd, te links of te rechts, het kan van alles wezen.  Ideaal eigenlijk, want zo ben je elkaar niet tot last. Zo’n knop zouden we in het echte leven ook moeten hebben: geen zin meer in links of rechts gebral? Hup, weg! Nooit meer ergernis. De wereld een stuk simpeler.

Nu zit ik geregeld boven op de kast, wanneer ik iets op Twitter lees, dat gaat volgens mijn gade nogal makkelijk. Zij heeft niets met Twitter, leeft dan ook een stuk rustiger volgens mij. Is ook geen nieuwsjunk zoals ik, die alles wat maar te lezen en te zien is in grote bergen tot ongeveer kokhalzen aan toe naar binnen slurpt. Ik wil alles weten, alles zien, terwijl het eigenlijk welbeschouwd geen ruk toevoegt aan je dagelijkse leven. Nieuwsverslaafd, twitterverslaafd, overal een mening over, en die dan gelijk spuien in 140 tekens, al dan niet met ( bewerkt) plaatje erbij. Dat brengt risico’s mee. Waar we vroeger ’s ochtends en ’s avonds het nieuws tot ons namen uit de krant of via de radio of tv, wordt het nu 24 uur per dag over ons uitgestort. Waar we vroeger eerst iemand op moesten zoeken om ons beklag te doen of onze frustraties te uiten, doen we dat nu direct en zo luid mogelijk op internet. We hebben een onstuitbare uitingsdrang op zoek naar zelfbevestiging van onze oordelen. Maar bij wie hoor je nou eigenlijk nog? Waar tot voor kort in Nederland het gros van de bevolking nooit van Charlie Hebdo gehoord had, willen we nu allemaal daarbij horen, ongeacht onze belabberde beheersing van de Franse taal. Maar het staat nu eenmaal even ongelooflijk hip wanneer je tijdens het werken op je MacBook in het internet-café een Charlie Hebdo naast je Latte Machiato hebt liggen. Je hoort dan tot de schaarse groep intelligentsia die pretendeert politiek correct  te zijn én de Franse taal te beheersen én met een MacBook in een internet-café te werken. Daar zijn er maar 500 van in Nederland, van dat blad dan. Heb je pech, dan print je de voorpagina op ware grootte uit en plakt hem over de Metro. Heb je daarna stiekem tenminste nog iets te lezen, ook als niemand kijkt.

Wie netjes in de leer links is, is natuurlijk vóór de Islam en tegen de vuile Joden die door de PVV in het zadel worden gehouden. Wie netjes rechts is stemt natuurlijk VVD ( in zijn of haar hart eigenlijk PVV maar dat is voor Tokkies ) en trekt ten strijde tegen middeleeuwse en barbaarse Moslims en alles wat maar enigszins naar communistische milieufreaks neigt, en verdedigt het voortbestaan van Israël te vuur en te zwaard. Nu wordt het even lastig: die aanslag op Charlie Hebdo was door Moslims die de profeet verdedigden, maar de aanslag op de Joodse supermarkt ook, terwijl je toch eigenlijk voor moslims en tegen Israël was of omgekeerd, en wat voor hashtag moet je nou achter je tweets zetten?  Is even een lastige spagaat als je ergens uitgesproken bij wilt horen. Je gaat dus ’s ochtends om 5:00 uur in de rij staan bij de boekwinkel om een blad te kopen waar je tot voor kort volslagen niks mee had, maar ja, je wilt tenslotte ook een statement maken.

Misschien moeten we eens even terug naar nul, even niet voortdurend statements willen maken, even liever gewoon #JesuisMoi-Même zijn. Op alle gebied. De hijg er uit. En dan eens rustig met mekaar in gesprek. Leren luisteren in plaats van roepen. De meeste Moslims zijn aardig, de meeste Joden ook, de meeste linkse en rechtse mensen ook.

