Nieuwjaarsontbijt en hoe dat te voorkomen

De eerste schooldag in een nieuw kalenderjaar is iets wat ik met licht angst en beven tegemoet kan zien. Niet dat ik ordeproblemen heb of zo – ik doe het met één of twee keer per jaar een nachtmerrie dat het wèl zo is – maar wat vooral vrees inboezemt is het verplichte nieuwjaarsontbijt. Om acht uur worden wij in het pand verwacht, en wie niet komt, kan mogelijk een slecht nieuwjaar tegemoet zien, en – erger nog – moet het doen zonder de nieuwjaarswensen van het bevoegd gezag. In de aula is dan gedekt en mag het dankbare personeel aanschuiven, onder het toeziend oog en luidkeels commentaar van leerlingen die om ondoorgrondelijke redenen op dat tijdstip al aanwezig zijn.

Ik weet dus niet wat erger is: de eeuwige toorn van de over mij gestelde machten binnen ons onderwijsinstituut en een ongelukkig nieuwjaar, of toch maar naar het ontbijt en dan het allervreselijkste moeten ondergaan, namelijk het gezoend worden door collega’s. Ik denk daarbij direct aan een stukje uit  “Bint” van Bordewijk, verplichte kost voor elke onderwijsgevenden: “Mond open!” Onmiddellijk geulde de mond. Hij was onbeholpen gebeiteld, een nat, rood hol vol ouwe tandjes van vergeeld ivoor.

Nu is zoenen in het algemeen natuurlijk een bijzonder aangenaam tijdverdrijf, vooral als je dat kunt doen met het object van jouw liefde ( er schijnen dierenliefhebbers te zijn die het met hun hond doen ) . Uren kun je jouw tong laten rondhangen in zo’n natte warme holte, en er zelf ook eentje verwelkomen. Wetenschappers schijnen trouwens uitgezocht te hebben dat je tijdens het zoenen met een aidspatiënt die ziekte kunt oplopen wanneer je minstens tachtig liter speeksel uitwisselt, dus dat risico is verwaarloosbaar, met wie of wat je het ook doet.

Nu werk ik op een vrij grote school, er worden dus zo’n honderd collega’s , al dan niet met frisse tegenzin, op de festiviteiten verwacht. Momenteel is drie keer zoenen bij dit soort sociale evenementen usance, en als ik er dan vanuit ga dat er zo’n 50 vrouwelijke collega’s zijn, waarvan er 20 mij sowieso vanwege mijn mogelijk afstotend uiterlijk of anderszins onsympathiek voorkomen niet zullen willen zoenen, dan blijven er toch altijd nog 30 over. In het meest beroerde geval zul je dus 90 keer gekust worden en zelf ook zoiets moeten verrichten. Ik ben wel geneigd enkele collega’s (allen vrouwelijk, en niet behorend tot het management) te willen zoenen, zodat er uiteindelijk  zo’n 81 gevallen van ongewenste intimiteit overblijven. Direct een stevige hand geven en dan flink op afstand duwen wil nog wel eens helpen, maar levert dan een tennisarm op.

Via Twitter kreeg ik allerlei adviezen binnen: knoflook eten (@Fred_Beumer), zeggen dat je verkouden bent ( @JoachimW), koortslip ( @MevrNestorix en @harmhofstede) en roepen dat je melaats bent ( @Wiswijzer2); allemaal ervaringsdeskundigen. Dat melaats zijn lijkt me wel wat. Klingelend met zo’n bel, gehuld in lompen en zonder benen zittend op zo’n houten karretje duw je jezelf dan de feestzaal in, en door je vrolijke geroep hou je iedereen, zelfs de vrouwelijke collega’s met beginnende snor en stoppelbaard, op afstand. Ook de directie zal je door je lage ondergeschikte houding niet zien zitten ( dit kan dubbel opgevat worden, maar ik bedoel het ene ), en je kunt in een stil hoekje je witte kadetje vanaf je plastic bordje oppeuzelen.
Waarom toch dat gezoen met wildvreemden? Wel beschouwd is het niet anders dan elkaars wangen tegen elkaar drukken en daarbij kusbewegingen in het luchtledige maken.  Doe het dan goed, vol op de mond, en rats, die tong er in. Men gaat zowaar iets menselijks in je zien. Je laat wel een diepe indruk achter in het nieuwe jaar, en het is toch allemaal een stukje minder oppervlakkig zo. Bijkomend voordeel is dat je volgend jaar niet op een nieuwjaarsontbijt hoeft te rekenen.

