Wauwel in Jordanië, deel 4

Tot de stilste en meest aparte plekken op aarde behoort ongetwijfeld de woestijn van Wadi Rum. Na een rit van een paar uur bereikten wij de ingang – zelfs een woestijn kan dus een ingang hebben – , want het hele gebied is beschermd landschap en niet toegankelijk voor zo maar Jan en Alleman. Er staan dus wachtposten, en de rest van de reis dient te geschieden per speciaal daarvoor toegelaten jeep, per kameel of te voet. Nu zijn de jeeps in Jordanië en ook in Egypte van het soort dat volgens mij door het Engelse of Duitse leger in 1945 is achtergelaten, of misschien heeft Lawrence of Arabia daar persoonlijk nog aan liggen sleutelen, dus we kozen voor de kameel. Die staan bekend om hun prikkelbare aard, dus het leek mij verstandig om mijn gade op het ding te laten plaatsnemen en zelf het dier aan de teugels voort te zeulen en wanneer nodig voor held te kunnen spelen.

Ons doel was een bedoeïenenkamp, een paar uur verder op. De bagage van onze groep ging vast per aftandse jeep vooruit. Het landschap was adembenemend; vanuit de rossige zandvlakte staken de meest krankzinnige rode rotsformaties omhoog, en je kreeg sterk de indruk op Mars rond te wandelen. In feite liep je op de bodem van een reeds miljoenen jaren geleden opgedroogde zee. Zo raakten we steeds verder verwijderd van de bewoonde wereld, en kwam je eigenlijk terecht in een andere dimensie waar geen tijd meer bestond, heel onwerkelijk.
Onze reisbegeleidster had ons op het hart gedrukt onderweg geen rommel achter te laten, en bij voorkeur, wanneer er een grote boodschap gedaan moest worden, die te vuur en te zwaard te verdelgen. Alles verbranden dus. Verder oppassen voor slangen en schorpioenen, goed drinken en vooral de zon geen kans geven. Nu viel het met de temperatuur wel mee, het was tegen het einde van de middag, en de verschillen in temperatuur tussen dag en nacht kunnen daar enorm zijn. Veertig graden verschil is geen uitzondering.

De kameel sjokte onverstoorbaar voort en de vermoeidheid begon langzamerhand zijn tol te eisen. Lopen door het rulle zand was geen makkie, ook niet als je de overvloedig aanwezige wielsporen benutte. De beschaving had zelfs in dit gebied nog veel meer sporen achtergelaten, want overal zag je plastic afval. De vergelijking met de zee gaat dus aardig op.  Uiteindelijk bereikten we het kamp, een paar tenten gemaakt van kamelendekens, gelegen aan de voet van een rotswand.  Onderweg waren we een grote groep Jordaanse yuppen gepasseerd, die zich, gehuld in chique en trendy kleding op een rots hadden verzameld, en waar steeds meer verkeer naar toe trok. Bange voorgevoelens maakten zich van mij meester, maar voorlopig waren we nog te zeer onder de indruk van het landschap en het onderkomen voor de nacht.
Enkele groepsleden waren lichtelijk geschokt door het ontbreken van tussengordijnen in de tent, we lagen allemaal knusjes naast elkaar, maar op onze leeftijd hebben we uiteindelijk niet veel meer te verbergen.  De Jordaanse begeleiders presteerden het om in de snel vallende duisternis een heerlijke maaltijd op een houtvuurtje klaar te maken. Visioenen van gebakken kamelentestikels en geitenogen  bleken niet uit te komen, en ook een haastige vlucht naar het herentoilet – je mocht zelf kijken welk plekje tussen de rotsen je daarvoor uitzocht  – bleek vooralsnog niet nodig. Zag je in het pikkedonker her en der lichtjes in de woestijn, dan wist je: daar zit er eentje te poepen en moeilijk te doen om het te begraven of in de fik te steken.  Nu ben ik iemand die, wanneer zich drang voordoet, nog in het meest desolate landschap alle omliggende  heuvels en bergen op rent om te kijken of er toch maar vooral niemand aankomt,  maar de duisternis was een goed alternatief, en vele malen beter dan zo’n Arabische hurkplee.

Toen was het tijd om te gaan genieten van de sterrenhemel, de nachtrust en de stilte. Op dat moment kwamen alle bange voorgevoelens omtrent de Jordaanse yuppengroep uit. Vanuit de woestijn zwol een reusachtuge orkaan van geluid aan, duizendvoudig weerkaatst klonk de  dreun van een enorme houseparty, waarvoor met vrachtwagens alle mogelijke apparatuur was aangevoerd. Wadi Rum, de stilste plek op aarde, en uitgerekend op dat moment besloot Wauwel daar een paar nachten door te brengen…..
Wonder boven wonder klonk er tegen twaalven een soort volkslied, en trad zowaar stilte in….. misschien was de groep door woedende reizigers doodgeschoten of had iemand de stroomkabel doorgesneden. Tijd om te genieten van de nachtrust, maar het leed was nog niet geleden. Ik ben zo iemand die beslist een lang en ouderwets degelijk bed ( en niet een  vergaan schuimrubber lapje) nodig heeft om te kunnen slapen, en daarbij ook nog eens een stille omgeving. Ik ben jaloers op lieden die gaan liggen en ongeacht de ondergrond of houding direct vertrokken zijn naar dromenland. Daarvan waren er dus enkele in de groep. Wat door de muziek eerst niet hoorbaar was, schalde nu als een soort vuvuzela door de nacht: het oorverdovend gesnurk van enkele medereizigers. Al met al toch zeker wel een uurtje of twee geslapen die nacht.

De nacht daarop in het volgende kamp heerste echter absolute stilte. Ieder  had – door schade en schande wijs geworden – een rustig plekje bij de tent vandaan opgezocht en zo lag je daar dan naar de ontelbare sterren te kijken, in een ongekend heldere hemel,geen zuchtje wind,  terwijl je  in de stilte  uitsluitend het suizen van je eigen bloed door je aderen hoorde. Ongekend. Een nacht op Mars.

Bij het ontwaken ontdekte ik dat dit tevens bijna mijn laatste nacht was geweest. Pal naast mijn hoofd, onder de tas waar ik ’s nachts nog ijverig in had zitten rommelen om wat foto’s te maken, had zich een vervaarlijke zwarte schorpioen genesteld. Hoe kleiner de schaartjes, hoe giftiger, en deze was dus héél erg giftig. Het houdt je scherp, zullen we maar denken.

Eén antwoord op “Wauwel in Jordanië, deel 4”

  1. Wat interessant, wij waren afgelopen november ook in Jordanië. Tijdens ons bezoek aan Petra verbleven we in het Petra plaza, op de 5 etage.
    S’nachts kon ik niet slapen en dacht even een boek te lezen op de WC.
    Ik zag iets bewegen bij mijn voeten, wat toe ik met mijn duffe kop een zwarte schorpioen bleek. Schrok wel, maar besloot mijn (dikke) boek te gebruiken om het dier te platten.
    Het personeel schrok zich de volgende morgen een hoedje en begreep niet hoe het mogelijk was dat, op de 5 e etage, een schorpioen terecht was gekomen!
    Achteraf natuurlijk een bijzonder verhaal, maar volgende keer toch liever niet meer!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

2 × vijf =