’t Is vijf uur

imageWanneer je vroeger in een moment van eindeloos wakker liggen iets zinnigs wilde gaan doen, waren er diverse alternatieven: de lamp aan en gaan lezen, uit het raam staren naar de verlaten straten, een kop warme melk gaan drinken ( sommige vrouwen schijnen dat te doen, lijkt me gruwelijk ) of een Duitse tv-zender aanzetten, waar je uren mee kon kijken in de cabine van een treinmachinist die het ene na het andere station passeerde. Toen dat programma na jaren stopte, schijnt half Duitsland in opstand te zijn gekomen.

Nu pakken we onze iPhone en gaan op zoek naar wereldnieuws, spelletjes, of gelijkgestemden in de nachtkroeg van de grote stad die Twitter heet. Daar is het stil. De buitenlandse volgers en gevolgden komen voorbij, de tijdzones vormen de lege krukken naast je aan de bar. Je staart voor je uit en draait je virtuele glas rond. ’s Nachts is Twitter het beroemde schilderij van Dennis Hopper. Het kán ook niet anders dan een grote stad zijn. Er is geen plek waar een mens ’s nachts – en ook vaak overdag – eenzamer kan zijn. Zoiets brengt wél mooie dingen voort: literatuur die je opzuigt, schilderijen dus, foto’s van verlaten natte straten, spiegelend in het harde natriumlicht, waar de eenzaamheid van afspat. Jazz, bij een grote stad hoort jazz. Een desolate trompet, een traag ritme, de drum-brushes de sissende banden op glimmend asfalt. Je kunt je wentelen in eenzaamheid.

Midden in de nacht kwam er een tweet voorbij. Een foto van uitzicht over een nachtelijk Amsterdam, van iemand die daarbij moest denken aan dat schitterend melancholieke nummer van Ramses Shaffy: “Het is vijf uur”. In mijn optiek z’n beste nummer, je zou er spontaan van aan de drank of aan de sigaretten of aan een combinatie van beide raken. Het stráált de verlatenheid in de nacht uit. In Amsterdam heb ik trouwens ’s nachts nooit voor het raam naar buiten staan staren, wél in steden als New York, Los Angeles, Brisbane, Shanghai of Hong Kong. Geplaagd door jetlag, blikkend in de verlaten straten, elke stad slaapt toch op enig moment, behalve dan die enkele inwoners die daar eenzaam beneden je voorbij lopen of rijden, of die net als ik peinzend voor zich uit blikken, staand in dat enkele verlichte raam in de zwarte steenkolossen, als een soort kortstondig oplichtende verre sterren in de nacht van het bestaan. We seinen onze gedachten de wereld in, naar een kust die onbereikbaar is.
In de nachtkroeg van Twitter hangen de nachtbrakers aan de bar, hun leven overdenkend in zo af en toe een enkele tweet, die niet beantwoord wordt. Er is niemand die luistert, en hun geluid verwaait in het geraas van de stad die langzaam ontwaakt.
[youtube]http://youtu.be/iFYNZ2F8Xa8[/youtube]

 

Ik vertrek

SchandpaalEigenlijk zijn  we qua beschavingsniveau de Middeleeuwen nog niet ontgroeid.We gooien nog steeds met rotte tomaten en eieren, en we smeren nog steeds pek met veren, alleen heet de schandpaal nu Twitter. Die schandpaal wordt ons aangeboden door de televisie en wij gaan vervolgens gretig op zoek naar slachtoffers om te bekogelen met narigheid. En we doen er allemaal ijverig aan mee, ik ook, en al jaren. Het duurde alleen even voordat dit tot mij doordrong.
Twitter, en andere vormen van social media, kun je beschouwen als één grote kroeg met miljoenen, duizenden of tientallen bezoekers, afhankelijk van je aantallen volgers en “vrienden”. We kijken met z’n allen naar het grote scherm boven de bar, en we hebben overal luidkeels wat op aan te merken. Wie dat het meest opvallend, hard of leuk doet, kan rekenen op grote bijval in de vorm van retweets en nog meer volgers. Daar doen we het voor, want volkomen in je eentje gaan staan roepen hoe dom of sneu je iemand op de televisie vindt, is een zinloze bezigheid.

