Urine afgeven

Wanneer je eenmaal met pensioen bent, begin je in een hoog tempo uit elkaar te vallen. Het kabinet, de zorgverzekeraars, de werkgevers en de Schepper hebben dat in goed overleg zo met elkaar geregeld.

Je krijgt een pijntje hier, een pijntje daar, en het verschuiven van de geraniums om een beter zicht naar buiten te hebben, gaat steeds moeizamer.
Eind 2019, toen ik nog jong en levenslustig was en een lichaam als een jonge god bezat, en toen iedereen nog geen corona had, deed ik mee aan de jaarlijkse Fjoertoer, een sprookjesachtig wandel-evenement door de nachtelijke duinen bij Egmond aan Zee. Het was de laatste maand voor mijn pensionering, dus het gedonder begon al. Flinke pijn in de lies, en dat was natuurlijk een dodelijke aandoening. Een mee wandelende doktersassistente vermoedde echter een liesbreuk, en zoals u weet is dat een typische oude mannetjeskwaal.
Natuurlijk wil je daar als stoere doorstapper niet van weten maar uiteindelijk bleek ze gelijk te hebben.

Maar ja, toen kwam corona. De operatie nog maar even uitstellen, meende de specialist.
Een aantal weken geleden is het er dan toch van gekomen. Ik mocht kiezen tussen een ruggeprik en een totale verdoving. Nu ben ik wel voor dat laatste, gezien aangename ervaringen in het verleden. Vooral het bijkomen daaruit vond ik uiterst relaxed, dus de zuster bracht braaf een infuus aan in mijn pols, en een paar uurtjes later strompelde ik geheel verkwikt naar de wachtende auto, want men wil je tegenwoordig ook weer zo snel mogelijk uit het ziekenhuis weg hebben.

Na een week begon mijn pols steeds zeerder te doen en rood te worden. Dus toch iets dodelijks, maar nee, het was een aderontsteking en dat vond de huisarts niet prettig, want die stuurde me gelijk door terug naar het ziekenhuis voor een echo, dus de maskers weer om en opnieuw richting de zorginstelling; een trombose in de arm, een zeldzame mogelijke bijwerking van het aanbrengen van een infuus. Met stolsels in de bovenarm bovendien. In de loterij win ik nooit wat, wegens ongeveer nul komma nul kans, maar hier was het dus de hoofdprijs.
De huisarts schreef bloedverdunning voor, liet mij ook nog een afspraak maken om bloed af te nemen om gelijk maar eens alles door te lichten, ik werd doorverwezen naar een instantie die mij een “medische armkous” zou aanmeten ( “voor de zekerheid, tot aan het bezoek aan de medisch specialist” ) én ik moest een potje urine komen langsbrengen wanneer de bloedzuster mij zou gaan prikken.

Waar is een handig pispotje als je het nodig hebt. Na lang zoeken kwam bij mij het idee op om zo’n handig pillenpotje van de Kruidvat vitamine D-pilletjes te nemen, die schenen de corona buiten de deur te houden én ze zijn van donkergroen bijna ondoorzichtig plastic, zodat niet iedereen je met een grote lauw-warme jampot vol donkergele ochtendpis bij de balie ziet staan. Maar ja, wat als er nog restjes vitamine D in zo’n potje zitten en dat mengt zich dan en wat krijg je dan mogelijk weer voor idiote uitslag. Eerst uitkoken met een scheut kokend water dan maar. Ogenblikkelijk schrompelde het potje ineen tot ongeveer de helft van de normale grootte, maar het was nu in elk geval schoon en het dopje wilde ook nog netjes dicht.

De volgende morgen vroeg mijn nuchtere plicht gedaan, en met het volle lekker warme potje in de jaszak kwiek richting de huisartsenpraktijk gewandeld. Halverwege voelde mijn jaszak wat nattig aan. Trouwe lezertjes vermoeden nu al wat er gebeurd was, en ik moet ze daarin gelijk geven. Terug rennen? Dan kwam ik te laat bij de bloedprikmevrouw. Het leven van een gepensioneerde is een aaneenschakeling van gruwelijke dilemma’s. Nu vond ik in mijn jaszak ( de andere, de droge ) ook nog een zakje voor de hondenpoep van de hond des huizes. Ook iets waar ik een hartgrondige hekel aan heb, dat je in de gietregen in zo’n plantsoentje een dampende hondendrol zo voordelig mogelijk met die zakjes probeert op te scheppen, vurig hopend dat er geen gaten in zitten. In dit geval was het zakje echter de redding, en in looppas vervolgde ik mijn weg richting huisartsenpraktijk, terwijl het zakje zich langzaam vulde en het potje vermoedelijk steeds leger werd. Eenmaal binnen zou ik wel om een nieuw potje vragen en op de plee overgieten wat er eventueel nog aanwezig was.
Bij de balie stond natuurlijk een lange rij waarbij iedereen ingewikkelde vragen had. Of jullie ook van die handige potjes voor de dinges en zo hebben. Dat hadden ze. Er stonden twee enorme bakken met plastic potjes, dus hup de wc in en een potje gevuld met wat nog over was. Terug naar de balie, waar opnieuw een lange rij stond, tot ik in de muur een kastje ontdekte waarin je potjes met urine kon afgeven. Dat scheelde weer nieuwsgierige blikken van de wachtenden. Er stonden nog twee potjes in het kastje, dus de mijne sloot mooi aan.
Toen naar de bloedzuster.
“Heeft u ook urine meegenomen?”
“Ja dat staat boven in het kastje”
“O maar dat moet niet, ik wil dat graag hier hebben om mee te sturen naar het lab”
Ik weer naar boven, kastje open, waarin inmiddels wel honderd potjes leken te staan die ik dus allemaal moest verplaatsen om het mijne terug te vinden. Ik weet nu hoe een urineonderzoeker zich moet voelen na een dag hard werken. Na de horrorzoektocht en het hysterisch verplaatsen van lauwwarme potjes van alle inwoners van Barneveld, bleek mijn potje dus verdwenen. Terug naar de balie, met een nieuwe rij wachtenden.

“Mijn potje is weg”
“O dat staat dan waarschijnlijk al achter, ik ga even voor u kijken”
Na enkele minuten kwam de assistente terug.
“Dit is niet het goede soort potje meneer, u moet een potje uit de andere bak hebben als het met het bloedonderzoek mee moet. Die met de pipetjes”
Weer de wc in, en laboratorium-achtige handelingen gepleegd. De bloedzuster was nu tevreden.

Om het verhaal over het uiteenvallen verder te complementeren zal ik u ook nog even de afloop van het armkous passen meedelen. Ik mocht na een weekje komen passen. De juffrouw aldaar vertelde mij dat dit haar eerste dag weer was als herintreedster en ik was de eerste klant van die ochtend. De kous lag klaar.
“Zal ik mijn trui maar uitdoen?”, vroeg ik.
“Nou nee, u kunt beter uw broek uit trekken”.
“Maar het is voor mijn arm, mevrouw”

Eenmaal weer buiten op straat, keek ik naar beneden. Daar lag een dode slak. Die zag het duidelijk ook niet meer zitten. Ik heb de kous nog niet verder gedragen. Er is een grens aan dingen.

Please follow and like us:

Eén antwoord op “Urine afgeven”

  1. Dit is wel heel erg herkenbaar. Ik moest vreselijk lachen bij het verhaal over het potje urine. Mij overkwam exact hetzelfde. Plastic zakje erom en zo weggezet. Nooit meer iets over gehoord.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

twaalf − acht =