Tider skal komme, tider skal henrulle

imageHet is de ochtend na de langste nacht van het jaar, die maar voort lijkt te duren. Bovendien zit ik hier dan ook nog eens in Noorwegen, waar alles nog donkerder, desolater en triestiger lijkt. Het weer werkt er ijverig aan mee; het mottert, met af en toe een flard natte sneeuw, en grauwe mistslierten drijven direct boven de met zwart water gevulde inhammen van de fjord. En dan is het hier nog zuid-Noorwegen. Echt licht lijkt het niet te worden, niet als de zon niet schijnt.

Ik kom hier geregeld; grauwe, verlaten oorden hebben een magnetische werking op wat grauwe, desolate personen zoals ik. Je vliegt er in een uurtje naar toe, opgestegen uit een nog redelijk fris groen ogend keurig aangelegd landschap, doorsneden met rechte lijnen en vierkante weilanden, een overvloed aan snelwegen met razend verkeer, en je landt in een zwart-bruine woestenij, aan donker water, bespikkeld met een triljard kleine eilandjes, een enkele auto op een kronkelende verlaten weg flitst onder je voorbij, en tussen de uitgestrekte dennenbossen ontwaar je hier en daar een huisje en wat lichtjes. Enige ordening valt er niet te ontdekken.
Het vriest hier ’s nachts, en de klimmende en dalende straten – er loopt niets recht – zijn veranderd in een ijsbaan waarop uw scribent zich met de moed der wanhoop naar een winkel begeeft waar ze naast vishaken, hengels, kloofbijlen, kachels, veel kachels, reusachtige mutsen en wanten ook van spijkers voorziene stukken rubber verkopen, die je onder je schoen moet bevestigen. Dat niet iedereen hier volslagen doodvalt is een raadsel. Het liefst zou ik hier mij op handen en knieën door de straten begeven, maar mogelijk valt dat wat op. Men blijft er nuchter onder, het hele jaar door, en gedurende de lange winters gaat de voltallige bevolking zich volgens mij enthousiast te buiten aan het snijden van honderden trollen en andere typisch Noorse huisvlijtuitingen uit knoestig hout.
Trollen leven hier. Dat moet gewoon. Het is er de plek voor. De bossen, die vanzelfsprekend eeuwig zingen, zijn gevuld met geritsel, steelse bewegingen, kleine oogjes die je vanonder kronkelende wortels aanstaren. Er is geen land ter wereld meer geschikt. Nederland zou niks zijn. Trollen, kabouters en elfjes, grote boze wolven, beren, feeën en heksen vinden bij ons geen plek, zouden worden uitgezet als ongewenste vreemdelingen en zouden bovendien ook geen plek vinden om te kunnen wonen. Alles bij ons is aangelegd, voorbestemd,vast ingedeeld, tot in ons systematische denken toe.
Je moet dus als sprookjesfiguur en als gelover van sprookjes een plek vinden waar je goed samen kunt, en dat is bijvoorbeeld in Noorwegen. Je krijgt dan wel een tik mee, dat is onvermijdelijk. Je gaat truien dragen die zich al een eeuw niets van modetrends lijken aan te trekken, je krijgt het typerend knoestige uiterlijk wat iedereen boven de 25 hier lijkt te ontwikkelen, ook al ben je nóg zo jong en mooi: die samengeknepen ogen bijvoorbeeld komen natuurlijk van het loeren tussen de donkere boomstammen of daar niet ergens een wolf of een beer ( en die zijn er ) verborgen zit of van het turen over de fjord op zoek naar een verdwaalde walvis die je in stukjes kunt hakken en tot de meest onsmakelijke delen geheel kunt verorberen. Vis koop je hier ook als koekjes, cake en pudding. ‘Fiskepudding’: glazige, grijswitte in plastic verpakte bollen. Het water loopt u nu ongetwijfeld uit de mond. Men heeft hier meer eh… wat afwijkende eetpatronen waarover ik niet in detail zal treden, want mogelijk wacht het kerstdiner tijdens het lezen van dit blog.
Kerst is hier een hoogtepunt in het jaar. Hier in het dorp staat een klein wit kerkje, waar op midwinter een ‘Vi singer Julen Inn’ ( ‘Wij zingen de kerst in’), gehouden wordt. Nu ben ik al jaren een afvallige op geloofsgebied, dus een stichtelijk woord en bijbehorend gezang is aan deze door al zijn verkeerde daden misschien wel reddeloos verloren ziel mogelijk niet besteed, maar je weet tenslotte nooit. De geluidsinstallatie binnen was van een erbarmelijke kwaliteit, dus ik verstond vrijwel niets van wat gesproken en gezongen werd, hoewel ik me normaliter wel redelijk kan redden hier. Zoiets heeft echter op zo’n moment een voordeel: je bent puur afhankelijk van klanken; mogelijk zong het meisje over een een stoere Noorse visser op zee of over een wilde nacht stijf van de drugs, maar op mij kwam alles een beetje over als een buitenaardse hypnotiserende klankensymfonie, die een beetje deed denken aan de slotgezang uit “As it is in Heaven”; lezers die deze schitterende film hebben gezien zullen ongetwijfeld weten wat ik bedoel. Niet gezien? Beslist kijken, zéker in deze tijd van het jaar.
Zo raakte ik in dat donkere kerkje in een tijdloze stemming, alsof ik daar de enige aanwezige nog was, nét zwevend boven dat afschuwelijk zittende rechte kerkbankje, zonder begrip van tijd en plaats; ‘Tider skal komme, tider skall henrulle’ , de klank is voldoende voor de vertaling. Weer buiten in de knisperende vrieslucht – het was zowaar even droog- schitterden de lichtjes van het dorp in het spiegelende water van de fjord.
Ik breng mijn dagen hier dus in een mijmerende stemming door, starend naar de regen en de natte sneeuw, de witte huisjes in het dorp, de grijze fjord tussen de daken door, mijn dromen bevolkt met wezentjes uit mythen en sagen. Genoeg tijd om te denken, en om weer een beetje te geloven in iets wat we een beetje verloren zijn, namelijk verbazing over de wereld om ons heen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

18 − 15 =