Er zijn programma’s waar we ons met genoegen op storten: Ik vertrek, De Rijdende Rechter, Het Familiediner, Utopia ( O, gruwel ), Boer zoekt Vrouw. Ze hebben gemeen dat ze mensen door de middeleeuwse straten voeren die hijgerig op het aanbod van een omroep om zichzelf publiekelijk aan de schandpaal te laten nagelen zijn ingegaan. Duw iemand een camera of een microfoon onder z’n neus en men verandert in een exhibitionist die ongegeneerd de eigen vuile was tentoonspreidt.  Wanneer ze eenmaal zijn aangekomen bij het schavot kan de beul – wij – uit z’n dak. Waar wij op het ene moment zo correct mogelijk onze beschaving en ons geestelijk niveau, beschreven in onze avatars en bio’s, ten tonen pogen te spreiden in onze uitingen op social media, vergeten wij het volgende moment dit alles en doen wij ijverig mee aan de publieke steniging.

Gisteravond: “Ik vertrek”. Een gezin met puberdochter begint een nieuw leven in – hoe verrassend – een Bed & Breakfast op het Franse platteland. De ouders zijn nogal – eh- paardgericht en lijken de dochter te vergeten die het zichtbaar en hoorbaar niet naar de zin heeft. We gaan los op Twitter, en zelf doe ik mee ( lees m’n tweets maar ). Wanneer je zoekt op #ikvertrek komt daar een enorme verzameling commentaar voorbij, waarbij je bij veel opmerkingen de tranen van het lachen over de wangen rollen. Hoe meer er mislukt, hoe leuker het wordt, en er is geen leuker vermaak dan leedvermaak. Buren die mekaar de koppen inslaan over de hoogte van de schutting, een boer die nog nooit een vrouw gezoend heeft, een verzameling eencelligen die al rokend elkaar in Utopia probeert weg te pesten, het is aapjes kijken in de dierentuin.

Gisteravond laat twitterde de dochter van het Ik vertrek-echtpaar dat ze baalde van alle negatieve reacties, dat ze echt topouders had en dat wij in 45 minuten echt geen idee konden vormen van hoe hun hele leven daar nu was. Iets van 85 volgers had ze, dan ben je een roepende in de woestijn, want mensen zoals ik met 2000 volgers of meer overschreeuwen zo’n puber met gemak, waardoor haar noodkreet, want anders kan ik het niet noemen, verloren ging in ons hoongelach.

En ja, ze heeft gelijk. Die tweet van haar die deed het ‘m. Het moet verschrikkelijk zijn om te lezen hoe je ouders belachelijk worden gemaakt of neergezet als harteloze egoïsten. Die mensen hebben een droom, en ze hebben hem waargemaakt. Eigenlijk zijn we gewoon jaloers, want zelf draaien we nog steeds kringetjes in ons eigen veilige vertrouwde wereldje, omdat we niet de lef hebben of de durf om hetzelfde te doen als zij, namelijk gehoor geven aan wat je hart je zegt, en daarmee onafhankelijk van anderen te zijn.

Voortaan dus: geen tweets meer van mij over hoe idioot of verkeerd die mensen bezig zijn, en meisje, je hebt inderdaad echt topouders! Laat dat even gezegd zijn.

Nu dus nooit meer met tomaten en eieren gooien dan? Nee, natuurlijk niet. De wereld is bezaaid met figuren die het wél verdienen: graaiers, harteloze politici. Ik kan nog steeds los, pek en veren in overvloed. Ik moet alleen wat beter en selectiever mikken, want soms raak ik gewoon de verkeerde, zoals gisteren.

Insomnia

Naarmate een mens ouder wordt, schijnt die mens minder behoefte te hebben aan slaap. Ik ben dus ook zo’n ouder wordend persoon, en op mijn zestigste gaat de aanname voor mij inderdaad op. Je krijgt op een gegeven moment iets hijgerigs over je, zo van dit wil ik nog en dat wil ik nog voordat ik in een verzorgingsgesticht voor hinderlijk in de maatschappij aanwezige ouderen wordt opgesloten. De nacht wordt dan ook een beetje een storende onderbreking van alles wat je nog wilt doen als je later groot bent.