Kus

 

Zoenen is in het algemeen een intrigerende bezigheid: vier vochtige lauwwarme lapjes vlees stulpen naar elkaar toe om vervolgens te verkleven, waarna twee nog veel vochtiger vleespoliepen zich lillend tussen voornoemde vier doorpersen om vervolgens elkaar af te tasten en ineen te kronkelen, daarbij overvloedige hoeveelheden vaak zuur ruikend speeksel uitwisselend. Niet zonder gevaar bovendien; onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer men tijdens deze daad meer dan tachtig liter speeksel overbrengt, de kans op een aidsbesmetting aanwezig is.

Aanstaande maandag word ik op het nieuwsjaarsontbijt van mijn onderwijsinstituut verwacht, zo liet mijn werkgever mij onlangs enigszins dringend weten. Om nieuwjaarswensen uit te wisselen en zo. Niemand kan mij echter van mijn vaste ochtendritueel: beschuit, kop thee en krant afhouden, dus dat doe ik toch echt sowieso eerst, dan maar wat vroeger op. Ik kan de krant en mijn eigen theekop natuurlijk meenemen en mij daarin verdiepen tijdens de nieuwjaarsfeestelijkheden, en aldus verzonken in mijn huiselijke routine ontloop ik dan misschien waar ik het meest tegen op zie, elk jaar weer: het gezoend worden door en moeten zoenen van collega’s, de vrouwelijke dan tenminste. Mannelijke collega’s, azend op een flinke zoenpartij, zijn in deze contreien dun gezaaid. Het blijft natuurlijk wel de Bible-belt, en daar zal de coming-out pas in de tweeëntwintigste eeuw plaats vinden.
 
Nu moet ik wel even voorzichtig zijn, want sommigen schijnen met enig plezier mijn episteltjes te lezen, en ook een enkele leerling schijnt het onder jongeren algemeen heersend analfabetisme te zijn ontgroeid en geeft blijkt van rudimentaire intelligentie door opmerkingen over de inhoud van Wauwel te ventileren ( “Huhh, leuk stukkie wel m’neer!”). Mijn collega’s zijn in het algemeen aardige lieden, maar degenen waar ik het meest mee optrek zijn natuurlijk toch wat meer van mijn leeftijd en dan laat het uiterlijk hier en daar wat steken vallen. Flabberende kwabben steken de kop op, hier en daar klappert een kunstgebit, bij nadere bestudering van de huid rond de mond blijkt zo nu en dan een moedervlek met daarop vier stugge zwarte haren de kop op te steken, er ontstaat bij een enkeling een hardnekkig schuim op de mondhoeken, ogen draaien geregeld wit weg of zijn van zichzelve al vaalblauw van de staar, gehoorapparaten vallen spontaan uit de de oorschelp, twee leesbrillen over elkaar op het hoofd, ja we hebben het allemaal niet meer zo goed in de gaten. Ouderdom komt met gebreken. Ooit had ik – op een andere school – een vrouwelijke collega die werkelijk verschrikkelijk onwelriekende adem had. Dat schiep toch een bepaalde afstand, zal ik maar zeggen, zeker op de nieuwjaarsbijeenkomst. Aanschouwt daar een volgepropte docentenkamer, is daar ineens een groot gat in de menigte, waarin dan weer die collega stond met een vermoedelijk bedorven toastje filet Americain in de hand.

Maar goed, enkele collega’s zullen dus – ondanks het feit dat ik mijn hand bij het schudden ver uitgestoken houd en daarbij een wegduwende beweging maak – ernstige pogingen tot verdergaand lichamelijk contact doen. Nu zal vermoedelijk het aantal gevallen waarin dat ontaardt in vol op de mond zoenen wel meevallen, je hebt in het onderwijs toch een bepaalde voorbeeldfunctie, en bovendien is daar dan nog het spiedend en alziend oog van de baas. Een complete orgie in de personeelskamer op de vroege maandagmorgen zit er dus niet in. Misschien kan ik een hinderlijk stoppelbaardje laten staan, of een groot bord om mijn nek hangen met daarop de wervende tekst: “PAS OP: GORDELROOS!”. En dit hele stukje zal ook een enorm zoenremmende werking op kuslustige ( ik wou haast zeggen: “bijtgrage”) collega’s hebben.

Eskimo’s schijnen elkaar geluk te wensen door hun neuzen langs elkaar te wrijven: ook zo wat, beetje meeëters uitwisselen. Nee, dan maar liever zoenen. Het zal allemaal wel meevallen. Gelukkig nieuwjaar. En krijg ik nou een kus?