Weg

wolkenWaarom wil ik toch altijd mee met elk vliegtuig dat hoog in de staalblauwe lucht zijn strepen trekt? Het maakt niet uit waarheen en wanneer. Ik ben rusteloos, wil altijd reizen. Altijd droom ik van terminals, hotels, dwalen door een onbekend en ver landschap. Altijd alleen ook, zelden een bekende mee.

Vliegen, ik kan het altijd doen. En altijd reizen associaties mee, ’s Nachts in mijn bed wat dan op zo’n moment mijn bed niet is, maar een tijdelijke rustplek in een vreemd en niet te vinden land. Vanuit mijn huis aan de rand van Haarlem zag ik ze vroeger komen:  van ver over zee strepen trekkend langs een ondergaande zon, omgeven door enorme torens van maartse hagelbuien, die tot in de hemel leken te reiken. Te hoog om hier te landen, onderweg naar verder. In de nacht een ver gerommel, soms ouderwets murmelend gezoem van propellers die het duister ranselen. Vracht, kranten, een zakenman, een heel klein lichtje schuivend langs het zwart. Ook een rij raampjes tussen witte xenonflitsen, zojuist gestart, hoger stijgend, onderweg naar Guangzhou, Kigali, Singapore. Ik volg het op mijn beeldscherm in een programma dat elk stipje een naam, een route en een nummer geeft. Mijn mobieltje is de sleutel tot de wereld, en het sleutelgat waardoor ik hem bezie, want onbereikbaar; je kunt niet mee, over enkele uren is het dag en fiets je naar je werk.

Vaak is daar toch nog een opening, en ga ik zelf. De geur van kerosine, de smeltkroes van de wereld bijeen in de vertrekhal. Het lange wachten, de controles, ik neem het allemaal voor lief. Het zachte bonzen wanneer mijn tijdelijke huis voor zo lang als mogelijk is wordt losgekoppeld van de gate, het zoemen van de flaps die straks de vleugels zullen sturen. Achter mij Engels, naast mij Spaans, voor mij iets wat Slavisch klinkt. De flitsen aan de vleugeltoppen bliksemen op het beton van de taxibaan, de laatste bocht. Blauwe lampen glijden spookachtig voorbij, het vliegtuig komt verend tot stilstand. “Cabin Crew prepare for take off”. Minuten staan wij daar, voor ons stijgt een toestel donderend op. Het geluid van de motoren wordt een gieren, de versnelling is intens, lichten schieten voorbij, het neuswiel bonkt als een steeds sneller kloppend hart. En dan, met een ruk, ben ik los van de aarde, verend en deinend draai ik weg, de stad vervaagt in wolkenflarden en glijdt steeds kleiner en langzamer onder mij door.

Het scherm vertelt mij dat het buiten -56 graden is, en dat wij op een hoogte van 32000 voet vliegen. Het is nacht, een korte nacht, ik vlieg tegen tijdzones in. Dit is een tijdmachine, maar ook een ontsnappingscapsule. Weg van waar ik was, kort naar een andere tijd, een andere wereld, een ander leven, ook al is het maar om toch weer terug te keren in een warm en heerlijk nest. Heel diep onder mij een puntje licht, ergens boven de onmetelijke Gobi Woestijn. Geen steden in de buurt. Wie woont daar? Onder wat voor zware omstandigheden? Wie kijkt omhoog en ziet mij gaan, wie ziet mij onbereikbaar hoog voorbij vliegen? Wie weet dat hij nooit dit leven zal leiden van de man die daar met bijna 900 kilometer per uur aan hem voorbij gaat? Recht opzij, ver weg, een vliegtuig dat in tegengestelde richting jaagt. In een oogwenk is het uit het zicht, en kijk ik naar het maanlicht op de vleugels. Aan het uiteinde het als een regelmatige hartslag flitsen van de strobes.  Achterin huilt kort een baby, een stewardess schuift langs; ik vraag nog een glas wijn, om drie uur ’s nachts. Slapen kan ik niet, nooit, in een vliegtuig. Alles wil ik meemaken, ook het ongemakkelijke hangen en draaien in de stoel die ondanks voldoende ruimte toch nooit lekker zit, en ook de onophoudelijke ruis in mijn oren, toch te hard om helemaal door mijn koptelefoon buitengesloten te worden. Dit is het reizen waar ik thuis, als ik niet weg ben, steeds van droom.

Mijn oren ploppen, ik daal in het ochtendgloren van Azië naar Hong Kong. De bergen in nevels,  een klein schip trekt een zog op zee. In de diepte de ontwakende stad. Miljoenen in torenhoge smalle flats, de dag breekt aan. Straks een paar uur drentelen op dit vliegveld, kijkend naar de bergen, de geuren en indrukken tot mij nemend. Het wachten op de aansluitende vlucht. Ik neem een koffie, ik zit duizelend aan het tafeltje. Slapen wil ik. Maar meer nog wil ik vliegen. Daar is mijn oproep, passengers now boarding. Ik pak mijn tas en drink mijn koffie op. Ik ga weer verder. Verder weg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

negentien + negentien =