Daar komt nog bij dat de moderne mens, zelfs de oudere, de beschikking heeft over andere middelen dan alleen maar een saai boek ( waar je dan weer snel door in slaap valt ) en een leeslampje. Beide zijn niet meer nodig, want we hebben immers ons mobieltje, onze nieuwe levensader, bij de hand. En daarop is licht, is nieuws, zijn boeken en zijn mensen, van wie er altijd wel enkele ook op datzelfde moment last hebben van slapeloosheid of die gewoon aan het werk zijn. Nu zit ik in het onderwijs, en het is opvallend hoe veel collega’s in het holst van de nacht op Twitter nog reppen van nakijkwerk, van boeiende docentenlectuur die ze aan het lezen zijn, van onderwijsvernieuwingen of onderwijsafbrekingen, en van hun afschuw over het huidige kabinet. Het heeft iets van helemaal aan het einde van de dag nog zorgen dat je even langs het kantoortje van een over jou gestelde onderwijsmeerdere loopt, in de hoop dat die zal opmerken en onthouden dat je nog heel laat aan het werk bent, in tegenstelling tot de vrijdagmiddagen, waar je op veel scholen een kanon kunt afschieten.

Nu ben ik dus van gevorderde datum, én man, en dat houdt in dat je er ’s nachts wel eens uit moet om aan bepaalde drang gevolg te geven, wil je tenminste niet het gevoel hebben wat je midden in de nacht in de tent op de camping wel eens hebt: zal ik nu wel of niet gaan pissen, en als ik dat wél doe is het weer zo’n enorm geheister met die slaapzak en die ritsen en moet ik me dan wel of niet helemaal aankleden en dan over dat koude gras met closetrol onder de arm ( die steevast in het bedauwde gras valt ) naar het pleegebouwtje of zal ik het maar achter de tent tegen de struikjes gaan doen met het risico dat een of andere oplettend type je met een Mag Light in het volle licht tentoonspreidt terwijl je daar in je blote togus niet snel genoeg kunt stoppen met plassen want je prostaat is immers als zestig.
Wanneer je dus eindelijk weer in je koud geworden bed ligt, ben je wél klaarwakker, en grijp je dus naar je mobiel.

De meeste nachtelijke tweets hebben een luchtig karakter – het hangt er ook een beetje van af wie je volgt natuurlijk – maar soms komt er eentje langs waar een wereld van narigheid of wanhoop achter lijkt te zitten, en dan vormen Facebook en Twitter wel een vrij treurige omgeving om daar uiting aan te geven.   Nu zoeken de mopperaars, de wereldverbeteraars en de lichtvoetigen van geest elkaar, net als in de echte wereld , wel op dus er zijn altijd lieden die troost of vermaak kunnen bieden. In 140 tekens, dat wel, dus je kiest je woorden ook nog eens met zorg. Ik reken mijzelf geregeld tot de mopperaars en de klagers ( volgens mijn vrouw altijd ) , dus kan ik heerlijk zwelgen in allerlei leed en tandengekners.

