Voorjaarsvakantie

“Wacht, ik haal even de kaart met de ski-pistes”.
“Ja, en dan zal ik je op de mijne even laten zien waar wij dit jaar naar toe gaan”.
Moeder en dochter voeren een enthousiast gesprek over de verschrikkingen van wintersport, waar ik mij, àls ik al mee zou gaan, toch het liefst de hele week in een arreslee, deken over de schoot, zou laten vervoeren. Dochter is nèt terug, met enorm blauwe knie, en moeder gaat over twee weken; er wordt hier dus nergens anders meer over gepraat. Doe mij maar sjoelen of dammen. Of sigarenbandjes verzamelen. Iedereen schijnt zich tegenwoordig in de vakantie te buiten moeten gaan aan een of ander sportief exces. Fun. Abseilen, raften, en nu zag ik weer in de krant een soort ski’s op luchtbanden waar je en passant nog even voor vijfhonderd euro passende outfit bij koopt en dan hup, de natuur in.
Ga je een dagje wandelen op je eerste voorjaarsvakantiedag, komt daar zo’n groepje felgekleurde, schreeuwende  terreinrijders aan, met van die moddersporen op hun achterwerk, glazige ogen en grote slierten snot aan de neus hangend. Waarom moeten die kerels zich zo uitsloven, hoe raak je je overvloed aan testoseron kwijt. En de maandag daarop tijdens de koffiepauze, de lunchpauze en de theepauze de hele fietstocht, of de voetbalwedstrijd, of de skilaupe of de schaatstocht nog eens tot vervelens toe nabespreken.
Een hele week vakantie gelukkig, even geen sport.

Wie in het onderwijs zit, heeft veel vrij, althans, zo denkt de buitenwereld, want ik moet me hier natuurlijk wèl even verdedigen tegen de hardnekkige misvatting dat wij docenten dus van vakantie naar vakantie leven en bijvoorbeeld ook dat wij maar één boek lezen, namelijk Elseviers Belastinggids.
Ik heb leesvoer genoeg mee.  De “Reflectiematrix” van het APS bijvoorbeeld. Die moet ik nog invullen, ik weet eigenlijk niet meer waarom: ik moet volgens de matrix kruisjes zetten of ik tijdens, vooraf, of na mijn les gevoelens heb die te maken hebben met hoofd, hart of buik. Het zou zómaar een kijkersonderzoek geweest kunnen zijn naar de effecten op het onderwijsproces tijdens het kijken naar Deep Throat. Niet gezien trouwens.
Het APS bedenkt – zoals altijd – méér boeiends, bijvoorbeeld een lijst met “Socratische vragen” die ik mijzelf moet stellen tijdens “het scheppen van een goed klimaat voor het denken”. Tegen de tijd dat ik alle 30 vragen heb gesteld – “Weet je zeker dat je jezelf niet tegenspreekt?”- ben ik vermoedelijk meer dan rijp voor een gesticht en kom ik helemaal niet meer aan normaal denken toe.

Maar ik ben er nog niet. Een andere instantie, het Groene Lab, waar men zich ook suf piekert over hoe hou je jezelf aan het werk, heeft mij van een waslijst documenten voorzien, die bijvoorbeeld gaan over het “backward mapping script van de denkorganizer” of over het “coachen van dikke en dunne vragen”. Het is reflecteren vóór en na in het onderwijs.

O ja, het APS wil ook graag dat ik weer ga stickeren , de laatste twintig minuten van mijn les, zodat ik met behulp van flaps ( ze hebben ze daar in de jaren ’70 blijkbaar groot ingekocht )  en gekleurde stickertjes met al mijn leerlingen plenair mag nabespreken. Is de les eenmaal klaar, dan moet ik nog de brillentest doen: kijk door de bril van mijzelf, de leerling, de coach, de vakdocent, de directrie en de ouder/verzorger, en dan mag ik vertellen wat ik zie.
Waarschijnlijk niks, alleen nog maar een stekende hoofdpijn door al die brillen en stickers. 

Please follow and like us:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

vijf − vijf =