Wauwel in Jordanië, deel 2

Wie rond reist in het Midden Oosten, dient zich aan te passen aan het wegdek en het verkeer wat daar over heen krioelt: taxi’s uit de jaren zeventig, oeroude Peugeot 504’s, aftandse Mercedessen – waar men in die landen een patent op schijnt te hebben- , ezelkarren, kuddes geiten en schapen, motoren waarop vier jongemannen opeengeperst zitten. Alles vindt een plekje op het wegdek wat in het algemeen in ernstige staat van ontbinding verkeert., en bijna alles vervoert balen en lasten in de meest onmogelijke maten. ook is het belangrijk dat alle voertuigen over een geluidsinstallatie beschikken, die dan allemaal zo hard mogelijk aanstaan en die  uit gebarsten luidsprekers onverstaanbare Arabische muziek schallen.   Een ritje in zo’n voertuig is een ritje in herrie van rammelende deuren, raampjes, sturen, schokbrekers en andere geluiden die aan de gruwelijkste mankementen doen denken, en het is ook een ritje in schier ondoordringbare sigarettenrook, want de gemiddelde Arabier is voor de sigarettenfabrikanten een dankbaar afzetgebied.

Om half vier ’s nachts waren wij aangekomen vanuit Amman, gebracht door een eenzame taxichauffeur die eigenlijk niet precies wist waar wij nu eigenlijk zouden moeten  zijn. De stad was uitgestorven, het hotel leek onvindbaar. Uiteindelijk, na veel gebel, werden wij door een klein poortje afgezet bij de ingang, waar wij door een slaperige nachtwacht naar onze kamer werden gebracht. Dodelijk vermoeid vielen wij in slaap op de piepende bedden, om een half uur later stijf rechtop te vliegen, gewekt door het galmende gekrijs van de luidsprekers van de naastgelegen moskee. Een keur aan Koran-gezangen schalde over de stille straten, overgenomen door andere moskeeën in andere gedeeltes van de stad.  Na een half uurtje stierven ook de laatste echo’s uit en konden wij een nieuwe poging doen in slaap te vallen. Ach, het hoort er allemaal bij.

Na een korte nacht, en maar afwachten of de rest van onze groep überhaupt wel in het hotel aanwezig was, bleek dat wij tot één uur ’s middags hadden mogen uitslapen. Dat ontdekten wij ’s ochtends om acht uur aan het ontbijt in het complex wat door Griekse monniken werd gerund. Het had iets jeugdherbergerigs, alleen de jeugdherbergvader en – moeder ontbraken. Het was weer even wennen, zo’n ontbijt. Nescafé – wat daar stevast ‘koffie’ wordt genoemd, de pita-achtige broodjes, het kuipje onbestemde smeerkaas, en een sausje van olijfolie met kruiden. Geen overvloedige ontbijtdis met croissantjes, De Ruyter hageltjes, beschuit, coburger ham en wat diex meer zij. De rest van de groep druppelde de ontbijtzaal binnen, en uiteindelijk ook onze reisbegeleidster, die ons in plat Amsterdams hartelijk welkom heette. Met z’n zeventienen waren we, en – hoe kan het ook anders – daarvan zaten er tien in het onderwijs. Die pik je er in het algemeen ook altijd zó uit.

Of we ons een beetje decent wilden kleden, zo vroeg onze gids. We zaten niet in Amman, en in zowel de koptische kerk waar we te gast waren, als in de naaste omgeving hechtte men aan bedekkende kleding. In de omliggende straten de bekende winkeltjes, die om onduidelijke redenen allemaal exact hetzelfde materiaal verkochten, voor allemaal dezelfde prijzen en allemaal geheel in oosterse smaak. Dat betekende voor de meubilairwinkeltjes veel donkerbruin gefineerd palissander, met goud geverfde randen, of door de zon volkomen gebleekte enorme bankstellen, die -van overdadige ornamenten voorzien- al jaren op de diverse stoepen voor de winkel leken te staan.
Het type waarop het Sovjet-politbureau uit de tijd van de Koude Oorlog pleegde te zetelen, en met een beetje fantasie zou je je er ook Gadaffi of Yasser Arafat op kunnen voorstellen.

Er waren ook winkels die uitsluitend voor de zoveelste maal gereviseerde autobanden verkochten, of emmers die daarvan waren gemaakt. Of winkels met uitsluitend rollen gaas, of verroeste buizen. Modewinkels met boerka’s in vele kleuren, of kleding die je deed vermoeden met een tijdmachine in de jaren veertig te zijn beland. En overal waren garages, tenminste, er waren zwart beroete openingen in de muur waarbinnen vaag stapels auto-onderdelen te onderscheiden waren, waar je een brug zag die bestond uit twee stapeltjes slordig gemetselde bakstenen. Rijdt u de auto hier maar tegen op, laat u in dit gat de motorolie maar even weglopen, dan plakken wij uw uitlaat met ijzerdraad opnieuw vast. De accu kunt u over de muur kieperen.

Er was een busstation, waar busachtige voertuigen in verregaande staat van verval klaar stonden om enorme lasten op de doorgezakte daken mee te nemen, op weg naar barre oorden in the middle of nowhere op het heetst van de dag, zonder airconditioning, want die was vanzelfsprekend kapot. En in de verte, aan de rand van de stad, ineens de wonderbaarlijk groene akkers, die glooiden in de zon tot aan het einde van de horizon. Het had in de dagen voorafgaand aan ons bezoek wonderbaarlijk veel geregend, de woestijnen zouden kortstondig groen zijn.
We bestelden koffie, kregen Nescafé met heel veel melk, en lieten de stad aan onze ogen voorbij trekken, gezeten op een terrasje waar ruimte was voor één piepklein rond tafeltje en twee piepkleine wrakke stoeltjes. Beneden ons kwam een schoolklas voorbij. Jongens van een jaar of zestien, op weg naar de kerk waar een zeldzaam mozaïek de toeristen verraste. In Nederland zou je als argeloze toerist de schrik om het hart slaan wanneer je in een groep van zo’n twintig slungelige knapen van een jaar of zestien verzeilde, maar hier begaf men zich keurig in rijen van twee, in schooluniform, in doodse stilte en begeleid door twee besnorde leraren naar het doel van de excursie, waarbij men ons schichtige blikken toe wierp. Die lui hadden er wel de wind onder. Je eigen leervraag bepalen? Nog nooit van gehoord!

De volgende keer: Op naar de Dode Zee!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

17 + 6 =