Elk mens heeft zelfbevestiging nodig, en dat is natuurlijk ook een van de redenen waarom men op twitter gaat en noestig volgers bijeen spaart. Vroeger speldjes en Flippo’s, nu draait het om volgers, en die sprokkel je bij elkaar door iets zinnigs te zeggen, in wat voor vorm dan ook. Bijna 1900 mensen vinden mij, oude zeur, brompot en mopperaar, blijkbaar zinnig, terwijl zij zelf gezien hun tweets vaak tot de groep met een wat opgewektere levenshouding behoren, iets wat ik mij natuurlijk nauwelijks kan voorstellen, dat begrijpt u wel.
nachtMensen gaan bij het zoeken naar contacten in eerste instantie voor het uiterlijk, ook al is dat vaak maar een indruk van niet meer dan enkele seconden. Nu zegt dat op Twitter en andere social media niet veel, want iedereen kan elke willekeurige identiteit met elk gewenst fantastisch uiterlijk aannemen, en je weet dus nooit helemaal zeker met wie je nu eigenlijk echt te doen hebt. Misschien ben ik wel een strakke jonge ge-tepelpiercte en getatoueerde  blondine met een IQ van 60 die is afgewezen voor het programma Utopia wegens té intellectueel. Je moet dus afgaan op de teksten en de eventuele foto’s die bij tweets geplaatst zijn. Daarin verraadt men zijn of haar persoonlijkheid.   Zo is Twitter een exacte kopie van de werkelijkheid, eentje met diverse sociale lagen waarbij we ons in ons eigen laagje het prettigst voelen, maar waarbij het meer dan in de werkelijkheid veel makkelijker is om eens een kijkje in bijvoorbeeld een tokkie-leven te nemen. Dat laatste kan voor sommigen nog wel eens een schok zijn. Docenten moeten voor de aardigheid eens zoeken op de hashtag #kutschool, waarbij je ook #kutsgool niet moet vergeten, want qua spelling hollen we nogal achteruit. Zij zullen zich vervolgens afvragen in wat voor levensgevaarlijke omgeving zij eigenlijk hun dagelijks werk doen, iets om werkelijk gehéé slapeloze nachten  van te krijgen.

Wat nog het meest zegt over de persoon op Twitter, wordt gevormd door de foto’s. Een beeld zegt meer dan woorden, en nu begeef ik mij op glad ijs, want bij vrouwen zie je dan vooral foto’s van kleding, de kinderen, bloemetjes en plantjes in en om de tuin, iets wat ze vandaag gekocht hebben ( een tas of zo ), een enge levende spin op het plafond, mooie plaatjes met mooie dichtregels en vooral: heel veel eten. Allerlei gerechten passeren de revue, ontelbare glazen wijn, liflafjes, de kerst- en paasdissen en de terrasjes met koffie en gebak in het zonnetje. Hoe zoet is het leven.
De mannen in mijn timeline gaan in het algemeen voor het ruigere en zwaardere en meestal saaiere werk: auto’s, politieke spotprenten, een kantooromgeving, een foto van de file waar ze in staan, eentje die heel veel ( meestal dikke ) damesbillen plaatst, statistieken uit de krant, en foto’s van computers, een platgeslagen spin op het plafond, mobieltjes of andere dingen met veel knopjes. Zélden plaatsen mannen een gevoelige tweet, er is opvallend weinig geklaag over exen of lichamelijke kwalen. Wel veel geneuzel over foebel, daar hoor je vrouwen gelukkig nou nooit over.  De zondag is met alle sport-tweets soms een bezoeking.
Wat mannen en vrouwen bindt, zijn de tv-programma’s. We zitten dan met z’n allen in de digitale kroeg naar de buis te staren, en spuien een stroom van commentaar.

Hoe veilig allemaal, want we kunnen ons mobieltje weg leggen wanneer we willen, tot we midden in de nacht ineens behoefte hebben om gehoord te worden, écht gehoord. En inderdaad, soms luistert er dan iemand, een echt persoon, en die geeft nog antwoord ook. Op internet ben je nooit alleen, ook niet midden in de nacht.

 

Voeg jij me effe toe

Het ideale middel om tot op hoge leeftijd jong ( en eventueel wild ) te blijven bestaat, en het heet: onderwijs. Niets houdt de mens zo fris en fruitig als de omgang met leerlingen, dus wat dat betreft kan ik iedereen een baan in dit dynamische wereldje aanraden. U bent altijd op de hoogte van de laatste trends en ontwikkelingen op mode- en muziekgebied, u ziet wat voor gadgets er op de markt zijn en u weet alles over tot voor kort raadselachtige termen als social media, Facebook , Twitter, WhatsApp en Draw something. U hoort over de laatste dancefestivals, welke lineup er staat, u weet alles van pilletjes, paddo’s, flashmobs, schuren, bubbelen en afterparty’s. Voor de basisschool gelden deze begrippen op een wat lager tandje, maar je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn. U herleeft uw jeugd en denkt de hele wereld aan te kunnen.

Nu zijn docenten door alle eeuwen heen echter ook de meest behoudende lieden op aarde, en ze lezen in het algemeen slechts één boek per jaar: de Elseviers Belansting Almanak ( dat laatste heb ik trouwens niet van mezelf, maar er zit soms een kern van waarheid in ). Naarmate ze ouder worden, verstart hun houding nog verder, en wars van alle vernieuwingen strompelen zij van weekend naar vakantie naar weekend naar pensioen. Zelf nader ik ook inmiddels die leeftijd, en mocht ik tot die tijd niet alsnog in totaal overspannen toestand het schoolpand hebben verlaten en in een gekkenhuis zijn beland, dan is het te verwachten dat ik net als velen met mij de hakken nog verder in het zand ga zetten en bij voorbaat overal tegen ben.

Tot de 21e eeuw zich aandiende, met als gruwelijke bijkomstigheid de social media als Twitter en Facebook. Je wilt als docent natuurlijk door je leerlingen voor zo jong mogelijk versleten worden en door je directie voor zo oud en breekbaar mogelijk en dus te ontzien, dus is het voor ons leraren een beetje schipperen geblazen. Er was een tijd dat een docent een persoon was die gezag uitstraalde en ontzag inboezemde, nu dien je – zo vinden sommigen – onder invloed van media, Den Haag, management en allerlei onderwijsadviesbureau’s zo laag en diep mogelijk tot het niveau van de leerling af te zakken en mag  je nog uitsluitend een soort voorzichtig begeleidende rol op je nemen. Dat wordt dus behoedzaam manouevreren tussen de oude en de nieuwe tijd. Wat kun je wel, wat kun je niet, wanneer verword je tot een potsierlijke clown?

Op Twitter ontstond gisteren een discussie over wat je je als docent kunt permitteren naar leerlingen toe wanneer je heel hip en vooruitstrevend besloten hebt om je nieuw aangeschafte mobieltje ook te benutten voor het contact met hen, binnen of buiten lesverband. Jongeren vinden het prachtig wanneer je op de hoogte bent van hun leefwereld, en je kunt je ongekend populair maken door met het momenteel meest begeerde mobieltje te gaan rondzwaaien.  Ze vinden het leuk wanneer je je een beetje vlot kleedt en er niet bij loopt als de typische docent in oude C&A-spijkerbroek, een flodderig ruitjesjasje met elleboogstukken en krijtstrepen en wat pennen uit de borstzak. Er wordt sterk op je gelet, en een beetje leerling ziet aan de stiknaad van je jeans welk merk het is en of dat nog wel verantwoord is of niet. Je krijgt dat dan ook terstond te horen, en moedeloos fiets je die dag naar huis omdat je blijkbaar net weer de verkeerde winkel bent binnengestapt voor je schaarse kledingaankopen.

Voor jonge docenten is het heel makkelijk en verleidelijk om volledig in de wereld van hun publiek mee en soms ook op te gaan; die wereld ligt immers nog maar kort achter hen. Voor ouderen, en dan bedoel ik boven de dertig, wat in de ogen van een leerling al stokoud is,  is  het lastiger. Laat je je nog bij je voornaam noemen, tutoyeer je elkaar of niet,  net zoals als het voor jongere docenten lastig is om met “u” en “Meneer” aangesproken te willen worden.
En er is meer: een beetje docent 2.0 zit tegenwoordig op Facebook en Twitter, en de wat behoudender types onder ons teren nog een beetje op Hyves. “O meneer, zit u op Facebook?”, en voor je het weet krijg je de mededeling dat die en die vrienden met je wil worden op Facebook, Hyves of dat je door je klas gevolgd wordt op Twitter. Vriend worden, met een leerling, in de toch wel behoorlijke anonimiteit van het internet, is iets anders dan vriendelijk zijn tegen diezelfde leerling in de vertrouwde omgeving van het klaslokaal. Voor een leerling is internet een deel van hun leefwereld, die betaat uit vrienden in real life en vrienden op Facebook, twee werelden die steeds nauwer met elkaar vervlochten zijn en waarin het begrip “vriend”een totaal andere betekenis heeft gekregen dan die wij er aan toekennen. Het is vooral een wereld van leeftijdgenoten, lotgenoten, soortgenoten; een wereld waar je je als school niet in moet mengen. In  de tijd dat een dagboek nog niet vervangen was door Twitter of een tijdlijn op Facebook, wilde je tenslotte ook niet dat je ouders of je leraar daar in ging zitten koekeloeren. In feite vraag je als leraar of je alles in de agenda of het mobieltje van de leerling mag bekijken. Je overschrijdt een onzichtbare maar duidelijke grens, die jouw wereld en die van de leerlingen scheidt.

Zie Twitter en Facebook als een enorme kroeg waar leerlingen buiten schooltijd in rond hangen, vaak dag en nacht. Stap je als onderwijsgevende in werkelijkheid de uitgaansgelegenheid van de leerlingen binnen wanneer ze daar op zaterdagavond aan het stappen zijn? Ik dacht het niet. Omgekeerd zit je er als docent ook niet op te wachten dat een leerling dag en nacht in de privé-sfeer van jouw woonkamer zit mee te gluren en alles ziet en weet wat je doet. Toch ben je daar wel mee bezig wanneer je leerlingen gaat volgen op Twitter of wanneer je ze een verzoekje om vriend te worden op Facebook stuurt. Omgekeerd ook, wanneer je op hun volg- of vriendschapsverzoek ingaat. Het is niet anders dan ’s avonds laat op de bank thuis met een leerling over allerlei zaken gaan telefoneren. Men zou raar opkijken.

Alles wat je op het internet plaatst, staat daar in principe voorgoed, en kan door anderen gebruikt of misbruikt worden. Een grappig bedoelde opmerking kan snel verkeerd worden uitgelegd en een geheel eigen leven gaan leiden, kan honderden malen geretweet worden naar alle vrienden van de leerlingen die dat ook weer naar hún vrienden door sturen, ook als je zelf de tweet al weer hebt verwijderd. Je loopt als docent voortdurend langs de rand van een afgrond die Facebook en Twitter heet, of  langs de grens van de docenten- en de leerlingenwereld. Blijf daar dus een beetje uit de buurt vandaan, wanneer je geen geldige reispapieren hebt.

Nooit meer of Facebook of op Twitter dan? Natuurlijk niet, beide zijn een bron van informatie en vermaak. Je kunt ook als docent op beide media contact met je leerlingen onderhouden, en ze fantastisch gebruiken bij je lessen. De mogelijkheden zijn enorm! Maar alleen met een duidelijk herkenbaar school-account, een officiële schoolfoto, onder strikte afspraken en protocollen die elk school dient vast te leggen, en spelregels die er voor zorgen dat je je privé en je werk op dit gebied strikt van elkaar gescheiden houdt. Dan maar wat minder vrienden en volgers op Facebook en Twitter. Een goede buur is beter dan een vage digitale vriend.

Rust….

Ut benne hectische tijden. Ik check in- en uit op Foursquare, ik hou mij actiever dan ooit bezig met Facebook,  ik luister muziek op Spotify, ik bel met de halve wereld via Skype en ik sprokkel volgers bij elkaar op Twitter. Daartussen door praat ( of What’s App ) ik af en toe met mijn vrouw, geef ik mijn leerlingen les via de electronische leeromgeving en neem ik soms de tijd voor een slaapje, waarbij de Sleepcycle App op mijn iPhone mijn slaappatronen registreert en mij bij het ontwaken op de hoogte houdt, zodat ik op mijn gemak naar de internet-wekkerradio kan luisteren. Gelukkig kan ik soms ook nog even ontspannen in de natuur, waar ik tijdens een wandeling volgens mijn GPS-systeem kan genieten van de vogels, waarvan ik allemaal de zang kan onderscheiden dankzij mijn Tsjilp-programmaatje.  Verdwalen is er niet meer bij, er is altijd wel ergens iets wat mijn doen en laten registreert. Ik volg en word gevolgd. Je moet toch wat doen, wanneer het Sony Playstation Network er uit ligt en je je dus suf verveelt.

Maar misschien ben ik juist wel heel erg verdwaald. Weggedwaald van waar het toch vaak om gaat: contact met anderen  en tijd voor bezinning op jezelf, op je leven. Daar zou ook een appje voor moeten zijn.  “Bezinning” voor € 0,79 of zo te downloaden in de App store. Een applicatie die je telefoon uitschakelt, je pc uitschakelt, al je apparaten van je werpt en die je digitale bestaan opheft en je verstand eens op nul zet. Een algehele reset.  Niets meer te doen, tijd om iets echts te gaan doen.

Nu word ik dus sinds deze week op Twitter gevolgd door een heuse monnik: Broeder Steve van de Abdij van Egmond. Alsof ik in deze 21e en futuristische eeuw ineens door de Middeleeuwen word ingehaald en bij de arm genomen word. God twittert dus ook.
Bij monniken en abdijen stel ik me nog altijd scènes voor zoals in de film “The Name of the Rose”: duistere krochten en walmende flambouwen, schimmen die verborgen in lange pijen gebogen langs komen schuilen. Kou, verdoemenis, de inquisitie, intriges, de pest. De middeleeuwer kreeg in zijn hele leven net  zo veel informatie te verwerken als een puber nu gedurende één dag. Dat was dus eigenlijk wel relaxed, ook al had het leven in de duistere tijden soms z’n nadelen. Je kon je nog ergens over verbazen, verwonderen, en er waren nog dingen die je niet kon Googelen.
We hadden nog niet de neiging om werkelijk alles wat we deden en dachten aan de wereld kenbaar te maken.
Op de iPhone kan ik nu bijvoorbeeld een applicatie installeren die mijn sexleven registreert: alles wordt bijgehouden, hoe snel en hard je beweegt, hoe hard je mogelijk schreeuwt of kreunt en of je misschien ondersteboven in bed ligt tijdens het moment suprème. Al je vrienden worden direct via twitter op de hoogte gehouden en je prestaties verschijnen op een scorelijst die anderen dan weer kunnen overtreffen….Het is echt waar, hoewel je elke keer weer denkt dat we in het verzinnen van treurig exhibitionisme niet dieper kunnen zinken dan wat we dagelijks al aan pulp op de RTL-zenders krijgen uitgestort.

Het klooster in de 21e eeuw. Ik kon er eens een weekend naartoe, dat leek me heel avontuurlijk. Een weekendje afzien in de koude en duistere gangen, Gregoriaans galmend gezang, om drie uur ’s nachts op voor de metten, knielend op een hard bankje, verzonken in mijn leenkazuifel. Back to basics. Tót ik hoorde dat dit een weeekend zou zijn in een nonnenklooster en waar de verwarming op 23 graden stond in een redelijk comfortabel en fel neon-verlicht ingerichte slaapkamer….

Dan maar digitaal dus. In plaats van de mis kan nu het woord van de Heer in 140 tekens tot mij komen, bijvoorbeeld in de persoon van broeder Steve, die ook qua naam al heel modern met de tijd is meegegaan. Een broeder Stefanus ware wat toepasselijker geweest. Maar toch: we zijn nog niet helemaal reddeloos ten onder gegaan in de digitale hectiek. Er zijn nog wat rust- en ijkpunten in ons digitale leven. “Weer in mijn oase, het is stil in huis”, twittert broeder Steve. Ik ben echt jaloers.  Soms hebben we allemaal even een broeder Steve nodig. Zoekt en gij zult vinden.